Bijlage 2-20 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek eiland Beinsdorp
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen PARK21 prioritaire structuur zone 2, Beinsdorp, gemeente Haarlemmermeer
projectnummer 417636.107 revisie 01 20 juli 2021
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen PARK21 prioritaire structuur zone 2, Beinsdorp, gemeente Haarlemmermeer projectnummer 417636.107 revisie 01 20 juli 2021
Auteur R.L. Fens
Opdrachtgever Gemeente Haarlemmermeer Raadhuisplein 1 2132 TZ HOOFDDORP
datum vrijgave
21 juli 2021
beschrijving revisie 01 akkoord bevoegde overheid
gecontroleerd A.J. Brokke
vrijgave J. Verhoeven
Inhoudsopgave
Blz.
Samenvatting
2
1
Inleiding
5
2
Bureauonderzoek
7
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4
Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Bewoningsgeschiedenis en historische situatie Mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies bureauonderzoek
7 7 8 9 10 14 20 20 20 22 22 22 23 25
3
Veldonderzoek
26
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.4 3.4.1 3.4.2
Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten deelgebied Beinsdorp Bodem en lithologie Raaiprofiel boringen 11-20 Archeologie (veldkartering) Resultaten deelgebied getijdegeul Bodem en lithologie Archeologie
26 28 31 32 34 36 37 37 39
4
Conclusies en advies
40
4.1 4.2
Conclusies (Selectie)advies
40 43
Literatuur en geraadpleegde bronnen
45
Lijst van afbeeldingen en bijlagen
47
Bijlagen 1 2 3 4
Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen Raaiprofielen
Kaartbijlagen 417636.107-ARCHIS Gegevens uit ARCHIS 417636.107-ARO Reeks diverse situatiekaarten met ligging boorpunten
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
417636.107 4944924100 Noord-Holland Haarlemmermeer Nieuw-Vennep Beinsdorp
Kaartblad 25W Coördinaten 103809/478761 103691/477263 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering veldwerk Projectteam
Gemeente Haarlemmermeer Antea Group April 2021 A. Oerlemans/J. Verhoeven (projectleiders) R. Fens (KNA-prospector / -archeoloog) I. Fleuren (archeoloog)
Vrijgave conform KNA A.J. Brokke (senior KNA-archeoloog/-prospector) Bevoegd gezag Gemeente Haarlemmermeer Deskundige bevoegd gezag E. van Rooijen Beheer documentatie Antea Group
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met ligging plangebied zone 2 prioritaire structuur (bron: Esri & partners).
Blad 1 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Samenvatting In de periode februari-april 2021 heeft Antea Group in opdracht van gemeente Haarlemmermeer een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van PARK21 te NieuwVennep, gemeente Haarlemmermeer. De ontwikkeling van PARK21 behelst een omvorming van het huidige landbouwgebied naar een gebied om te recreëren, te verblijven en te ondernemen. Het totale oppervlak van het ontwikkelingsplan is circa 1.000 ha. Een van de eerst te ontwikkelen deelgebieden van het plan betreft ‘prioritaire structuur, zone 2’. Dit bureau- en inventariserend veldonderzoek behandelt dit onderdeel van het totale plangebied. Prioritarie structuur, zone 2 heeft een omvang van 113 ha en beslaat het grootste deel ingeklemd tussen de IJweg in het noordwesten, de Noordelijke Randweg in het zuidwesten, de Zuidtak Zuidtangent in het zuidoosten en de Nieuwe Bennebroekerweg in het noordoosten Conclusies bureauonderzoek In de middeleeuwen, ten tijde van het begin van de vervening, behoorde het gebied waarvan Beinsdorp een onderdeel is tot een strook land langs de veenrivier Vennepa. De meren waren nog niet aanwezig of van bescheiden omvang. Tegen het eind van de 15 e eeuw verdwijnt deze strook in het Haarlemmermeer en blijft een stukje hiervan, het latere Beinsdorp, over als eiland.
Voor de periode dat Beinsdorp een eiland werd is er geen directe aanleiding om bewoning binnen dit gebied. De verkaveling, zoals weergegeven op de kaart van Stevin van Broeckhuysen uit 1652 lijkt echter wel op een cope-ontginning. De middeleeuwse ontginningsbasis en de bewoning zal vermoedelijk hebben gelegen ten zuidwesten van het plangebied, langs de oevers van de voormalige veenrivier, de Vennepa, ter hoogte van de oversteekplaats het Veer. De middeleeuwse bewoningskern ligt daarmee vermoedelijk ruim buiten het plangebied, in de tegenwoordig in de bebouwde kom van Nieuw-Vennep. Beinsdorp raakte, nadat het van de vaste wal was losgekomen, wel bewoond. Bewoning op het eiland bestond tot circa 1676 uit twee huizen en een wipmolen (poldermolen). Het middel van bestaan voor deze bewoners was het snijden van riet of bies. Er is in de verkaveling geen aanwijzingen dat deze bewoning teruggaat op een middeleeuws ontginningsdorp. Historische kaarten van het eiland Beinsdorp laten een reconstructie zien van de wijze en snelheid waarop de golfslag van het Haarlemmermeer ertoe heeft geleid dat dit eiland in de loop van de tijd in omvang afnam tot het eilandje van circa 15 hectare dat ten tijde van de droogmaking rond 1850 nog resteerde.
In het noordoosten van het plangebied zijn op basis van luchtfoto’s en het AHN (Actueel Hoogtebestand van Nederland) geulen of kreken met oeverwallen aan te wijzen. Deze dateren uit de periode dat ter plaatse een getijdenbekken aanwezig was, een onderdeel van het Oer-IJestuarium. Na het sluiten van de kustbarrière raakten de hoog opgeslibde delen van het voormalige wad- en kweldergebieden in theorie bewoonbaar en archeologisch zal deze mogelijke bewoonbaarheid omstreeks het laat neolithicum (circa 2400 voor Chr.) zijn geweest. Door de sluiting van de kustlijn verzanden de geulen echter in de eeuwen hierna en ontstond een veenmoeras, waarna het gebied al snel onbewoonbaar raakte. De geul zoals die is herkend op AHN en luchtfoto’s kan een getijdegeul binnen dit estuarium betreffen. De kans bestaat dat het niet slechts een getijdegeul is, maar dat deze geul in latere tijd opnieuw is geactiveerd, mogelijk als een veenstroom of zijtak van de (na de middeleeuwen verdwenen) veenrivier de Vennepa, c.q. een aanvoertak van het Spaarne. Door de opening die in 1472 was ontstaan tussen De Vennep en Den Ruygenhoek is het mogelijk dat deze geul ook tijdelijk een vaargeul betrof tussen het Leijdsche Meer en het Oude Haarlemmermeer.
