Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
7
Confidentiality: C2 - Internal
Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2023, Gemeente Haarlemmermeer, raadsvoorstelnummer 2020.0000060.
32
Figuur 16
Archeologische Beleidskaart Haarlemmermeer
Beschrijving huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een gebied van circa 59 hectare dat wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Er liggen geen cultuurhistorische monumenten binnen het projectgebied. Uit de Archeologische beleidskaart blijkt dat het projectgebied een lage trefkans heeft voor archeologische waarden. Op grond van het beleidskader wenst de gemeente Haarlemmermeer archeologisch bureauonderzoek bij plannen met een omvang van meer dan 10.000 m2 en waar dieper wordt gegraven dan 40cm. Voor zonneparken geldt dat de ingreep in de bodem überhaupt zeer beperkt is. Voor verankering in de bodem vinden geen heiwerkzaamheden plaats. Verankering wordt bij moderne grondgebonden zonneparken op een diepte van niet meer dan 1,5 m beneden maaiveld aangebracht door middel van schroefpalen of palen die in de grond worden geperst. Met de aanleg van kabels tussen transformatorstations en het inkoopstation is mogelijk wel sprake van een grondroering van enig belang. Het tracé van deze kabels en de sleufdiepte is echter nog niet bekend, dat wordt uitgewerkt in het kader van het definitief ontwerp. Indien nodig zouden deze kabelwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met behulp van archeologische begeleiding. Toetsing Met de ontwikkeling van een zonnepark kan sprake zijn van grondroerende werkzaamheden tot een diepte van ca. 4 meter onder het maaiveld. Ten behoeve van
Confidentiality: C2 - Internal
33
de voorgenomen ontwikkeling van het zonnepark is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Archol (zie Bijlage B). Het bureauonderzoek had tot doel een inschatting te geven van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op bekende en verwachte archeologische waarden in het plangebied. Bekende archeologische vindplaatsen binnen of in de nabij omgeving van het plangebied ontbreken. Ook zijn op de oudste kaarten vanaf de inpoldering van de Haarlemmermeer geen potentiële archeologische locaties zoals voormalige huislocaties of waterstaatkundige werken te onderscheiden. Uitgaand van de paleogeografische ontwikkelingen van het gebied kunnen twee archeologische niveaus worden onderscheiden. Het onderste niveau betreft de top van het laat-pleistocene dekzandlandschap. De top van het dekzand ligt circa 6 tot 7 meter onder het huidige maaiveld en daarmee ruim onder de maximale verstoringsdiepte van 4,0 m -mv, samenhangend met de realisatie van het zonnepark. Het bovenste archeologische niveau komt overeen met de top van de getijdenafzettingen (Laagpakket van Wormer) en ligt min of meer aan het huidige maaiveld. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-neolithicum is hier laag. Sporen van bewoning zijn in dit landschap specifiek te verwachten op de iets hoger gelegen kreekruggen en andere natuurlijke hoogten.
Binnen de grenzen van het plangebied ontbreken echter aanwijzingen hiervoor, waardoor uitgegaan kan worden van een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-neolithicum. Ook uit de periode bronstijd – volle middeleeuwen worden geen archeologische resten (in situ) verwacht. Figuur 17
Funderingsmogelijkheden voor zonneparken
Conclusie Uitgaand van een maximale verstoringsdiepte van 4,0 m -mv blijven de geplande werkzaamheden ruim boven het onderste archeologische niveau dat overeenkomt met de top van het dekzand (top ca. 6-7 m -mv). Voor het bovenste archeologische niveau (top getijdenafzettingen) wordt uitgegaan van een lage archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen (in situ) vanwege het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van kreken en/of andere natuurlijke hoogten. Derhalve wordt geen archeologisch vervolgonderzoek voorgesteld in het kader van vergunningverlening met betrekking tot de realisatie van het zonnepark. Beoordeling van de noodzaak voor het uitvoeren van onderzoek voor één of meer kabeltracés kan plaatsvinden in het kader van de uitgestelde beoordeling van gegevens, op het moment dat het definitief ontwerp van het kabeltracé en sleufdiepte bekend is. Het aspect archeologie staat de uitvoering van het project niet in de weg.
34
Confidentiality: C2 - Internal
4.2
Bodem en Water Beleid en regelgeving Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Hoogheemraadschap De projectlocatie is gelegen in het beheergebied Hoogheemraadschap van Rijnland. Het beleid van dit hoogheemraadschap is verwoord in het Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030. Het Waterplan heeft onder andere als ambitie: • het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater; • het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen; • afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Beschrijving huidige situatie en ontwikkeling In de huidige situatie is sprake van een gebied van circa 59 hectare dat gebruikt wordt voor agrarische doeleinden. Uit de bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Haarlemmermeer blijkt dat de percelen zich bevinden in een zone met de functieklasse ‘niet ingedeeld’. Op de bodemkwaliteitskaart en de ontgravingskaart staan de percelen ingedeeld in de klasse ‘achtergrondwaarde’.
Op de onderzoekslocatie heeft geen bebouwing gestaan en het gebied is sinds ten minste het eind van de 19e eeuw in gebruik is als akkerbouwgebied. In verschillende fases zijn sloten gegraven, gedempt en in sommige gevallen weer open zijn gemaakt. Binnen het gebied zijn nu enkele sloten aanwezig en in de sloten bevinden zich diverse dammen. Momenteel is voor zover bekend één landpad aanwezig. Er vindt bij de aanleg van het zonnepark geen overkluizing van watergangen plaats. Wel zullen twee watergangen verbreed worden en wordt er één watergang vergraven. Daarnaast worden ook twee sloten gedempt (zie Figuur 18). Er zal geen verharding van het oppervlak hoeven plaatsvinden. Als gevolg van de gebruikte materialen kunnen geen vreemde stoffen in het oppervlaktewater (en grondwater) terecht komen. Wel kunnen na de aanleg van zonneweides de karakteristieken van de ondergrond veranderen ten opzichte van eerder gebruik van de grond.
