CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 20 april 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen realisatie bedrijfsgebouw Hoofdweg 1266 in Nieuw-Vennep (7532395)13.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De compensatieverplichting van het Hoogheemraadschap is minimaal 15% van de toegenomen oppervlakte aan verhard oppervlak als nieuw water. Een andere mogelijkheid is de aanleg van alternatieve waterberging met een bergingscapaciteit van min. 55 ltr/m² verharding en de nieuwe waterberging een afvoer heeft van max. 0,6 ltr/uur/m².

25

Op basis hiervan is de volgende berekening gemaakt waarbij is uitgegaan van het meest recente ontwerp. Hierbij komt het totaal nieuw verhard oppervlak uit op 16.240 m², het totaal bestaand verhard oppervlak is 7.482 m². Dit betekent een toename aan verhard oppervlak van 8.758 m². De compensatieverplichting van het Hoogheemraadschap is 15% en komt uit op 1.314 m². In het voorliggende plan zal er voorzien worden in twee type waterberging, bergingsvoorzieningen op daken en bergingsvoorzieningen onder verharding. In totaal wordt er 1.180 m² aan infiltratiekratten met een hoogte van 600 mm onder de verharding voorzien en wordt er 306 m³ aan bergingsvoorzieningen op daken voorzien. Op deze manier wordt er voldaan aan de eisen van watercompensatie van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Waterafvoer Bij nieuwe bouwlocaties is het de bedoeling om een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Het is daarbij de bedoeling dat hemelwater van daken zal worden afgevoerd naar de (aanwezige) sloten c.q. de gemeentelijke riolering. Het is daarbij belangrijk dat er geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmaterialen. Het afvalwater zal aangesloten moeten worden op het riool overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Het voorliggende plan zal hierbij aansluiten.

5.4.3 Conclusie Het voorliggende plan maakt de bouw van een nieuw bedrijfspand in het plangebied mogelijk, door de sloop van bedrijfsopstallen, de sloop van de bestaande woning en de wijziging van het gebruik. Omdat er met het voorliggende plan een toename aan verharding plaatsvindt groter dan 500 m² moet dit gecompenseerd worden. In bijlagen bij toelichting bijlage 4 is de watercompensatie ten behoeve van het voorliggende initiatief uitgewerkt in overeenstemming met het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Mits er na toetsing van het hoogheemraadschap voldoende watercompensatie wordt gerealiseerd is het aspect water geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Spoorlawaai Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting.

Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de

26

zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de Minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen. 5.5.2 Onderzoek Het voorliggende plan maakt geen geluidgevoelige object volgens de Wet geluidhinder mogelijk. Een akoestisch onderzoek naar geluidbelasting van wegverkeer en spoorweglawaai is daarom niet noodzakelijk. Het plangebied is echter wel gelegen in een gezoneerd industrieterrein Vicon/Spoorzicht. Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat buiten de zonegrens de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet mag overschrijden.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die gaan of blijven behoren tot een zone dient de (ten hoogste toelaatbare) geluidbelasting in acht genomen te worden die wordt veroorzaakt door het industrieterrein. Het is daarbij relevant om wat de geluidbelasting op de gevel van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen is. Tevens is ook de geluidbelasting aan de grens van geluidgevoelige terreinen relevant. De gemeente Haarlemmermeer heeft aangegeven dat de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid getoetst moet worden aan de zonering van het industrieterrein. In de basis wordt deze toetsing uitgevoerd door de zonebeheerder van het industrieterrein Spoorzicht-Noord. In afwachting van de toetsing van de zonebeheerder kan er gemotiveerde worden dat de geluidsbelasting als gevolg van het voorliggende plan niet zal toenemen. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een nieuw hoofdkantoor voor landbouwmachinebouwer Kubota/Kverneland. De activiteiten die in het nieuwe pand zullen plaatsvinden zullen geen hoge geluidsbelasting met zich mee brengen. Er kan daarom worden aangenomen dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet overschrijdt.

5.5.3 Conclusie Zoals voorgaand is aangegeven ziet het voorliggende plan toe op de ontwikkeling van een nieuw kantoorpand, waarbij er geen activiteiten plaatsvinden met een grote geluidsbelasting. Er kan aangenomen worden dat de grenswaarde van 50 dB van de geluidszone niet zal worden overschreven door het voorliggende plan. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.6 Ecologie 5.6.1 Wet- en regelgeving Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

27

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. 5.6.2 Onderzoek Om te beoordelen of de beoogde ruimtelijke ingreep een mogelijk negatief effect heeft op beschermde flora en fauna is er een verkennend onderzoek ecologie uitgevoerd (Blom ecologie, 8 april 2022, bijlagen bij toelichting bijlage 4). Soortenbescherming Voorafgaande de sloop van de woning dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.

