Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Analyse en conclusie Uit de beoordeling blijkt dat in de nabijheid een aantal risicobronnen zijn gelegen. Echter gezien de afstand tot deze bronnen (minimaal 575 meter) en de beperkte ontwikkeling ten opzichte van de huidige bestemmingsplancapaciteit is het aspect externe veiligheid niet relevant. Daarnaast is aangetoond dat het LIB 5 geen belemmering voor het planvoornemen is.
4.2.2
Activiteiten en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de ontwikkeling van woningen in de buurt van hinder/verstorende functies:
blad 24 van 38
• •
ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; de bedrijfsvoering/milieuruimte van de betreffende bedrijven niet wordt ingeperkt als gevolg van de beoogde ontwikkelingen.
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan: het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te kunnen handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen blijven uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot verschillende onderscheiden zones. De sloop en uitbreiding van de bestaande bedrijfsruimte vindt niet plaats richting woningen maar juist op het aanwezige bedrijventerrein. De dichtstbijzijnde woning is op het terrein zelf, namelijk een bedrijfswoning (de oude boerderij). Deze bedrijfswoning is op een afstand van 17,5 meter van de nieuwbouw loods en kantoor vandaan. Aangezien dit een bedrijfswoning betreft, vormt dit geen belemmering voor het plan.
Daarna is de dichtstbijzijnde woning 55 meter van de nieuwbouw vandaan. De bedrijfsruimte is categorie 2 bedrijf, hiervoor geldt een afstand van 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de milieuzonering. Daarnaast wijzigt de huidige bedrijfsvoering niet.
Analyse en conclusie Het planvoornemen zorgt niet voor een uitbreiding richting woningen en geeft geen verandering van de milieuzoneringscontouren richting nabijgelegen woningen. Het planvoornemen staat een goed woon- en leefklimaat in de omgeving niet in weg. De activiteiten en milieuzonering vormen dan ook geen belemmering voor het plan.
4.2.3
Bodemkwaliteit
Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in februari 2024 (bijlage 2). Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit op de locatie De Kromme Spieringweg 208 te Vijfhuizen vastgelegd en zijn de hergebruiksmogelijkheden en veiligheidsklassen van de grond op indicatieve wijze bepaald. Het uitvoeren van een vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits de juiste maatregelen worden genomen.
4.2.4
Geluid
Door de voorgenomen ontwikkeling (sloop, uitbreiding en nieuwbouw op de locatie) worden er geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Tevens verandert de geluidproductie niet. De geluidsbelasting door de sloop, uitbreiding en nieuwbouw op de omgeving neemt niet noemenswaardig toe en voldoet aan het BKL. Hiermee vormt geluidsaspect geen belemmering voor het plan.
4.2.5
Luchtkwaliteit
In de Omgevingswet staan regels over luchtkwaliteit. De Wet differentieert tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen niet of weinig bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (zoals opgenomen in het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bij deze grote projecten gaat het hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
blad 25 van 38
NIBM Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan drie procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan drie procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Uitwerking In het kader van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. • Ten eerste moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. • Ten tweede wordt gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatste voldoende is voor de activiteiten.
Toetsing NIBM Conform het ’Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ draagt een besluit met betrekking tot een project niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van het besluit, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de drie procent grens overschrijdt. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor in ieder geval geldt dat ze in niet in betekenende mate bijdragen, als ze binnen bepaalde grenzen blijven (Bkl, artikel 5.54). Het gaat om: • woningen • kantoren • een combinatie van woningen en kantoren • het telen van gewassen • het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement Het plan valt binnen de categorie ‘kantoren’. Projecten binnen deze categorie zijn NIBM als het gaat om een bruto vloeroppervlakte van maximaal 100.000 m2 bij minimaal één ontsluitingsweg. Dit project valt daar ruim binnen, waardoor er geen toetsting noodzakelijk is aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Daarnaast is er met behulp van de NIBM-tool aangetoond dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof. De NIBM-tool is een rekentool in Excel waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kan worden.
Luchtkwaliteit ter plaatse Volledigheidshalve is met behulp van de Atlas Leefomgeving (van onder andere ministerie I&W en RIVM), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Het gaat dan om fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de Omgevingswaarde voor luchtkwaliteit.