35
Confidentiality: C2 - Internal
Figuur 18
Watergangen die gedempt worden geel omcirkeld (zie Inpassingsplan)
Voor de bodemkwaliteit onder zonneparken is de oriëntatie van de panelen belangrijk, die oriëntatie kan oost-west of zuid(west) zijn. In dit geval is gekozen voor een zuidwestoriëntatie. De panelen worden in rijen met tussenruimte geplaatst, zodat het meeste directe zonlicht wordt opgevangen door de zonnepanelen en schaduw op de eerstvolgende rij panelen wordt voorkomen. De zonnepanelen nemen over het algemeen van bovenaf bekeken een oppervlakte van 35-50% in beslag. Figuur 19
Voorbeeld Zuid(west) en oost-west oriëntatie (bron: Kok et. Al., ‘zonneparken en bodemafdekking’)
In een opstelling met zuid(west)oriëntatie wordt de bodem niet volledig afgesloten van zonlicht. Een ander aspect is neerslag. Hemelwater bereikt met dezelfde mate de bodem, wel is de verdeling anders. Onder de panelen zal minder water in de bodem trekken, wat kan leiden tot verdroging van de grond. Naast de panelen komt juist meer water terecht, daardoor kan uitloging plaatsvinden tussen de panelen8. Met een zuidwestoriëntatie wordt het hemelwater meer verdeeld over de bodem en dus gelijkmatiger opgenomen, waarmee de bodemeigenschappen beter bewaard blijven in vergelijk met een oostwest oriëntatie. De bodemeffecten blijven hierdoor beperkt en de bodem kan zich in principe snel herstellen na verwijdering van het zonnepark (bron: Kok et. Al. RIVM, ‘zonneparken en bodemafdekking’).
8 Hernandez, R.R. et al. (2014). Environmental impacts of utility-scale solar
energy. Renew. Sustainable Energy Rev. 29, p.766-779.
Confidentiality: C2 - Internal
36
Een voordelig effect op de bodem kan ontstaan door de afname in gebruik van pesticiden en (kunst)mest op een kavel die tijdelijk wordt onttrokken aan intensief landbouwkundig gebruik. Tekort aan zonlicht en water direct onder de panelen, kunnen daarentegen een tijdelijke en beperkte negatieve impact op de bodem hebben. In de praktijk moet blijken wat deze combinatie voor effecten heeft over een periode van 15 jaar. Op voorhand is geen sprake van onaanvaardbare effecten die de ontwikkeling van een grondgebonden zonnepark in de weg staan. Toetsing Bodem In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is historisch bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage D Historisch bodemonderzoek). Op basis van de verkregen informatie is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater van de onderhavige onderzoekslocatie. Wel is gebleken dat activiteiten hebben plaatsgevonden (dempen van sloten, aanleggen van dammetjes en landpaden e.d.) die invloed hebben kunnen gehad op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater (zie Bijlage D Historisch bodemonderzoek). Tevens blijkt uit diverse bodemonderzoeken in de directe nabijheid van deze onderzoekslocatie dat bovengenoemde activiteiten invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit (met name lichte tot sterke verontreinigingen met PAK, PCB en asbest).
Derhalve wordt de bodem ter plaatse van deze activiteiten als verdacht beschouwd op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De bodem ter plaatse van de overige terreindelen wordt als onverdacht beschouwd. Aangezien sprake is (geweest) van akkerbouw op (delen van) het terrein kunnen in de bovengrond verhoogde concentraties organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) voorkomen. Ook wordt de bodem van de onderzoekslocatie vooralsnog grotendeels niet als asbestverdacht beschouwd. Echter, er is lokaal mogelijk sprake van een restverontreiniging met asbestpuin. Daarnaast kan ter plaatse van de gedempte sloten, dammen en landpaden sprake zijn van bijmengingen met puin. In dergelijke gevallen is de locatie wel verdacht op de aanwezigheid van asbest. De bodemkwaliteit op locatie vormt geen belemmering voor de beoogde functie van zonnepark waar geen personen verblijven. Wel dient tijdens de aanlegfase rekening te worden gehouden met de milieuhygiënische kwaliteit van bepaalde verdachte locaties in het gebied. Hiervoor kan eventueel verkennend bodemonderzoek uit te voeren om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie vast te stellen op de verdachte locaties. Tevens wordt geadviseerd om bij het aantreffen van bijmengingen met puin een verkennend onderzoek naar asbest in de bodem ter plaatste uit te voeren.
Toetsing Water Sinds 2003 is het wettelijk verplicht om een watertoets te doorlopen voor ruimtelijke plannen en besluiten. Hiervoor dient overleg tussen de waterbeheerder en initiatiefnemer plaats te vinden, zodat waterhuishoudkundige doelstellingen kunnen worden gewaarborgd. Uitgangspunten van het watersysteem dienen te worden verwerkt in het plan. De plannen voor zonnepark A5 Hoofddorp zijn voorgelegd aan mevr. J. Steenbergen en mevr. C. van der Zee van het Hoogheemraadschap van Rijnland en zijn akkoord bevonden. Er wordt geen riolering aangelegd of vernieuwd als onderdeel van het plan. Ook is er geen sprake van een toename van lozing van huishoudelijk of bedrijfsmatig afval en worden er geen activiteiten verricht waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt. 37
Confidentiality: C2 - Internal
Er is sprake van verharding van het oppervlak van meer dan 500 m2 door bebouwing of bestrating. Uit de waterbalans (zie Bijlage F) blijkt dat er in totaal 11.803 m2 verharding plaatsvindt in het projectgebied door nieuwe gebouwen (trafo’s, schakelstations), nieuwe wegen en de palen die de zonnetafels dragen. Het uitgangspunt van het Hoogheemraadschap van Rijnland is dat verhard oppervlak met 15% functioneel wateroppervlak gecompenseerd dient te worden. Met het verbreden van twee sloten (Noordoost en zuidwest) en het dempen van twee sloten in het projectgebied wordt een netto toename van ca. 1.970 m2 bereikt. Dit betekent dat de toegenomen verharding met meer dan 15% functioneel wateroppervlak wordt gecompenseerd, wat resulteert in een positief saldo op de waterbalans 199 m2 aan extra toename van functioneel wateroppervlak. Voor de verbreding van de watergangen wordt een watervergunning aangevraagd. Het waterpeil wordt niet gewijzigd in het plangebied. Er zal naar verwachting geen sprake zijn van wateroverlast of grondwateroverlast in het plangebied. Uit de opbarstberekening voor de verbreding van de twee watergangen blijkt tevens dat bij een waterdiepte van 0,25 m het risico op opbarsten acceptabel is en dat de waterdiepte met nog maximaal 0,3 m verlaagd kan worden (in combinatie met de bronbemaling van Hyde park) (zie Bijlage G).
