Bijlage 2 Motivering bij de wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer 'Bodem'
Tekst van het document
Wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’ MOTIVERING 26-3-2025
1. Inleiding 1.1 Algemeen Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet heeft als uitgangspunt dat decentrale overheden hun regels over de fysieke leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Dat bevordert de inzichtelijkheid, samenhang en naleving van regelgeving. Voor gemeenten is dat het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 beschikt de gemeente over het omgevingsplan van rechtswege. Dit wordt ook wel het tijdelijke omgevingsplan genoemd. Dit plan bestaat uit de op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen, een enkele verordening en uit de zogenaamde ‘bruidsschat’, regels die door het rijk aan de gemeente zijn overgedragen. Ook de bodemfunctieklassenkaart en het gebiedsspecifiek toetsingskader (voor het toepassen van grond of baggerspecie) zijn in het tijdelijk deel van het omgevingsplan terechtgekomen. Het omgevingsplan van rechtswege moet vóór 1 januari 2032 worden omgezet naar één integraal omgevingsplan voor het grondgebied van de gemeente. Dat zal niet in één keer, maar gebied voor gebied en onderwerp voor onderwerp gebeuren.
1.2 Aanleiding en doel van dit wijzigingsplan Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de bodemwetgeving gewijzigd. De gemeente heeft nieuwe bevoegdheden op het gebied van bodem gekregen en haar bestaande bevoegdheden zijn uitgebreid. De gewijzigde wetgeving en de nieuwe bevoegdheden maakten het nodig om het bodembeleid te vertalen naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet om het beschermingsniveau voor inwoners en gebruikers van de bodem te behouden en de uitvoeringspraktijk een soepele overstap naar de Omgevingswet te kunnen laten maken. Om het bestaande beleid en de regelgeving voor bodem te kunnen behouden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, zijn er op 28 november 2023 beleidsneutrale voorbeschermingsregels bodem vastgesteld in de vorm van het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels bodem (NL.IMRO.0394.TAMVBBhlmbodem-D0001). Ook is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een meldingsplicht voor staalslakken en grondstabilisatie ingesteld. Deze meldingsplicht is opgenomen in het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels staalslakken (NL.IMRO.0394.TAMVBBhlmstaalslak-D001) en is niet-beleidsneutraal. Deze voorbeschermingsregels vervallen op grond van de Omgevingswet in ieder geval na een jaar en zes maanden. Het is van belang dat de inhoud van deze regels behouden blijft.
Met de wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’ (hierna: wijzigingsplan) worden beide voorbereidingsbesluiten omgezet naar het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer. Daarnaast
worden met het wijzigingsplan de bodemregels uit de bruidsschat die in het tijdelijke omgevingsplan zijn opgenomen, omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
1.3 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied van dit wijzigingsplan omvat het gehele grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer.
1.4 Geldend plan De regels die per 1 januari 2024 van rechtswege in het omgevingsplan zijn terecht gekomen, staan nog in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Haarlemmermeer heeft met een wijziging van het omgevingsplan (wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Verruiming vergunningsvrije bouwmogelijkheden’) al enkele aanvullingen en afwijkingen van bruidsschatregels in Hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer over vergunningsvrij bouwen opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan (Hoofdstuk 5. Activiteiten. Titel 5.2 Thematische activiteiten. Afdeling 5.2.2. Bouwen van een bouwwerk. Paragraaf Bouwen van een bouwwerk-kleine bouwwerken). De vergunningsvrije bouwmogelijkheden op en bij woningen zijn hiermee verruimd ten opzichte van de bruidsschatregels.
