CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2-2 Beeldkwaliteitsplan Openbare ruimte

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 6 april 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV (GEHEIME BIJLAGE) PARK21 Bestemmingsplan en Milieueffectrapportage (MER) (7225811)11.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

beeldkwaliteitsplan

openbare ruimte

colofon 12 september 2013 Gemeente Haarlemmermeer Raadhuisplein 1 2132 TZ Hoofddorp Voor eventuele vragen over toepassingen en uitwerkingen van dit beeldkwaliteitsplan openbare ruimte Park21 kunt u contact opnemen met het projectteam Park21 via park21@haarlemmermeer.nl.

Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw Prinsengracht 253 1016 GV Amsterdam

Üppig Identity Store Prins Hendrikkade 147 1011 AV Amsterdam

Foto’s: Kees van der Veer Jur Engelchor Gemeente Haarlemmermeer Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw Tekst en illustraties: Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw Grafische vormgeving: Üppig Identity Store

beeldkwaliteitsplan

openbare ruimte

0 1

INTRODUCTIE 7

2

PARKCONCEPT 11

3

IDENTITEIT 13

4

RELIËF EN WATER 29

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Landscaping van de parklaag 29 Basisregels reliëf 30 Overgangen 32 Principe profielen overgang polder - park 36 Principe profielen overgang park - parkkamer 38 Parkkamers 40 Parkeer parkkamers 40

5

BEPLANTING 43

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12

Polder, park en pret 43 Ervaringen Haarlemmermeer 44 Grondbewerking voor aanplant 44 Aanplantmethode 45 Beplantingsplan 47 Polder: erfbeplanting 49 Polder: akkerland 50 Park: maaiveld 51 Park: laanbeplanting Parkweg 52 Park: laanbeplanting Hoofdroute 53 Park: parkbos 54 Communicatie 55

Index 6

INFRASTRUCTUUR 57

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8

Polder: veldpad verhard 58 Polder: veldpad onverhard 59 Park: parkweg 60 Park: hoofd fiets/wandelpad 62 Park: secundair fiets/wandelpad 65 Park: wandelpad 66 Park: struinpad/vlonderpad 67 Park: basisinrichting parkentree's 68

7

MEUBILAIR 71

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.8 7.9

De parkbank 72 Afvalbak 76 Fietsenstalling 77 Bewegwijzering 78 Informatiebord 78 Openbare verlichting 79 Speel- en sportvoorzieningen 84 Hekwerk 85

8

KUNSTWERKEN 87

8.1 8.2 8.3 8.4

Herkenbarebruggen familie 87 Brugsysteem 87 Parkentreebruggen 89 Parkbruggen 91

INTRODUCTIE

6

Deze catalogus geeft een overzicht van de belangrijkste elementen, toepassingen en spelregels in de ruimtelijke huisstijl voor PARK21 in de Haarlemmermeer. Het is bedoeld voor ontwerpers en communicatie professionals.

De ruimtelijke huisstijl omvat ook de grafische huisstijl van PARK21. De grafische huisstijl wordt toegepast in brochures, website, bewegwijzering, parkmeubilair en architectuur in het park bijvoorbeeld bruggen en een uitkijktoren.

Uitgangspunt is om PARK21 een herkenbare signatuur geven. De richtlijnen zijn zodanig opgesteld dat ze genoeg mogelijkheden en vrijheid bieden om alle voorkomende projecten te realiseren zonder grote creatieve beperkingen.

Omdat de huisstijl door veel verschillende partijen gebruikt moet kunnen worden, is de huisstijl makkelijk en praktisch toepasbaar. In de catalogus worden de ruimtelijke huisstijlelementen vastgelegd in vorm, maatvoering en materialisering. Voor elementen die in een latere fase worden ontworpen is een programma van eisen voor het ontwerp van het element opgesteld. In de catalogus is een verbeelding en beschrijving van het element opgenomen.

De gemeente Haarlemmermeer werkt aan de realisatie van PARK21 in verschillende fasen. In de catalogus wordt de trend gezet voor de vormgeving van parkelementen zoals wegen, paden, beplantingen, meubilair, verlichting, kunstwerken en hekwerken. Uitgangspunt van het Masterplan PARK21 is dat deze elementen door het hele park op een zelfde herkenbare manier zullen worden uitgevoerd. PARK21 kent een lang ontwikkelingstraject, waaraan verschillende ontwerpers en partijen, zowel publieke als private partijen, hun bijdrage zullen leveren. PARK21 wordt met het consistent toepassen van de huisstijl een sterk merk. Een sterke ruimtelijke identiteit en de bijbehorende grafische huisstijl dragen bij aan de herkenbaarheid van PARK21 en spelen een belangrijke rol in de ontwikkelingsfase van PARK21. De huisstijlelementen maken PARK21 fysiek herkenbaar voor publiek (gebruikers) en bedrijven die in het park willen investeren.

Er is voor gekozen om zoveel mogelijk te werken met elementen die standaard verkrijgbaar zijn en waar mogelijk aan te sluiten bij de Haarlemmermeerse Leidraad 'Duurzame Inrichting Openbare Ruimte' (DIOR). De standaardelementen krijgen een PARK21 signatuur door eenvoudige toevoegingen.

7 INTRODUCTIE

1

Introductie

VERBEELDING MASTERPLAN PARK21 Deze kaart verbeeldt hoe PARK21 er in de toekomst uit kan zien. PARK21 krijgt mede vorm door particuliere initiatieven voor voorzieningen en attracties.

INTRODUCTIE

8

POLDER

PARK Linten en erven

Verhoogde parklaag met parkbos, paden en velden

Agrarisch transformatiegebied met veldpaden

Laanbeplanting parkweg en doorgaande fietsroute

Natte natuur

Parkkamers

Parkeervelden

INTRODUCTIE

9

PRET

INFRASTRUCTUUR

Clubgebouw honk- en softbalvereniging Hoofddorp Pioniers

Parkhart

Wegennet en HOV-lijnen met halte

Recreatieplas met strand

Leisure-Oost: themapark

Spoorwegen en hoogspanningsleidingen

Recreatieplas met rietoevers

Leisure-Oost: indoor leisure

Bruggen

Leisure-Oost: expositie/museum/science Grootschalig evenemententerrein

PARKCONCEPT

10

polder

park

pret

IDENTITEIT Polderlandschap

IDENTITEIT Recreatielandschap

IDENTITEIT Leisurelandschap

FUNCTIE Bestaande woon- en agrarische functies Plattelandsrecreatie Educatie Productie en verkoop streekproducten

FUNCTIE Ontspanning Fietsen en wandelen Evenementen Sport en spel

FUNCTIE Themapark Festiviteiten Cultuur Hotel, horeca en congresfaciliteiten

VORM Rechte lijnen, grid

VORM Meanderende lijnen

VORM Meervormig

KLEUR Aarde tinten

KLEUR Groene tinten

KLEUR Meerkleurig

PARK21 is opgebouwd uit drie lagen: de polderlaag, de parklaag en de leisurelaag. De lagen vullen elkaar aan, maar verschillen ook heel duidelijk. De polderlaag houdt het bestaande polderlandschap herkenbaar en transformeert van traditioneel agrarisch naar verbrede stadslandbouw. De parklaag zorgt voor samenhang. Het is een openbare groenstructuur. Hier ligt een netwerk van wandel-, fiets-, skate- en ruiterpaden. Het is de publieke ruimte en functioneert als kapstok voor alle andere initiatieven. De leisurelaag biedt voorzieningen en (inter)nationale topattracties. Tussen het spoor en de Rijnlanderweg is ruimte voor indoor- en outdoorleisure. Tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep ligt het parkhart aan de grote recreatieplas. Hier is ruimte voor een bezoekerscentrum, uitzichttoren, strand en horeca.