Analyse en conclusie Het planvoornemen draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er voldaan aan de Omgevingswaarde voor luchtkwaliteit. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
4.2.6
Klimaatadaptatie
De gemeente Haarlemmermeer streeft naar een klimaatbestendige leefomgeving die voorbereid is op de gevolgen van klimaatverandering, zoals hitte, droogte, hevige regenval en overstromingen. Dit beleid richt zich op drie pijlers: het creëren van koele woon- en werkomgevingen, het verminderen van droogtegevoeligheid door wateropslag, en het ontwikkelen van waterrobuuste omgevingen om wateroverlast te minimaliseren. Deze aanpak moet ervoor zorgen dat de gemeente in 2050 volledig klimaatbestendig is
blad 26 van 38
In het kader van de voorgenomen uitbreiding van de loods en de vervanging van een oude schuur door een nieuw kantoor, zijn er diverse aspecten die bijdragen aan de klimaatbestendigheid van het project: Ondanks de vervanging van de schuur door een kantoor en de loodsuitbreiding, breidt de totale oppervlakte verharding niet uit. Dit voorkomt een toename in verharding, waardoor de huidige situatie van natuurlijke afwatering behouden blijft. Het project voorkomt hiermee extra druk op het afvoersysteem en minimaliseert het risico op wateroverlast. Het terrein wordt omgeven door sloten, die een essentiële functie vervullen als waterbuffers. Dit sluit aan bij de doelstelling van de gemeente om waterrobuuste gebieden te creëren en wateroverlast bij hevige regenval te voorkomen. De aanwezigheid van deze sloten zorgt ervoor dat overtollig water opgevangen kan worden, waardoor het risico op droogte en wateroverlast effectief wordt beperkt Tenslotte is er voldoende groen aanwezig in de voortuin en de borders rond het perceel, wat bijdraagt aan het tegengaan van hittestress. Deze groene zones zorgen voor verkoeling, een cruciaal aspect van het klimaatadaptatiebeleid van Haarlemmermeer, waarbij vergroening bijdraagt aan een gezonde en koele werkomgeving. Bovendien blijft de bestaande erfbeplanting behouden, wat bijdraagt aan biodiversiteit en de absorptie van regenwater vergemakkelijkt.
Analyse en conclusie Het voorgestelde project sluit goed aan bij de klimaatadaptatiedoelen van de gemeente Haarlemmermeer. Door geen extra verharding toe te voegen, het behoud van voldoende groen en de aanwezige waterbuffers, draagt het bij aan een klimaatbestendige en duurzame leefomgeving. Hiermee voldoet het aan de gestelde normen op het gebied van waterbeheer, hittestress en biodiversiteit
4.3
Blauw Binnen deze paragraaf worden alle zaken die betrekking hebben op het gebruik van water geanalyseerd. De waterhuishouding in de omgeving van het plangebied is geanalyseerd en het gebruik van oppervlaktewateren en het omgaan met afval- en hemelwater is onderzocht.
Waterhuishouding: Weging van waterbelang Als uitvloeisel van Europees en landelijk waterbeleid (waaronder: ‘Europese Kaderrichtlijn Water’ en ‘Nationaal Waterprogramma’) is voor ruimtelijke plannen een weging van het waterbelang verplicht gesteld. Deze paragraaf gaat hierop in. Weging van waterbelang is het hele proces van adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De uitvoering geschiedt binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De Weging geeft de inbreng van water een plaats in de procedures over ruimtelijke plannen en besluiten, zoals streek- en bestemmingsplannen en vormt als het ware een verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Het heeft een integraal karakter: alle relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen (naast veiligheid en wateroverlast ook waterkwaliteit en verdroging).
4.3.1
Waterkering
De planlocatie is niet gelegen binnen de waterkering en de beschermingszone. Voor dit onderdeel hoeft geen vergunning worden aangevraagd.
4.3.2
Oppervlaktewater
In de huidige en toekomstige situatie is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied. Aan de westzijde grenzende aan de Kromme Spieringweg is wel sprake van oppervlaktewater. Ook aan de
blad 27 van 38
noordzijde van de nieuwbouw loods en kantoor is er sprake van oppervlaktewater. Echter is er geen sprake van beïnvloeding van het oppervlaktewater.