Stikstofdepositie Het voorliggende plan leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt is er een vergunningsplicht. Om te onderzoeken of de beoogde ontwikkeling leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase is er een AERIUS-berekening uitgevoerd door Buro SRO (d.d. 23 augustus 2022, bijlagen bij toelichting bijlage 5).Met de berekening is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 940 personenauto’s (licht verkeer) en 221 vrachtauto’s (zwaar verkeer) per etmaal. Het bedrijfsgebouw zal gasloos gerealiseerd worden. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de totale emissie in de nieuwe situatie geen verschillen hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming (Wnb) is het plan derhalve uitvoerbaar.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de sloop van de woning dient met aanvullend vleermuisonderzoek te worden vastgesteld of de te slopen woning een relevante functie heeft voor gebouw bewonende vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er

28

sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Aanvullend onderzoek Naar aanleiding van de ecologische quickscan is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Regelink, Ecologie & Landschap (d.d. 10 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Op basis van de bevindingen uit het veldonderzoek worden de effecten van de ingreep op de aanwezige beschermde soorten en functies bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied. In het plangebied zijn geen vliegroutes waargenomen. In het kraamseizoen zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. In het plangebied zijn geen paarverblijfplaatsen aanwezig. Daarnaast zijn er ook geen aanwijzingen voor winterverblijfplaatsen voor grotere aantallen dieren. Er worden geen negatieve effecten op vleermuizen verwacht door de geplande sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden. Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden en kunnen de geplande werkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat er vervolgstappen nodig zijn.

5.6.3 Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Met aanvullend onderzoek is aangetoond dat met het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden er geen negatieve effecten op vleermuizen te verwachten zijn en er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden begaan. De sloop van de woning en het kantoorpand, het verwijderen van de tuininrichting, vijver en het gazon aan de Hoofdweg (Oostzijde) 1262-1264 te Nieuw-Vennep is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1 Wet- en regelgeving In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande weten regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologiebeleid gemeente Haarlemmermeer (2012) De gemeenteraad van Haarlemmermeer heeft op 17 februari 2011 de gemeentelijke beleidsnota 'Erfgoed op de kaart' vastgesteld. Speerpunten van de nota zijn archeologie, het cultureel erfgoed beter benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herbestemming van monumenten.

In de Haarlemmermeer zijn op bescheiden schaal archeologische waarden aangetoond. Op een aantal plaatsen is bij nieuwe ontwikkelingen, vooral als deze grootschalig zijn, verkennend archeologisch onderzoek vereist. De gemeente voert dan ook een beleid dat in eerste instantie gericht is op behoud van waardevolle elementen en structuren, waarbij de omvang van de bodemverstorende activiteit bepalend is.

29

5.7.2 Onderzoek In het geldende bestemmingsplan 'Nieuw-Vennep Oost' is ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie het volgende opgenomen. "Op grond van het ontbreken van de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied is het doen van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk". Op basis hiervan kan er vanuit gaan worden dat er voor de beoogde afwijkingen van het bestemmingsplan eveneens geen archeologisch onderzoek nodig is 5.7.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor het voorliggende plan.

5.8 Externe veiligheid 5.8.1 Wet- en regelgeving Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

30

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 5.8.2 Onderzoek Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe bedrijfsbestemming mogelijk gemaakt, er wordt een beperkt kwetsbare bestemming toegevoegd in dit geval. Daarom dienen de veiligheidsrisico's voor de beoogde ontwikkeling te worden getoetst. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart (Atlas leefomgeving) ter plaatse van het plangebied.

31

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)

Transportroutes gevaarlijke stoffen Er zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied gelegen. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 470 en 630 m afstand en vormen daarmee geen belemmering. Ook worden er met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied enkele buisleidingen zijn gelegen. Er ligt ook een plaatsgebonden risicocontour op deze leidingen. De afstand tot deze leidingen is circa 1.000 m, daarmee vormen deze leidingen geen risico. 5.8.3 Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het onderliggende plan.

5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1 Wet- en regelgeving Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de

32

gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

5.9.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied liggen diverse woningen. Wonen is een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. Met voorliggend plan wordt een bedrijfsbestemming mogelijk gemaakt die aan sluit op de bedrijfsbestemming uit het geldende bestemmingsplan. Binnen de aangrenzende bestemmingen zijn bedrijven tot en met categorie 4.1 toegestaan. Met het voorliggende plan zal bij deze maximale categorie aangesloten worden. Het is daarbij de verwachting dat het bedrijf dat zich hier gaat vestigen tot een lagere categorie behoort. De afwijking van het bestemmingsplan leidt niet tot een verslechtering ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Het voorliggende plan heeft daarnaast geen beperkende functie voor de omliggende bedrijvigheid aangezien er geen zwaardere bedrijvigheid wordt mogelijk gemaakt dan reeds het geval is. 5.9.3 Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.