Voor de uitvoering worden de vergunningen volgens de dan geldende Keur van Rijnland aangevraagd. Conclusie De wet bodembescherming en het aspect waterkwaliteit staat de uitvoering van het project niet in de weg. Explosieven in het gebied Uit historisch onderzoek van de gemeente Haarlemmermeer blijkt dat een deel van het projectgebied verdacht is op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (zie Figuur 20). In Haarlemmermeer dient bij grondroerende werkzaamheden in verdacht gebied detectieonderzoek uitgevoerd te worden op grond van de Arbowetgeving (veilige werkomstandigheden). Voorafgaand aan de start van bouw- en grondroerende werkzaamheden wordt conform vigerend beleid van de gemeente Haarlemmermeer9 detectieonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van explosieven op de locaties waar grondroerende werkzaamheden plaats zullen vinden. Eventuele gedetecteerde objecten (gemeten verstoringen) dienen benaderd te worden en alle CE dienen te worden geruimd. Na detectieonderzoek en eventuele ontruiming worden de locaties waar werkzaamheden plaatsvinden vrijgegeven wat betreft het thema conventionele explosieven.
9
Confidentiality: C2 - Internal
Beleidsplan Conventionele Explosieven (CE) Haarlemmermeer en Haarlemmerliede en Spaarnwoude (2018).
38
Figuur 20
Verdacht gebied conventionele explosieven in het projectgebied (uitsnede Advies onderzoeksinspanning CE – Gemeente Haarlemmermeer).
4.3
Ecologie Beleid en regelgeving De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat het nationaal juridisch kader voor het ecologisch onderzoek. De wet is ingedeeld aan de hand van de betreffende Europese richtlijnen. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3. Verder geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationaal natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten. Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. De belangrijkste zijn Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van het Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Met het Natuur Netwerk Nederland (NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. Het ruimtelijk beleid 39
Confidentiality: C2 - Internal
voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ’nee, tenzij’- regime van toepassing. Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Soortenbescherming Dit onderdeel is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het opzettelijk doden of vangen, en het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Huidige situatie Het huidige gebruik bestaat uit agrarisch beheer. In het projectgebied varieert de hoogte van 4 tot 5 meter beneden NAP, op gelijke hoogte met het omringende terrein. De beoogde ontwikkeling van het zonnepark kan samengaan met diverse ecologische structuren, mogelijkheden zijn bijvoorbeeld nieuwe wilde bloemenranden of instandhouding van beheerde grond. Het plangebied ligt op grote afstand van de Natura2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en de beschermde natuurmonumenten Oosteinderpoel, Geerpolder Plas en Oeverlanden Braassemermeer.
Vanwege de afstand en de beperkte grootte van het projectgebied kunnen significante effecten op deze gebieden uitgesloten worden. Figuur 21
Overzicht Natuur Netwerk Nederland en Natura 2000 gebieden
Toetsing In juni 2021 is in het projectgebied een QuickScan Wet natuurbescherming met veldbezoek uitgevoerd door adviesbureau Econsultancy. Met de QuickScan is onderzoek gedaan naar of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten 40
Confidentiality: C2 - Internal
aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De QuickScan is bijgevoegd in Bijlage E. In augustus 2022 is door adviesbureau Econsultancy aanvullend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen. Het aanvunllend onderzoek is bijgevoegd in Bijlage K. Conclusie Uit het aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) blijkt dat het plangebied geen onderdeel uit maakt van het vaste territorium van de bunzing en hermelijn. Een ontheffing is dan ook niet nodig voor deze soorten. De wezel is eenmaal met een camera waargenomen in het plangebied. Hieruit wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een vast verblijfgebied van de wezel. Door het nemen van maatregelen, vastgelegd in een ecologisch werkprotocol, wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de wezel is daarom niet aan de orde. De verplichting om een ecologisch werkprotocol op te stellen wordt als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient de onderzoekslocatie vanaf de start van het broedseizoen broedvogelvrij gehouden te worden. Voor beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. In het kader van de zorgplicht dienen werkzaamheden aan de sloten (zoals het verbreden van de sloten) buiten de gevoelige voortplantingsperiode van algemene amfibieën en vissen (februari - augustus) en buiten vorstperioden uitgevoerd te worden. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie.
4.4
Verkeer en parkeren Van de beoogde ontwikkeling gaat geen verkeersaantrekkende werking uit. In de bouwfase is sprake van een tijdelijke toename van het aantal verkeersbewegingen door de aanvoer van materiaal en personeel. De huidige aanwezige infrastructuur is grotendeels voldoende voor de afwikkeling van deze verkeersbewegingen. Voor toegang tot het plangebied in de bouw- en exploitatiefase wordt gebruik gemaakt van een bestaande weg aan de noordoostzijde van het projectgebied. In de gebruiksfase is sprake van enkele periodieke verkeersbewegingen in verband met inspectie/onderhoud van het zonnepark en eventueel onderhoud van het 41
Confidentiality: C2 - Internal
groen. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer niet relevant is voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies (zoals gebouwen met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie). In de richtafstandenlijst van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn richtafstanden opgenomen ten opzichte van gevoelige functies. Een zonnestroominstallatie is als installatie an sich niet relevant in het kader van milieuzonering. Voor bijbehorende transformatorstations moet wel een richtafstand tot milieugevoelige functies worden aangehouden in verband met geluid. De beoogde transformatorstations en het inkoopstation van zonnepark A5 hebben in geen geval een transformatorvermogen van meer dan 100 MVA. Uit de richtafstandenlijst blijkt dat voor een transformatorvermogen tussen 10 en 100 MVA een richtafstand van 50 meter moet worden aangehouden. Uit de technische tekening blijkt dat de nabijgelegen gebouwen met een woonfunctie zijn gelegen op ruim 120 meter tot de dichtstbijzijnde zone met transformatorstations en op ruim 70 meter van het reserveringsvlak voor o.a. het inkoopstation. Specifiek onderzoek naar de geluidniveaus van de transformatorstations en inkoopstation is daarom niet noodzakelijk.
