CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 29 januari 2026, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een reclamemast ter hoogte van afrit S106 gericht op de A9 te Badhoevedorp/Lijnden (12824414)6.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing

Reclamemast, Schipholweg/A9, Lijnden

Gemeente Haarlemmermeer

Datum: 24 november 2023 Projectnummer: 230230

INHOUD RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

1

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

4 4 5 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 7

3

Beleid en regelgeving

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 14 16

4

Milieu- en omgevingsaspecten

18

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Lichthinder Externe veiligheid Water Natuur Stikstof Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

18 19 19 19 20 20 21 22 22 22 23 24 24

5

Economische haalbaarheid

25

6

Maatschappelijke haalbaarheid

26

Bijlage Bijlage 1: Onderzoek stikstofdepositie

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Het voornemen bestaat om een reclamemast te realiseren in de bocht van de afrit Badhoevedorp/Lijnden van de A9 richting de S106 Amsterdamse baan bij Lijnden. Deze mast zal dienen als vervanging van een reclamemast die tot 2012 aan de Schipholweg stond ter hoogte van het toenmalige klaverblad Badhoevedorp. Deze mast is destijds gesloopt ten behoeve van de omlegging van de A9 in het project ‘Badhoevebogen’. De planlocatie van de nieuwe mast betreft het kadastrale perceel bekend als nummer 12910, gelegen in de kadastrale gemeente Haarlemmermeer, sectie H. De locatie is weergegeven op de onderstaande afbeelding. Op basis van de meegeleverde tekeningen heeft de mast een maximale hoogte van 22 m met aan twee zijde een LED scherm. De mast komt ongeveer 60 meter uit de kantstreep van de A9. Het plan past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Haarlemmermeer 2014’, waarbij bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de hoogte niet meer dan 10 meter mag bedragen. Om het initiatief alsnog mogelijk te maken kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Deze ruimtelijke onderbouwing levert die motivering.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het besluitgebied ligt aan de in de bocht van de afrit die de snelweg A9 verbindt met de Amsterdamse baan bij Lijnden/Badhoevedorp. Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het besluitgebied weergegeven.

Globale ligging besluitgebied, rode marker (bron: pdok.nl/viewer)

4

1.3

Vigerend bestemmingsplan Het besluitgebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Haarlemmermeer 2014’, vastgesteld door de gemeenteraad op 12 april 2014. De locatie van het besluitgebied is in het bestemmingsplan bestemd met de enkelbestemming ‘verkeer’. Deze gronden zijn volgens de bestemmingsplanregels bestemd voor wegen en daarbij behorende infrastructuur. Ondergeschikt daaraan passen in deze bestemming ook kunstobjecten en reclame-uitingen. Een reclamemast past dus in deze bestemming. De bouwwerken die hier zijn toegestaan zijn echter onderhevig aan beperkingen. In dit geval is het relevant te vermelden dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet hoger mogen zijn dan 10 meter. De reclamemast heeft een beoogde hoogte van 22 meter en zodoende is het oprichten van de reclamemast niet toegestaan in de geldende bestemming. Naast de enkelbestemming ‘Verkeer’ heeft de planlocatie de gebiedsaanduidingen ‘geluidzonde - industrie’ en ‘luchtvaartverkeerzone – LIB’. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan. Voor gebieden met de aanduiding luchtvaartverkeerzone -LIB gelden mogelijk beperkingen met betrekking tot bebouwing en het gebruik daarvan. Dit betreft met name de hoogte en de vogel-aantrekkende werking van bouwwerken.

Uitsnede uit verbeelding van vigerend bestemmingsplan met daarop het besluitgebied rood gemarkeerd. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De ruimtelijke onderbouwing besluit met hoofdstukken over de economische haalbaarheid (hoofdstuk 5) en de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6).

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Ten westen van Badhoevedorp en ten zuiden van Lijnden, ter plaatse van de kruising van de S106 Amsterdamse baan met de N232 Schipholweg en ongeveer 60 meter ten oosten van de kantmarkering van de A9 ligt een groen restruimte tussen het talud van de Amsterdamsebaan en het fietspad. De ruimte tussen het fietspad en het talud biedt ruimte voor de bouw van een reclamemast. De kavel waarop de mast is beoogd, is kadastraal bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie H, nummer 12910.

