Bijlage 2 Was & wordt lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Tekst van het document
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026 Inhoudsopgave 1. Verordening sociaal domein Deze was-wordt-lijst omvat alle wijzigingen in de Verordening, inclusief korte toelichting. De wijzigingen ten opzichte van de huidige Verordening zijn in de tabellen geel-gearceerd. Ter volledigheid staan de wijzigingen van het aangenomen raadsvoorstel over de herziening van het minimabeleid (12712193) ook in deze lijst, aangezien deze wijzigingen ook in werking treden op 1 januari 2026, net als de rest van de wijzigingen in deze was-wordt-lijst. De al aangenomen wijzigingen m.b.t. de herziening van het minimabeleid zijn in de tabellen blauw-gearceerd.
Verordening sociaal domein Oude tekst (2025)
Nieuwe tekst (2026)
Toelichting
Artikel 1. Begripsbepalingen b. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. […] k. individuele voorziening: een op de cliënt toegesneden voorziening waarvoor een toekenningsbeschikking van het college nodig is: • een voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet; • een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet.
Artikel 1. Begripsbepalingen b. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. c. onder een inkomen op minimumniveau wordt verstaan een inkomen op bijstandsniveau; l. individuele voorziening: een op de cliënt toegesneden voorziening waarvoor een toekenningsbeschikking van het college nodig is, dit betreft: • een voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet; • een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie en het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. Artikel 2. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat cliënten die daar om verzoeken: a. Kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b.
Kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i.het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en ii.hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;
Toelichting bij c. Het begrip inkomen op minimumniveau wordt verder gedefinieerd als inkomen op bijstandsniveau.
Artikel 2. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat cliënten die daar om verzoeken: a.Kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. Kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i.het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en ii.hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;
Toelichting bij k. De generieke participatie bestaat uit een reintegratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
Met deze toevoeging willen we de transparantie naar inwoners vergroten over hoe wij gegevens verwerken en uitvoering geven aan de wetgeving hierover.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Pagina 2 van 9
c.Worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning. 2. Het college wijst degene die de melding, aanvraag of verzoek indient op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. 3. Op verzoek van de cliënt kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.
c. Worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning. 2. Het college wijst degene die de melding, aanvraag of verzoek indient op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. 3. Op verzoek van de cliënt kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld. 4. Het college verwerkt persoonsgegevens van inwoners die een melding, aanvraag of verzoek indienen volgens de Privacyverklaring van gemeente Haarlemmermeer, waarin staat hoe de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG worden toegepast.
Beschikbare voorzieningen Artikel 3. 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: … In het kader van de uitvoering van de Wmo 2015: vrij toegankelijke dagbesteding; kortdurende opvang dak- en thuislozen onafhankelijke clientondersteuning sociaal breed (voor Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet).
Artikel 3. Beschikbare voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: … In het kader van de uitvoering van de Wmo 2015: vrij toegankelijke dagbesteding; kortdurende opvang dak- en thuislozen onafhankelijke clientondersteuning sociaal breed (voor Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet). deelscootmobiel voorziening
We zijn druk bezig met de uitrol van het deelscootmobiel-concept. Om het concept goed te laten werken, moet de deelscootmobiel voorliggend zijn op een individuele scootmobiel voorziening. Daarom regelen we dat de deelscootmobiel als algemene voorziening wordt aangewezen. Daarnaast vergroten we de laagdrempeligheid door deze als algemene voorziening aan te merken (alleen een lichte toets).
Proces melding en aanvraag Artikel 5, lid 1 1. Een melding als bedoeld in artikel 1 onder m van deze verordening kan schriftelijk (via post of digitaal) of mondeling (telefonisch of tijdens een afspraak) bij het college worden ingediend.
Proces melding en aanvraag Artikel 5, lid 1 1. Een melding als bedoeld in artikel 1 van deze verordening kan schriftelijk (via post of digitaal) of mondeling (telefonisch of tijdens een afspraak) bij het college worden ingediend.
Specifieke en foutieve verwijzing verwijderd.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Regels voor pgb Artikel 24, lid 6 6. Wanneer de cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de diensten betrekt van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een andere informele zorgverlener, wordt de hoogte van het tarief voor een pgb voor de inzet van informele hulpverleners gebaseerd op de CAO VVT.