11 PARKCONCEPT

2

Parkconcept

Het ontwerp van het logo is gebaseerd op twee pijlers. De uitstraling van het letterbeeld refereert aan de metropool, de retrovorm aan de jaren twintig van de vorige eeuw in New York of Parijs. Dit geeft het merk PARK21 de allure en het karakter dat past bij deze ambitieuze ontwikkeling midden in het metropolitane landschap van de Randstad. Daarnaast is er een horizon te herkennen die de geschiedenis van het landschap verbeeldt. Het landschap is de grootste droogmakerij van Holland, met een oppervlakte van bijna 17 duizend hectare, gemiddeld 5 meter onder NAP. Het landschap kenmerkt zich door lange rechte lijnen en een brede horizon. Een Nederlander is er wellicht aan gewend dat het land zich onder zeeniveau bevindt, het blijft voor een Japanner onvoorstelbaar. Het beeldelement - het boompje, tulpje of blaadje in de wind - zorgt voor extra herkenning kan tevens los gebruikt worden als symbool. Het beeldelement vormt tevens de basis voor het ontwerp van de iconen.

Herkomst logo

13 IDENTITEIT

3

Identiteit

logo

IDENTITEIT

14

Het Park 21 logo wordt altijd in combinatie met het blaadje gebruikt.

logo varianten

IDENTITEIT

15

Indien gewenst kan daar een motto aan worden toegevoegd.

beeldelement

IDENTITEIT

16

Het beeldelement, de horizontale lijn, zorgt voor onderscheid tussen de verschillende communicatieuitingen. De lijn kan als een illustratieve horizon gebruikt worden.

iconografie

IDENTITEIT

17

De iconen die gebruikt worden in het park, worden vanuit het huisstijlelement "het blaadje" ontwikkeld.

kleur merkidentiteit

IDENTITEIT

18

Het kleurenplalet voor PARK21 bestaat uit 4 verschillende Pantone kleuren. Pantone 296, refereert aan de kleur van oxidatie in de donkere klei van de omgeploegde akkers. Deze kleur (RAL 5011) is in de ruimtelijke huisstijl gebruikt als basiskleur voor het parkmeubilair en bewegwijzering. Pantone 633 is de huisstijlkleur van de gemeente Haarlemmermeer. Pantone 326 en Pantone 329 zijn ondersteunende kleuren.

lettertype merkidentiteit

IDENTITEIT

19

Het lettertype dat gebruikt is in de uitingen van PARK21 is de Futura Com. De primaire vormen die het lettertype herbergt en het idee dat de letter een gelijke lijndikte heeft, sluiten goed aan bij de merkidentiteit en het logo. De familie kent een aantal gewichten. PARK21 gebruikt het liefst de lichtere gewichten, zoals de Light, Book of Medium.

communicatiekader

IDENTITEIT

20

Voor de communicatie van het merk PARK21 bestaat de mogelijkheid een kader te creëren. Het kader is een verbindend element waarmee de activiteiten in het park verbeeld kunnen worden. Dit kan door middel van beeld in combinatie met tekst of logo's van partners.

communicatiekader

IDENTITEIT

21

communicatiekader

IDENTITEIT

22

communicatiekader

IDENTITEIT

23

Communicatie gericht op het buitenland zal worden voorzien van het rode I Amsterdam lint in combinatie met het gemeente Haarlemmermeer logo. Voor binnenlandse communicatie volstaat het gebruik van het logo van de gemeente Haarlemmermeer in combinatie met het HLMR Meer ontmoeten logo.

patroon 1 - gebaseerd op de letters van het logo

IDENTITEIT

24

Er zijn een drietal patronen ontwikkeld die uit een staalplaat kunnen worden lasergesneden. De patronen en de huisstijlkleuren worden ruimtelijk toegepast in parkmeubilair, bewegwijzering, hekwerk en architectuur zoals bruggen en openbare parkgebouwen.

patroon 2 - gebaseerd op het blaadje

IDENTITEIT

25

patroon 3 - gebaseerd op het getal '2'

IDENTITEIT

26

materialen

Gepoedercoat staal RAL 5011

Gepoedercoat lasergesneden staalplaat RAL 5011

IDENTITEIT

27

Ongecoat hardhout

RELIËF EN WATER

28

4.1 LANDSCAPING VAN DE PARKLAAG De parklaag wordt minimaal 1 meter of meer opgehoogd en ‘gelandscaped’ en vormt daarmee een helder onderscheidend netwerk in de rationeel ingerichte polder. Bomen kunnen zich in de parklaag goed ontwikkelen zonder last te hebben van mogelijke vernatting in de toekomst. Voldoende drooglegging zorgt ervoor dat het parkbos zich kan doorontwikkelen tot een volwaardig bos met bomen als linden en eiken van de eerste grootte. Bomen kunnen zich niet of nauwelijks aanpassen aan vernatting. Met de aanleg van de verhoogde parklaag wordt op deze wijze geanticipeerd op het verbeterd droogmakerijsysteem dat het Hoogheemraadschap van Rijnland op termijn wil gaan invoeren. Het verbeterd droogmakerijsysteem komt onder andere neer op het instellen van een flexibel waterpeil, waarbij in de winter een hoger waterpeil wordt geaccepteerd. Hiermee wordt het neerslagoverschot langer in de polder vastgehouden. De opgehoogde en reliëfrijke parklaag levert ook bij hogere polderpeilen voldoende drooglegging en daarmee een goede basis voor duurzame beplanting met bomen. Met de huidige waterhuishouding in de polder, is verdroging van de parklaag een mogelijk probleem. Ook kunnen soorten zich instellen op te diepe grondwaterstanden, waardoor latere aanpassing aan het waterpeil schadelijk kan

zijn. Om deze reden wordt het water dat op de parklaag valt zo goed mogelijk vastgehouden. Hiervoor worden drie inrichtingsprincipes toegepast. De huidige drainage wordt ter plaatse van de parklaag ontmanteld. Daarnaast worden centraal in de parklaag laagtes, wadi’s, opgenomen waar regenwater de kans krijgt geleidelijk te infiltreren. Aan de voet van de taluds worden ‘zaksloten’ aangebracht met eenzelfde functie. Een aandachtspunt hierbij is de waterdoorlaatbaarheid van de bodem van de wadi of sloot. De polderklei is slecht waterdoorlaatbaar. Als bodem materiaal wordt daarom een grover waterdoorlaatbaar materiaal toegepast. In de parkkamers voeren we de sloten forser uit zodat een interne waterpartij ontstaat op een hoger peil. De sloten kunnen bovendien een functie vervullen in de afscherming van de semi-openbare functies die in de parkkamers opgenomen zijn. De parklaag zorgt voor een vertraagde afvoer van regenwater, verlaagt daarmee de afvoerbehoefte in neerslagpieken en draagt bij aan een duurzamer watersysteem.