Bestaande situatie bezien vanuit de ruimte. De rode stip geeft de geplande locatie van de mast aan. (bron: Google Maps)

Bestaande situatie bezien vanaf de N232 Schipholweg. De rode stip geeft de geplande locatie van de mast aan. (bron: Google Maps)

6

2.2

Toekomstige situatie De gemeente kan de ontwikkeling van een nieuwe reclamemast toestaan wanneer die niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Met de realisatie van de nieuwe reclamemast zal met een omgevingsvergunning afgeweken moeten worden van het bestemmingsplan waardoor de reclamemast alsnog vergund wordt. De mast wordt geplaatst nabij de kruising van de Schipholweg en de Amsterdamsebaan in het talud van de Amsterdamsebaan. Daartoe wordt het talud enigszins verkleind door middel van een keerwand. De voet van de mast komt 60 meter buiten de buitenste belijning van de snelweg en op 16 meter van de buitenste belijning van de Schipholweg. De meest westelijke punt van het scherm ligt op 48 meter van de kantbelijning van de A9 en op 4 meter van de Schipholweg.

De beoogde locatie van de mast. (bron: Ocean Outdoor)

7

De beoogde locatie van de mast nader beschouwd. (bron: Ocean Outdoor)

De nieuwe reclamemast zal een hoogte van 22 meter krijgen met reclame-uitingen met een grootte van 12 bij 9,5 meter. Twee schermen met reclame-uitingen worden ruggelings tegen elkaar geplaatst. Aan de noordzijde richt het scherm zich op de Amsterdamsebaan, aan de zuidzijde richt het scherm zich op de A9. Het scherm aan de noordzijde zal worden uitgevoerd als lijst voor een wisselposter die met een lichtbalk van onderaf wordt aangelicht. Het scherm aan de zuidzijde zal worden uitgevoerd als ledscherm. Hierop kunnen reclame-uitingen worden getoond van maximaal 12 bij 9,5 meter. Dit scherm bied de mogelijkheid de uitingen te veranderen, op een kleiner formaat te tonen en met gedempte lichtsterkte te tonen.

Impressie van de reclamemast gezien vanuit het oosten richting het westen

8

Impressie van de reclamemast gezien vanuit het westen richting het oosten

9

3

Beleid en regelgeving Als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat de realisatie van de reclamemast niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijk ordeningsbeleid van rijk, provincie en gemeente. Dit hoofdstuk geeft een antwoord op de vraag of het project niet in strijd is met het ruimtelijk beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden worden voorzien van meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Er worden daarbij vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen 10

stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit.

Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Onderhavig initiatief is zeer beperkt in omvang en invloed op de ruimtelijke omgeving van het besluitgebied. Toch wordt er, gelet op het feit dat er met onderhavig initiatief een bijdrage wordt geleverd aan de gewenste eenheid en identiteit voor het besluitgebied, een bijdrage geleverd aan het realiseren van één van de rijksprioriteiten uit de NOVI. In het ontwerp van de reclamemast is uitgegaan van een gebruik van

11

milieuvriendelijke en energiezuinige LED-verlichting, waardoor het initiatief ook qua energiegebruik relatief milieuvriendelijk is. Al met al wordt met onderhavig initiatief derhalve rekening gehouden met de afwegingsprincipes uit de NOVI die raakvlak hebben met onderhavig initiatief. De realisatie van de reclamemast is niet in strijd met de in de NOVI opgenomen prioriteiten en beleidskeuzes. 3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Het Barro wordt verder uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Toetsing aan het Barro en de Rarro is van belang om te kunnen garanderen dat het onderhavige plan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Toetsing en conclusie De projectlocatie wordt slechts door één thema uit de Rarro geraakt, namelijk radarstations. Het project ligt binnen het radarverstoringsgebied van de radars Schiphol TAR west en Schiphol centrum. Het plangebied ligt op vier kilometer van de SchipholCentrum en op drie kilometer van Schiphol-West. In de verstoringsgebieden van radarmasten loopt de toegestane maximale bouwhoogte op van de hoogte van de radar in het midden tot de radarhoogte plus 65 meter op 15 kilometer van de radar. VoorSchiphol-Centrum is het noodzakelijk een berekening uit te voeren voor de maximale hoogte van de mast. Dit radarstation is gelegen op 19 meter hoogte(NAP). De hoogte mag vanaf dit middelpunt toenemen met een coëfficiënt van 0,00433. Dit is de volledige berekening: 4000 x 0,00433 = 17,3 + 19 = 36,3 meter. De maximale hoogte waarbij de mast het radarstation Schiphol-Centrum niet verstoord is 36,3 meter.