Regels voor pgb Artikel 28, lid 6 6. Wanneer de cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de diensten betrekt van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een andere informele zorgverlener, wordt de hoogte van het tarief voor een pgb voor de inzet van informele hulpverleners gebaseerd op de CAO VVT.
Definities Artikel 33, onderdeel s In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: s. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; Algemene bepaling over voorzieningen Artikel 36, lid 2 en 3 2. Het college kan een voorziening weigeren als: d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
Persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 39, lid 1 en 2 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 36, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 4.1.
Sociale Activering Artikel 40, lid 1 en 2 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
Pagina 3 van 9
Regels voor pgb (jeugd) Artikel 24, lid 6 6. Wanneer de client aan wie een pgb wordt verstrekt de diensten betrekt van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een andere informele zorgverlener, wordt de hoogte van het tarief voor een pgb per uur voor de inzet van de informele hulpverlening gebaseerd op minimaal het wettelijk minimum bruto uurloon inclusief vakantietoeslag. Regels voor pgb (Wmo) Artikel 28, lid 6 6. Wanneer de client aan wie een pgb wordt verstrekt de diensten betrekt van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een andere informele zorgverlener, wordt de hoogte van het tarief voor een pgb per uur voor de inzet van de informele hulpverlening gebaseerd op minimaal het wettelijk minimum bruto uurloon inclusief vakantietoeslag. Definities Artikel 33, onderdeel s s. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie, waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;
Op 30 september 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2025:1276) dat gemeenten het wettelijk minimumloon als pgb-tarief voor het sociaal netwerk mogen hanteren. Naar aanleiding van deze uitspraak willen we het tarief verlagen van € 25,65 naar € 20,00 euro per uur.
Algemene bepaling over voorzieningen Artikel 36, lid 2 en 3 2. Het college kan een voorziening weigeren als: d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; of 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; Persoonlijke ondersteuning bij werk en maatschappelijke participatie Artikel 39, lid 1 en 2 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk of maatschappelijke participatie aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2.Persoonlijke ondersteuning bij werk of maatschappelijke participatie als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 36, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 4.1.
De generieke participatie bestaat uit een re-integratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
Maatschappelijke participatie Artikel 40, lid 1 en 2 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden als voorziening gericht op meedoen in de samenleving, naast of in plaats van arbeidsinschakeling, in samenspraak met de bijstandsgerechtigde of op initiatief van het
Met de participatiewet in balans wordt het begrip sociale activering vervangen door maatschappelijke participatie. Met deze wijziging beoogt de regering bijstandsgerechtigden en gemeenten meer ruimte te bieden voor het vormgeven en nader invullen van de
Op 30 september 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2025:1276) dat gemeenten het wettelijk minimumloon als pgb-tarief voor het sociaal netwerk mogen hanteren. Naar aanleiding van deze uitspraak willen we het tarief verlagen van € 25,65 naar € 20,00 euro per uur.
De generieke participatie bestaat uit een re-integratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
De generieke participatie bestaat uit een re-integratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Pagina 4 van 9
gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
college. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon en in samenspraak met die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
verplichtingen binnen de generieke participatieplicht.
Beschut werk Artikel 41, lid 3 en 4 3. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; a. uitsplitsing van taken; of b. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. c. sociale activering; d. arbeidsmatige dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 4. Het college kan de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:
Beschut werk Artikel 41, lid 3 en 4 3. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; a. uitsplitsing van taken; of b. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. c. maatschappelijke participatie; d. arbeidsmatige dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 4. Het college kan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt zoals uiteengezet in de Beleidsregels re-integratie 2026.
Lid 3: Met de participatiewet in balans wordt het begrip sociale activering vervangen door maatschappelijke participatie. Met deze wijziging beoogt de regering bijstandsgerechtigden en gemeenten meer ruimte te bieden voor het vormgeven en nader invullen van de verplichtingen binnen de generieke participatieplicht.