1.5 Planproces Voordat een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer rechtskracht verkrijgt, dient de procedure te zijn doorlopen, zoals vastgelegd in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent in het algemeen het volgende: 1. Kennisgeving van het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan bekendmaken. 2. Participatie. 3. Opstellen van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan door het college van burgemeester en wethouders. 4. Vaststellen van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan, en vrijgeven voor de uniforme voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. 5. De ontwerpwijziging van het omgevingsplan ter kennisname sturen naar de gemeenteraad. 6. Bekendmaking en terinzagelegging van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan gedurende zes weken, waarbij ook eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. 7. Opstellen raadsvoorstel tot wijziging van het omgevingsplan. 8. Vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan door de gemeenteraad met bijbehorende beantwoording van ingekomen zienswijzen. 9. Bekendmaking en ter inzagelegging van de vastgestelde wijziging van het omgevingsplan gedurende zes weken, waarbij de mogelijkheid bestaat om in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
1.6 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit vier hoofdstukken, waaronder deze inleiding. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de uitgangspunten (regelgeving en het beleid) van de wijziging van de regels. In hoofdstuk 3 worden de juridische aspecten beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
2. Uitgangspunten 2.1 Algemeen Het wijzigingsplan past binnen de door de raad ingezette koers. In het Koersdocument Omgevingswet (2017.0055108) heeft de raad bepaald welke uitgangspunten zij hanteert bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bij het vaststellen van het model-omgevingsplan Haarlemmermeer (2020.0001356) heeft zij dat nogmaals bevestigd. Het betreft de volgende uitgangspunten: a. Bij de overgang naar de Omgevingswet blijft het huidige dienstverleningsniveau in stand; b. De bestaande regels worden zoveel als mogelijk beleidsneutraal getransformeerd; c. Waar mogelijk gelden algemene regels en waar nodig worden vergunnings- of meldingsplichten opgenomen; d. In ieder geval worden voor de topactiviteiten uit de bestaande eigen regelgeving toepasbare regels opgesteld; e. Waar mogelijk geldt meer vergunningsvrijheid in beheergebieden (bijvoorbeeld woonwijken) en worden heldere kaders gesteld voor vergunningsplicht in ontwikkelgebieden; f. Er gelden heldere juridische kaders voor initiatieven in de fysieke leefomgeving, waarbij wordt gestreefd naar deregulering en maatwerk.
2.1 Regels en beleid Bruidsschat bodem Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan bevat onder andere regels over bouwen op verontreinigde grond en kleinschalig graven die vóór 1 januari 2024 in de Verordening fysiek domein 2023, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet bodembescherming stonden. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen gemeenten kiezen wat zij met de regels van het rijk die in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan zijn opgenomen willen doen: wijzigen, handhaven, of laten vervallen. Uiteraard voldoet de gemeente daarbij wel aan de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met de Wet bodembescherming en de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 werd het geschikt zijn van de bodem voor het bouwen van een gebouw waar langdurig mensen verblijven, bepaald door landelijke normen en provinciaal PFAS-beleid. Onder de Omgevingswet mag de gemeente zelf een waarde toelaatbare kwaliteit voor bouwen van een ‘bodemgevoelig gebouw’ vaststellen. Dit is de waarde waaraan de kwaliteit van de bodem moet voldoen om een bodemgevoelig gebouw toe te laten zonder dat sanerende maatregelen nodig zijn.
Deze waarde mag soepeler zijn dan de waarden die het rijk heeft meegegeven in de bruidsschat zolang er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s zijn of kunnen ontstaan of kan juist strenger worden vastgesteld indien een hoger beschermingsniveau gewenst is. Voor lood hanteert de gemeente een strengere waarde dan in de bruidsschat was opgenomen. Deze strengere waarde is gebaseerd op het advies van de landelijke GGD-projectgroep Bodem. Voor PFAS bestaan geen landelijke waarden. Daarom is bij het vaststellen van een waarde toelaatbare kwaliteit voor PFAS aangesloten bij de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging van het RIVM. Daarnaast zijn nog enkele bruidsschatregels voor bouwen en kleinschalig graven aangescherpt, zoals de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (in aanvulling op het vooronderzoek) in sommige gebiedenenhet niet terugplaatsen van grond met een PFAS- of andere mobiele verontreiniging na kleinschalig graven. Ook is een informatieplicht ingevoerd voor graafwerkzaamheden dieper dan een in het kader van een bodemsanering aangebrachte leeflaag. Tevens zijn enkele regels toegevoegd met betrekking tot het kleinschalig graven in bodem die niet of licht verontreinigd is.
Omdat met de wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Verruiming vergunningsvrije bouwmogelijkheden’ het bouwen van (gedeelten van) gebouwen (in aanvulling op de bruidsschat en op de landelijke uitzonderingen op de vergunningplicht in het Besluit bouwwerken leefomgeving) vergunningsvrij zijn gemaakt, en hier ook bodemgevoelige gebouwen onder kunnen vallen, is een meldplicht bodemgevoelig gebouw opgenomen in het omgevingsplan. Dit is een verplichting op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook de regels uit de bruidsschat ten aanzien van nazorg als sanering heeft plaatsgevonden of maatregelen zijn genomen bij een toevalsvondst bodem en ten aanzien van ‘activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico’ zijn omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met de omzetting van al deze bodemregels vervalt de volledige bruidsschat voor bodem in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze regels waren voor inwerkingtreding van de Omgevingswet in min of meer dezelfde vorm opgenomen in de Wet bodembescherming waarvoor tot 1 januari 2024 de provincie Noord-Holland bevoegd gezag was. Deze regels zijn beleidsneutraal vertaald naar de Omgevingswet-systematiek en toegespitst op de uitvoeringspraktijk, zodat het toezicht wordt vereenvoudigd.