Voor het radarstation Schiphol-West is geen berekening nodig omdat dit radarstation hoger gelegen is dan de geplande hoogte van de reclamemast. Het voorgenomen project is daarmee niet in strijd met het SVIR noch met het Barro of Rarro.

12

3.1.3

Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen Volgens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) is Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor het veilig en doelmatig gebruik van auto(snel)wegen. Afleiding kan een veilig gebruik in de weg staan. Tijdens de rijtaak wordt een weggebruiker geconfronteerd met visuele informatie, die deels wel en deels niet relevant is voor de rijtaak. In het laatste geval spreekt men van ‘visuele afleiding’. Als de rijtaak eentonig is kan enige afleiding de rijtaak afwisselender maken maar deskundigen zijn het erover eens dat de verkeersveiligheid in het geding komt als een object moeilijk te negeren is en/of de aandacht te lang vasthoudt. Met de Handreiking ‘Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen’ kunnen Rijkswaterstaat (op basis van de Wbr) en andere vergunningverlenende overheden (met name op basis van de Wabo) voor objecten langs auto(snel)wegen beoordelen in hoeverre de verkeersveiligheid in het geding kan zijn. Deze handreiking kent diverse criteria voor het plaatsen van objecten langs autosnelwegen. Om te voorkomen dat objecten de aandacht lang vasthouden gelden de volgende criteria: a Beelden en teksten op digitale billboards mogen niet vaker dan 1 maal per 6 seconden wisselen en de beelden mogen niet aan elkaar gerelateerd zijn.

b Bewegende objecten kunnen worden toegestaan als de beweging voorspelbaar is en er geen licht uitgestraald wordt. c Binnen 13 meter vanaf de kantstrookmarkering mogen geen objecten boven de weg worden geplaatst met uitzondering van eenvoudige uitingen op gebouwen en traverses op minimaal 8 meter boven de verharding. d Het moet in één oogopslag duidelijk zijn wat het object voorstelt en het object moet in redelijke mate passen binnen hetgeen weggebruikers rond een auto(snel)weg verwachten. e Het object mag niet als aanstootgevend kunnen worden ervaren (bijvoorbeeld verbeelding van geweld, bloot, seks, wapens, racisme, ook als het anti is bedoeld). f Het object mag niet parallel aan de rijrichting staan (hoek mag niet kleiner zijn dan 60 graden, waarbij 90 graden gedefinieerd is als haaks op de rijrichting). Toetsing en conclusie De mast voldoet aan al de voorgaande criteria; De beelden op de mast zijn aan de noordzijde statisch en zullen aan de zuidzijde niet vaker dan éénmaal per tien seconden wisselen. Er zijn geen bewegende objecten aanwezig en de mast bevindt zich op meer dan 13 meter van de kantstrookmarkering van de A9. Voorts zullen er geen onduidelijke of aanstootgevende beelden worden getoond en staan de schermen binnen de toegestane hoek ten opzicht van de rijrichting.

De reclamemast voldoet aan alle beschreven criteria uit de handreiking ‘Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen’. De reclamemast brengt daarmee de verkeersveiligheid niet in gevaar.

3.1.4

Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan objecten, bebouwing en gebruiksfuncties in het gebied rond de luchthaven. Het LIB is de geconsolideerde en de meest actuele versie van het LIB, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt die sinds het uitkomen van het eerste LIB in 2002 zijn vastgesteld.