Er is tevens geen sprake van andere ruimtelijk relevante milieuaspecten waardoor het aanhouden van een afstand noodzakelijk zou zijn. Ter plaatse van het zonnepark vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats op grond waarvan een meldingsplicht ontstaat conform het Activiteitenbesluit. Er is sprake van een categorie A-inrichting. Ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘bouwen’ wordt dan ook geen milieumelding gedaan. Veiligheid weggebruikers Bij de aanwezigheid van zonneparken in de omgeving van wegen kan in theorie sprake zijn lichtschittering voor weggebruikers waarbij onderzocht moet worden of er sprake is van invloed op de verkeersveiligheid. In het geval van het beoogde zonnepark geldt dat de zonnepanelen zuidwestgericht zijn. Het zonnepark is gelegen op een afstand van circa 50 m van de A5. Een stuk van 50 meter van het zonnepark grenst direct aan de Vijfhuizerweg. Vanwege de zuidwestelijke oriëntatie van de panelen zorgt het zonnepark niet voor hinderlijke lichtreflectie voor weggebruikers. Daarnaast zijn zonnecollectoren zodanig ontworpen dat meer dan 95% van het zonlicht wordt geabsorbeerd.
Ook geldt dat lichtschittering alleen kan plaatsvinden als de zon haaks op de panelen staat (in dit geval bij zonsondergang) en dat vanwege het gladde oppervlak het aantal invalshoeken waarbij reflectie kan worden ervaren is gereduceerd.
4.6
Luchtvaartveiligheid Rond luchthavens moet aandacht worden besteed aan luchtvaartveiligheid in relatie tot reflectie in de vorm van weerkaatsing van zonlicht hetgeen mogelijk voor afleiding of hinder kan zorgen voor luchtverkeer of de verkeerstoren. Hiervoor 42
Confidentiality: C2 - Internal
heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (destijds Inspectie Verkeer en Waterstaat) een informatiebulletin10 uitgegeven. Voor de gekozen opstelling met zonnepanelen binnen het beoogde zonnepark A5 Hoofddorp geldt het volgende: ➢ Moderne zonnepanelen hebben nagenoeg geen reflectie. Dat is ook vanuit bedrijfsmatig oogpunt ingegeven, met absorptie van zoveel mogelijk zonlicht kan de productie worden verhoogd. ➢ De zuidwest-opstelling, evenwijdig met de kavelstructuur, is voorgeschreven op grond van het Beleidskader zonneakkers Haarlemmermeer. Daarmee kan zonlicht niet in de richting van de verkeerstoren worden weerkaatst. ➢ In 2018 is in Haarlemmermeer zonnepark Groene Hoek gerealiseerd dat bestaat uit zonnepanelen met een zuid gerichte opstelling (circa 48 ha). Voor dat park, dat op een afstand van circa 600 m van de luchthaven ligt, hebben LVNL en Schiphol in reactie op een reflectieonderzoek aangegeven dat er geen sprake is van negatieve gevolgen voor de luchtverkeersleiders of het zicht vanuit de verkeerstorens. ➢ Tevens heeft To70 in opdracht van de Gemeente Haarlemmermeer in januari 2021 onderzoek uitgevoerd naar lichtschittering en andere veiligheidsrisico’s voor luchtvaart.
Uit het onderzoek blijkt dat de haalbaarheid van een zonnepark in het gebied Array 4 – waarin het projectgebied gelegen is – groot is en de noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen relatief klein (uitgaande van een zuidwest opstelling (225° met een hellingshoek van 25°). ➢ Uit het onderzoek van To70 blijkt dat met een lage paneelhoogte van 1,5 meter boven maaiveld, voertuigen op het luchthaventerrein vanuit de verkeerstoren altijd zichtbaar zullen blijven achter het zonnepark. Ook worden door de hoogte van voertuigen ADS-B antennes niet geblokkeerd door het zonnepark. Dit geldt zolang de paneelhoogte lager is dan de dakhoogte van voertuigen. Door geen zonneakkers te plaatsen op de luchthaven en een maximale hoogte van de panelen te houden op 1,60 m boven het maaiveld, kunnen de zonneakkers de obstakelvlakken van de luchthaven niet penetreren. Het zonnepark wordt echter niet gerealiseerd in het zichtveld tussen de verkeerstoren en overig luchthaventerrein. Bovenstaande voorzorgsmaatregelen zijn dan ook niet van toepassing. ➢ Toegangspoorten van reddings- en brandbestrijdingsdiensten van het luchthaventerrein dienen te worden vrijgehouden. Er is geen toegangspoort gelegen nabij het geplande zonnepark.
➢ Vanwege de maximale hoogte van minder dan 2 meter boven het maaiveld zijn er geen mitigerende maatregelen vereist voor het voorkomen van turbulente luchtstroomeffecten. Toetsing Initiatiefnemer Vattenfall heeft namens de gemeente Haarlemmermeer voorliggend plan voor een zonnepark met paneelhoogte van 2 meter voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) met verzoek tot uitvoeren van een pretoets. ILT heeft getoetst of het plan gevolgen heeft voor de veiligheid van burgerluchtvaart11. Daarbij is de invloed op vertrek- en naderingsprocedures van de luchthaven Schiphol getoetst. Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) heeft getoetst of voorliggend plan van invloed is op de correcte werking van elektronische navigatie, communicatie-, en landingshulpmiddelen (CNS-apparatuur). De Inspectie heeft de plannen beoordeeld en concludeert dat de plannen geen gevolgen hebben voor de 10 11
Confidentiality: C2 - Internal
Informatiebulletin toepassing zonnecollectoren op en rond luchthavens, versie 1.0, 10 februari 2011. Pretoets plannen realiseren zonnepanelen 2m NAP, Rijnlanderweg 751 te Hoofddorp – Inspectie Leefomgeving en Transport, 18 februari 2021 (kenmerk: ILT-2021/5865).