Duur en omvang van een tegenprestatie Artikel 44 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor minimaal vijf uur per week en maximaal zestien uur per week. 2. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in lid 1, als toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 3. De tegenprestatie mag een maximale duur hebben van zes maanden per kalenderjaar. 4. Het college kan jaarlijks meerdere keren de tegenprestatie opdragen met inachtneming van de kaders gesteld in lid 1 t/m 3 van dit artikel.
Duur en omvang van een tegenprestatie Artikel 44 Vervallen per 1 januari 2026
De Participatiewet wordt aangepast: de verplichte tegenprestatie en sociale activering verdwijnen en maken plaats voor maatschappelijke participatie naast arbeidsinschakeling. De wettelijke basis voor de tegenprestatie en de bijbehorende verordeningsplicht vervallen. Daarmee verschuift de nadruk van moeten naar kunnen: mensen worden aangemoedigd om op een manier die bij hen past bij te dragen aan de samenleving. Dit sluit beter aan bij de uitgangspunten van de Participatiewet in balans: vertrouwen, maatwerk en een mensgerichte uitvoering, waarbij gemeenten meer ruimte krijgen om participatie flexibel vorm te geven.
Aanvraagprocedure ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 44c, lid 4 4. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
Aanvraagprocedure ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 44c, lid 4 4. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.
De generieke participatie bestaat uit een re-integratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
Geen tegenprestatie Artikel 45 1. Het college draagt geen tegenprestatie op aan: a. een persoon die voor ten minste vijf uur
Geen tegenprestatie Artikel 45 Vervallen per 1 januari 2026
De Participatiewet wordt aangepast: de verplichte tegenprestatie en sociale activering verdwijnen en maken plaats voor maatschappelijke participatie naast arbeidsinschakeling. De wettelijke
Lid 4: Een opsomming van de voorzieningen in de verordening ontbrak. In plaats van een opsomming verwijzen we naar de Beleidsregels reintegratie, waarin de voorzieningen uiteengezet worden.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
per week vrijwilligerswerk verricht; b. een persoon die deelneemt aan activiteiten in het kader van een reintegratietraject, een participatietraject, of een baan heeft voor ten minste vijf uur per week; c. een persoon die zorgtaken verricht, bijvoorbeeld als mantelzorger, voor ten minste vijf uur per week. 2. Het college kan afwijken van de minimale uren gesteld in lid 1 onder a, b, en c als toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 3. Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat sprake kan zijn van een ontheffing van de tegenprestatie als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Pagina 5 van 9
basis voor de tegenprestatie en de bijbehorende verordeningsplicht vervallen. Daarmee verschuift de nadruk van moeten naar kunnen: mensen worden aangemoedigd om op een manier die bij hen past bij te dragen aan de samenleving. Dit sluit beter aan bij de uitgangspunten van de Participatiewet in balans: vertrouwen, maatwerk en een mensgerichte uitvoering, waarbij gemeenten meer ruimte krijgen om participatie flexibel vorm te geven.
Langdurig laag inkomen Artikel 46 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners. 2. Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die: a. op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten; b. op de peildatum of in de 12 maanden daaraan voorafgaand in een WLZ-inrichting, RIBW-inrichting of een andere instelling bedoeld voor beschermd wonen verbleven, zonder zelfstandig te wonen en zonder vaste woonkosten- en/of woonlasten te hebben. 3. Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld(e) formulier. Personen die 36 maanden of langer aaneengesloten een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen én voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in lid 1 en 2, hoeven voor het kalenderjaar 2026 geen verzoek in te dienen. Zij krijgen de individuele inkomenstoeslag eenmaal per 12 maanden ambtshalve uitgekeerd.
Langdurig laag inkomen Artikel 46 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners. 2. Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die: a. op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten en uitzicht hebben op inkomensverbetering; b. op de peildatum of in de 12 maanden daaraan voorafgaand in een WLZ-inrichting, RIBW-inrichting of een andere instelling bedoeld voor beschermd wonen verbleven, zonder zelfstandig te wonen en zonder vaste woonkosten- en/of woonlasten te hebben. 3. Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld(e) formulier. Personen die 36 maanden of langer aaneengesloten een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen én voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in lid 1 en 2, hoeven voor het kalenderjaar 2026 geen verzoek in te dienen. Zij krijgen de individuele inkomenstoeslag eenmaal per 12 maanden ambtshalve uitgekeerd. belei
Lid 2, onderdeel a: het categoraal uitsluiten van de studenten van het recht op individuele inkomenstoeslag is niet in overeenstemming met de Participatiewet. Studenten die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering, bijv. vanwege medische beperkingen, hebben volgens de Participatiewet recht op bijzondere bijstand. Er dient een individuele beoordeling plaats te vinden waarin wordt vastgesteld of de student geen uitzicht heeft op inkomensverbetering en daarom recht heeft op de toeslag.