13

Toetsing De beoogde locatie van reclamemast is gelegen in meerdere kaarten bijbehorende bij het LIB. Het is gelegen in het ‘Beperkingengebied’ (kaart 2), ‘beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen’ en ‘afwegingskader geluid en externe veiligheid’ (kaart 3), ‘Vlaknr40030. Toetshoogte 15,5m NAP’ (kaart 4), ‘Vlaknr50002. Toetshoogtebereik 10 tot 20 m NAP’ (kaart 5), ‘Vlaknr60013. Toetshoogte Radar 36 m NAP’ (kaart 6), ‘Vlaknr70001. Toetshoogtebereik Radar 30 tot 40 m NAP’ (kaart 7), ‘Beperking aantrekken vogels’ (kaart 8) en ‘Toetszone voor windturbines en laser’ (kaart 9). Binnen deze kaarten zijn de artikelen 2.2.2 en 2.2.2a van belang voor onderhavig initiatief. Artikel 2.2.2 Op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij dit besluit zijn geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden (15,5 m NAP). In afwijking hiervan is een object dat hoger is dan de desbetreffende maximale waarde eveneens toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de wet. Met een hoogte van 22 m is de reclamemast hoger dan de toegestane maximale waarden, er zal zodoende een verklaring van geen bezwaar benodigd zijn. 3.1.5

Conclusie Wanneer een verklaring van geen bezwaar verkregen is, is voorliggend project niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie NH2050 en Omgevingsverordening NH 2020 Omgevingsvisie NH2050 In de Omgevingsvisie NH2050 (vastgesteld 19-11-2018) is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. De provincie ambieert een goed balans tussen economische groei en leefbaarheid. Om die reden probeert de visie zoveel mogelijk samenhangend te zijn. Er wordt daarom een veelheid aan thema’s behandeld in deze visie. Economische groei en leefbaarheid vertalen zich in Noord-Holland in een hoog welvaartsniveau en een hoog welzijnsniveau. Dit wil de provincie behouden. Acht ambities uit de omgevingsvisie zijn weergegeven in een kaart. Een aantal van deze ambities heeft in een uitgewerkte vorm betrekking op het plangebied. Dat zijn de volgende thema’s: Leefomgevingskwaliteit, metropool in ontwikkeling, nieuwe energie en Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving. Leefomgevingskwaliteit: Nieuwe ontwikkelingen Natuurinclusief. Bij alle ontwikkelingen wordt gestreefd naar het vergroten van de biodiversiteit. Meer biodiversiteit draagt bij aan een duurzame agrifoodsector en andersom en tevens aan

14

een gezonde leefomgeving. De reclamemast is een klein project zonder ruimtelijke component en heeft geen betrekking op dit thema. Metropool in ontwikkeling: Ontwikkelen binnen beschikbare milieuruimte. De provincie nastreeft om Schiphol te blijven ontwikkelen en vooralsnog de voorwaarden voor en groot Schiphol te bestendigen. Voor het Amsterdamse Westelijk havengebied geldt ook de ambitie om de voorwaarden voor ontwikkeling daar te verhelderen. Tussen de A10 en het Noordzeekanaal wordt de havenfunctie voortgezet en is er nadrukkelijk geen herontwikkeling tot woningbouw mogelijk. De provincie zoekt uitdrukkelijk de randen op van wat mogelijk is met betrekking tot milieuwetgeving. Dit beleid heeft geen invloed op de bouw en het gebruik van een reclamemast. Nieuwe energie: Optimale energiemix. De provincie streeft ernaar om waar dat mogelijk is duurzame energie te gebruiken. Daarnaast streeft ze ernaar om in het kader van de duurzaamheid restwarmte goed te gebruiken. Warmtenetten kunnen een middel zijn om duurzame energiebronnen beter te benutten. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: Robuust ecosysteem. Een robuust ecosysteem wordt gerealiseerd door verschillende natuurgebieden met elkaar te verbinden en door ook buiten natuurgebieden slim en goed om te gaan met natuurwaarden.

Het natuurbeleid wordt extra goed afgestemd met recreatiebeleid, waterstanden-beleid en landbouwbeleid. Omgevingsverordening NH 2020 De omgevingsverordening NH 2020 (geconsolideerd 10-7-2023) is een uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit de omgevingsvisie in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om de provinciale belangen te borgen in regels. Over de volgende thema’s zijn in de verordening regels gemaakt die van toepassing zijn op het plangebied. Bodemsanering. De provincie beoogt een functiegericht omgang met verontreinigde bodems. Dit betekent dat de bodem alleen gesaneerd wordt wanneer dit noodzakelijk is voor het toekomstige gebruik van het gebied en niet wanneer daar geen aanleiding toe is. Dit bespaart maar zorgt er wel voor dat het belangrijk is om een goed inventarisatie van vervuilde gronden bij te houden. Datacenters. Er is provinciaal beleid voor de vestiging van datacenters. Dit heeft te maken met het grote ruimtebeslag en energieverbruik van deze centers. Dit is niet belangwekkend voor de bouw van een reclamemast.