Blad 2 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Conclusies veldonderzoek In grote lijnen zijn de resultaten afwijkend van de verwachting uit het bureauonderzoek. In het bureauonderzoek werd ervan uitgegaan dat het eiland Beinsdorp op een of andere wijze nog wel zichtbaar zou zijn in het de bestaande ondergrond. Dit blijkt niet het geval. Het eiland is niet gedefinieerd in de ondergrond als een zandige of juist kleiige kern, maar vertoont een grillig patroon dat behoort tot het (inter)getijdegebied, met ten slotte een kleiopvullingen van de laagtes. Het eiland zal enkel hebben bestaan in de vorm van een veenkussen of druipland aan de rand van het meer, dat wellicht ook kunstmatig in stand werd gehouden door bemaling en kades op de weilanden of beschoeiingen op kwetsbare plaatsen. Het restveen is geheel verdwenen en daarmee ook het eiland. Ook voor de getijdegeul in het noordoosten van het plangebied zijn de resultaten afwijkend van de verwachting. De zandige verhogingen langs de geul werden in het bureauonderzoek geïnterpreteerd als een kreek- of getijdegeul met oeverwallen. De interpretatie naar aanleiding van de boringen is dat de gehele zone vermoedelijk een inbraakgeul betreft, waarbij de zandkernen de opwassen zijn die met het meegevoerde zand in de geul werden gevormd.
In dit systeem bleef nog een vrij brede restgeul open liggen (circa 75-125 m breed) die later met zandgelaagde klei is opgevuld, maar die ook in het huidige landschap nog een relatief lage ligging heeft. Kortom, er is wel een kreek of getijdegeul aanwezig, in een restgeul van een grotere erosiegeul, maar er zijn geen oeverwallen. De vermeende oeverwallen zijn vermoedelijk opwassen. Deze zijn bijzonder hoog opgeslibd en de roestvorming tot einddiepte (2 m-mv) duidt op een goede oxidatie. Deze zandkernen waren aanvankelijk nog hoger opgeslibd, maar het bovenste deel is verdwenen (door golfslag in het latere Haarlemmermeer en/of door verploeging), hetgeen duidelijk is door de afwezigheid van bodemvorming en de afwezigheid van een ontkalkte top. De opwassen waren alleen al door hun hoogte mogelijk interessante locaties in de periode na de sluiting van de kustbarrière (na 3000 voor Chr.), maar het eventuele archeologische niveau is in latere perioden geërodeerd. Selectieadvies Het selectieadvies bestaat uit twee onderdelen: één ten aanzien van het plangebied en onderzoek in het kader van de AMZ en één ten aanzien van het verzamelde vondstmateriaal: 1)
Wij adviseren om voor het plangebied prioritaire structuur zone 2 (als onderdeel van het plan PARK21) over te gaan tot vrijgave. Voor Beinsdorp geldt dat met de afwezigheid van een ‘eiland’ in de boorprofielen de archeologische verwachting ook is verdwenen, met uitzondering alleen van eventueel diep ingegraven/geheide constructies. Voor de mariene afzettingen worden geen archeologische vindplaatsen verwacht. Consequent blijkt dat de hoogste delen van de mariene afzettingen zijn verstoord door afslag van het Haarlemmermeer of door verploeging. Dit geldt dus juist voor de gerijpte zandkernen alsook voor eventuele oeverwallen, zodat de hoge archeologische verwachting op papier in de praktijk niet meer aanwezig is. De verwachting wordt op grond van de resultaten bijgesteld naar een lage verwachting en wij adviseren om over te gaan tot vrijgave van het plandeel prioritaire structuur zone 2.
2)
De conclusie dat het eiland Beinsdorp voorgoed is verdwenen, betekent dat een studie op het verzamelde aardewerk (keramiek) en bouwkeramiek de ultieme kans biedt om nog iets over Beinsdorp en haar inwoners te weten te komen. Wij adviseren daarom tot het opstellen van een onderzoeksplan voor een specialistische analyse van het aardewerk (keramiek) en het bouwkeramiek. Dit onderzoeksplan dient in overleg met de gemeente Haarlemmermeer, haar
Blad 3 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
archeologisch adviseur en de archeologisch uitvoerder te worden opgesteld. Het onderzoeksplan dient zich onder meer te richten op een zo precies mogelijke datering van de scherven, waarbij mogelijk conclusies kunnen worden getrokken over wanneer de bewoning op Beinsdorp begon en wanneer deze eindigde. Ook de vraag wat de herkomst van het vondstmateriaal is (de aard van de context, zoals maritieme resten of resten van bewoning), zou in deze analyse aan bod moeten komen inclusief een ruimtelijke analyse waarbij mogelijke structuren of clusters kunnen worden herkend. Daarnaast kan het materiaal een inzicht geven in het functionele gebruik en sociaal-economische context van hun gebruikers. Uiteindelijk dient de verzameling na deze studie deponeerklaar te worden gemaakt voor eventuele latere bestudering en tentoonstelling. Revisiebeheer Dit rapport en de adviezen hierin zijn ter beoordeling voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente Haarlemmermeer. De adviseur namens de gemeente, E. van Rooijen (NMF Erfgoedbeheer) heeft revisie 00 van dit rapport op 17 juni 2021 getoetst en is akkoord met de inhoud van het rapport en neemt het advies over om geen nader veldonderzoek uit te voeren en het aardewerk te laten uitwerken. Vanuit de gemeente Haarlemmermeer zijn nog enkele opmerkingen bij het rapport gemaakt.
Naar aanleiding van deze opmerkingen en de beoordeling is deze bijgewerkte (definitieve) versie van het rapport opgesteld (revisie 01). Meldingsplicht Voor het plangebied geldt dat er ondanks het advies tot vrijgave nog steeds een kans bestaat op archeologische resten die pas tijdens graafwerkzaamheden kunnen worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine of lijnvormige elementen die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord, zoals eventuele resten kadebeschoeiingen (hout of steen) of uitgediepte opvaarten of vaargeulen. Tevens zijn mariene resten te verwachten, die bijvoorbeeld kunnen bestaan uit de (niet vergankelijke) resten van een in het meer vastgeraakt schip. Een toevalsvondst betreft alle zaken in de bodem waarvan de persoon die deze verstoort of vrij legt, weet of redelijkerwijs zou kunnen vermoeden dat deze archeologische of historische waarde heeft of kan hebben. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 0334217456). Melding van de vondst is van belang om eventuele kennis over het verleden niet ongezien verloren te laten gaan. Om die reden is de melding een wettelijke plicht.
Een vondstmelding kan vanuit praktisch doeleinde in eerste instantie plaatsvinden via de gemeente of via de adviseur van de gemeente (E. van Rooijen, e.vanrooijen@nmferfgoedadvies.nl, 0621310961). Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (programma van eisen), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie). .
Blad 4 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
1
Inleiding In de periode februari-april 2021 heeft Antea Group in opdracht van gemeente Haarlemmermeer een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van PARK21 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer. De ontwikkeling van PARK21 behelst een omvorming van het huidige landbouwgebied naar een gebied om te recreëren, te verblijven en te ondernemen. Het totale oppervlak van het ontwikkelingsplan is circa 1.000 ha. Een van de eerst te ontwikkelen deelgebieden van het plan betreft ‘prioritaire structuur, zone 2’. Dit bureau- en inventariserend veldonderzoek behandelt dit onderdeel van het totale plangebied. Prioritarie structuur, zone 2 heeft een omvang van 113 ha en beslaat het grootste deel ingeklemd tussen de IJweg in het noordwesten, de Noordelijke Randweg in het zuidwesten, de Zuidtak Zuidtangent in het zuidoosten en de Nieuwe Bennebroekerweg in het noordoosten. Eerder onderzoek Het veldonderzoek volgt op een bureauonderzoek dat Antea Group in februari heeft opgesteld en dat ook als apart rapport is opgeleverd.1 Het bureauonderzoek zal in hoofdstuk 2 integraal worden herhaald, met enkele aanvullingen in het bronmateriaal.
Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek is een onderzoeksopzet gemaakt die in een Plan van Aanpak 2 is verwerkt en op basis waarvan dit veldonderzoek is uitgevoerd. Hoofdstuk 3 betreft de resultaten en interpretaties van het veldonderzoek en in hoofdstuk 4 volgen de conclusies en het (selectie)advies. Voorafgaand aan het bureauonderzoek heeft Antea Group een QuickScan Archeologie uitgevoerd om in algemene lijnen de archeologische verwachting en gemeentelijke regelgeving, en daarmee eventuele risico’s voor de uitvoering van het plan (prioritaire structuur, zone 2), in beeld te brengen.3 Hierbij is gebleken dat voor een gedeelte van het plangebied in het actuele bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie van kracht is. Het betreft een zone van 0,15 km2 (15 ha). De dubbelbestemde zone komt overeen met het laatste contour van het voormalige eiland Beinsdorp in de Haarlemmermeer, zoals dat bestond vlak voor de drooglegging medio 19e eeuw. De archeologische verwachting strekt zich echter ook buiten deze dubbelbestemde zone uit en behelst ook de verwachting op eventuele oeverwallen van geul- en kreeksysteem in de oude getijdeafzettingen. Een onderzoeksplicht is voor die verwachting in de beleidskaart opgenomen voor plangebieden met een omvang van meer dan 1 ha.
Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Een verkennend archeologisch booronderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Dit 1 Fens & Fleuren, 2021a. 2 Fens & Fleuren 2021b.
3
Modderkolk 2020: een QuickScan is een niet KNA-conform document en dient om na te gaan of bij de uitvoering van een project rekening dient te worden gehouden met de factor archeologie.
Blad 5 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
onderzoek dient ook als toets op de gespecificeerde verwachting zoals die in het bureauonderzoek is opgesteld. Voor de plaats van de uitgevoerde onderzoeken (bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek) binnen het bestel van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) wordt verwezen naar bijlage 2. Een Quickscan is geen formeel onderdeel binnen de AMZ. Voor de in de tekst genoemde (archeologische)perioden wordt verwezen naar bijlage 1. Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (programma van eisen), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
Blad 6 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
2
Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daarbij worden vragen gesteld als “Waar kunnen we wat verwachten?”. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.
2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
2.1.1
Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen onderzoeksgebied enerzijds en plangebied anderzijds. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord.
Afbeelding 2. Ligging van het plangebied (rood gearceerd) op recente luchtfoto (bron ondergrond: Esri & partners).
Het plangebied betreft de prioritaire structuur, zone 2 en is een onderdeel van plangebied PARK21. Het totale oppervlak van PARK21 is ca. 1000 ha en ligt tussen Nieuw-Vennep en Hoofddorp in, in de gemeente Haarlemmermeer. De zone heeft een omvang van 113 ha en beslaat het grootste deel ingeklemd tussen de IJweg in het noordwesten, de Noordelijke Randweg in het zuidwesten, de Zuidtak Zuidtangent in het zuidoosten en de Nieuwe Bennebroekerweg in het noordoosten en is gelegen tussen Nieuw-Vennep en Hoofddorp in de
Blad 7 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
gemeente Haarlemmermeer. Voor de ligging van het plangebied wordt verwezen naar afbeeldingen 1, 2 en 3. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de mogelijk aanwezige archeologische sporen in het plangebied. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. In dit geval is het plangebied al zeer omvangrijk (113 ha.) en vormt daarmee ook het onderzoeksgebied (afbeelding 2). Desalniettemin zijn waar relevant ook gegevens verzameld in een omtrek tot circa 1.000 m rondom het gebied. Dit wordt voldoende representatief geacht voor de archeologische verwachting van het plangebied, aangezien dit onderzoeksgebied een groot deel van het (Oude) Haarlemmermeer omvat inclusief het gehele eiland Beinsdorp met inbegrip van de vroegere eilandcontouren (zie voor het laatste ook paragraaf 2.1.4 en 2.1.5).
2.1.2
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied is thans in gebruik voor de akkerbouw en de bollenteelt (zie afbeelding 2). Een bewoningsas, met huizen en erven, is aanwezig langs de noordwestelijke rand van het plangebied (IJweg). Consequenties toekomstig gebruik Het plangebied (PARK21) wordt opgebouwd uit drie lagen: de Polderlaag, de Parklaag en de Leisurelaag. In prioritaire structuur zone 2 (rood omlijnd op afbeelding 3) maakt deel uit van de Parklaag. In de Parklaag wordt een recreatief netwerk van wandel-, fiets-, skate- en ruiterpaden ingericht en is ruimte voor sport, spel en voorzieningen, maar vormt ook de groen/blauwe verbinding die gelegd wordt tussen gebieden en draagt bij aan de biodiversiteit. Vooral ter plaatse van de te graven waterpartijen in deze zone worden (diepe) bodemingrepen verwacht. De Polderlaag zet grotendeels in op behoud van de polderstructuur en dat zal met minder grondverzet gepaard gaan. De exacte oppervlakte en diepte van de uit te voeren bodemingrepen is op dit moment niet te geven, maar aangenomen kan worden dat bij de voorgenomen herinrichting graafwerkzaamheden gepaard gaan die eventueel aanwezige archeologische resten kunnen verstoren dan wel vernietigen.
Afbeelding 3. Impressie van de ontwikkeling van het plangebied, prioritaire structuur zone 2 is rood omlijnd (bron: gemeente Haarlemmermeer).
Blad 8 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
2.1.3
Archeologisch beleid en regelgeving De gemeente Haarlemmermeer heeft bij de Nota Erfgoed 2011 beleidsvoornemens voor archeologische gebieden geformuleerd en deze verder vastgelegd in een Erfgoedverordening en een Erfgoedkaart met bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidskaart.4 De beleidsvoornemens zijn in de daarnavolgende jaren ook vastgelegd in regelgeving bij actualisaties van de bestemmingsplannen. In 2020 is de Nota Archeologiebeleid Haarlemmermeer 2020-2030 vastgesteld, inclusief een geactualiseerde beleidskaart.5 Het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer is op de beleidskaart6 in zes archeologieregimes is ingedeeld. Het plangebied ligt in het gebied dat onder archeologieregime 4 en 6 valt. Hier is archeologisch onderzoek verplicht bij plannen dieper dan 0,4 m -mv en groter dan 500 m2, respectievelijk groter dan 10.000 m2 (1 ha). Dit betekent dit dat conform het gemeentelijk beleid een archeologische onderzoeksplicht bestaat voor de gehele prioritaire structuur zone 2. Conform het stappenplan van de gemeente (op basis van de KNA) start een dergelijk onderzoek met een bureauonderzoek. Op basis van de resultaten kan de eerstvolgende stap uit een verkennend booronderzoek bestaan. Dit op basis van de voorgenomen bodemingrepen binnen het plangebied.