4.3.3
Afvalwater
Lozingen van afvalwater kunnen worden ingedeeld in directe en indirecte lozingen. Lozingen op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, kortweg riolering, worden indirecte lozingen genoemd. Hierbij maakt het niet uit of vanuit die riolering al dan niet via een zuivering (bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringsinstallatie) in het milieu wordt geloosd, dus of het een vuilwater- of een schoonwaterriool betreft. Op de locatie zijn drie verschillende afvalwaterstromen te benoemen: • Huishoudelijke afvalwater • Hemelwater • Bedrijfsafvalwater Huishoudelijk water: dit wordt geloosd op het gemeentelijk riool door middel van een leiding. Ook de nieuwbouw wordt aangesloten op het gemeentelijke riool. Hemelwater: een deel wordt geloosd op het gemeentelijke riool door middel van een leiding. Een ander deel wordt geloosd op aangrenzende agrarische percelen, waar het kan wegzakken. De verharding op het perceel neemt niet toe als gevolg van de uitbreiding van de loods. Op de plek waar de loods uitgebouwd wordt liggen nu betonplaten. Echter als gevolg van het nieuw te bouwen kantoor/ loods wordt er circa 100 m2 extra verhard. In de waterschapsverordening of het beleid van de waterbeheerder staat of de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd wordt. Hiervoor kan de aanleg van extra wateroppervlak nodig zijn. Dit hangt af van de locatie en bodemgesteldheid.
Sommige waterbeheerders hanteren ook een ondergrens voor wanneer watercompensatie nodig is. Bij een kleinschalige ontwikkeling is watercompensatie niet altijd nodig. Dit verschilt per waterbeheerder. Uit de watertoets die gedaan is (hetwateradvies) blijkt dat er geen water compensatie nodig is, aangezien het verhard oppervlakte met minder dan 500m2 toeneemt. Bedrijfsafvalwater: dit wordt geloosd op het gemeentelijk riool door middel van een leiding. De functie van afvalwater wijzigt niet met de sloop, uitbreiding en nieuwbouw van de locatie. Analyse en conclusie De waterhuishoudkundige situatie wordt niet in negatieve zin beïnvloed door de getroffen maatregelen.
4.4
Groen Binnen deze paragraaf wordt de natuur (flora- en fauna) binnen het plangebied en in de nabije omgeving ervan geanalyseerd.
Gebieden met bijzondere natuurwaarden zijn in Nederland wettelijk en/of planologisch beschermd. Hierbij gaat het om gebieden die bescherming genieten op basis van de Omgevingswet en andere in Omgevingsplannen aangeduide gebieden. Onderstaande paragrafen beschrijven de mogelijke effecten van het project op beschermde gebieden.
4.4.1
Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn wegens de aanwezigheid van bepaalde zeldzame en kwetsbare soorten en habitat-typen (de zogenoemde kwalificerende waarden). De bescherming ervan is geregeld in de Omgevingswet. Overheden dienen de kwaliteit van deze gebieden te waarborgen, waarbij deze aangewezen waarden centraal staan.
blad 28 van 38
Deze kwaliteit is mede afhankelijk van de omgeving. Invloeden buiten het gebied kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden binnen het gebied. Zo kunnen ontwikkelingen op korte afstand kwalificerende soorten in het Natura 2000-gebieden verstoren of verontrusten (externe werking van de bescherming). Externe werking Het projectgebied ligt niet in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het volgende gebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in de omgeving van het planvoornemen (figuur 6): • Kennemerland-Zuid op circa 7000 meter. Gezien deze afstand én de tussenliggende bebouwing en infrastructuur is er geen sprake van een negatieve externe werking van het plan op dit Natura 2000-gebied.
blad 29 van 38
figuur 8: ligging projectgebied (blauw gearceerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid.
4.4.2
Stikstofdepositie
Ten behoeve van het planvoornemen is een stikstofdepositieberekening gemaakt. Zowel de sloop- en bouwfase als de gebruiksfase zijn gemodelleerd. De resultaten en rapportage van het onderzoek zijn toegevoegd als bijlage 3. De AERIUS-calculator laat zien dat in de beide gevallen geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Er zijn dan ook geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, wat betekent dat voor dit plan geen vergunning noodzakelijk is voor de Omgevingswet.
4.4.3
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Aangezien de NNN geen externe werking kent, hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten.