43
vertrek- en naderingsprocedures van de luchthaven Schiphol. LVNL concludeert dat uitvoering van de plannen voor de aanleg van het zonnepark met paneelhoogte van 2 meter geen negatieve invloed zal hebben op de correcte werking van cns-apparatuur van LVNL. De pre-toets is als onderdeel van de vergunningaanvraag aangeleverd bij het bevoegd gezag, maar is geen bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Gelet op de uitkomsten van het reflectieonderzoek van To70 en de pre-toets door ILT wordt aangenomen dat voor Zonnepark A5 Hoofddorp geen andere effecten optreden dan eerder in het geval van zonnepark Groene Hoek zijn beoordeeld en goedgekeurd door Schiphol, LVNL en ILT.
4.7
Wegverkeerslawaai en grondgeluid luchtverkeer Wegverkeerslawaai Verspreiding van wegverkeerslawaai langs wegen wordt beïnvloed door omgevingsfactoren. Zo heeft een geluidscherm of een geluidwal invloed op de verspreiding van geluid op verschillende afstanden van de bron. Uit diverse geluidsberekeningen van het effect van zonnepanelen op de verspreiding van wegverkeerslawaai12 is gebleken dat er gelijktijdig twee effecten optreden: • •
Terreinruwheid neemt af door verharding (panelen); demping door de ondergrond neemt af Er vindt scattering van geluid plaats door de onderconstructie van de panelen; demping door aanwezige constructie neemt toe
Uit onderzoek door Antea Group naar de invloed van een zonnepark op de verspreiding van wegverkeerslawaai van de A5 is gebleken dat de geluidbelasting afkomstig van de A5 als gevolg van het te plaatsen zonnepark toeneemt met ten hoogste 0,9 dB13. Dit betreft de hoogst berekende toename. Het rapport van Antea Group is opgenomen als bijlage J. Volgens het onderzoek is – vanuit de optiek van ‘akoestische herkenbaarheid’ – een toename tot 1 dB voor het menselijk oor niet waarneembaar. Vanaf 1 dB is het verschil licht waarneembaar, en vanaf 3 dB duidelijk waarneembaar. De berekende toename van ten hoogste 0,9 dB op de woningen is in deze lijn dus niet waarneembaar. De toename is dermate laag, dat het leefklimaat op de betreffende woning akoestisch gezien niet verslechtert.
Grondgeluid luchtverkeer TNO heeft tussen de Polderbaan en Hoofddorp-Noord een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het plaatsen van zonneakkers (velden met zonnepanelen) op het geluid van startende vliegtuigen richting de omgeving14. Geluidberekeningen tonen aan dat als gevolg van schuin omhooggerichte, 2 meter hoge zonnepanelen in een zuid(-west) opstelling, geen toename van het laagfrequente grondgeluid van startende vliegtuigen te verwachten is ter hoogte van Hoofddorp-Noord. Over een breedte van zowel 400 als 1200 meter is een vermindering van het geluid te verwachten in de 31,5 Hz octaafband met ongeveer 4 dB. 12
13 14
Confidentiality: C2 - Internal
Voorbeelden zijn Zonnepark Bankhoef langs A50 in Wijchen (Cauberg Huygen, 2021) en Zonnepark Overbetuwe langs de A15 (LBP Sight, 2018). Antea, Akoestisch onderzoek reflectie zonnepark A5 Hoofddorp, 21 januari 2022. TNO Geluidsonderzoek Zonneakkers Haarlemmermeer – 27 september 2021 (referentie: DHW-2021AS-100338781).
44
In de 63 Hz band is het effect 0 dB en in de 125 Hz band is er een kleine afname van 1 dB of minder. Het onderzoek geeft aan dat voor vergelijkbare situaties en afstanden, zoals richting het zuidwesten vanaf de Zwanenburgbaan, zijn vergelijkbare effecten op het geluid te verwachten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op voorhand geen aanleiding bestaat om aanvullende berekeningen uit te voeren naar de invloed van het beoogde zonnepark op de verspreiding van wegverkeerslawaai en grondgeluid van vliegtuigen. Het aspect wegverkeerslawaai en grondlawaai van de luchtvaart staat de uitvoering van het project niet in de weg.
4.8
Luchtkwaliteit Omdat sprake is van een functie waar geen personen verblijven en waar geen bedrijfsactiviteiten met luchtemissies plaatsvinden zijn er geen effecten op de luchtkwaliteit. Wel is een AERIUS-berekening noodzakelijk voor de aanlegfase. Sinds 1 juli 2021 is vanuit de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering de bouwvrijstelling van kracht. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn wel AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de exploitatiefase. Uit de berekeningen volgt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase uitkomen op <0.00 mol/ha/j. De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage H.
4.9
Kabels en leidingen Interferentie De structuurvisie Buisleidingen is op 12 oktober 2012 vastgesteld. De structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de structuurvisie is een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden. In het zuidwestelijk deel van het projectgebied is een dergelijke leidingstrook gelegen. Ter plaatse zijn 3 hogedruk aardgasleidingen aanwezig (zie Figuur 22). Dit deel van het projectgebied wordt is gevrijwaard van zonnepanelen en wordt gebruikt voor landschappelijke inpassing en recreatie (zie Figuur 6). Voor diepwortelende beplanting binnen de dubbelbestemming ‘leiding – gas’ is een omgevingsvergunning nodig voor de activiteit’ uitvoeren werk- of werkzaamheden’. Deze activiteit maakt geen onderdeel uit van de voorliggende vergunningaanvraag. Bij uitvoering van de vergunning vindt afstemming plaats met Gasunie.