29 RELIËF EN WATER

4

Reliëf en water

4.2 BASISREGELS RELIËF

2. De aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen ASVV 2012 (CROW) zijn maatgevend voor het ontwerp van het parkreliëf boven de 1 meter. De toegankelijkheid voor fietsers en mindervaliden dient op de hoofdroutes te zijn gewaarborgd. Onder de hoofdroutes vallen de parkweg, het hoofd fiets/wandelpad en de secundaire fiets/ wandelpaden. Het reliëf van de parklaag is

RELIËF EN WATER

30

ophoging < 1m

X

Ongewenst: Een 'molshopen' landschap waar de parklaag slechts plaatselijk wordt opgehoogd met onsamenhangende heuvels.

ophoging > 1m

V

Gewenst: En integrale ophoging van de parklaag minimaal 1 meter hoog ten opzichte van het bestaande maaiveld, met daarop een samenhangend reliëf van gemiddeld 2 meter, met een maximum van 5 meter hoog.

minimaal 1 meter hoog ten opzichte van het bestaande maaiveld, gemiddeld 2 meter, met een maximum van 5 meter, daar waar de hoofdroutes aansluiten op de langzaamverkeerbruggen Goudappel over Coffeng | adviseurs verkeer en vervoer de omliggende wegen. Bij hoogteverschillen hoger dan 4 meter wordt een hellingspercentage 10% van 1,8% toegepast bij hoogte verschillen minder 9% dan 4 meter geldt de grafiek in het ASVV 2012. 8% Gemiddeld hellingspercentage

1. De parklaag wordt integraal minimaal één meter opgehoogd ten opzichte van het poldermaaiveld als duurzaam uitgangspunt voor bomen. Als er meer grond beschikbaar is om op te hogen is het mogelijk de parklaag verder op te hogen en te 'landscapen'. De linten, met laanbeplanting en de erven met tuinen en erfbeplanting, liggen over het algemeen al hoger dan het gemiddelde polderpeil.

Hellingen in fietsroutes

II

7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% 0

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Hoogte in meters Roos

Roos Optimaal

Roos Maximaal

CROW

CROW-Veel w ind

CROW-Weinig w ind

Van Laarhoven

Van Laarhoven-Optimaal

Van Laarhoven-Maximaal

Figuur 1: Richtlijnen verzameld

Hellingpercentages

In het uitgevoerde onderzoek stonden de volgende onderzoeksvragen centraal: — Welke ontwerprichtlijnen, kencijfers en vuistregels zijn er? — Hoe steil mag een helling zijn? — Wat is de relatie met de lengte van de helling? — Wat zijn de mogelijkheden als een hellingbaan niet past? — Wat is de relatie met richtlijnen voor mindervaliden? Door het uitvoeren van een literatuur- en een praktijkonderzoek is getracht een antwoord te vinden op de onderzoeksvragen. De belangrijkste uitkomsten staan in dit artikel omschreven, voor verdere informatie over dit onderzoek kunt u terecht op de website van het Fietsberaad. Het praktijkonderzoek bestond uit het inmeten van elf kunstmatige fietshellingen in Nederland. Door om de tien meter het hellingspercentage in te meten was het mogelijk om een goed beeld te krijgen van de helling. Zitten er bijvoorbeeld horizontale plateaus in de helling of zijn er extreme uitschieters. Naast het inmeten zijn er ook enquêtes afgenomen bij de gebruikers van de fietshellingen. Op basis van de gemeten waarden zijn er twee factoren berekend. De X-factor in de formule l = x.h2 waarin L de lengte van de hellingbaan is en h het te overbruggen hoogteverschil. Ten tweede de zwaarte van de helling Z in de formule Z = a 2.l waarin a staat voor het (voor elk gedeelte afzonderlijk te meten) hellingspercentage van de helling.

In de enquête is aan de gebruikers gevraagd wat zij van de helling vonden. Of ze moeite hadden met de helling en of dat deze eventueel wel wat steiler had gemogen. Daarnaast is gevraagd naar mogelijke alternatieven als de huidige hellingbaan niet zou passen. Bij de toegepaste onderzoeksmethode moet wel rekening gehouden worden met het feit dat fietsers die de helling veel te steil vinden waarschijnlijk een andere route zullen zoeken en dus niet zijn geïnterviewd. Hierdoor vallen de beoordelingen vanzelfsprekend hoger uit. De uitkomsten uit de enquête zijn omgezet naar cijfers en deze zijn gekoppeld aan de gevonden factoren uit het onderzoek. Op basis hiervan zijn er een aantal verbanden gevonden. Er kan gesteld worden dat een hoge X-factor zorgt voor een positievere

3. De paden en het reliëf worden in samenhang ontworpen. De hoofdroutes bewegen met het reliëf mee. Hierdoor wordt het 'gevoel van reliëf' versterkt. Zo kunnen met kleine hoogte verschillen grote effecten worden bereikt. De hoofdroutes bewegen met de hoogtelijnen mee en snijden de hoogtelijnen onder een hoek. Wandelpaden, struinpaden, ruiterpaden en moutainbiketrails kunnen wel haaks op de hoogte lijnen worden ontworpen. Deze paden kunnen steiler worden uitgevoerd of er kunnen treden worden toegepast (betonbanden) om het reliëf maximaal te ervaren.

Hoofdroutes bewegen mee met het reliëf

Op ooghoogte levert dit een versterking van het reliëf op doordat paden en mensen geheel of gedeeltelijk achter het reliëf verdwijnen

RELIËF EN WATER

31

4.3 OVERGANGEN In het Beeldkwaliteitsplan Openbare Ruimte PARK21 is een verdere uitwerking gegeven aan de overgangen tussen parklaag en polderlaag en tussen park en parkkamer. Deze overgangen zijn essentieel in het parkontwerp en kunnen veel kwaliteit toevoegen aan PARK21. Voor de overgang tussen polderlaag en parklaag is een principeprofiel ontworpen met water, riet en onderhoudspaden dat overal wordt toegepast, maar waarvan de dimensionering kan verschillen. De wens is waar mogelijk zo robuust of breed mogelijke profielen ter realiseren. Overgang park - polder

RELIËF EN WATER

32

Voor de overgang tussen park en parkkamer is een principeprofiel ontworpen met water, natte bloemrijke hooilanden en paden, dat op verschillende manieren en dus vrij kan worden toegepast. Verder zijn enkele inrichtingsvoorbeelden meegegeven ter inspiratie. Per situatie kan worden gekeken hoe met de overgangen tussen park en de betreffende parkkamer wordt omgegaan. De overgangen dragen samengevat bij aan: 1. de ruimtelijke opbouw van het park 2. natuurlijke begrenzing van functies 3. compensatie van te dempen sloten 4. het verbeterd droogmakerij systeem 5. ecologische diversiteit en verbinding 6. recreatief gebruik 7. duurzaamheid van het park Overgang park - parkkamer

RELIËF EN WATER

33

Overgang park - polder

Overgang park - parkkamer

34

Ter plaatse van de parklaag worden de huidige sloten gedempt. Deze worden, conform de keurregels van het hoogheemraadschap 1:1 gecompenseerd door de aanleg van randsloten op de overgang van polder naar park. Op deze manier blijft het watersysteem van de polder functioneren. In gebieden met opbarstingsgevaar worden de overgangszones maximaal 5 meter breed. In de overige gebieden maximaal 25 meter.