Hoogte individuele inkomenstoeslag Artikel 47 1. Per 1 januari 2025 bedraagt de individuele inkomenstoeslag voor het kalenderjaar 2025: a. een alleenstaande € 480 per jaar; b. een alleenstaande ouder € 620 per jaar; c. gehuwden/samenwonenden € 690 per jaar.
Hoogte individuele inkomenstoeslag Artikel 47 1. De individuele inkomenstoeslag voor het kalenderjaar 2026 bedraagt: a. een alleenstaande € 380 per jaar; b. een alleenstaande ouder € 540 per jaar; c. gehuwden/samenwonenden € 600 per jaar. d. Inwoners die in 2025 de individuele inkomenstoeslag zijn toegekend en in 2026
De overgangsregeling van de individuele inkomenstoeslag conform het aangenomen raadsvoorstel (12712193) was onvoldoende in de verordening vastgesteld. Dat herstellen we met een toevoeging in lid 1. In het huidige onderdeel a staat er een tegenstrijdigheid t.o.v. de rest van lid 2 (), namelijk dat in het geval van een
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Pagina 6 van 9
2. Per 1 januari 2026 bedraagt de individuele inkomenstoeslag voor het kalenderjaar 2026: a. een alleenstaande € 380 per jaar; b. een alleenstaande ouder € 540 per jaar; c. gehuwden/samenwonenden € 600 per jaar. 3. Uitgangspunt is, dat het recht op individuele inkomenstoeslag gehuwden gezamenlijk toekomt. Indien belanghebbenden op de peildatum voor de wet als gehuwd/gezamenlijke huishouding worden aangemerkt, moeten beide belanghebbenden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van de wet. a. Indien op de peildatum bij gehuwden/partners met een gezamenlijke huishouding één partner is uitgesloten van het recht op bijstand, dan kan de andere partner wel recht hebben op de individuele inkomenstoeslag van een alleenstaande (ouder). Omdat belanghebbende wel beschouwd dient te worden als gehuwde, dient het gezinsinkomen te worden getoetst aan de norm van artikel 21 onderdeel b van de wet. Ook het inkomen en vermogen van de niet rechthebbende echtgenoot zal aan de eisen van wet en verordening moeten voldoen. b. Indien op de peildatum bij gehuwden/partners met een gezamenlijke huishouding één partner niet voldoet aan de voorwaarden van wet en verordening, hebben beide partners geen recht. c. Indien de belanghebbende in de referteperiode meerdere partners heeft gehad, dienen de inkomsten en het vermogen van die partners te worden meegenomen in de inkomenstoets.
nog steeds recht hebben op de toeslag, hebben in plaats van recht op de bovengenoemde bedragen (onderdeel a t/m c) recht op een tegemoetkoming ter hoogte van het toepasselijke bedrag voor de individuele inkomenstoeslag in 2025: i. een alleenstaande € 480 per jaar; ii. een alleenstaande ouder € 620 per jaar; iii. gehuwden/samenwonenden € 690 per jaar. 2. Uitgangspunt is, dat het recht op individuele inkomenstoeslag gehuwden gezamenlijk toekomt. Indien belanghebbenden op de peildatum voor de wet als gehuwd/gezamenlijke huishouding worden aangemerkt, moeten beide belanghebbenden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van de wet. a. Indien op de peildatum bij gehuwden/partners met een gezamenlijke huishouding één partner niet voldoet aan de voorwaarden van wet en verordening, hebben beide partners geen recht. b. Indien de belanghebbende in de referteperiode meerdere partners heeft gehad, dienen de inkomsten en het vermogen van die partners te worden meegenomen in de inkomenstoets.
gezamenlijke huishouding beide belanghebbenden moeten voldoen aan de voorwaarden voordat er recht is op de toeslag. Juridisch gezien is het niet de bedoeling dat er een alleenstaande norm van de toeslag wordt verstrekt als één van de partners is uitgesloten van het recht op bijstand. Daarom verwijderen we het huidige onderdeel a en passen we de nummering aan.