LIB5 zone Schiphol.

15

Binnen de LIB5-zone gelden speciale regels die vooral betrekking hebben op wonen en woningbouw. Dit thema zal verder besproken worden in hoofdstuk vier. Ontgrondingen. In de gehele provincie gelden regels voor ontgrondingen. Het is in principe verboden te ontgronden tenzij wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Ontgrondingen ten behoeve van de aanleg van funderingen zijn toegestaan. Er is geen vergunningsaanvraag voor nodig. Peilbesluit. De provincie verplicht aan waterschappen om waterstanden van oppervlaktewateren te peilen en te beheren. Er dient een bandbreedte te worden bepaald waarbinnen het waterpeil mag fluctueren. Provinciale wegen. De provincie beheert de provinciale wegen en probeert die veilig te houden. Een onderdeel daarvan is het beperkingengebied provinciale wegen. Dit gebied omvat alle percelen die direct aan de weg grenzen of binnen twintig meter van de weg liggen. Hier gelden regels over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het functioneren van de weg. Er gelden ook regels voor reclame-uitingen langs provinciale wegen. Voor reclame-uitingen die worden geplaatst binnen 13 meter van een provinciale weg worden ‘doorgaans’ géén vergunningen verleend (artikel 6.68). De mast wordt buiten de 13 meter zone van de provinciale weg gerealiseerd. Toetsing en conclusie Met onderhavig initiatief wordt een reclamemast gerealiseerd.

Dit betreft een zeer specifiek initiatief dat niet expliciet genoemd is in de omgevingsvisie en omgevingsverordening. De bouw en het beheer van de reclamemast conflicteren niet met het provinciale beleid 3.2.2

Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het provinciaal beleid van de bovenstaande thema’s met uitzondering van het beleid dat betrekking heeft op de provinciale wegen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 Op 3 maart 2022 is de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 en de Structuurvisie 2035 van Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Door middel van deze visie wil de gemeente "de samenhang laten zien van plannen en gewenste toekomstige ontwikkelingen". Het is een belangrijk ruimtelijk instrument waarin de inrichting van de ruimte beschreven wordt en dat de basis vormt voor alle bestemmingsplannen /omgevingsplannen. Er staat bijvoorbeeld in hoofdlijnen in waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd mag worden. De ambities voor Haarlemmermeer in 2040 zijn als volgt benoemd: − wonen waar dorp en stad samenkomen;

16

− economisch krachtig en divers; − ontspannen in het buitengebied; − slim en stevig verbonden met onze netwerken. Toetsing Met onderhavig initiatief wordt een reclamemast gerealiseerd. Dit betreft een zeer specifiek initiatief dat niet expliciet genoemd is in de omgevingsvisie. Er is zodoende geen strijd met de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040. 3.3.2

Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 De Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 is op 2 juni 2022 vastgesteld. Met deze visie legt de gemeente vast hoe en waar Haarlemmermeer binnen de bestaande kernen kan groeien. De verdichtingsvisie beschrijft hoe Haarlemmermeer op sommige plaatsen meer stads wordt en er op andere plekken ruimte is voor groen, recreatie en het open polderlandschap. De verdichtingsvisie betreft een lange-termijnontwikkeling met een horizon van 2040. Toetsing Met onderhavig initiatief wordt een reclamemast gerealiseerd. Het heeft geen betrekking op aspecten binnen de verdichtingsvisie. Er is zodoende geen strijd met de Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040.

3.3.3

Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met het gemeentelijke beleid.