Afbeelding 4. De rode contour betreft het gebied met dubbelbestemming in het actuele bestemmingsplan, hier afgebeeld op Topografische Militaire Kaart van circa 1850 of kort voor drooglegging (bron: Esri & partners).
4 Karskens et al. 2011. 5 Fonds, 2020. 6 Zie pagina 26 van de Nota Archeologiebeleid (Fonds, 2020).
Blad 9 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Binnen het plangebied ligt het voormalige eiland Beindorp, dat in het bestemmingsplan (bestemmingsplan Buitengebied Midden, status vastgesteld 2013) is voorzien van een dubbelbestemming archeologie en op de beleidskaart van archeologieregime waarde archeologie 4. De begrenzing van dit archeologiegebied betreft min of meer de laatst opgetekende omvang van het eiland (zie afbeelding 4) in de situatie van direct voor de droogmaking. Het is binnen dit gebied verboden om grondwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan 0,4 m beneden maaiveld. Het verbod is niet van toepassing als de werken een oppervlakte hebben van ten hoogste 500 m2 (dit conform regime 4 van de beleidskaart).Voor het overige gedeelte van het plangebied geldt conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlemmermeer dat archeologische onderzoek noodzakelijk is bij plannen vanaf 10.000 m 2. De voorgenomen werkzaamheden overschrijden beide genoemde vrijstellingsgrenzen, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
2.1.4
Landschappelijke situatie Geologie Gedurende de laatste ijstijd werd door grootschalige zandverstuivingen over grote gebieden van Nederland, inclusief het plangebied, dekzand afgezet (Formatie van Boxtel). Hierdoor ontstond een reliëfrijk dekzandlandschap, bestaande uit zandruggen, -koppen en –vlaktes. Dit niveau ligt nu op een diepte van meer dan 6 m –mv (dieper dan 11,5 m -NAP).7 Het plangebied ligt aan de westkant van het uitgestrekte Utrechts-Hollands veengebied, dat gelegen is tussen de strandwallen in het westen en de Utrechtse heuvelrug in het oosten. Gedurende het holoceen (vanaf 9.500 voor Chr.) tot circa 4500 voor Chr. vond een relatief snelle zeespiegelstijging plaats. In deze periode bestond de kust uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en –platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen. Deze afzettingen zijn ontstaan in het midden-holocene getijdenbekken, aan de rand van het Oer IJ-estuarium. In dit gebied kunnen getij-vlakteafzettingen en getij-inversieruggen worden aangetroffen. De welvingen duiden op resten van kreeksystemen. De inversieruggen werden langs de zandige bedding van getij-kreken gevormd, doordat er bij vloed sediment werd afgezet, waarvan het meeste dichtbij de kreek werd afgezet. Zo werden er smalle, zandige of zavelige ruggen als oeverwallen gevormd, waarvan het hoogste deel aan de kreek grensde.
De kreken zijn geheel of gedeeltelijk dichtgeslibd. Door klink van het omringende gebied komt het complex van dichtgeslibde kreekbedding en oeverwallen geleidelijk steeds hoger in het landschap te liggen, waardoor het steeds duidelijker als een rug herkenbaar wordt (inversie). Getij-inversieruggen en oeverwallen zijn van oudsher geschikte locaties voor bewoning. Dit kwelder- en waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Deze eilanden werden als gevolg van de stijgende zeespiegel omgewerkt en steeds verder naar het oosten verplaatst. Bij verschillende fasen met een activering van de zee-invloed werden mariene klei- en zandlagen afgezet (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer)8. Vanaf 4500-4000 voor Chr. nam de stijging van de zeespiegel sterk af en kwam de oostwaartse verplaatsing van de eilanden tot stilstand. Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de eilanden aan elkaar groeiden tot een strandwal. Rond 3000 voor Chr. sloot de kustbarrière zich door deze strandwallen geheel af van de zee. Achter deze kustbarrière ontstond, mede onder invloed van rivieren, een zoetwaterlagune waarin veenvorming plaatsvond.
Dit veengebied 7 www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens; geologische boringen B25C0563, B25C0562 en B25C0605 8 Voorheen Afzettingen van Calais.
Blad 10 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
breidde zich in de loop van het subboreaal uit in oostelijke richting. Dit veen is het Hollandveen Laagpakket (behorende tot de Formatie van Nieuwkoop). 9 In het gebied van de huidige Haarlemmermeerpolder bleven slechts een aantal kleine plekken open water: het Spieringmeer in het noorden, het Haarlemmermeer (of Oude Haarlemmermeer) in het midden en het Leidse meer in het zuiden. Door voortdurende oeverafslag verbonden deze meren zich met elkaar en ontstond er rond 1500 één groot meer. Dit meer werd tussen 1849 en 1852 drooggelegd. Zie verder voor een beschrijving van de historische situatie paragraaf 2.5. Bodem en grondwater De bodem van het plangebied bestaat uit zeekleigrond. De bodemclassificatie op de Bodemkaart van Nederland, 1:50.000 (afbeelding 5) vertoont een verloop van zuidwest naar noordoost van associatiegronden van moerige eerdgronden en tochteerdgronden (Wo/pMo80), via leek/woudeerdgronden (pMn85C) naar kalkrijke poldervaaggronden met een samenstelling van klei of zavel (Mn82A en Mn35A).
Afbeelding 5. Uitsnede uit de Bodemkaart van Nederland 1:50.000, met projectie van het plangebied (bron: Stiboka, Wageningen / Esri & partners).
De tochteerd- en moerige eerdgronden bestaan uit een relatief dikke humusrijke kalkloze bovengrond van klei met katteklei(vlekken) aan de basis met daaronder zwak gerijpte kleilagen, overgaand in fijnzandige lagen. Eventuele veenresten of moerige eerdlagen zijn in de bovengrond te aan te treffen. De eenheid komt min of meer overeen met het vroegere eiland Beinsdorp. Langs deze associatiegronden ligt een strook met kalkarme poldervaaggronden. Deze vertoont eveneens een humusrijke bovengrond, maar zonder veenresten en deels ontstaan in de vorm van meermolm (meerbodemafzetting). Hier is de bodem duidelijk minder kalkrijk dan in het overige 9 De Mulder et al. 2003.
Blad 11 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
deel van het (Oude) Haarlemmermeer. De ontkalking is vermoedelijk opgetreden door de hogere ligging en de latere verdrinking, aangezien ontkalking gewoonlijk duidt op een langzamere sedimentatie en meer begroeiing. De kalkrijke poldervaaggronden ten slotte onderscheidt zich van de leek-/woudeerdgrond door een dunnere humusrijke eerdlaag. De poldervaaggrond met een lichtere textuur (zandig profielverloop, Mn82A) hebben het zand vermoedelijk verkregen door verspoeling van oudere strandwallen.10 Door Lunenburg11 is geopperd dat er aanmerkelijke hoeveelheden zand door zandschippers aan het eiland Beinsdorp zijn geloosd, mogelijk om de afkalving van het eiland te bestrijden maar mogelijk ook clandestien buiten het zicht van de autoriteiten, om de lading te verlichten en daarmee de rest van de vaart vergemakkelijken. De hypothese wordt gestaafd door de anekdote dat na de drooglegging het voormalig eiland als een begroeid heuveltje op de kale kleibodem achterbleef.