Titel: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 57. Gedragingen Participatiewet a. eerste categorie: 1°. het zich niet tijdig Iaten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig Iaten verlengen van de registratie; 2°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
Titel: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie Artikel 57. Gedragingen Participatiewet a. eerste categorie: 1°. het zich niet tijdig Iaten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig Iaten verlengen van de registratie. 2°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
Gedragingen IOAW en IOAZ Artikel 58 eerste categorie: 1°. het zich niet tijdig Iaten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig Iaten verlengen van de registratie; 2°. het niet of onvoldoende verrichten van
Gedragingen IOAW en IOAZ Artikel 58 eerste categorie: 1°. het zich niet tijdig Iaten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig Iaten verlengen van de registratie;
De Participatiewet wordt aangepast: de verplichte tegenprestatie en sociale activering verdwijnen en maken plaats voor maatschappelijke participatie naast arbeidsinschakeling. De wettelijke basis voor de tegenprestatie en de bijbehorende verordeningsplicht vervallen. Daarmee verschuift de nadruk van moeten naar kunnen: mensen worden aangemoedigd om op een manier die bij hen past bij te dragen aan de samenleving. Dit sluit beter aan bij de uitgangspunten van de Participatiewet in balans: vertrouwen, maatwerk en een mensgerichte uitvoering, waarbij gemeenten meer ruimte krijgen om participatie flexibel vorm te geven. De Participatiewet wordt aangepast: de verplichte tegenprestatie en sociale activering verdwijnen en maken plaats voor maatschappelijke participatie naast arbeidsinschakeling. De wettelijke basis voor de tegenprestatie en de bijbehorende verordeningsplicht vervallen. Daarmee verschuift de
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Pagina 7 van 9
een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
2°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
nadruk van moeten naar kunnen: mensen worden aangemoedigd om op een manier die bij hen past bij te dragen aan de samenleving. Dit sluit beter aan bij de uitgangspunten van de Participatiewet in balans: vertrouwen, maatwerk en een mensgerichte uitvoering, waarbij gemeenten meer ruimte krijgen om participatie flexibel vorm te geven.
Titel: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Boven artikel 60.
Titel: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie Boven artikel 60.
Artikel 64 a. 10 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
Artikel 64 a. 10 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie;
De generieke participatie bestaat uit een re-integratiedeel gericht op arbeidsinschakeling en in een maatschappelijk participatie-deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het verbeteren van het welbevinden in breedste zin.
Artikel 69 4. Het bepaalde in lid 3 geldt niet voor personen die volledig zijn ontheven van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9 wet.
Artikel 69 4. Het bepaalde in lid 3 geldt niet voor personen die volledig zijn ontheven van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9 van de wet.