45
Confidentiality: C2 - Internal
Figuur 22
Buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen
In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming opgenomen voor de bestaande leidingen, overeenkomend met de belemmerende strook van 5 m aan weerszijden van de leidingen. In het bestemmingsplan zijn verder geen beperkingen gesteld aan ontwikkelingen buiten deze dubbelbestemmingen. Het projectgebied is zodanig begrensd dat de tafels met zonnepanelen buiten de belemmerende strook van 5 m van de leiding worden gerealiseerd. De afstand van de bouwwerken met panelen tot grens van de dubbelbestemming bedraagt ten minste 15 m. Elektromagnetische straling Waar sprake is van de productie van stroom is tevens sprake van elektromagnetische straling in een elektromagnetisch veld. Straling en elektromagnetische velden zijn overal om ons heen als gevolg van de straling die als gevolg van de grootste bron, de zon, de aarde bereikt en door de aarde deels wordt gereflecteerd. Rond elektrische leidingen zoals hoogspanningsverbindingen is sprake van Extreem Laag Frequente Elektromagnetische Velden (ELF-EMV). Bij het versturen van draadloze informatie, zoals rond UMTS-masten en Wifi-verbindingen, is sprake van Radio Frequente Elektromagnetische Velden (RF-EMV). Sinds de introductie van de mobiele telefoon is aandacht geweest voor gezondheidseffecten van UMTS masten. Voor de bekabeling van het zonnepark, de omvormers en de transformatoren geldt dat sprake is van ELF-EMV.
Langdurig contact met straling, bijvoorbeeld in de directe omgeving van transformatoren (binnen enkele meters), moet worden vermeden. Om die reden worden transformatoren bij voorkeur niet inpandig gebouwd. In het geval van het zonnepark geldt dat binnen enkele meters van installatie geen personen verblijven. Buiten 30 meter afstand van transformatoren, omvormers en verschillende soorten kabels is geen sprake meer van waarneembare invloed. Buiten 30 meter van de onderdelen behorende tot de zonnestroominstallatie zijn de stralingseffecten van het magneetveld niet meer te onderscheiden van 46
Confidentiality: C2 - Internal
achtergrondstraling15. Uit het landschapsplan en technische tekening blijkt dat de nabijgelegen gebouwen met een woonfunctie zijn gelegen op ruim 120 meter tot de dichtstbijzijnde zone met transformatorstation en op ruim 70 meter van het reserveringsvlak voor o.a. het inkoopstation. Er bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek naar gezondheidseffecten. Naar verwachting worden mensen binnenshuis permanent aan meer straling blootgesteld dan buiten, als gevolg van de aanwezigheid van stopcontacten, wifi-verbindingen en draadloze telefoonverbindingen. Figuur 23
Projectgebied en afstand van 30 meter rondom stralingveroorzakende installaties.
Afstand tot gasleiding t.b.v. kathodische bescherming Tevens dient om veiligheidsoverwegingen afstand te worden gehouden tussen de zonnestroominstallatie en leidingen. Wanneer het zonnepark te dicht op gasleidingen wordt gerealiseerd, kan door zwerfstromen de kathodische bescherming van buisleidingen worden aangetast. Uit de ‘Handreiking plaatsing zonneweide nabij een stalen buisleiding’16 wordt duidelijk dat zonnestroominstallaties toelaatbaar zijn tot de rand van de belemmeringenstrook rond hogedruk aardgasleidingen, mits het omvormervermogen per omvormer kleiner of gelijk is aan 100 kW én de omvormers voorzien zijn van een ingeschakelde lekstroomdetectie (RCD) en van RISOdetectie (impedantie) op de ingang van de omvormer. In overige situaties moet een afstand worden berekend om beïnvloeding te voorkomen of moeten maatregelen worden getroffen om de kans op lekstromen te verkleinen.
15
16
Confidentiality: C2 - Internal
Magneetveldstudie zonnepark Coevorderkanaal, Petersburg Consultants, april 2019
Handreiking Plaatsing zonneweide nabij een stalen buisleiding, Instituut voor Fysieke Veiligheid, december 2021, versie 1.0
47
Toetsing autonome ontwikkelingen 150kV kabeltracé Rozenburg Incheonweg Aan de oost/zuidoostzijde net binnen het projectgebied is het ondergronds 150 kV kabeltracé Rozenburg Incheonweg planologisch mogelijk gemaakt (zie Figuur 24 Geplande 150 kV kabeltracés Rozenburg Incheonweg en Rozenburg – Vijfhuizen.). Deze kabelverbindingen worden planologisch beschermd, waardoor er binnen een bepaalde afstand van de kabelverbinding niet of niet zonder aanlegvergunning mag worden gebouwd. Vattenfall heeft contact gehad met leidingbeheerder Tennet over het plan om een deel van het zonnepark te realiseren ter hoogte van de zones met dubbelbestemming ‘leiding’. Vanwege de aanlegdiepte van –30 meter t.o.v. maaiveld van de (nog aan te leggen) leiding en de omstandigheid dat de leiding geboord wordt aangelegd (geen open ontgraving) heeft Tennet aangegeven geen belemmeringen te zien voor de ontwikkeling van het zonnepark en voor het beheer van de leiding. De schriftelijke reactie van Tennet is als onderdeel van de vergunningaanvraag aangeleverd bij het bevoegd gezag, maar is geen bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast dient ter voorkoming van interferentie tussen het zonnepark en het kabeltracé ook een bepaalde afstand te worden aangehouden.
De aan te houden afstand tot panelen, omvormers en kabels van het zonnepark tot de in het bestemmingsplan aangewezen zone voor de 150 kV kabel wordt in overleg met TenneT bepaald, deze afstand is mede afhankelijk van de kenmerken van de toe te passen omvormers in het zonnepark. Figuur 24
Geplande 150 kV kabeltracés Rozenburg Incheonweg en Rozenburg – Vijfhuizen.