Afbeelding 6. Uitsnede uit de geomorfologische kaart met projectie van het plangebied (bron: Esri & partners).
Geomorfologie en AHN Volgens de geomorfologische kaart van Nederland12 ligt het plangebied geheel op een vlakte van getij-afzettingen (afbeelding 6). Aan de randen van het Haarlemmermeer zijn ook getij-welvingen en getij-inversieruggen gekarteerd. Beide duiden op resten van fossiele kreeksystemen. De oeverwallen werden langszij de bedding van getijdekreken gevormd, doordat er bij vloed sediment werd afgezet, waarvan het meeste dichtbij de kreek werd afgezet. Zo werden er smalle, ruggen van zandige klei als oeverwallen gevormd, waarvan het hoogste deel aan de kreek grensde. 10 Vos, 1992. 11 Lunenburg 1987b, p. 13. 12 BRO, Wageningen University, 2019. Geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl.
Blad 12 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Door klink van het omringende gebied komt het complex van dichtgeslibde kreekbedding en oeverwallen geleidelijk steeds hoger in het landschap te liggen, waardoor het steeds duidelijker als een rug herkenbaar wordt. De ligging van de kreeksystemen en de getij-inversieruggen (kreekruggen) zijn ter plaatse van het plangebied niet gekarteerd op de geomorfologische kaart van Nederland, maar ze hebben ook hier gelegen. Restanten van dit systeem zijn echter goed zichtbaar op de hoogtekaarten die op basis van satellietmetingen zijn opgesteld (het Actueel Hoogtebestand Nederland/AHN3; zie afbeelding 7) en dus ook aanwezig ter plaatse van de als getijdevlakte geclassificeerde gebieden. Op het AHN valt het ondergrondse reliëf van de getijdeafzettingen op. In het noordoosten van het plangebied bevindt zich een prominente geul, met vertakkingen en relatieve hoogtes aan de flanken, mogelijk oeverwallen. In geploegde akkers zijn de zandige oeverwallen lichter op dan de (meer vochtvasthoudende) komklei en verstopte beddingen. Het systeem zoals dat op het AHN zichtbaar is, is door dat principe ook te herleiden op de afgebeelde luchtfoto uit 2008 (afbeelding 8). Een begrenzing voor het laatste contour van het eiland Beinsdorp is op het AHN niet te herleiden (niet afgebeeld in de tekst, zie echter kaartbijlage 417636-ARO).
Weliswaar is een lichte verhoging te zien in de richting van de IJweg, maar die is zeer rommelig begrensd. De afgekalfde zuidrand van het eiland vertoont een onregelmatig maaiveld en wordt doorsneden door een of meerdere geultjes.
Afbeelding 7. Hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3), rood is hooggelegen en blauw laaggelegen (bron: Esri & partners).
Blad 13 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Afbeelding 8. Plangebied (dun omlijnd) op een luchtfoto uit 2008, waarbij plaatselijk zeer duidelijk de geulen van de oeverwallen te onderscheiden zijn (bron: Esri & partners). De geulen zjin verduidelijkt met een blauwe lijn, de oeverwallen met een gele lijn.
2.1.5
Bewoningsgeschiedenis en historische situatie Het veengebied van West-Nederland was vóór circa 1.000 na Chr. een gebied dat alleen via kleine riviertjes toegankelijk was. De oudste bewoning (vanaf circa de Romeinse tijd) van het veengebied bevond zich op de oeverwallen van de riviertjes en veenstromen. Toch waren er op sommige plaatsen in het veen mogelijkheden voor bewoning. Bijvoorbeeld daar waar het veen enigszins ontwaterd werd. In de Romeinse tijd was er al bewoning in de randgebieden van het veen. Wellicht was in die periode het veen ook al (plaatselijk) verkaveld. In de middeleeuwen werd het veengebied verdeeld in zogeheten cope-ontginningen. Als ontginningsbasis voor cope-ontginningen werden de oeverwallen van riviertjes en veenstromen gebruikt. In sommige gevallen groef met kanalen die men als ontginningsbasis gebruikte. Vanuit de basis werden dan langgerekte kavels van gelijke lengte (circa 1.250 m) en breedte (circa 113 m) aangelegd met bewoning veelal aan de voorzijde deze kavels. De eerste cope-ontginningen van het veen vonden al vóór de bedijkingen plaats (tussen 1000 en 1300 na Chr.). Beinsdorp kan onderdeel hebben uitgemaakt van dat veenontginningsgebied. Door het graven van sloten werd het veen enigszins ontwaterd en verdroogde de bovenzijde van het veen. Hierdoor bleek het zelfs mogelijk enige tijd akkerbouw te bedrijven op relatief hooggelegen veengebieden.
Door de ontwatering trad echter al snel inklinking en oxidatie van het veen op, waardoor het grondwaterpeil relatief gezien steeg. Op den duur werd het gebied dan te nat voor bouwland en werd overgegaan op weiland. Ook ontstonden de veenplassen, waarbij voormalig veenland zodanig vernatte dat het geheel onder water kwam te staan.
Blad 14 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Het Haarlemmermeer betreft echter geen gewone veenplas, maar een meer dat door oeverafslag en door turfwinning aan de randen in de late middeleeuwen en nieuwe tijd voortdurend groter werd. Dit fenomeen, dat de golfslag het meer het land als het ware op eet, wordt ook wel de ‘waterwolf’ genoemd. Door samensmelting van het Spieringermeer, het Oude Haarlemmermeer, en het Leidse Meer is uiteindelijk omstreeks 1500 één groot meer ontstaan (het Haarlemmermeer). Het gebied van Beinsdorp en De Vennep vormde enkele decennia daarvoor nog een landbrug tussen Hillegom in het westen en Den Ruygenhoek in het oosten. Rond 1472 verdween ook deze landbrug in de golven, waarbij De Vennep als een groot schiereiland achtergelaten werd. Dit schiereiland raakte vervolgens rond 1480 van de vaste wal afgesneden en daarbij of bij volgende stormen brak het eiland in drieën uiteen. Op dit eilandengroepje ging de naam De Vennip over, maar het grootste van de eilanden werd ook Beinsdorp genoemd. Van deze drie eilanden verdwenen de twee kleinere eilanden De Vennep en Zuid Vennep uiteindelijk volledig en bleef alleen Beinsdorp nog boven water, maar ook voor Beinsdorp gold ook dat de waterwolf gestaag de omvang van het eiland deed afnemen.13 Het eiland Beinsdorp ligt enigszins aan de zuidwestkant van het Oude Haarlemmermeer in een gebied dat vanaf de 15e eeuw zou worden verzwolgen door het water.
Op de kaart van M. Bolstra uit 1745 zijn lijnen aangegeven met de uitbreiding van het Haarlemmermeer in de periode 1531 tot 1745 (en een projectie van de pas veel later uitgevoerde inpoldering). Het weergegeven eiland Beinsdorp betreft haar begrenzing rond 1745, met daaromheen de waterlijn (bij benadering) uit respectievelijk 1647, 1610, 1591 en 1531 (zie afbeelding 9).