Tekstuele wijziging
Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen Artikel 70 1. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet. 2. Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van een reservering voor de uitvaart die op een aparte rekening staat of indien er sprake is van een aparte polis in natura (niet afkoopbaar). De hoogte van de extra vermogensvrijlating is vastgelegd in het geldende Financieel besluit sociaal domein. 3. Van het uitgangspunt dat motorvoertuigen meetellen voor de vermogensvaststelling kan worden afgeweken indien: a. de het motorvoertuig, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is en de waarde van de auto niet meer bedraagt dan € 28.816. b. In afwijking van het hiervoor gestelde onder lid 3, onderdeel a geldt, indien er sprake is van een aangepast voertuig omdat de persoon of een van de gezinsleden lichamelijke beperkingen heeft, er geen maximumbedrag van € 28.816. c. in de overige gevallen mag de waarde van het motorvoertuig niet meer bedragen dan maximaal € 2.500. Indien de waarde van het motorvoertuig hoger is dan dit maximumbedrag, dan telt alleen het meerdere boven € 2.500 mee voor de
Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen Artikel 70 1. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet. 2. Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van een reservering voor de uitvaart die op een aparte rekening staat of indien er sprake is van een aparte polis in natura (niet afkoopbaar). De hoogte van de extra vermogensvrijlating is vastgelegd in het geldende Financieel besluit sociaal domein. 3. Van het uitgangspunt dat motorvoertuigen meetellen voor de vermogensvaststelling kan worden afgeweken indien: a. de het motorvoertuig, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is en de waarde van de auto niet meer bedraagt dan € 28.816. b. In afwijking van het hiervoor gestelde onder lid 3, onderdeel a geldt, indien er sprake is van een aangepast voertuig omdat de persoon of een van de gezinsleden lichamelijke beperkingen heeft, er geen maximumbedrag van € 28.816. c. in de overige gevallen mag de waarde van het motorvoertuig niet meer bedragen dan maximaal € 2.500. Indien de waarde van het motorvoertuig hoger is dan dit maximumbedrag, dan telt alleen het meerdere boven € 2.500 mee voor de
Dit artikel is verplaatst naar de nieuwe beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2026. In 2025 is dit artikel tijdelijk ondergebracht in de verordening sociaal domein wegens gebrek aan een passende plek in de bestaande beleidsregels.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
Pagina 8 van 9
vermogensvaststelling. De vrijlating van € 2.500 geldt slechts ten aanzien van één motorvoertuig per gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde huishouden over nog een motorvoertuig wordt beschikt, wordt de waarde daarvan toegerekend aan het vermogen. Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig (inclusief btw) kan gebruik gemaakt worden van de online ANWB-koerslijst. Caravans en boten worden vanwege hun aard in beginsel niet beschouwd als algemeen gebruikelijk en daarom meegeteld met het vermogen. 4. Caravans en vaartuigen worden meegeteld bij het vermogen, omdat deze vanwege hun aard in beginsel niet als algemeen gebruikelijk of noodzakelijk worden beschouwd in de zin van artikel 34 lid 2 sub a van de wet.
vermogensvaststelling. De vrijlating van € 2.500 geldt slechts ten aanzien van één motorvoertuig per gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde huishouden over nog een motorvoertuig wordt beschikt, wordt de waarde daarvan toegerekend aan het vermogen. Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig (inclusief btw) kan gebruik gemaakt worden van de online ANWB-koerslijst. Caravans en boten worden vanwege hun aard in beginsel niet beschouwd als algemeen gebruikelijk en daarom meegeteld met het vermogen. 4. Caravans en vaartuigen worden meegeteld bij het vermogen, omdat deze vanwege hun aard in beginsel niet als algemeen gebruikelijk of noodzakelijk worden beschouwd in de zin van artikel 34 lid 2 sub a van de wet.
Hoofdstuk 5 Schuldhulpverlening Nieuw artikel 70. Beschikkingstermijn
Hoofdstuk 5 Schuldhulpverlening Nieuw Artikel 70. Beschikkingstermijn De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen maximaal acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Er stond in de verordening Sociaal Domein nog geen beschikkingstermijn voor schuldhulpverlening. Artikel 4a derde lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening verplicht de gemeente om in een gemeentelijke verordening een beschikkingstermijn op te nemen. Met dit artikel voldoen wij hieraan. Acht weken is het maximale en meest gangbare termijn.