Regels bodem met betrekking tot milieubelastende activiteiten In het wijzigingsplan zijn naast de aangepaste regels van de bruidsschat voor bouwen en kleinschalig graven, ook maatwerkregels op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over de milieubelastende activiteiten graven en saneren opgenomen. Er zijn ook maatwerkregels over het toepassen van bouwstoffen opgenomen, Zie hiervoor de toelichting onder het kopje 'Regels staalslakken en grondstabilisatie’ (hieronder). Deze regels werden al gehanteerd onder het voormalig gemeentelijk en provinciaal beleid. Zo is onder de Omgevingswet in de meeste gevallen een vooronderzoek, waarbij bekende gegevens worden verzameld over de kwaliteit van de bodem, voldoende bij deze activiteiten, maar in gebieden waar, door te weinig gegevens, geen algemene bodemkwaliteit is vastgesteld of de bodemkwaliteit sterk wisselend is, is in het wijzigingsplan de regel opgenomen dat tevens een fysiek verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Ook zijn enkele aanvullende regels op het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen, onder andere het niet terugplaatsen van grond met een PFAS- of mobiele verontreiniging na graafwerkzaamheden en het gescheiden houden van verschillende grondsoorten.
Regels staalslakken en grondstabilisatie De toepassing van staalslakken en grondstabilisatie kan significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Door de milieuhygiënische en gezondheidsrisico’s bij het toepassen van staalslakken(mengsels) in of op de bodem en bij het uitvoeren van een grondstabilisatie, is een meldingsplicht vooraf uit oogpunt van preventie dringend gewenst. Het risico bij het toepassen van staalslakken(mengsels) en grondstabilisatie bestaat met name uit het ontstaan van een zeer hoge pH-waarde van grond en oppervlaktewater door uitspoeling van vrije kalk. Dit kan bij mensen leiden tot brandwonden en kan schadelijk zijn voor de ecologie in het oppervlaktewater. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat voorwaarden voor het toepassen van bouwstoffen en een specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht houdt in dat degene die een activiteit verricht maatregelen neemt om nadelige gevolgen van de uit te voeren activiteit te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of in het uiterste geval, van de toepassing afziet als de nadelige gevolgen niet voldoende kunnen worden beperkt.
Door de meldingsplicht zijn toezichthouders voorafgaand aan de toepassing op de hoogte van een voorgenomen toepassing. Dit voorkomt de situatie dat de zorgplicht pas kan worden ingezet als de ongewenste situatie al is ontstaan. Het toepassen van deze bouwstoffen wordt (vooralsnog) landelijk onvoldoende gereguleerd. Op landelijk niveau wordt gewerkt aan de invoering van een informatieplicht voor staalslakken vanaf 2026. Dit is te laat. Bovendien is een informatieplicht niet voldoende om effectief toezicht te kunnen houden. Bij een meldingsplicht kan een toezichthouder de toepassing stilleggen als er geen volledige melding is gedaan of als de termijn waarna men mag beginnen nog niet is verstreken. Bij een informatieplicht is dat niet mogelijk. En meldingsplicht geeft het bevoegd gezag tijd om te beoordelen of met de toepassing aan de zorgplicht wordt voldaan en om eventueel maatwerkvoorschriften vast te stellen voorafgaand aan de activiteit. De gemeente neemt, evenals andere gemeenten in de regio, een lokale meldingsplicht in het omgevingsplan op voor staalslakken en grondstabilisatie. Dit is een niet-beleidsneutrale regel. Bodemfunctieklassenkaart De bodemfunctieklassenkaart was bij inwerkingtreding van de Omgevingswet via overgangsrecht in het tijdelijk deel omgevingsplan terecht gekomen.
Er zijn kleine wijzigingen opgenomen in de bodemfunctieklassenkaart en wordt nu opgenomen in het Omgevingsplan. De belangrijkste aanpassingen hebben betrekking op wegen en parken. Feitelijk is de bodemfunctieklassenkaart omgezet naar gebiedsaanwijzingen bodemfunctieklassen.