Waterberging

Productie van biomassa

De brede natte overgangszones dragen bij aan de duurzaamheidsambities van PARK21. De natte zones kunnen het regenwater langer vasthouden. Ze kunnen een rol spelen als waterberging in het watersysteem van de polder. Riet en/of wilgen kunnen dienen als biomassa voor het duurzaam opwekken van energie.

Biodiversiteit en ecologische verbinding

35

De zones verhogen ook de biodiversiteit in de polder en vormen ecologische verbindingen.

RELIËF EN WATER

Recreatief gebruik Tenslotte bieden de overgangs zones ook recreatieve mogelijkheden zoals: vissen, kanoen en wandelen door een slim dubbelgebruik van beheerpaden als wandelpaden.

X

Ongewenst: Diepe smalle sloten met steile taluds. Het water is hierdoor onzichtbaar en heeft geen meerwaarde voor een duurzaam watersysteem, ecologie en recreatieve mogelijkheden.

V

Gewenst: Brede overgangszone met flauwe taluds en mogelijkheden voor waterberging, ecologie en recreatief gebruik.

X

V

X

V

Ongewenst: Onduidelijke begrenzing tussen polder en park

Ongewenst: Smalle, gelijkmatige sloten met steile taluds.

Gewenst: Een heldere grens tussen polder- en parklaag. Dit waarborgt het ruimtelijk contrast tussen de twee gebieden.

Gewenst: Natte zone met een watergang 5 tot 25 meter, mede afhankelijk van lokaal opbarstgevaar .

4.4 PRINCIPE PROFIELEN OVERGANG POLDER - PARK

.

M

in.

Max

Overgang park - polder

Minimaal profiel overgang park - polder

RELIËF EN WATER

36

1 2 Maximaal profiel overgang park - polder

3

4

5

6

7

8

5.1 Watergang; Park - Polder

Soortenrijk rietland Koninginnekruid

Rietland gevarieerd Park; minimale ophoging 1 meter

2

Talud; 1 : 3

3

Soortenrijk rietland; 10 cm onder maximaal huidig peil Te ontwikkelen in mix regenwater/polderwater, autonoom, bodem plas dras tot net droog, minder dynamisch peil, geleidelijk verschralen via wintermaaibeheer.

37 Soortenrijk rietland Valeriaan

4

Beheer/recreatiepad; 50 cm boven maximaal streefpeil

5

Rietland; 10 cm onder maximaal huidig peil Te ontwikkelen in polderwater op onderwaterbanket, autonome ontwikkeling bij plas draszetten, periodiek droogvallen gunstig voor vitaliteit, gefaseerd maaien in winter gunstig voor dierenleven.

6

Water; minimaal 1 meter diep t.o.v. minimaal huidig peil In gebieden met opbarstingsgevaar maximaal 5 meter breed. In de overige gebieden tot maximaal 25 meter breed waarbij onderzoek moet worden gedaan naar lokaal opbarstingsgevaar.

7

Talud; 1 : 3

8

Polder; akker of weiland

RELIËF EN WATER

1

Soortenrijk rietland Poelruit

Rietland Kleine karekiet

Rietland winterbeeld

Rietland wintermaaien Catalogus ruimtelijke huisstijl Park21 | gemeente Haarlemmermeer | januari 2013

CONCEPT

85

4.5 PRINCIPE PROFIELEN OVERGANG PARK - PARKKAMER

.

Min.

Max

Overgang park - parkkamer

Minimaal profiel overgang park - parkkamer

RELIËF EN WATER

38

1 2 3 Maximaal profiel overgang park - parkkamer

4

5

6

7

5.1 Watergang; Park - Parkkamer

Nat hooiland Echte Koekoeksbloem

Nat hooiland Grote Ratelaar

Park; minimale ophoging 1 meter

2

Talud; 1 : 3

3

Nat hooiland; 30 cm boven maximaal huidig peil Te ontwikkelen op vochtige bodem, 10-30 cm boven slootpeil, jaarlijks 1-2x maaien zomer en najaar, ontwikkeling stimuleren via zaaien of verspreiden soortenrijk maaisel

4

Beheer/recreatiepad; 50 cm boven maximaal streefpeil

5

Water; minimaal 1 meter diep t.o.v. minimaal huidig peil In gebieden met opbarstingsgevaar maximaal 5 meter breed. In de overige gebieden tot maximaal 25 meter breed waarbij onderzoek moet worden gedaan naar lokaal opbarstingsgevaar.

6

Talud; 1 : 3

7

Parkkamer

39 Nat hooiland Rietorchis RELIËF EN WATER

1

Nat hooiland Grote Ratelaar

Parkkamer met randsloot

Parkkamer halve randsloot

Parkkamer zonder randsloot

Natte parkkamer met riet en vijver

Natte parkkamer met theehuis en tuin

Parkkamer met bloementuin en prieel

4.6 PARKKAMERS

De ontwerper heeft veel opties. De vorm van de watergang is vrij. Het kan een randsloot zijn, maar ook een vijver met een eiland.

4.7 PARKEERKAMERS

RELIËF EN WATER

40

Zoals eerder aangegeven is de invulling van overgang tussen park en parklaag afhankelijk van de beoogde functie van de betreffende parkkamer. In de parkkamers kunnen functies komen varierend van 2 tot 5 hectare. Als het om semi-openbare functies gaat kan een watergang in de overgang park parkkamer functioneel zijn in het regelen van de toegankelijkheid van het gebied zonder gebruik te hoeven maken van hekwerken.

Bij een openbare parkfunctie, zoals een kinderspeeltuin, trapveld of een bloementuin, is de ontwerpvrijheid van de parkkamer en de overgang tussen parkkamer en park groot. Het toevoegen van een boomgroep met wat zitof picknickelemeneten kan ook bijdragen aan de gebruikswaarde. Zie hiervoor de parkeerkamers op de bladzijde hiernaast.

Aan de randen van het park en aansluitend op de parkweg zal een aantal parkkamers worden ontwikkeld tot parkeerkamers. Uitgangspunt is een groene inrichting met gewapend gras. Voor de wapening van het gras wordt Neoweb van Intercodaminfra gebruikt. NeoWeb stabiliseert instabiele ondergronden en voorkomt erosievorming op taluds. NeoWeb constructies kunnen hogere belastingen aan en voorkomen insporingen in toplagen. De

Extensieve parkeerkamer Neoweb gewapend gras

Intensieve parkeerkamer Neoweb gewapend gras Rijloper asfalt; breedte 6 meter

voordelen zijn: geen spoorvorming; natuurlijke afvoer van het oppervlaktewater en lage exploitatie- en onderhoudkosten. We onderscheiden extensieve parkeerplaatsen en intensieve parkeerplaatsen. De extensieve parkeerplaats heeft een inrichting met enkel Neoweb gewapend gras. Er worden geen parkeervakken aangeduid. Dit heeft als voordeel dat de parkeerkamer multifunctioneel bruikbaar is. De parkeerkamer kan bijvoorbeeld tijdelijk ook als manifestatieterrein worden ingezet. De extensieve parkeerplaatsen kunnen tijdelijk

intensief gebruikt worden, bijvoorbeeld tijdens evenementen. Voor een efficiënt gebruik van het parkeerveld kunnen dan parkeervakken tijdelijk met linten worden gemarkeerd.

Het bodemmateriaal van de parkeerkamers moet doorlatend zijn, géén klei, anders kan het water niet infiltreren.