150 kV kabeltracé Rozenburg – Vijfhuizen In verband met de aansluiting van een datacenter gelegen in Schiphol-Rijk op het verdeelstation Vijfhuizen, wordt nabij het projectgebied een tweede nieuwe ondergrondse 150 kV verbinding voorzien. Nabij het projectgebied is het tracé deels 48
Confidentiality: C2 - Internal
gelegen binnen de zone waarin tevens de 150 kV verbinding Rozenburg Incheonweg is bestemd (zie Figuur 24). De ontwikkeling van het zonnepark en de 150 kV verbinding moeten op elkaar worden afgestemd. Initiatiefnemer is gestart met een tracéstudie. Initiatiefnemer verwacht dat de kabelverbinding niet voor beperkingen zorgt binnen het projectgebied voor het zonnepark. Omdat besluitvorming over en aanleg van de kabelverbinding Rozenburg-Vijfhuizen een langere voorbereidingstijd kent dat de besluitvorming over het beoogde zonnepark zorgt initiatiefnemer van de kabelverbinding voor een berekening naar beïnvloeding door elektromagnetische straling. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht. Daarbij komt dat ter plaatse van deze 150 kV kabelverbinding al rekening moet worden gehouden met het bestemmingsplan voor de andere 150 kV verbinding (Rozenburg Incheonweg). Toetsing Kathodische bescherming buisleidingen Uit de Handreiking Plaatsing zonneweide nabij een stalen buisleiding17 blijkt dat bij hogedruk aardgasleidingen van Gasunie in de belemmeringenstrook geen (installaties behorende tot een) zonneweide mogen worden geplaatst. Deze belemmeringenstrook bedraagt 5 meter aan weerszijden van de buisleiding. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met een minimale afstand ter voorkoming van aantasting van de kathodische beschermingslaag van de buisleiding door zwerfstromen.
De afstand tussen de reserveringsstroken voor transformatorstations en de buisleiding is ruim 100 meter. Gezien het feit dat de minimale afstand van de grens van de belemmeringenstrook tot het deel van het projectgebied waar panelen en omvormers aanwezig zijn, circa 20 m bedraagt, is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake kan zijn van lekstromen die de kathodische bescherming negatief beinvloeden. Na uitwerking van het technisch ontwerp van het zonnepark zal hierover duidelijkheid worden gegeven aan leidingbeheerder Gasunie. EM-straling Uit eerder onderzoek blijkt dat de invloed van een grondgebonden zonnepark op magneetveldvorming uiterst beperkt is. Na 30 meter is een magneetveld veroorzaakt door transformatoren, omvormers en verschillende soorten kabels niet meer te onderscheiden is van achtergrondstraling en zijn negatieve effecten uitgesloten. De installaties die straling kunnen veroorzaken liggen ruim verder dan 30 meter van gebouwen met een woonfunctie. Het inkoopstation van zonnepark A5 Hoofddorp wordt geplaatst op een afstand van ruim 150 meter tot de beoogde kabelverbinding Rozenburg Incheonweg en op ca. 275 meter tot de beoogde kabelverbinding Rozenburg Vijfhuizen. Daarmee zijn geen nadelige effecten te verwachten op de geplande 150 kV leidingen. Er wordt een indicatieve EMC-berekening uitgevoerd.
Voorafgaand aan de realisatie wordt nogmaals een definitieve berekening uitgevoerd. Overig In het algemeen dient binnen zonneparken rekening te worden houden met toegangsruimte voor brandweervoertuigen. In het landschappelijk ontwerp is hier rekening mee gehouden. Verder vinden geen risicorelevante activiteiten plaats.
17
Confidentiality: C2 - Internal
Handreiking Plaatsing zonneweide nabij een stalen buisleiding, Instituut Fysieke Veiligheid, 2021
49
4.10
Milieueffectrapportage Voor activiteiten die zijn genoemd in lijst C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. moet worden nagegaan of er sprake is van een geval waarin een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen (D-lijst) of een MER moet worden opgesteld en een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (C-lijst). Voor elke activiteit is een drempelwaarde genoemd. Indien de drempelwaarde niet wordt behaald moet een zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden uitgevoerd waarin wordt nagegaan of er sprake is van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die een formele m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. noodzakelijk maken. Een installatie voor de opwek van duurzame energie met behulp van zonnepanelen komt op geen van beide lijsten voor. Dit wordt ook bevestigd in jurisprudentie van de Raad van State.18 In die uitspraak werden drie m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten genoemd waar het zonnepark onder had kunnen vallen: Een landinrichtingsproject, een stedelijk ontwikkelingstraject en een industriële installatie. In de uitspraak is geoordeeld dat het zonnepark niet als een van deze projecten beschouwd diende te worden, zoals bedoeld in het Besluit MER. Er hoeft daarom in geen geval aandacht te worden besteed aan de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht op grond van het Besluit m.e.r.
4.11
Energieproductie en Emissiereductie Het zonnepark bestaat uit opstellingen met PV-panelen die met een zuidwestoriëntatie worden geplaatst. Een PV-paneel levert op deze locatie op jaarbasis circa 960 vollasturen. Dit resulteert in een gemiddelde duurzame energieopbrengst van ongeveer 57.000.000 kWh/jaar. Met deze omvang produceert het zonnepark op de beoogde locatie jaarlijks een hoeveelheid duurzame stroom die gelijk is aan het gemiddeld verbruik van ruim 17.000 huishoudens. Tevens hoeft de elektriciteit die duurzaam opgewekt is, niet meer opgewekt te worden uit fossiele bronnen. Indien dezelfde productie zou plaatsvinden met behulp van fossiele bronnen zou dit leiden tot een jaarlijkse broeikasgasemissie van circa 29 ton CO2, ruim 41250 kg NOX en circa 22650 kg SO2.
4.12
Conclusie sectorale toetsen Het project voldoet aan de toetsingskaders voor diverse relevant sectorale aspecten. Het beleid en de normstelling staat de beoogde ontwikkeling van het project geenszins in de weg.