4.4.4
Noord-Hollandse Omgevingsverordening
In de Omgevingsverordening van Provincie Noord-Holland (11 januari 2022) zijn gebieden aangewezen met bijzondere, beschermingswaardige, waarden. Ter bescherming van deze gebieden zijn in de Verordening instructieregels opgenomen. Het plangebied ligt echter niet in één van deze bijzondere gebieden
blad 30 van 38
4.4.5
Soortbescherming
Bescherming van flora en fauna (soorten) was voorheen geregeld in de Wet natuurbescherming (2017) en is sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. De werkzaamheden van het initiatief kunnen leiden tot verstoring van alle aanwezige flora en fauna. De zorgplicht uit de Omgevingswet geldt voor alle voorkomende soorten. Dit betekent dat bij de werkzaamheden, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, zorg wordt gedragen voor een zo min mogelijke verstoring of aantasting van de aanwezige flora en fauna. Uit het veldbezoek (uitgevoerd op 10 april 2024, zie bijlage 4) en de bureaustudie komen de volgende conclusies naar voren: • Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar de gebiedsbescherming, blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op Natura 2000-gebied, bijzonder nationaal natuurgebied of het NNN. • Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijk dat er wel negatieve effecten te verwachten zijn op de gierzwaluw en de rugstreeppad. • Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de gierzwaluw is noodzakelijk (onderzoeksperiode 1 juni t/m 15 juli, drie bezoeken zijn noodzakelijk). • Maatregelen zijn noodzakelijk voor broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en de rugstreeppad (zie tabel). • Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar houtopstanden blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op houtopstanden.
• Voor de algemeen voorkomende soorten geldt dat ze niet ontheffingsplichtig zijn, mits de zorgplicht in acht wordt gehouden. tabel 1: overzicht met maatregelen. Soort(groep)
Maatregel
Alle soorten
Algemene zorgplicht (naar Artikel 1.6 Ow). Degene die een activiteit verricht en weet dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, neemt alle maatregelen om de nadelige gevolgen te voorkomen, maakt de gevolgen beperkt of ongedaan of laat de activiteit achterwege.
Broedvogels
Werken buiten het broedseizoen (circa 15 maart - 15 juli). Indien dit niet mogelijk is, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Een gevestigd nest en in gebruik zijnde nest mag echter niet worden weggehaald.
Vleermuizen, foerageergebied/vliegroute
De werkzaamheden mogen niet 's avonds of 's nachts worden uitgevoerd. Eventuele verlichting dient naar beneden gericht te worden en niet op aanwezige vegetatie of waterlichamen schijnen.
Grondgebonden zoogdieren
De werkzaamheden mogen niet 's avonds of 's nachts worden uitgevoerd. Eventuele verlichting dient niet op aanwezige vegetatie gericht te worden.
Rugstreeppad
Verwijderen van zandhopen en afschermen locatie voorafgaand aan overwinteringsperiode.
Analyse en conclusie Er is geen negatieve invloed te verwachten op de Natura-2000 en/of NNN. Ten aanzien van de soortbescherming geldt dat er nader onderzoek noodzakelijk is, en er maatregelen genomen dienen te worden. Verder zullen naast de algemene zorgplicht rondom algemeen voorkomende soorten ook de enkele randvoorwaarden in acht worden genomen.
4.5 Grijs In deze laatste paragraaf (grijs) worden zowel de bovengrondse als de ondergrondse infrastructuur geanalyseerd alsmede civieltechnische aspecten.
4.5.1
Infrastructuur
Bovengrondse infrastructuren De locatie wordt ontsloten via de Kromme Spieringweg. Deze weg is aangesloten op de N232 en de N205. De verkeersafwikkeling veranderd niet door deze ontwikkeling, derhalve worden er geen nieuwe (ontsluitings)wegen aangelegd.