Afbeelding 9. Het plangebied op een uitsnede van een kaart van M. Bolstra uit 1745, met daarop een weergave van de uitbreiding van het Groote Haarlemeer of Leydsche Meer met in geel het eiland Beinsdorp (bron: commons.wikimedia.org). Zie afbeelding 15 voor de gegeorefereerde versie. 13 https://onh.nl/verhaal/beinsdorp-laatste-eiland-meer
Blad 15 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Er wordt in dit rapport vooral naar Beinsdorp verwezen als naar de naam van het laatst overgebleven eiland, maar de naam verwijst oorspronkelijk naar een nederzetting die op het eiland (of mogelijk eerder op oorspronkelijk schiereiland of een strook land langs de rivier Vennepa) heeft gelegen. Het suffix -dorp past in de chronologische tabel van D.P. Blok thuis bij plaatsnamen die zijn ontstaan na het jaar 1000.14 Voor het plangebied kan dat neerkomen op een ontstaan in de periode van de cope-veenontginningen (zie boven). Het eerste deel Bein- verwijst vermoedelijk naar een persoonsnaam.15 Op de jongste historische kaarten van Beinsdorp, zoals de kaart van Bolstra uit 1745 (afbeelding 9) en de kaart van topografische en militaire kaart van circa 1850 (afbeelding 12) is er geen dorp op het eiland ingetekend. Het dorp kan zijn verlaten toen het gevaar van de golfslag te groot werd voor het voortbestaan, mogelijk nog vóór het begin van de 17e eeuw. Op een kaart van J.P. Dou uit 1640 staan op het eiland nog twee huizen en een molen ingetekend (afbeelding 10). Naar het westelijke huis en naar de molen lopen opvaarten. De huizen zijn mogelijk omgracht. Deze kaart is vergelijkbaar met de kaart van Stevin van Broeckhuysen uit 1652 (afbeelding 11), waarin echter ook meer details zijn uitgebeeld van verkaveling en landgebruik.
De verkaveling lijkt een restant van oudere opstrekkende verkaveling te zijn. Of dit verknipte cope-percelen zijn is niet duidelijk.16 De behuizingen zijn veilig iets aan de binnenzijde van het eiland geplaatst, zonder duidelijk rekening te houden met de verkaveling. De huizen zoals aanwezig medio 17 e eeuw liggen zo beschouwd niet aan een voormalige ontginningsbasis. Het landgebruik moet hebben bestaan uit het rietsnijden. In een akte uit 1581 werd de herbouw van een watermolen te Beinsdorp toegestaan.17 Dit betekent dat het eiland al in de 16e eeuw bemalen moest worden. Op een schilderij van Jan van Goyen uit 1656 is een fictieve weergave vanaf het water van Zuid Vennep met gezicht op het eiland Beinsdorp weergegeven, met een wipmolen en een grote hooimijt. De aanwezigheid van een watermolen betekent dat het eiland in zekere zin een polder betrof die alleen kunstmatig door bemaling (en ongetwijfeld met het opwerpen van kleine kades) bewoonbaar was. Deze bewoning stopte omstreeks 1676, toen werd gerapporteerd dat van de twee huizen één reeds lang onbewoond en inmiddels bouwvallig was en het andere stond verlaten te worden, aangezien de toenmalige bewoners verklaarden niemand bereid te hebben gevonden op het land zijn verblijfplaats te willen houden.18
14 Van Berkel & Samplonius, 2007; tabel p. 6 15 Van Berkel & Samplonius, 2007; p. 48 16 Nagemeten op de kaart zoals afgebeeld in Luneburg (1987b, p.19) varieert de breedte van de ingetekende percelen
tussen de 18 en 30 Rijnlandse roeden, waarbij alleen de laatstgenoemde maat overeenkomt met de standaard copeafmeting van circa 113 m. 17 Lunenburg, 1988. De bouw van een molen kon alleen plaatsvinden na afwachting van de bezwaarprocedure en met toestemming van het Hoogheemraadschap. 18 Lunenburg, 1987a.
Blad 16 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Afbeelding 10. Kaart van het eiland door J.P. Dou uit circa 1640 (bron: Blom 2004).
Afbeelding 11. Kaart van S. van Broeckhuysen uit 1652 (bron: Blom 2004). Het noorden ligt op deze kaart beneden. Het oostelijke van de drie bouwwerken betreft een wipmolen.
Blad 17 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Verdere oeverafslag leidde in de vroege 19e eeuw tot het reële gevaar van een doorbraak van het IJ met het Haarlemmermeer, waardoor een open verbinding met de Zuiderzee zou ontstaan. De angst werd vergroot toen in de winter van 1836 ervoor werd gevreesd dat het Haarlemmermeer zich zou verenigen met de Legmeerplassen en Mijdrechtse plassen, terwijl het water ondertussen tot aan de poorten van Amsterdam en Leiden kwam te staan.19 Hierop werd de inpoldering van het Haarlemmermeer in gang gezet. In 1840 werd begonnen met het graven van de Ringvaart. In 1845 werden de dijk en de vaart voltooid en kon het droogmalen van de Haarlemmermeer beginnen, dat in 1852 werd voltooid. Op de Topografische en Militaire kaart is de situatie van vlak voor deze droogmakerij vastgelegd (afbeelding 10). In de hiernavolgende kaarten is de regelmatige polderverkaveling zichtbaar met tot aan de jaren 1960, tot aan de groei van de kernen Nieuw-Vennep en Hoofddorp, weinig topografische wijzigingen.
Afbeelding 12. Plangebied rond 1850 op de Topografische en Militaire Kaart (bron: Esri & partners).
19 Staring, 1858, p. 157
Blad 18 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Afbeelding 13. Plangebied rond 1890 op de topografische kaart (Bonneblad) (bron: Esri & partners).
Afbeelding 14. Plangebied rond 1925 op de topografische kaart (bron: Esri & partners).
Blad 19 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Afbeelding 15. Plangebied rond 1965 op de topografische kaart (bron: Esri & partners).
2.1.6
Mogelijke verstoringen Binnen het plangebied dient rekening gehouden te worden met bodemverstoringen als gevolg van het geschikt maken na drooglegging voor akkerbouw, het diepploegen, alsmede eerdere erosie door overstromingen en oeverafslag.
2.2
Bekende waarden
2.2.1
Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in het onderzoeksgebied en tot een omtrek van ongeveer 1000 m hieromheen opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMKterreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 417636.107–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen In het plan- en/of onderzoeksgebied ligt geen archeologisch monument (AMK-terrein). Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen In het plan en/of onderzoeksgebied zijn geen archeologische vondsten bekend. Deze totale afwezigheid van (oppervlakte)vondsten is opvallend, gezien het feit dat op het eiland Beinsdorp een dorp moet hebben gestaan dat eerst in de golven is verdwenen en waarvan de resten vervolgens in de meerbodem en daarna in het huidige ploegdek moeten zijn terechtgekomen.