17

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. Het onderhavig initiatief voor de Sporthalstraat wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2. Het onderhavig initiatief valt namelijk onder ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” Toetsing en conclusie Het project voorziet in de bouw van een reclamemast. Gelet op de geringe omvang van het project, ruim onder de drempelwaarden, en de ligging van het project worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt

18

in deze ruimtelijke onderbouwing in navolgende paragrafen in voldoende mate afgewogen. Gelet op het kleinschalige karakter is uit te sluiten dat er significante gevolgen als gevolg van dit project op Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een passende beoordeling op basis van de Wet natuurbescherming is niet nodig waardoor het project om die reden geen m.e.r-plicht heeft. Ook een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

4.2

Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Toetsing en conclusie Een reclamemast is geen gevoelige functie in het kader van bodemkwaliteit. Bovendien heeft een reclamemast geen invloed op de bodemgesteldheid. Een verkennend bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.3

Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, door spoorwegverkeer, en/of door inrichtingen (industrielawaai) het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde, dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Indien een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe geluidsgevoelige functies toestaat, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidbelasting ten gevolge van wegen, spoorlijnen en gezoneerde bedrijventerreinen op een bepaalde afstand van de nieuwe geluidsgevoelige functies. Toetsing en conclusie Een reclamemast is niet geluidsgevoelig. Met dit project worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. De reclamemast veroorzaakt ook geen geluid welke een belemmering kan vormen voor het omliggende woonmilieu. Het aspect geluid vormt daarom geen belemmering voor het mogelijk maken van de reclamemast.

4.4

Luchtkwaliteit Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen

19

niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Toetsing en conclusie De ontwikkeling van de reclamemast is geen milieuhindergevoelige functie en leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Er zal alleen incidenteel een onderhoudsauto komen. Dit is dusdanig beperkt dat dit niet relevant is voor de luchtkwaliteit. Als gevolg daarvan is het uitvoeren van luchtonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Toetsing en conclusie In onderhavige situatie is geen sprake van het mogelijk maken van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het project hoeft dan ook geen rekening te houden met omliggende functies met een milieuzone. Ook worden omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aangetast als gevolg van het project. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.6

Lichthinder De Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft richtlijnen opgesteld voor lichthinder.

20

Lichttechnische parameter Lgr in cd/m 2 Oppervlakte

voor de verschillende omgevingszones E0

E1

E2

E3

E4

Luminatie reclamebord of -

< 0,1

50

500

750

1000

object met oppervlak < 0,4 m 2 Idem met oppervlak 0,4 - < 2 m 2

n.v.t.

30

300

500

750

Idem met oppervlak 2 - < 5 m 2

n.v.t.

20

200

300

500

Idem met oppervlak 5 - < 10 m 2

n.v.t.

15

150

200

300

Idem met oppervlak 10 - < 20 m 2

n.v.t.

0

100

150

200

Idem met oppervlak 20 - < 50 m 2

n.v.t.

0

75

100

150

Idem met oppervlak 50 - < 100 m 2

n.v.t.

0

50

75

100

Idem met oppervlak 100 - < 200 m 2

n.v.t.

0

30

50

75

Omgevingszone

E0 E1 E2 E3 Duisternisgebied Natuurgebied Landelijk gebied Stedelijk gebied

Ocean

30 - 40

E4 Stadscentrum/ industriegebied

Richtlijnen lichthinder (bron NSVV 2020)

Voor reclameborden zijn, afhankelijk van het gebied en de oppervlakte, richtlijnen bepaald zoals opgenomen in de bovenstaande tabel. Toetsing en conclusie De mast voldoet aan de richtlijnen voor lichthinder van de NSVV van 2020. De mast is volgens het provinciale beleid formeel gelegen in een landelijk gebied (E2) en heeft een grootte van 114 m2. Het aantal toegestane candela (cd/m2) bedraagt in dit geval 30. Ocean stelt voor om het formaat van de reclame-uitingen na zonsondergang te verkleinen tot 99 m2 zodat het aantal candela (cd/m2) mag toenemen tot 50. Op die manier kunnen de schermen feller worden afgesteld dan bij het oorspronkelijke formaat. Om de juiste candela-uitstraling te garanderen zullen de schermen voor ingebruikname getest worden op lichtintensiteit. Daarnaast worden eventueel nog verticale lamellen aangebracht. Dit principe is met succes getest op andere locaties. De hoek van deze lamellen kan ingesteld worden waardoor de zichtbaarheid van de schermen vanaf punten van waaruit dit niet gewenst is kan worden verminderd. De lamellen zijn nadrukkelijk een optionele maatregel omdat ook zonder de lamellen voldaan kan worden aan de richtlijnen voor lichthinder van de NSVV.