blad 31 van 38
4.5.2
Verkeersaspecten
Verkeersaantrekkende werking Het planvoornemen voorziet in de realisatie van sloop, uitbreiding en nieuwbouw. De verkeeraantrekkende werking voor dit plan is berekend op basis van de CROW ASVV 2012. Hierbij is uitgegaan van “weinig stedelijk, buitengebied” (handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer, 2018). Tabel 1 geeft de verkeersaantrekkende werking van de toekomstige situatie weer. Deze aantrekkende werking is gebaseerd op de uitbreiding van de loods en de nieuwbouw van het kantoor. Gemiddeld genomen is er sprake van een dagelijkse toename van circa 31 bewegingen. Volgens het centraal instrument monitoring luchtkwaliteit (CIML) is er sprake van 2525 voertuig bewegingen per etmaal over de Kromme Spieringweg. Een toename van 31 verkeersbewegingen (circa 1%) is een dusdanige kleine toename dat het verkeersaspect geen belemmering voor het planvoornemen vormt. tabel 2: verkeersaantrekkende werking nieuwe situatie Type activiteit
Uitbreiding in m2
Verkeersaantrekkende werking conform CROW ASVV per 100 m2
Aantal voertuigbewegingen
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)
288
5.7 per 100 m2
16,4
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)
254,5
5,7 per 100 m2
14,5
Totaal
542,5
30,9
Parkeren De norm voor parkeren in deze situatie is door de Gemeente Haarlemmermeer reeds berekend. Geconcludeerd is dat er een parkeerbehoefte bestaat van zeven parkeerplaatsen op eigen terrein. Het terrein voorziet in deze behoefte. Stedenbouwkundig is het niet wenselijk om te parkeren op het voorterrein van de erf. Vanuit de visie polderlinten heeft het ook de voorkeur om te parkeren op het achter terrein. Derhalve wordt het parkeren opgelost in de binnenruimte tussen de twee loodsen op het achtererf. tabel 3: parkeren Activiteit
Uitbreiding in m2
Parkeerkencijfers conform CROW ASVV per 100 m2
Aantal parkeervoorzieningen
Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)
288
1,3 per 100 m2
3,7
Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)
254,5
1,3 per 100 m2
3,3
Totaal
4.5.3
7
Straalverbindingen, (riool)leidingen en kabels
Ondergrondse infrastructuur In het kader van de goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. In de directe nabijheid van het plangebied is dat niet het geval. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainagebuizen) aanwezig. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij eventuele (kleinschalige) graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden, door middel van een KLIC-melding.
blad 32 van 38
Analyse en conclusie Uit onderzoek blijkt dat door het plan geen significante wijzigingen optreden in de verkeers- en parkeerdruk. Binnen het projectgebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen. Er wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering oplevert voor de ontwikkeling.
4.6
MER
De milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als hoofddoel het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten die mogelijk aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. De basis hiervoor ligt in de EU-richtlijn m.e.r., die in Nederland is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bijlage V van het Omgevingsbesluit bevat een lijst van zowel mer-plichtige als mer-beoordelingsplichtige gevallen en de daarvoor benodigde besluiten. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden beoordeeld of er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. De initiatiefnemer van een merbeoordelingsplichtig project moet dit schriftelijk melden aan het bevoegd gezag (Omgevingsbesluit artikel 11.10) door middel van een aanmeldnotitie, zoals vereist door artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Deze melding bevat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of een MER vereist is. Als belangrijke milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. Bijlage V, kolom 2 (in samenhang met kolom 1), bevat de projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld (artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet).
Kolom 3 (in samenhang met kolom 1) bevat de projecten waarvoor beoordeeld moet worden of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor, indien dat het geval is, een milieueffectrapport moet worden gemaakt (artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet). Kolom 1 groepeert de projecten die getoetst moeten worden aan kolom 2 of 3. Valt een project niet binnen deze groep, dan zijn aanzienlijke milieueffecten uitgesloten en is er geen m.e.r. nodig. De ontwikkeling Om te beoordelen of het voorliggende plan mer-plichtig is, wordt het plan getoetst aan de omschrijving in kolom 1 van bijlage V. Regel J11 stelt dat een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' beoordelingsplichtig is. Een stedelijke ontwikkeling betreft de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, woningbouwlocatie, kantoren, detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is (Artikel 5.129g Bkl). Eerder in document is aangetoond dat voorliggend plan geen stedelijke ontwikkeling is, hierdoor is dit project niet mer-plichtig. Daarnaast is er een MER SCAN Omgevingsvergunning uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plan niet mer-plichtig is.