3. Juridische aspecten 3.1 Planmethodiek Door het wijzigingsplan worden de bodem gerelateerde regels uit Hoofdstuk 22 opgenomen in Hoofdstuk 5 (Activiteiten) van het omgevingsplan. Verder worden er maatwerkregels in dit hoofdstuk opgenomen over de bodemactiviteiten graven en saneren die zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. In het Besluit activiteiten leefomgeving is de mogelijkheid opgenomen om met maatwerkregels af te wijken van de algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving, of om deze aan te vullen. De maatwerkregels waren voorheen geregeld in het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels bodem. Ook de meldingsplicht voor de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie wordt in het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer opgenomen in Hoofdstuk 5. Dit was voorheen geregeld in het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels staalslakken.
3.2 Regels Met het wijzigingsplan worden de volgende onderdelen van het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer aangepast: 1. De bodemgerelateerde regels uit de bruidsschat, de bodemfunctieklassenkaart en de maatwerkregels op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving worden opgenomen in Hoofdstuk 5 (Activiteiten) van het omgevingsplan, Titel 5.2 (Thematische activiteiten): a. Afdeling 5.2.2 (Bouwen van een bouwwerk): paragraaf Bodemgevoelig gebouw bouwen; b. Afdeling 5.2.11 (Bodembeheer): o Paragraaf Bodem - saneren van de bodem; o Paragraaf Bodem - nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem; o Paragraaf Bodem - graven in bodem met kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit;
o o o o o o
Paragraaf Bodem - graven in bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; Paragraaf Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; Paragraaf Bodem - kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; Paragraaf Bodem - activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico; Paragraaf Bodem - toepassen van staalslakken en stabiliseren van de bodem tot stabilisaat; Paragraaf bodem – toepassen van grond of baggerspecie.
2. Naast de bodemregels wordt een aantal algemene regels opgenomen en/of aangepast in Hoofdstuk 5 (Activiteiten), titel 5.1 (Algemene bepalingen), afdeling 5.1.1 (Algemeen), zoals de doelen van de regels in Hoofdstuk 5. 3. In Hoofdstuk 11 (Overgangsrecht), afdeling 11.1 (Overgangsrecht bodemactiviteiten) wordt overgangsrecht voor bodemactiviteiten opgenomen. 4. De betreffende bodemgerelateerde regels uit de bruidsschat vervallen. Het gaat om de volgende regels in Hoofdstuk 22 (Activiteiten): a. In paragraaf 22.2.7 (Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken); subparagraaf 22.2.7.2 (Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken): o Lid 1, onder c, van artikel 22.29 (Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen); o Artikel 22.30 (Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie); o Artikel 22.31 (Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: na einde activiteit); o Onder j van artikel 22.35 (Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken); b.
In paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer), subparagraaf 22.3.7.1 (Nazorg na saneren van de bodem): o Artikel 22.125 (Toepassingsbereik); o Artikel 22.126 (Nazorg na saneren van de bodem); c.
In paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer), subparagraaf 22.3.7.2 (Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit): o Artikel 22.127 (Toepassingsbereik); o Artikel 22.128 (Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit); o Artikel 22.129 (Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond); o Artikel 22.130 (Bodem en afval: Milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven);
d. In paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer), subparagraaf 22.3.7.3 (Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico) o Artikel 22.131 (Toepassingsbereik) o Artikel 22.132 (Bodem: mitigerende maatregelen.
Aan de regels is een artikelsgewijze toelichting gevoegd.
3.3 Werkingsgebied Als een decentrale of maatwerkregel alleen voor bepaalde gebieden of locaties geldt, moet de gemeente dit kenbaar maken door een zogenaamd (geografisch) werkingsgebied aan een regel te koppelen. De regels bodem in het wijzigingsplan hebben betrekking op het gehele ambtsgebied (grondgebied) van de gemeente Haarlemmermeer. Enkele regels gelden voor delen van het grondgebied en zijn gebaseerd op de geldende bodemkwaliteitskaart. Het gaat om de volgende werkingsgebieden: 1. Verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven; 2. Verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven; 3. Informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur; 4. Verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw. De werkingsgebieden zijn na de ter inzagelegging van het ontwerp in beperkte mate herzien. De werkingsgebieden 1 tot en met 3 hangen samen met de niet-gezoneerde gebieden en de gebieden met te weinig gegevens uit de bodemkwaliteitskaart. Voor werkingsgebied 3 worden hier nog de locaties met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico aan toegevoegd (beschikking ernst- geen spoed). Werkingsgebied 4 hangt samen met zone 3 en de niet-gezoneerde gebieden en de gebieden met te weinig gegevens.