Blad 20 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Verklaringen voor dit feit kunnen liggen in een gebrek aan opsporing – er zijn geen veldkarteringen uitgevoerd – of het dorp was al verlaten voordat de huizen ‘versteend’ werden. Een in steenbouw uitgevoerd dorp levert uiteraard meer herkenbare resten op dan een in houtbouw uitgevoerd dorp, bovendien, een tijdig en gecoördineerd verlaten dorp levert minder vondsten op dan een dorp dat bij een onverwacht hevige storm in de golven verdwijnt. Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken20 Binnen het plangebied zijn er een aantal archeologische onderzoeken geweest. Voor een groter tracé, waarvan gedeeltes door het plangebied lopen (langs de Bennebroekerweg en de Zuidtak Zuidtangent), is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Vestigia in 2016. 21 De open ontgravingen hadden op de meeste plekken een diepte van 2 m -mv. Op deze diepte werden geen waardevolle archeologische resten verwacht binnen het plangebied. Deze lage verwachting is niet getoetst, maar is mede onderbouwd met het gegeven dat al vanaf 1945 in de Haarlemmermeerpolder werd gediepploegd om de grond te verbeteren voor akkerbouw.
Ook is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd aan de Hoofdweg in Nieuw-Vennep, door Arcadis in 2010.22 Hier werd bij het archeologisch bureauonderzoek vastgesteld dat er waarschijnlijk een oeverwal door het terrein liep, welke op niet dieper dan één meter onder maaiveld verwacht werd, en waarop in theorie bewoning in het neolithicum kan hebben plaatsgevonden. Eerder onderzoek naar soortgelijke oeverwallen in de Haarlemmermeer heeft echter geen sporen van bewoning uit deze periode aangetoond.23 Na het neolithicum zal het gebied waarschijnlijk te nat zijn geweest voor bewoning en vervolgens lag dit vanaf de 13 e eeuw tot aan de inpoldering in 1852 in een meer. De verwachting is op die gronden bijgesteld naar een lage en de aanbeveling was om het plangebied vrij te geven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er in de Haarlemmermeer maar zeer beperkt onderzoek is verricht naar het voorkomen van de oeverwallen. Het meeste onderzoek is beperkt tot een bureauonderzoek en een veldtoets wordt zelden uitgevoerd, ook omdat deze verplichting er enkel ligt voor zeer omvangrijke plangebieden (>1 ha). Het is daarom zeer goed mogelijk dat de afwezigheid van archeologie op de oeverwallen een gevolg is van beperkt archeologisch onderzoek.
Gegevens veldverkenning Blom Het resultaat van de veldverkenning (oppervlaktekartering) door Henk Blom in oktober 1978 op enkele percelen aan de oost en westzijde van de IJweg zijn niet in ARCHIS opgenomen, maar opgenomen in zijn bundel.24 Zijn veldopname perceel O7 en O8 liggen in het plangebied prioritaire structuur zone 2 en deze overlappen exact met de in dit onderzoeksrapport onderzochte percelen (dubbelbestemming Beinsdorp), waarbij opname O8 het gebied van boringen 01-20 beslaat (achter adres IJweg 1456) en opname O7 het gebied van boringen 21-50 (achter adres IJweg 1442). In opname O7 en O8 is vrijwel alleen materiaal aangetroffen uit de 16e/17e eeuw. Zeer sporadisch werd op deze percelen een scherf kogelpotaardewerk (late middeleeuwen) aangetroffen. Blom’s interpretatie voor de grote hoeveelheid vondsten uit de 16e/17e eeuw op Beinsdorp zijn eventuele stortingen van grond ter voorkoming van verdere afslag. 20 Een aantal onderzoeken van RAAP rondom de spoorlijn is niet via de gebruikelijke digitale archieven ontsloten: het
betreft ARCHIS3-nummers 2027327100, 2030372100 en 2029911100. 21 ARCHIS3-zaaknummer 4000705100; Weerheijm et al., 2016. 22 ARCHIS3-nummer 2289671100; Van der Sar, 2010. 23 Bijvoorbeeld bij de 5e baan van Schiphol; Soonius en Bekius, 2007. Zij verklaren het niet voorkomen van (bewonings)sporen uit het neolithicum op de kreekruggen en oeverwallen uit het feit dat de invloed van de zee en later de snelle veengroei tot ongunstige condities voor (langdurige) bewoning hebben geleid. 24 Blom 2004.
Blad 21 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Blom heeft ook de locatie bij de Jacobushoeve (huidig adres IJweg 1554, buiten het plangebied) verkend in de tijd dat dat nog een akker betrof. Dit is opname O13 en aan de overzijde van de IJweg opname N26. Opname O13 ligt momenteel in de bebouwde kom van Nieuw-Vennep. Op deze beide percelen heeft Blom veel resten opgeraapt uit de 11e-14e eeuw en sporadisch zelfs scherven inheems Romeinse (‘fries-romeins’) en juist in vergelijking met Beinsdorp (opnamen O7 en O8) veel minder resten uit jongere perioden. Blom’s interpretatie voor juist die hoeveelheid scherven uit de 11e tot 14e eeuw is dat middeleeuwse bewoning zich bevond in dit deel van De Vennep, mogelijk aan de oostoever van het Veer, dus ter plaatse van de oude oversteek over de vaargeul, de rivier Vennepa.
2.2.2
Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn in het plangebied geen geregistreerde ondergrondse bouwhistorische waarden bekend. Het is onbekend waar op het eiland de nederzetting Beinsdorp heeft gelegen. Deze is niet zichtbaar op historische kaarten.
2.3
Archeologische verwachting
2.3.1
Bestaande verwachtingskaarten Gemeentelijke verwachtingskaart Het grootste gedeelte van het grondgebied van de gemeente is ondergebracht in archeologieregime 6. Hiervoor geldt een geringe archeologische verwachting voor het neolithicum (nieuwe steentijd), de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Daarnaast geldt een bijzondere waarde voor diepe ingrepen; hier kunnen archeologische waarden worden verwacht uit het paleolithicum (oude steentijd) en het mesolithicum (midden steentijd). Het plangebied (prioritaire structuur zone 2) ligt vrijwel geheel in regime 6 (lichtgeel op afbeelding 16). In dat regime geldt vanwege een over het algemeen lage verwachting of trefkans op archeologische resten een vrijstelling voor ingrepen tot 10.000 m2. Het plangebied ligt gedeeltelijk in regime 4 (Beinsdorp, vrijstelling voor ingrepen tot 500 m 2). Regime 4 is doorvertaald in regelgeving (zie paragraaf 2.3); het beleidsvoornemen regime 6 is niet doorvertaald in regelgeving in het vigerend bestemmingsplan.
Blad 22 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
Afbeelding 16. Archeologsiche beleidskaart gemeente Haarlemmermeer; het plangebied rood omlijnd (bron: Fonds, 2020).
Provinciale verwachtingskaart De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland toont dat het plangebied geen deel uitmaakt van één van de tien regio’s met provinciaal archeologisch belang.25
2.3.2
Gespecificeerde archeologische verwachting De gespecificeerde archeologische verwachting is gebaseerd op de hierboven bovenstaande (paleo)landschappelijke, historische en archeologische gegevens. Datering • Op dekzandniveau kunnen resten voorkomen uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum (op >6 m-mv). Dit niveau wordt met de voorgenomen ingrepen niet bereikt en de verwachting wordt hieronder niet verder gespecificeerd.