18 RvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770
50
Confidentiality: C2 - Internal
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid Vattenfall treedt op als vergunninghouder voor de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘bouwen’. Voor de realisatie van het zonnepark wordt na verkrijging van de omgevingsvergunning SDE+ subsidie aangevraagd. Vattenfall heeft onderzocht dat een zonnepark op de betreffende locatie naar de A5 qua projectrendement financieel haalbaar is. Grondeigenaren zijn bij de plannen voor de voorgenomen zonnestroominstallatie betrokken. Een opstalovereenkomst tussen initiatiefnemers en particuliere grondeigenaren is voorhanden. Een intentieovereenkomst met gemeente Haarlemmermeer over het gebruik van gronden in eigendom van de gemeente is in voorbereiding. Voorbereiding van de intentieovereenkomst is in een vergevorderd stadium. Er is geen sprake van een privaatrechtelijke belemmering. Tussen gemeente en Vattenfall wordt in het kader van de vergunningprocedure een planschadevergoedingsovereenkomst getekend waarin afspraken zijn gemaakt over het verhaal van planschade. Het zonnepark zal worden aangesloten op onderstation Haarlemmermeer (Leenderbos 95 te Hoofddorp). Er is een tracéstudie hiervoor uitgevoerd en er wordt transportcapaciteit voor het zonnepark gereserveerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De gemeente Haarlemmermeer vindt het belangrijk dat inwoners en ondernemers in Haarlemmermeer meeprofiteren van de grootschalige ontwikkelingen op gebied van zonneprojecten. In het beleidskader ‘Lokaal eigenaarschap in zon- en windprojecten’ beschrijft de gemeente de regels en stappen die daarbij gevolgd moeten worden door gemeente en initiatiefnemer. Zo vindt de gemeente het belangrijk dat er een helder proces wordt geboden voor omwonenden en belanghebbenden, waarbij de initiatiefnemer zorgt voor een goed participatieplan en in samenspraak met de omgeving invulling geeft aan lokaal eigenaarschap. Daarnaast is het van belang dat de gemaakte afspraken voor iedereen duidelijk en goed worden vastgelegd in de omgevingsvergunning en de omgevingsovereenkomst. Ook is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor een goede informatievoorziening, zodat het voor omwonenden duidelijk is wát er wanneer gaat gebeuren en waar ze terecht kunnen met vragen, zorgen of klachten, ook na realisatie. De optimale inpassing van een zonnepark en duurzame, langdurige relaties opbouwen met de omgeving zijn het uitgangspunt van Vattenfall. Voldoende draagvlak voor Vattenfall dan ook essentieel. Vattenfall is daarom voorafgaand aan de omgevingsvergunningprocedure gestart met contact leggen met de directe omgeving van
Confidentiality: C2 - Internal
51
het project. Er zijn reeds gesprekken gevoerd met omwonenden in de polder aan de Rijnlanderweg, IJweg en Hoofdweg Oost/West. Ook is op 6 april 2021 een informatieavond georganiseerd. Omwonenden en geïnteresseerden kunnen reeds met vragen terecht op de projectwebsite. Hier is tevens meer informatie en een globale planning te vinden. Ook zijn er in het kader van het landschappelijk inpassingsplan en in het kader van het participatieproces visualisaties gecreëerd vanuit verschillende kijkpunten. Deze kunnen hier bekeken worden. De kijkpunten van de visualisaties zijn in overleg met omwonenden bepaald. Daarbij zijn ook kijkpunten vanuit de woningen van omwonenden meegenomen. Participatieplan Bovengenoemde instelling van initiatiefnemer Vattenfall en acties in het kader van procesparticipatie zijn beschreven in het participatieplan dat voor dit project is opgesteld (zie Bijlage C). In het plan is beschreven welke inspanning Vattenfall verricht om omwonenden en andere stakeholders bij het ontwerp van het zonnepark te betrekken. Tevens bevat het participatieplan een voorstel voor financiële participatie, in lijn met het beleidskader ‘Lokaal eigenaarschap in zon- en windprojecten’. Voor een samenvatting van gemaakte afspraken wordt verwezen naar paragraaf 2.6 van deze ruimtelijke onderbouwing.
5.3
Conclusie uitvoerbaarheid Betrokkenen waaronder de gemeente Haarlemmermeer, provincie Noord-Holland en grondeigenaren steunen het initiatief voor een zonnepark op de voorgenomen locatie. Tevens is het project, met inachtneming van de omzet uit elektriciteitsverkoop plus SDE+ subsidie rendabel. Ook is er transportcapaciteit gereserveerd voor aansluiting van het zonnepark op onderstation Haarlemmermeer. Tot slot vindt volgens een participatieplan een gestructureerde omgevingsdialoog plaats waarin tevens afspraken tot stand komen over financiële participatie. Daarmee is het initiatief zowel maatschappelijk als economisch uitvoerbaar.
52
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage A
Ecologisch en recreatief inrichtings- en beheerplan
53
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage B Archeologisch bureauonderzoek
54
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage C Participatieplan
55
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage D Historisch bodemonderzoek
56
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage E Ecologisch onderzoek
57
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage F Waterbalans
58
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage G Opbarstberekening
59
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage H
AERIUS-berekeningen
Tabel 1 Kengetallen AERIUS-berekening
Ontvangen Voertuig Mobiele Kraan Heimachine Verreiker Graafmachine Kiepbak
Leeftijd >2015 >2015 >2015 >2015 >2015
Draaiuren 120 400 1000 960 160
kW 125-210 35-50 70-100 75-100 75-100
Berekend Verbruik (l/u) 12 20 8 15 15*
Verbruik (l/j) 1440 8000 8000 14400 2400*
Ingevoerd Jaartal 2014 2013 2015 2015 2015
kW 130-300 37-56 75-130 75-130 75-130
60
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage I Akoestisch onderzoek reflectie wegverkeerslawaai A5
61
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage J Monitoringsprotocol bodemkwaliteit
62
Confidentiality: C2 - Internal
Bijlage K Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen
63
Confidentiality: C2 - Internal
Confidentiality: C2 - Internal