De intensief gebruikte parkeerplaatsen, bijvoorbeeld bij het strand of sportterrein, worden voorzien van een asfaltrijloper. De parkeervakken zijn van Neoweb gewapend gras. De vormgeving van de parkeerterreinen sluit aan bij de vorm van de parkkamers. Rechte parkeer verkavelingen zijn ongewenst. Neoweb gewapend gras

RELIËF EN WATER

41

Polder

Agrarisch landschap

BEPLANTING

42

Park

Recreatie landschap

5

Beplanting 5.1 POLDER, PARK EN PRET

Leisure landschap

De beplanting in het park wordt afgestemd op het concept van PARK21. De polderlaag blijft zo veel mogelijk een open karakter houden. Essentieel voor het ruimtelijke beeld van deze laag zijn de drie oorspronkelijk agrarische linten, bestaande uit boerenerven met erfbeplantingen, de ontginningskavels (van 1000 meter diep en 100 tot 200 meter breed), de poldersloten, de Hoofdvaart en de tochten die hieraan parallel lopen. Het karakter van de linten wordt versterkt door waar mogelijk laan- en erfbeplanting te herstellen. Rond de linten wordt en ruime zone vrijgehouden van parkbeplanting. De geometrie van de polder domineert. In de parklaag worden wel struiken en bomen geplant. Zo ontstaat een heldere scheiding tussen polder- en parklaag. Een parklandschap met een duurzame boombeplanting van lindes, eiken, gazons, speel- en ligweiden vraagt om een goede drooglegging. De parklaag wordt voor dit doel minimaal 1 meter opgehoogd. De beplanting van de parklaag wordt samengesteld uit bomen en struiken die hier van nature thuis horen. Zo ontstaat in het hele park een rijke beplanting die zich goed kan ontwikkelen. In de leisurelaag is een grotere variëteit aan beplanting mogelijk. Dit zal mede worden ingegeven door de functies in de leisurelaag. Voor de beplanting, het ontwerp van de openbare ruimte en de architectuur wordt mogelijk een apart beeldkwaliteitsplan leisure opgesteld.

43 BEPLANTING

Pret

5.2 ERVARINGEN HAARLEMMERMEER Voor beplanting en bosaanleg zijn lessen getrokken uit goede en slechte ervaringen in de Haarlemmermeer. Gerealiseerde projecten van de afgelopen decennia zijn: Venneperhout, Zwaansbroek, IJtochtzone, Boseilanden, Groene Weelde, Prins Bernhardbos, Meerbos. Een blauwdruk is voor bosaanleg is niet te geven. Belangrijk is zorgvuldigheid en oplettendheid. Ook is het zo dat een goede ontwikkeling van beplanting niet alleen wordt bepaald door de aanleg, maar zeker ook door een vakkundig beheer, met bijsturing als dat nodig blijkt.

BEPLANTING

44 Venneperhout Prins Bernhardbos essen-iepenbos. Goede referenties zijn ook het eiken-haagbeukenbos en het eiken-berkenbos: bijvoorbeeld de hellingbossen op de löss in Zuid-Limburg. De aanplant zou op bovenstaande typen gebaseerd kunnen worden.

Boseilanden De polder is een kunstmatig gecreëerd landschap met een rijke bodem die varieert tussen lichte zavel en zware klei. Een natuurlijke referentie voor bosaanleg ontbreekt feitelijk. Onder natuurlijke omstandigheden zou de bodem immers veel natter zijn. Voor Haarlemmermeer gelden bij benadering referenties als het rivierengebied: het droge essen-iepenbos, het abelen-iepenbos of het nattere elzenrijke

Daarnaast is het noodzakelijk rekening te houden met ziektes. De iepziekte teistert al decennia lang deze Hollandse polderboom en recent heeft de es massaal te kampen met een aandoening door schimmels. Dit probleem heeft Haarlemmermeer inmiddels bereikt (Venneperhout). De voorspellingen over de ontwikkeling van deze ziekte zijn vooralsnog somber. Daarmee vallen twee belangrijke soorten grotendeels weg, de es en de iep, die hier van nature dominerende boomsoorten zouden zijn.

De ervaringen in Haarlemmermeer leren dat de volgende punten heel belangrijk zijn. 1. wijze van grondbewerking 2. timing van bodembewerking en aanplant 3. beschutting tegen wind 4. toepassen juist sortiment 5. rekening houden met ziektes 6. beplantingsplan is ook ontwerpopgave! Deze aspecten worden in de volgene paragrafen verder beschreven

5.3 GRONDBEWERKING VOOR AANPLANT

De grondslag in het plangebied voor PARK21 in de Haarlemmermeer varieert van lichte zavel tot zeer zware klei. In principe verschaft deze uitgangssituatie een goede en rijke voedingsbodem voor bosontwikkeling. De zwaardere kleigronden kunnen bij verkeerd gebruik verslempen, versmeren of dichtslibben en daardoor moeilijk doorwortelbaar worden voor bomen en struiken. Dit zijn ook de gronden die van oudsher moeilijker bewerkbaar en bruikbaar waren voor de landbouw.

Ongerijpte grond kan het beste 2 jaar worden ingezaaid met bijvoorbeeld Engels raaigras (twee maal per jaar maaien en als hooi verkopen of schapen erop, dat kan al vanaf 5 tot 10 ha goed verpacht worden). Honingklaver geeft door hoogte van 80-100 cm luwte aan jonge aanplant. Andere goede opties zijn oogstbare gewassen als koolzaad, winterrogge (wortelt diep), wintertarwe of wintergerst of andere bodemverbeteraars. Dit kan tijdelijk ook een bijzondere kwaliteit opleveren voorafgaand

Grondbewerking is daarom een cruciale stap in de voorbereiding bij bosaanplant. Wanneer in de aanlegfase de grond bereden en bewerkt wordt wanneer het eigenlijk te nat is, of als er uit andere projecten ongerijpte zeeklei wordt opgebracht (bv slootbodems), dan ontstaan er grote problemen met verslemping, dichtslibben en een zeer slechte structuur. Dit is een ongunstige basis voor de aanplant van bomen en struiken. Zeer waarschijnlijk is dit mede de oorzaak van slechte bosontwikkeling in sommige delen van de polder.

aan de bosontwikkeling. Bovendien zorgt dit voor een betere zode. Er ontstaat een mooi doorwortelbaar profiel en gaat distels en brandnetels tegen (belangrijk voor de agrariërs in de omgeving die hier last van hebben).

BEPLANTING

45

Goed gerijpte en structuurrijke grond is noodzakelijk voor het welslagen van de aanplant. Bij het ophogen van grond is het belangrijk zoveel mogelijk de teellaag in de bovenlaag te verwerken en oude en nieuwe lagen met elkaar te mengen. De timing van grondbewerking is zeer belangrijk. Grondbewerking mag nimmer plaatsvinden onder zeer natte omstandigheden. Kleigronden verslempen als ze onder te natte omstandigheden met zwaar materieel worden bewerkt. Een vuistregel is om alleen grondbewerking toe te passen als de boeren ook ploegen op het land.

Engels raaigras

5.4 AANPLANTMETHODE Als de grondbewerking goed is uitgevoerd komt het aan op de plantmethode. Deze bepaalt in hoge mate het groeisucces van de aanplant en ook het beeld in de verschillende fasen van bosontwikkeling. Belangrijk is dat er niet te vroeg of te laat in het jaar geplant wordt. Ook hier geldt: ga pas planten als de boeren ook op het land zijn, dus zeker niet in december of januari. Niet als het regent, dan versmeert de grond totaal. De beplanting staat dan 10 tot 15 jaar te kwakkelen en groeit slecht. Er zijn verschillende aanplantstrategieën. 1. Blijver-wijker-methode (2/3 duurzaam en 1/3 snel groeiend) en compact aanplanten.