In het ontwerp maakte de openbare wegen, met uitzondering van recente wijken, nog geen onderdeel uit van de werkingsgebieden.
3.4 Aanpassingen na ter inzage legging Bij het definitief maken van de wijziging omgevingsplan is van de gelegenheid gebruikt gemaakt om kleine fouten te corrigeren. Daarnaast zijn de volgende inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerp: In Artikel 5.13, eerste lid, onder c is een extra indieningsvereiste opgenomen voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Soms is de vaste bodem niet boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem verontreinigd, maar bevindt zich in het grondwater een verontreiniging die gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van het bouwwerk kan opleveren. Daarom vragen we de aanvrager om bij een grondwaterverontreiniging die overschrijding van een of meer signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving oplevert te onderbouwen dat er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s optreden voor de gebruikers van het bouwwerk. De signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving komen overeen met de interventiewaarden onder de voormalige Wet bodembescherming. De Artikelen 5.22 en 5.23 zijn opgenomen omdat de bodemfunctieklassenkaart is gewijzigd. Met deze artikelen wordt de bodemfunctieklassenkaart omgezet naar gebiedsaanwijzingen in het omgevingsplan.
Zo heeft de bodemfunctieklassenkaart een plek gekregen in de nieuwe systematiek van de Omgevingswet. De volgende begrippen zijn toegevoegd aan bijlage I met begripsbepalingen: BRL SIKB 6000 – dit is een beoordelingsrichtlijn bij het uitvoeren van milieukundige begeleiding van graven in de bodem en saneren van de bodem; NTA 5755 – dit is een strategie voor het doen van nader bodemonderzoek.
In Artikel 5.5 is een nadere concretisering opgenomen voor de specifieke zorgplicht die geldt voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Voor zover geen omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, geldt een meldplicht. Voor deze meldplicht is deze nadere concretisering van de specifieke zorgplicht relevant.
3.5 Milieueffectrapportage Een belangrijk criterium om te bepalen of een milieueffectrapportage voor de omgevingsplanwijziging (plan-mer) nodig is, is de vraag of de wijziging van het omgevingsplan regels bevat die 'kaderstellend’ zijn. Dit zijn regels die een kader vormen voor te nemen besluiten, zoals een omgevingsvergunning. Voor graven en saneren is in het algemeen geen omgevingsvergunning vereist. De activiteit mag zonder nader besluit worden uitgevoerd. Alleen bij bouwen op verontreinigde grond is wel een omgevingsvergunning vereist. Voor saneren bij bouwen op verontreinigde grond zijn de regels over saneren wel kaderstellend. De regels over saneren zijn echter een neutrale omzetting van het beleid dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 gold. Daarmee zijn er geen milieueffecten en hoeft er ook geen plan-mer te worden gemaakt.
4. Uitvoerbaarheid 4.1 Economische uitvoerbaarheid Er is geen sprake van een door een initiatiefnemer gewenste gebiedsontwikkeling. Er worden geen kosten gemaakt voor de uitvoering van het wijzigingsplan. De conclusie is dat het plan financieel uitvoerbaar geacht wordt.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Op officielebekendmakingen.nl is overeenkomstig de wetgeving op 15 oktober 2024 kennisgegeven van het voornemen om het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer te wijzigen. Met de bekendmaking van het voornemen zijn inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties geïnformeerd. Dit is gebeurd in de vorm van een samenvatting van de beoogde wijzigingen. Bij de voorbereiding van het omgevingsplan is volstaan met het informeren van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties, omdat de wijziging van het omgevingsplan een vertaling van gemeentelijk beleid is dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld en van regels die vóór 1 januari 2024 bij het rijk en de provincie Noord-Holland lagen en die momenteel zijn vastgelegd in het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels Bodem. De meldingsplicht voor staalslakken en grondstabilisatie is niet-beleidsneutraal maar is een voortzetting van het TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels staalslakken. De regels zorgen voor een extra bescherming van een gezonde leefomgeving en de impact op de leefomgeving is beperkt. Zienswijzen Gedurende een periode van zes weken is eenieder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan. Er zijn geen zienswijzen ingekomen.
Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.