blad 33 van 38
5 Economische haalbaarheid 5.1
Wet- en regelgeving
Bij een gebiedsontwikkeling kan kostenverhaal verzekerd zijn via afspraken in de anterieure overeenkomst die Gemeente en de initiatiefnemer met elkaar hebben gesloten. Als er bij gebiedsontwikkeling geen overeenkomst is met de initiatiefnemer, moet het bevoegd gezag kostenverhaal publiekrechtelijk regelen. Er zijn twee kostenverhaalmethoden: kostenverhaal voor integrale gebiedsontwikkeling en voor organische gebiedsontwikkeling. Bij integrale gebiedsontwikkeling liggen tijdvak en eindbeeld in het omgevingsplan vast. Bij organische gebiedsontwikkeling ontwikkelt een gebied kavelsgewijs. Bij een Omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is alleen kostenverhaal met tijdvak mogelijk. Artikel 13.14, lid 3 Omgevingswet bepaalt wat in de voorschriften van de Omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit over kostenverhaal moeten worden geregeld. Bij dit planvoornemen zal de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst aangaan met de gemeente waar kostenverhaal gewaarborgd is. Van een publiekrechtelijke regeling is in dit planvoornemen geen sprake. Daar komt bij dat de exploitatie geheel in handen van en voor risico van de ontwikkelende partij zal komen te liggen. De gemeente hoeft geen risicodragende investeringen voor haar rekening te nemen.
5.2
Onderzoeks- en plankosten
De kosten voor voorliggend initiatief en de daarbij behorende noodzakelijke onderzoeken worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten van de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor planbegeleiding. De betaling van deze kosten is verzekerd in de anterieure overeenkomst.
5.3
Nadeelcompensatie
Door het verlenen van een afwijking van het Omgevingsplan voor de betreffende gronden is de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van de locatie, bij de Gemeente op grond van artikel 13.3c Omgevingswet een verzoek tot tegemoetkoming in de nadeelcompensatie wordt ingediend. De Omgevingswet biedt dus een zelfstandige grondslag voor een overeenkomst over nadeelcompensatie (inclusief planschade). De mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de nadeelcompensatie zullen door de initiatiefnemer worden gedragen.
5.4
Conclusie
Op basis van voornoemde overwegingen mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat de uitvoering van het voorliggende initiatief niet door een onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
blad 34 van 38
6
Conclusie inpasbaarheid
Het planvoornemen betreft het deels slopen van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing/uitbreiding van een bestaande loods aan de Kromme Spieringweg 208 te Vijfhuizen. Hiervoor wordt afgeweken van het huidige Omgevingsplan. Gebleken is dat het plan past binnen de relevante beleidskaders. Ruimtelijk bestaan er ten aanzien van de ontwikkeling geen bezwaren. Het planvoornemen wordt economische haalbaar geacht. Ten aanzien van de milieuaspecten zijn er geen randvoorwaarden of beperkingen vastgesteld. Het project heeft geen negatieve invloed op de waterkwantiteit en waterkwaliteit in de omgeving. Ook ten aanzien van bodem, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, activiteiten & milieuzonering en archeologie zijn geen negatieve gevolgen te verwachten. Wij concluderen dat er in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarom is het niet bezwaarlijk, ondanks de strijdigheden met het huidige Omgevingsplan, voorliggend plan uit te voeren. Deze toelichting is opgesteld ter onderbouwing voor de besluitvorming.
blad 35 van 38
Bijlage 1: Inrichtingsschetsen en aanzichten
blad 36 van 38
Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek
blad 37 van 38
Bijlage 3: Stikstofberekening
blad 38 van 38
Bijlage 3.1: Overzicht brandstof verbruik bouw- en sloopfase
blad 39 van 38
Bijlage 3.2: AERIUS_projectberekening_Gebruiksfase
blad 40 van 38
Bijlage 3.3: AERIUS_projectberekening_Gebruiksfase totale bedrijfsvoering
blad 41 van 38
Bijlage 3.4: AERIUS_projectberekening_Bouw-ensloopfase
blad 42 van 38
Bijlage 4: Quickscan flora en fauna
blad 43 van 38
Dit rapport is opgesteld in opdracht van: Reeuwijk Verhuur Kromme Spieringweg 208 2141 BR Vijfhuizen Projectnummer: 241124 Locatie: Vijfhuizen Opsteller: J. (Jens) Smits Controleur: ing. K.W. (Klaas) Romijn
Equipe Adviseurs B.V. Daltonstraat 30D 3316 GD Dordrecht 088 078 1100 info@equipe-adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl BANK NL45ABNA0586840729 KVK 24459961 BTW NL820721141B01