4.7

Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Reclamemasten worden niet aangemerkt als (beperkt) kwetsbare objecten volgens het Besluit externe veiligheid. Toetsing aan het Bevi in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen of de aardgasleiding is daarom niet van toepassing. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

21

4.8

Water Het plan voorziet in de ontwikkeling van een reclamemast. Het is een kleine ontwikkeling waarbij het verharde oppervlak in het gebied vrijwel niet zal toenemen. De invloed van het project op het water in het gebied en de omgeving zal dus klein zijn. Er zal rekening worden gehouden met het gevaar van uitlogen bij het gebruik van verzinkt staal, door grote delen van de constructie additioneel te coaten en de constructie van de borden af te dichten tegen regen. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen het beheersgebied van hoogheemraadschap Rijnlanden. In onderhavige situatie is geen sprake van een ontwikkeling die invloed heeft op het oppervlaktewater in het gebied. Echter is de planlocatie wel gelegen in een gebied dat is aangewezen als ‘Kwetsbaar kwelgebied’. Algemene regel 20.4 artikel 4 Grondverzet in kwetsbare kwelgebied is van toepassing. Enkel voor het dieper boren of (boog)zinkeren dan NAP -8,5 m wordt geadviseerd met Rijnland contact op te nemen of een aanvraag in te dienen. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.9

Natuur Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing en conclusie De projectlocatie is niet in de directe nabijheid van gebieden gelegen waarvoor beschermde natuurwaarden gelden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Polder Westzaan’ en ‘Kennemerland-Zuid’, beide gelegen op 11 kilometer. De projectlocatie is gelegen in het laagste gedeelte van het talud van de A9 en verder direct gelegen aan een fietspad bijbehorend bij een provinciale weg. De locatie is voorzien van kort gras en er zijn geen schuilmogelijkheden voor beschermde soorten aanwezig. De aanwezigheid van beschermde soorten is zodoende uit te sluiten. Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.10

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura

22

2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing en conclusie In het kader van voorliggende ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd 1. Hierin is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt.

Navolgende wordt de conclusie uit dit onderzoek uiteengezet. Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegen gebruiksfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.

4.11

Archeologie In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven.

1

SAB. Onderzoek stikstofdepositie, Haarlemmermeer, Reclamemast A9/S106. 230230, 21 november 2023. 23

Toetsing en conclusie De planlocatie is volgens de gemeentelijke archeologiekaart gelegen in ‘Archeologie 6’. Binnen deze waarde geldt dat onderzoek verplicht is bij ingrepen in de bodem groter dan 10.000 vierkante meter en dieper dan 40 centimeter. De bodemingreep zal maar enkele vierkante meters bedragen. Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De regels omtrent archeologie staan de realisatie van de reclamemast niet in de weg.

4.12

Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de beoordeling van een ruimtelijk project. Toetsing en conclusie Op basis van de afwezigheid van provinciale of rijksmonumenten en de schaal van het project is geen cultuurhistorisch onderzoek en/of een nadere cultuurhistorische onderbouwing nodig.

4.13

Verkeer en parkeren Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar verkeersaspecten als bereikbaarheid, verkeersveiligheid en parkeren. In het kader van een goede leefbaarheid geldt dat hinder in de omgeving zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Toetsing en conclusie Met de bouw van de reclamemast is er geen sprake van een toename van de behoefte aan parkeerplaatsen en ook is er geen sprake van toename van verkeer. Ten aanzien van de verkeersveiligheid is in paragraaf 3.1.3, aan de hand van de eisen uit de Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen, aangetoond dat de reclamemast geen belemmering vormt. Het aspect verkeer en parkeren is daarom niet van belang voor deze ontwikkeling.

24

5

Economische haalbaarheid De realisatie van de reclamemast komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

25

6

Maatschappelijke haalbaarheid Na vergunningverlening zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor eenieder het project ter inzage worden gelegd. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=5645ad92-21db-40f5-9d01-33f1dff902d1