BEPLANTING

46

Een belangrijke beperkende factor in Haarlemmermeer is wind. In Venneperhout (het westelijk deel is ca 9 jaar oud, het oostelijk deel ca 4 jaar oud) is een dichte aanplantwijze toegepast. Het westelijk deel heeft op meerdere plaatsen al een echt bosgevoel, afwisselend, interessant en beschut. Het is verbazingwekkend hoe groot sommige bomen al zijn. Dit pleit voor het blijver-wijker-systeem waarbij snel beschutting ontstaat. Dit betekent in de praktijk: 1/3 aanplant met soorten (populier, abeel, wilg, els) die goed tegen de wind kunnen en snel groeien en beschutting gaan geven aan 2/3 duurzame soorten (zoals eik, linde, beuk, esdoorn) die in de luwte komen te staan. Plant bomen en struiken die in kleinere percentages worden bijgemengd in niet te kleine groepen. Groepen van minimaal 25 stuks, 50 tot 100 biedt betere garanties dat deze soorten zich uiteindelijk kunnen handhaven en niet worden overwoekerd door dominantere soorten. In Venneperhout-oost is dit consequent toegepast. Aanbevolen plantafstanden zijn maximaal 1 tot 1,5 meter. Door het systeem van wijkers en blijvers ontstaat er ook spreiding in leeftijd en dat maakt het bosbeeld interessanter en afwisselder. Deze methode wordt aanbevolen voor PARK21.

2. Integralis: snel resultaat door aanplant van groter plantmateriaal. Een ander optie voor aanplant is de integralis methode: deze bestaat uit het direct grotere en dus oudere bomen aanplanten op eindafstand met kruidenmengels ertussen gezaaid. Deze methode is toegepast in het Prins Bernardbos. In principe wordt zo snel een aantrekkelijk bosbeeld gecreëerd. De aanvangskosten liggen vanzelfsprekend veel hoger. De bedenkers (kwekers) stellen zich op het standpunt dat deze hogere aanvangsinvestering zich terugverdient op termijn door goedkoper beheer. Er loopt een langdurige proef (30 jaar monitoren) om te kijken of deze methode op den duur per saldo goedkoper is dan de traditionele methode. Het resultaat oogt goed: er staan al aardige, oudere bomen, echte bomen (eiken, kastanjes, moeraseiken (doen het minder goed) en fraaie abelenlanen (‘Witte van Haamstede’). De

voorstanders claimen dat de recreanten dit vanaf het begin een aantrekkelijk en sociaal veilig gebied vinden. De methode is geschikt om toe te passen in PARK21 bij entrees of andere belangrijke plekken.

3. Snelgroeiend bos: toepassen van snelgroeiende soorten met een onderbeplanting van heesters. Deze aanplantwijze is toegepast in Meerbos en geeft een zeer éénvormig beeld: zeker nu de populieren in de staken fase verkeren. Dit is de minst interessante fase die 10 tot 15 jaar duurt. Er staan geen duurzame bomen tussen wel veel soorten heesters. Als de populieren op den duur vervangen moeten worden, kan in feite opnieuw met bosvorming worden begonnen. Dit geeft snel een bosgevoel, maar is verder weinig duurzaam. De heesters zijn bovendien niet te sparen bij

het weghalen van de populieren. Bij de aanleg lag het Meerbos nog ver buiten de bebouwde kom van Hoofddorp. Inmiddels is Hoofddorp dichterbij gekomen. Deze methode wordt afgeraden voor PARK21. 4. Toepassen van grotere plantafstanden, meer ruimte voor natuurlijke ontwikkeling. In Zwaansbroek zijn met het toepassen van grote plantafstanden minder goede resultaten bereikt, met name bij de entree vanaf de IJweg naar Ons Tweede Thuis. Overwegingen waren destijds: meer natuurlijke ontwikkeling en kostenbesparing. De zeer ruime aanplant (4 meter of meer) komt echter nauwelijks van de grond. Tevens is er een groot probleem met distels en overlast voor de aangrenzende agrarische percelen. Het is niet bekend welke oorzaken de slechte ontwikkeling van dit bos heeft. Waarschijnlijk is het combinatie van bodemkwaliteit, bodembewerking en wind. Ook deze methode wordt afgeraden voor PARK21.

5.5 BEPLANTINGSPLAN Het maken van een beplantingsplan is een belangrijk onderdeel van het ontwerpproces. In de vorige paragraaf is stilgestaan bij de aanplantmethode. Deze is van groot belang om de aanplant te laten aanslaan in Haarlemmermeer. Zo snel mogelijk beschutting creëren tegen wind en een juiste bodembewerking zijn bepalend voor het succes van de aanplant. Daarnaast is het zaak om het gewenste beeld en ruimtelijk effect te bereiken. Deze paragraaf vraagt aandacht voor dit zeer belangrijke aspect. De bodem van Nederland zou vrijwel geheel bedekt zijn met bos, ware het niet dat bijna ieder stukje land een bestemming heeft: dorpen en steden, pleinen en straten, industrieterreinen, luchthavens, wegen, landbouw, natuur en nog tal van andere zaken. Vanuit die optiek geredeneerd, lijkt het moeilijker om bosgroei te voorkomen, in plaats van andersom. In

Haarlemmermeer komt bos echter niet zo makkelijk op gang, tenzij er sprake is van zeer natte omstandigheden. Dan ontstaat al snel moerasbos. In Nederland zijn vanaf het begin van de vorige eeuw veel bossen aangeplant. Aanvankelijk waren de belangrijkste doelen: het vastleggen van stuifzanden en houtproductie. Voor houtproductie gelden andere normen dan voor natuur of recreatie. Houtproductie levert in feite plantages of houtakkers op, waar soorten worden geplant voor specifieke toepassingen: iedereen heeft weleens gehoord van het Mastbos bij Breda. Houtplantages zijn te vergelijken met akkerbouw. De ondernemer plant zijn gewas en oogst op de meest efficiënte manier. De akkerbouwer plant bijvoorbeeld tarwe, suikerbieten en aardappels in grote eenheden verdeeld over het land. In de laatste decennia van de vorige eeuw zijn veel bossen aangeplant in het kader van

BEPLANTING

47

landinrichtingsprojecten en het programma Randstadgroenstructuur. Veel van die projecten zijn ontwikkeld vanuit een meervoudige doelstelling: houtproductie, natuur en recreatie. De productiedoelstelling heeft er in deze projecten toe geleid dat er veel bosbouwmatig is aangeplant: in vakken. Dit heeft niet goed uitgepakt voor de belevingswaarde van deze bossen. Het levert een onnatuurlijk beeld op. Reden genoeg om hiervan te leren en dat in PARK21 anders te willen.