5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Wet- en regelgeving Burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben op 6 februari 2018 de geactualiseerde beleidsregel 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' vastgesteld. De basis voor het parkeren zijn de richtlijnen voor parkeren zoals opgenomen in CROW-publicatie 381, 'Toekomstbestendig parkeren' (2018). Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Het gebied waarin het plangebied is gelegen wordt door de gemeente Haarlemmermeer aangemerkt als 'sterk stedelijk' omdat het plangebied in Nieuw-Vennep ligt en 'rest bebouwde komt' omdat het plangebied buiten de grote schil om het centrum ligt. 5.10.2 Onderzoek Voor de berekening van de verkeer- en parkeercijfers zijn de kencijfers van CROW publicatie 381 aangehouden. Bij deze kencijfers wordt een bandbreedte gegeven. In het handboek 'parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' wordt aangegeven dat wanneer het plangebied op meer dan 700 meter van een hoogwaardig openbaar vervoershalte of op meer dan 1200 meter van een treinstation ligt, het maximum van de bandbreedte aangehouden dient te worden. Dit is bij voorliggend plan het geval. Verder wordt er voor het plangebied uitgegaan van een 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

33

Verkeer Op basis van de kencijfer van het CROW (publicatie 381) is de verkeersgeneratie per 100 m² bekend voor een bedrijf. Dit is voor de functie 'Kantoor (zonder baliefunctie)' voor een gebied met de kenmerken 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom' 6,5 verkeersbewegingen per 100 m² per etmaal. Voor de functie bedrijf arbeidsintensief is de verkeersgeneratie 10,1 verkeersbewegingen per 100 m² per etmaal. Functie 381'

'CROW

publicatie Aantal m² bvo

Verkeersgeneratie per Totaal 100 m² bvo conform CROW 381 6,5 129,4 10,1 1.031,6 1.161

Kantoor (zonder baliefunctie) 1.990 Bedrijf arbeidsintensief 10.214 Totaal 12.204

Volgens bovenstaande tabel zou dit betekenen dat de realisatie van het bedrijfsgebouw een verkeersgeneratie van circa1.161 verkeersbewegingen oplevert. Gezien de ligging van het plangebied aan de gebiedsontsluitingsweg de Hoofdweg die aansluit op de Noorderdreef en de infrastructuur van het bedrijventerrein Spoorzicht is het te verwachten dat het wegennet over voldoende capaciteit beschikt om de extra verkeersgeneratie af te wikkelen. Parkeren Het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 en de bijbehorende tabel vervangen alle eerder vastgestelde algemene parkeernormen. Met het handboek en bijbehorende berekeningsblad kan voor benoemde situaties de parkeernorm op eenduidige wijze worden vastgesteld. Grondslag voor het handboek vormen de normen uit de CROW 317, en de lokale situatie. Dit is voor de functie 'kantoor (zonder baliefunctie)' voor een gebied met de kenmerken 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom' een parkeervraag van 1,9 parkeerplaatsen per 100 m². Voor de functie 'bedrijf arbeidsintensief' is de parkeernorm 2,4 parkeerplaatsen per 100 m². Functie 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' Kantoor (zonder baliefunctie) Bedrijf arbeidsintensief Totaal

Aantal m² bvo

Parkeernorm per 100 m² Totaal bvo

1.990 10.214 12.204

1,9 2,4

37,8 245,1 283

Dit betekent dat er minimaal 283 parkeerplaatsen nodig zijn bij de voorliggende ontwikkeling. Het terrein biedt voldoende mogelijkheden om de gevraagde parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. In het voorlopige ontwerp zijn 310 parkeerplaatsen voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan de minimale eis van het aantal parkeerplaatsen die nodig zijn voor de voorliggende ontwikkeling. 5.10.3 Conclusie Het voorliggende plan maakt de bouw van een nieuw bedrijfspand mogelijk, door de sloop van een bedrijfspand, een woning en de wijziging van de bestemming van 'Wonen' naar 'Bedrijf'. Zoals voorgaand is aangegeven is er voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar om te voldoen aan het minimaal gevraagde aantal parkeerplaatsen. Tevens is het de verwachting dat de bestaande infrastructuur over voldoende capaciteit beschikt om de toename aan verkeersgeneratie te verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

34

6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Voorliggende omgevingsvergunning maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met deze buitenplanse omgevingsvergunning een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van exploitatiekosten anderszins is verzekerd (op een andere manier geregeld is) en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. Planspecifiek Initiatiefnemer en de gemeente sluiten een anterieure overeenkomst waarin de exploitatiekosten zijn verzekerd en het risico op planschade bij de initiatiefnemer wordt neergelegd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie Het voornemen om het voorliggende plan te realiseren is besproken met de aangrenzende bedrijven. Uit deze gesprekken zijn geen bezwaren naar voren gekomen en zijn de naburige bedrijven positief over de ontwikkeling.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=28a976ab-d723-4585-a171-1ba929b8ea64