Middelen uit kansspelen Artikel 71 1. Alle opbrengsten in verband met gokactiviteiten worden beschouwd als inkomen en moeten door belanghebbende worden gemeld aan het college. 2. Er is sprake van online gokactiviteiten wanneer er door belanghebbende digitale betalingen aan een (digitale) gokinstelling, zoals een website of app, worden gedaan. 3. Er is sprake van gokactiviteiten in een fysieke locatie wanneer er door belanghebbende zowel cashbetalingen als pinopnames in een gokinstelling, zoals een casino, worden gedaan. 4. Wanneer een belanghebbende opbrengsten ontvangt uit gokken, dan wordt dit aangemerkt als inkomen welke in mindering worden gebracht op de bijstand. Bij het vaststellen van de inkomsten uit de gokactiviteiten wordt geen rekening gehouden met de verwervingskosten (inleggelden) en op deze opbrengsten is geen vrijlating van een deel van het inkomen van toepassing. 5. Om in het geval van online gokactiviteiten, zoals beschreven in lid 2, het recht op bijstand te kunnen vaststellen overlegt belanghebbende een administratie van de gokactiviteiten zoals deze is opgenomen in het onlineaccount van betrokkene van de betreffende online gokinstelling(en). 6. Om in het geval van fysieke gokactiviteiten, zoals beschreven in lid 3,
Middelen uit kansspelen Artikel 71 1. Alle opbrengsten in verband met gokactiviteiten worden beschouwd als inkomen en moeten door belanghebbende worden gemeld aan het college. 2. Er is sprake van online gokactiviteiten wanneer er door belanghebbende digitale betalingen aan een (digitale) gokinstelling, zoals een website of app, worden gedaan. 3. Er is sprake van gokactiviteiten in een fysieke locatie wanneer er door belanghebbende zowel cashbetalingen als pinopnames in een gokinstelling, zoals een casino, worden gedaan. 4. Wanneer een belanghebbende opbrengsten ontvangt uit gokken, dan wordt dit aangemerkt als inkomen welke in mindering worden gebracht op de bijstand. Bij het vaststellen van de inkomsten uit de gokactiviteiten wordt geen rekening gehouden met de verwervingskosten (inleggelden) en op deze opbrengsten is geen vrijlating van een deel van het inkomen van toepassing. 5. Om in het geval van online gokactiviteiten, zoals beschreven in lid 2, het recht op bijstand te kunnen vaststellen overlegt belanghebbende een administratie van de gokactiviteiten zoals deze is opgenomen in het onlineaccount van betrokkene van de betreffende online gokinstelling(en). 6. Om in het geval van fysieke gokactiviteiten, zoals beschreven in lid 3, het
Dit artikel is verplaatst naar de nieuwe beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2026. In 2025 is dit artikel tijdelijk ondergebracht in de verordening sociaal domein wegens gebrek aan een passende plek in de bestaande beleidsregels.
Was- & wordt-lijst Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026
het recht op bijstand te kunnen vaststellen overlegt belanghebbende een overzicht van pinopnames tijdens het bezoek aan de gokinstelling. 7. De inkomsten uit gokken bij een fysieke instelling zijn gelijk aan de ingelegde bedragen. De ingelegde bedragen worden herleid aan de hand van de pinopnames op de bankafschriften. 8. Wanneer er sprake is van een incidentele opbrengst van een loterij, dan wordt deze opbrengst gezien als vermogen.
recht op bijstand te kunnen vaststellen overlegt belanghebbende een overzicht van pinopnames tijdens het bezoek aan de gokinstelling. 7. De inkomsten uit gokken bij een fysieke instelling zijn gelijk aan de ingelegde bedragen. De ingelegde bedragen worden herleid aan de hand van de pinopnames op de bankafschriften. 8. Wanneer er sprake is van een incidentele opbrengst van een loterij, dan wordt deze opbrengst gezien als vermogen.
Nummering en citeertitel Artikel 72, 73, 74 en 75
Nummering en citeertitel Artikel 72, 73, 74 en 75
Artikel 72. Nadere regels Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening.
Artikel 71. Nadere regels Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening.
Artikel 73. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening of nadere regels wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 72. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening of nadere regels wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 74. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking, doch niet eerder dan op 1 januari 2025. De Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2024 wordt per gelijke datum ingetrokken. 2. Een recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de voorgaande Verordening sociaal domein 2015, 2016, 2019, 2021, 2022, 2023 en 2024 blijft gehandhaafd totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt gewijzigd. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordeningen bedoeld in het tweede lid en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2024, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 73. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking, doch niet eerder dan op 1 januari 2026. De Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2025 wordt per gelijke datum ingetrokken. 2. Een recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de voorgaande Verordening sociaal domein 2015, 2016, 2019, 2021, 2022, 2023, 2024 en 2025 blijft gehandhaafd totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt gewijzigd. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordeningen bedoeld in het tweede lid en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2025, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 75. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2025.
Artikel 74. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026.
Pagina 9 van 9
Actualisering nummering en citeertitel