Bijlage 2B - Rapport landschappelijke inpassing en beheer
Tekst van het document
Het maaisel wordt afgevoerd. Naar alle waarschijnlijkheid zal tenminste een deel van het zonneveld beheerd worden middels schapen. Het terrein wordt niet in zijn geheel gemaaid of begraasd. Zo is er altijd een deel van de ondergrond waar kruiden in bloei staan en een deel waar begraasd wordt en de verschillende fases er tussenin. Drukbegrazing wordt toegepast van maximaal 2 à 3 weken achtereen en met tussenpozen van minimaal 8 weken. Zo krijgen kruiden de kans te bloeien en zaad te zetten wat een meerwaarde heeft voor de biodiversiteit. Planning van het beheer Voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden wordt rekening gehouden met diverse factoren. Zo wordt er geen beheer uitgevoerd in het broedseizoen en wordt er voor gezorgd dat planten altijd kunnen bloeien.
32
5.3. Watervegetatie Rietkragen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietkragen kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en moerasvegetaties. Deze functie heeft ook de weidevogelpoel. Daarbij is het van belang dat er zandplekjes gecreeerd gaan worden voor ontvlooien en opwarmen van reptielen/amfibieën. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor amfibieën en ongewervelden. Tevens dienen ze als vitrage in het landschap. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer (vanaf 3jaar): De rietkragen wordt periodiek gemaaid in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar en al het maaisel wordt afgevoerd. Het maaisel en/of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Planning van het beheer De onbegroeide strook wordt bewerkt in het voorjaar of najaar. Snoeien, indien vereist, vindt plaats in de winterperiode.
33
5.4. Takkenrillen Takkenrillen zijn stammen, takken, bladeren en ander snoeimateriaal welke over de lengterichting op elkaar zijn gestapeld, meestal tussen een dubbele rij palen. Door de ruimte tussen de palen op te vullen ontstaat er zo een natuurlijke afscheiding met veel dekking voor vogels en kleine zoogdieren. Takkenrillen die als bijzonder waardevol voor kleine marterachtigen kunnen worden beschouwd, hebben een onderlaag van dikkere stammen (10-15 cm. diameter), zijn minimaal 1 m. hoog en minimaal 1 m. breed. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor kleine marterachtigen en biedt dekking voor vogels en kleine zoorgdieren. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer (vanaf 3 jaar): Het hout verteert langzaam en moet minimaal elke 3-5 jaar worden aangevuld met vers snoeimateriaal Planning van het beheer De werkzaamheden dienen buiten de kwetbare kraamperiode plaats te vinden: 1 sep - 15 maart
34
5.5. Grasland Doel Het grasland bestaat uit een overwegend gras, waarvan een relevant deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer: Door het beheer extensief uit te voeren kan een divers kruidenrijk grasland ontstaan. Het grasland zal tenminste 2x jaarlijks worden gemaaid, rond 15 juni en bij voorkeur eind september. Door laat in de zomer te maaien krijgen meerdere soorten meer ruimte om hun zaden te verspreiden, waardoor de diversiteit in de vegetatie verbetert. Het maaisel wordt afgevoerd. Naar alle waarschijnlijkheid zal tenminste een deel van het zonneveld beheerd worden middels schapen. Planning van het beheer Voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden wordt rekening gehouden met diverse factoren. Zo wordt er geen beheer uitgevoerd in het broedseizoen en wordt er voor gezorgd dat planten altijd kunnen bloeien.
35
5.6. Waterelementen Rietkragen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietkragen kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën en reptielen, libellen en moerasvegetaties. Daarbij is het van belang dat er droge zandplekjes gecreëerd gaan worden voor ontvlooien en opwarmen van reptielen/amfibieën en voor sommige insecten/bijensoorten. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor amfibieën en ongewervelden. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer: De rietkragen worden periodiek gemaaid in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar en al het maaisel wordt afgevoerd. Het maaisel en/of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Bij de waterpoelen dient jaarlijks gecontroleerd te worden of de zandplekken aan de noordelijke rand van het functie blijft behouden. De poel dient in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar worden gemaaid/geschoond en al het maaisel wordt afgevoerd. Drijvende waterplanten dienen te worden verwijderd. Planning van het beheer De werkzaamheden kunnen het beste buiten de kwetsbare periode plaatsvinden, te weten in de periode september/ oktober.
Maaien en schonen 36