BEPLANTING

48

In PARK21 is het doel: een parkbos met een fraai en natuurlijk bosbeeld. Doel is niet het produceren van hout, maar een bos waar mensen tot op zeer lange termijn van kunnen genieten. Goede inspiratiebronnen hiervoor zijn landgoedbossen als Amelisweerd, of de landgoedbossen in de binnenduinrand. Ook de aanplant van het Amsterdamse Bos, met vergelijkbare fysieke omstandigheden, mag er zijn. Genoemde voorbeelden zijn aangeplante bossen, met prachtige lanen en ruimtelijke en licht-donker-effecten. Naast hoge esthetische waarden kennen deze objecten ook hoge ecologische waarden.

Ontwerpers worden uitgedaagd om zich bij het maken van beplantingsplannen door deze en andere goede voorbeelden te laten inspireren. Beplantingsplannen met een vakindeling, zoals in houtvesterijen, zijn niet gewenst. De wens is het toepassen van gemengde beplantingen die een samenhangend bosbeeld opleveren. De dominante soorten zijn hierin linden en eiken. Daarin is zeker ruimte voor variatie. Er zijn genoeg aanleidingen te vinden in een ontwerp. Plaatselijk kan het dominante bostype verbijzonderd worden door bijmenging van een wat grotere groep, bijvoorbeeld beuken. Een groep beuken in het bos zorgt voor schaduw en het ontbreken van onderbeplanting. Dit zorgt voor een spannend contrast met het dominante bostype, dat veel meer lichtinval en onderbegroeiing heeft, waardoor het bos, zeker in de zomer, niet ver kunt inkijken. Bij toepassen van bosplantsoen is in te spelen op zaken als zon en schaduw, wind, luwte en microreliëf. We vragen ontwerpers een zorgvuldig beplantingsplan samen te stellen, voorzien van goed verhaal of onderbouwing. Willekeur willen

we vermijden. Een ander belangrijk doel bij het maken van een beplantingsplan is het zorgvuldig componeren van ruimte. Zo bepaalt de beplanting uiteindelijk hoe de parklaag ruimtelijk wordt ervaren. Het contrast tussen polder en parklaag bijvoorbeeld krijgt straks een derde dimensie door de beplanting. Lange gebogen lijnen die in het Masterplan zijn opgenomen kunnen ondersteund worden door vloeiende beplantingslijnen die daarmee bijdragen aan de ruimtelijke beleving van het park.

5.6 POLDER: ERFBEPLANTING Beplantingsvorm: dichte beplanting van jong material op bos (zonder kluit), van gewenste soorten van het Elzenrijk Essen-Iepenbos (iepsoorten resistent tegen de iepziekte toepassen). Boomsoorten: Fladderiep (resistente soort toepassen), Zwarte Els met in mindere dichtheid Zomereik, Beuk, Haagbeuk. Struiklaag: veldesdoorn, rode kornoelje, gewone vlier, hondsroos, wilde kardinaalsmuts. Plantmateriaal: bomen, veren (maat 150-175). Struiken, bosplantsoen (maat 50-100). Plantafstand: 1.50 x 1.50 meter. in driehoeksverband.

BEPLANTING

49

Afwezigheid en aanwezigheid van erfbeplanting rondom de Hoofdvaart

5.7 POLDER: AKKERLAND

Het achterland heeft een agrarische functie. Dit is voornamelijk akkerland, afgewisseld met grasland of boomgaard. Het open en agrarisch karakter van het achterland wordt gehandhaafd. Openbare paden en productieland worden afgescheiden met landschappelijke inpassingen zoals sloten of hagen. De invulling van het akkerland wordt bepaald door private ondernemer, de boer die het akkerland bewerkt. Als akkerland in beheer is bij publieke partijen (tijdelijk of als het gaat om bermen en overhoeken in de polderlaag) kan het akkerland worden ingezaaid met bloemrijke kruidenvegetaties om onkruid te voorkomen. Beplantingsvorm: vlinder/bijenbloemenveld met bijenkorven. Kruidenvegetaties akkerland.

BEPLANTING

50

Plantmateriaal: Bij voorkeur met mengsels van inheemse soorten en genetisch inheems materiaal. Voorstel: CruidtHoeck mengsel NGW2 (of vergelijkbaar): middenschraal grasmengsel voor minderschrale zand- en kleigronden. Combineren met CruidtHoeck bloemzaadmengsel M4 (of vergelijkbaar): laag, bloemrijk mengsel voor bloemrijk grasland en bermen voor schralere, niet te vochtige, bij voorkeur kalkrijke grond. Dit bloemrijke mengsel kan zich door goed beheer ontwikkelen tot een duurzame natuurlijke lage vegetatie. Een bloemrijk resultaat kan vanaf het tweede of derde jaar verwacht worden. Toepassing 0,5 g/m2. Beheer: jaarlijks 1 keer maaien.

5.8 PARK: MAAIVELD

Beplantingsvorm: bloemrijkgrasland, hooiland

Beheer: jaarlijks 1 à 2 keer maaien.

51 BEPLANTING

Plantmateriaal: Hier is een zekere natuurkwaliteit van belang. Bij voorkeur met mengsels van inheemse soorten en genetisch inheems materiaal. Voorstel: CruidtHoeck mengsel NGW2 (of vergelijkbaar): middenschraal grasmengsel voor minder schrale zand- en kleigronden. Combineren met CruidtHoeck bloemzaadmengsel G2 (of vergelijkbaar): bloemenmengsel voor bloemrijk grasland en bermen op voedselrijke en kleigronden. Dit mengsel heeft een ingetogen karakter. Door goed beheer kan er zich een duurzame natuurlijke middelhoge vegetatie ontwikkelen. Kleine ratelaar is toegevoegd aan G2 om grassen te helpen onderdrukken, waardoor de kruiden een betere kans hebben. Een bloemrijk resultaat kan vanaf het tweede of derde jaar verwacht worden. Toepassing 1 gram/m2.

5.9 PARK: LAANBEPLANTING PARKWEG

In de praktijk is gebleken dat duurzame laanbomen en solitairen het beste aangeplant kunnen worden in de luwte, dus later. Eventueel kan gelijk begonnen worden met populieren of abelen, die later worden vervangen door duurzamere soorten. De Quercus robur lanen in de Boseilanden bij Zwaanshoek illustreren dit goed. Het voorste deel groeit goed in de luwte van bosvakken, het achterste deel op de wind op het schiereilandje kwakkelt. Beide delen zijn tegelijkertijd aangeplant. Beplantingsvorm: enkelzijdige dubbele laanbeplanting Boomsoort: kleinbaldige linde of Winterlinde, Tilia Cordata ‘Greenspire’ (hoogte 12-20 meter, kroondiameter 8-12 meter)

BEPLANTING

52

Plantmateriaal: Laanboom 4 x verplant, extra ruim opgekweekt met draadkluit. Stamdiameter 15-20 cm (gemeten op 1 meter hoogte). Plantafstand: aanplant 3 meter uit rand verharding, onderlinge plantafstand 12 meter in driehoeksverband. Motivatie: voor de parkweg is gekozen voor een enkelzijdige versterkte laan met Winterlinde. De versterkte laan geeft de belangrijkste ontsluitingsweg van het park een heldere profiel en contrasteert sterk met het omliggende bos- en parkplantsoen. De boom heeft een hoge, dichte en koepelvormige kroon. In het voorjaar heeft de boom sterk geurende bloemen en is hij een belangrijke nectar bron voor bijen. In de herfst kleurt de boom goudgeel.