25 https://maps.noord-holland.nl/ilc/
Blad 23 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
• •
•
Er wordt geen intact Hollandveen verwacht: een verwachting voor ijzertijd en Romeinse tijd is daarmee afwezig, hooguit in de vorm van verspoelde resten. Eventueel aanwezige oeverwallen/kreekruggen in het gebied kunnen in het laat neolithicum (circa 2400 voor Chr.) bewoonbaar of anderszins te exploiteren zijn geweest. Waarschijnlijk was het gebied al in de bronstijd te nat voor bewoning. Misschien waren de vestigingsmogelijkheden zelfs nooit gunstig geweest (tot aan de middeleeuwse ontginning). Ter plaatse van het verdronken eiland Beinsdorp zijn sporen van bewoning en ontginning te verwachten vanaf de middeleeuwen (vanaf circa 1.000), ook in de vorm van verspoelde resten.
Complextype en kenmerken • neolithicum: kleinschalige nederzettingen of activiteitenkampementen (bijvoorbeeld verbonden met jacht of visserij) op oeverwallen, bestaande uit relatief zandige, gerijpte afzettingen naast restgeulen of beddingen. Archeologische resten op de oeverwallen (of in de geulvullingen) kunnen bestaan uit resten van haarden (houtskool), resten van vuursteenbewerkingen, zeer specifieke resten van jacht en visserij (zoals pijlpunten, fuiken e.d.) kunnen niet worden uitgesloten • middeleeuwen: verdronken (en verspoelde) resten van een voormalig dorp op een moerige eerdgrond (de geoxideerde veenrest, d.i. het voormalige eiland) of in een (verspoelde) meermolmlaag. Die resten kunnen bestaan uit aardewerkscherven (kogelpot, grijsbakkend of importen), botresten en eventueel bouwkeramiek. Locatie en omvang • Een systeem van oeverwallen en kreken of getijdegeulen is op basis van het AHN aanwezig in het noordoosten van het plangebied. Op de oeverwallen worden geen grote nederzettingen verwacht, maar eerder wordt gedacht aan kleine, niet permanent bewoonde, activiteitenkampementen met een omvang van 1.000 m 2 of minder. • De laatste eilandcontour van Beinsdorp heeft een omvang van circa 10-15 hectare. Het voormalige dorp kan zich zowel daarbinnen als daarbuiten hebben bevonden (onbekend).
Indien het om verspoelde resten gaat kan de omvang van de verspreiding enkele hectares betreffen. Diepteligging • De oeverwallen behoren tot de zeekleigronden die de huidige bodem vormen en kunnen dus ondiep worden aangetroffen (vanaf maaiveld tot 1 m-mv). • Moerige eerdgronden en meermolmlagen kunnen in of direct onder de huidige ploegvoor worden aangetroffen. Mogelijke verstoringen • Mogelijk zijn in de ondergrond aanwezige archeologische resten aangetast door moderne landbouwtechnieken, zoals diepploegen. Daarnaast heeft vermoedelijk grootschalige erosie plaatsgevonden door oeverafslag en uitbreiding van het meer, waarbij archeologische vindplaatsen kunnen zijn opgeruimd of verspoeld. Er zijn aanwijzingen dat na de drooglegging van de Haarlemmermeer het restant van het eiland Beinsdorp is verveend (droog).Daarnaast heeft vermoedelijk grootschalige erosie plaatsgevonden door oeverafslag en uitbreiding van het meer, waarbij archeologische vindplaatsen kunnen zijn opgeruimd of verspoeld.
Blad 24 van 49
Antea Group Archeologie 2021/108 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417636.107 20 juli 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer
2.4
Conclusies bureauonderzoek Het laatste contour van het voormalige eiland Beindorp is in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming met een onderzoekseis bij ingrepen vanaf 500 m2. Voor het overige gedeelte van het plangebied geldt conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlemmermeer dat archeologische onderzoek noodzakelijk is bij plannen vanaf 10.000 m 2. In de middeleeuwen, ten tijde van het begin van de vervening, behoorde het gebied waarvan Beinsdorp een onderdeel is tot een strook land langs de veenrivier Vennepa. De meren waren nog niet aanwezig of van bescheiden omvang. Tegen het eind van de 15e eeuw verdwijnt deze strook in het Haarlemmermeer en blijft een stukje hiervan, het latere Beinsdorp, over als eiland. Voor de periode dat Beinsdorp een eiland werd is er geen directe aanleiding om bewoning binnen dit gebied. De verkaveling, zoals weergegeven op de kaart van Stevin van Broeckhuysen uit 1652 lijkt echter wel op een cope-ontginning. De middeleeuwse ontginningsbasis en de bewoning zal vermoedelijk hebben gelegen ten zuidwesten van het plangebied, langs de oevers van de voormalige veenrivier, de Vennepa, ter hoogte van de oversteekplaats het Veer. De middeleeuwse bewoningskern ligt daarmee vermoedelijk ruim buiten het plangebied, in de tegenwoordig in de bebouwde kom van Nieuw-Vennep.
Beinsdorp raakte, nadat het van de vaste wal was losgekomen, wel bewoond. Bewoning op het eiland bestond tot circa 1676 uit twee huizen en een wipmolen (poldermolen). Het middel van bestaan voor deze bewoners was het snijden van riet of bies. Er is in de verkaveling geen aanwijzingen dat deze bewoning teruggaat op een middeleeuws ontginningsdorp. Historische kaarten van het eiland Beinsdorp laten een reconstructie zien van de wijze en snelheid waarop hoe de golfslag van het Haarlemmermeer ertoe heeft geleid dat dit eiland in de loop van de tijd in omvang afnam tot het eilandje van circa 15 hectare dat ten tijde van de droogmaking rond 1850 nog resteerde. In het noordoosten van het plangebied zijn op basis van luchtfoto’s en het AHN (Actueel Hoogtebestand van Nederland) geulen of kreken met oeverwallen aan te wijzen. Deze dateren uit de periode dat ter plaatse een getijdenbekken aanwezig was, een onderdeel van het Oer-IJestuarium. Na het sluiten van de kustbarrière raakten de hoog opgeslibde delen van het voormalige wad- en kweldergebieden in theorie bewoonbaar en archeologisch zal deze mogelijke bewoonbaarheid omstreeks het laat neolithicum (circa 2400 voor Chr.) zijn geweest. Door de sluiting van de kustlijn verzanden de geulen echter in de eeuwen hierna en ontstond een veenmoeras, waarna het gebied al snel onbewoonbaar raakte.
De geul zoals die is herkend op AHN en luchtfoto’s kan een getijdegeul binnen dit estuarium betreffen. De kans bestaat dat het niet slechts een getijdegeul is, maar dat deze geul in latere tijd opnieuw is geactiveerd, mogelijk als een veenstroom of zijtak van de (na de middeleeuwen verdwenen) veenrivier de Vennepa, c.q. een aanvoertak van het Spaarne. Door de opening die in 1472 was ontstaan tussen De Vennep en Den Ruygenhoek is het mogelijk dat deze geul ook een vaargeul betrof tussen het Leijdsche Meer en het Oude Haarlemmermeer.