5.10 PARK: LAANBEPLANTING HOOFD FIETSROUTE

Beplantingsvorm: enkelzijdige laanbeplanting Boomsoort: Zoete kers, Prunus Avium (hoogte 1520 meter, kroondiameter 10-15 meter) Plantmateriaal: laanboom 3 x verplant, extra ruim opgekweekt met draadkluit. Stamdiameter 1520cm (stamomtrek op 1 meter hoogte). Plantafstand: aanplant 4 meter uit de rand van het fietspad en onderlinge plantafstand 10 meter.

53 BEPLANTING

Motivatie: de hoofdfietsroute wordt begeleid door een laan met Zoete kers. Dit is een middelgrote lichte boomsoort met een zeer gevarieerde verschijningsvorm door het jaar heen. Witte bloesem in de lente, Rode kersen in de zomer en een Geelrode herfstkleur. De Zoete kers heeft op leeftijd een vrije habitus wat een minder statige laan oplevert.

5.11 PARK: PARKBOS

Sortiment: Door ziekte van de es en iep zullen alternatieven ingezet moeten worden. Linde is een goede vervanger voor es. De Fladderiep (Ulmus laevis) is het minst vatbaar voor iepziekte, de leverbaarheid is afhankelijk van de zaadoogst. Gebruik plantmateriaal van de 9e rassenlijst voor bomen. Gebruik Nederlands genenmateriaal, evt uit België of Duitsland, dat is genetisch gezien één gebied. Geen materiaal uit bijvoorbeeld Italië, Hongarije of Polen gebruiken. Dit is minder geschikt voor de omstandigheden in Nederland. Beplantingsvorm: blijver-wijker-methode; 2/3 duurzaam en 1/3 snel groeiend; compact aanplanten.

BEPLANTING

54

Boomsoorten: o.a. Zomereik, Linde, Linde Fladderiep, met in mindere dichtheid Wintereik, Beuk, Haagbeuk, Zoete kers, Noorse Esdoorn, Tamme Kastanje. Bosrand noordzijde: o.a. Rode kornoelje, Hazelaar, Kardinaalsmuts, Lijsterbes. Bosrand zuidzijde: o.a. Eenstijlige meidoorn, Sleedoorn, Vogelkers. Plantmateriaal: bomen, veren (maat 150-175). Struiken, bosplantsoen (maat 50-100). Plantafstand: driehoeksverband met wisselende afstanden voor een natuurlijke bosontwikkeling en gevarieerd eindbeeld. Solitaire parkbomen: Zomereik, Beuk, Hollandse Linde, Tamme Kastanje.

Blijvers (67%)

verhouding in %

Zomerlinde Hollandse Linde Zomereik Gladde iep (resistente soort toepassen) Zoete kers Fladderiep (resistente soort toepassen) Wintereik Haagbeuk Spaanse aak Noordse esdoorn Gewone esdoorn Beuk Tamme kastanje

20 20 20 10 5 4 3 3 3 3 3 3 3

5.12 COMMUNICATIE Wijkers (33%) 40 40 10 10

Mengen van struweel door de bosvakken, niet alleen langs de randen van de bosvakken! Rekening houden met zonminnende soorten en schaduwminnende soorten! Hazelaar Sleedoorn Vogelkers Hazelaar Zuurbes Dauwbraam Gelderse roos Framboos Aalbes Kardinaalsmuts Rode kornoelje Klimop Eensteilige meidoorn Tweesteilige meidoorn Hondsroos Egelantier Wegedoorn Lijsterbes Wegedoorn Liguster Vlier Bosrank

15 10 6 6 5 5 5 5 5 4 4 4 3 3 3 3 3 3 2 2 2 2

Bewoners en politiek hebben vaak weinig begrip voor de baby-fase van het bos. Mensen willen snel resultaat. Na de prachtige plaatjes die in de ontwerpfase worden getoond verwachten ze volwassen bomen. Met goede communicatie valt veel te winnen. Neem mensen daarom zoveel mogelijk mee in het proces. Idee: route langs de groengebieden en de groeifasen laten zien: baby bos, peuter bos, puber bos, jong volwassen bos. De groei van het bos tot onderwerp maken, het bijzondere laten zien.

55 Natuurwerkdag in de Groene Weelde BEPLANTING

Zwarte els Zwarte populier Kraakwilg / Schietwilg Grauwe/Witte abeel

Polder

Park

Materialen: graspaden, puinpaden, prefab betonplaten

Materialen: graspaden, halfverharding, asfalt, beton elementverharding

Vormen: rechte lijnen

Vormen: meanderende lijnen

Agrarisch landschap

INFRASTRUCTUUR

56

Recreatielandschap

Leisurelandschap Materialen: beton elementverharding, baksteen, natuursteen Vormen: meervormig, pleinen

In dit hoofdstuk wordt de materialisatie van wegen en paden van PARK21 vastgelegd in principe profielen. Zo wordt een eenduidig herkenbaar materiaalgebruik in alle deelgebieden van PARK21 gewaarborgd. De wegen en paden in de polder-, park-, en leisurelaag krijgen een onderscheidende materialisatie die past bij de functie en de laag. In de polderlaag maken de IJweg, Hoofdvaart en Rijnlanderweg onderdeel uit van de oorspronkelijke agrarische linten door de Haarlemmermeerpolder. In het achterland kunnen veldpaden worden aangelegd. Dit zijn graspaden of prefabbetonplaten als ze ook een agrarische functie hebben. De veldpaden zijn recht en gekoppeld aan een kavelsloot. De wandel- en fietspaden in de parklaag meanderen en kennen vijf catagorien: de parkweg, het hoofdfietspad, fiets-/wandelpaden, struinpaden en knuppelpaden. De materialen zijn parkachtig van karakter: asfalt, grind, schelpen, gras. De hoofdfietsroute vormt de ruggengraat van het park en verbindt alle parkdelen met elkaar. De route vormt een verbinding tussen het Groene Hart en de Duin- en Bollenstreek en de kustzone. Dit pad heeft een herkenbaar profiel en materialisatie. In de leisurelaag, en bij ontsluiting van speciale functies in de parklaag (bijv. een Japanse tuin), zijn verbijzonderingen in de materialisatie mogelijk, bijvoorbeeld een boardwalk, elementenverharding, natuursteen etc.

Hiervoor kan te zijner tijd een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld.

57 INFRASTRUCTUUR

Pret

6

Infrastructuur

6.1 POLDER: VELDPAD VERHARD

Veldpaden kunnen verhard of onverhard worden uitgevoerd. Een veldpad is altijd rechtlijnig in de richting van de kavelstructuur en gekoppeld aan een kavelgrens en sloot. Ze worden verhard uitgevoerd als de paden ook als landbouwweg in gebruik zijn. Het pad wordt uitgevoerd in prefab betonplaten. Dit is een materiaal dat veel in het agrarisch gebied op erven en landbouwwegen wordt toegepast. Het voordeel is dat dit veldpad ook goed toegankelijk is voor mindervaliden. Een ander voordeel is dat de platen makelijk kunnen worden verplaatst en hergebruikt.

INFRASTRUCTUUR

58

6.2 POLDER: VELDPAD ONVERHARD

kunnen bovendien een meerwaarde voor natuur en ecologie betekenen omdat deze paden de minste barrièrewerking hebben voor levende organismen. Graspaden hebben vaak een avontuurlijk karakter. Ze zijn ook landschappelijk perfect integreerbaar vanwege het beperkte contrast met de omgeving. De voorkeur wordt gegeven om graspaden in te zaaien met een tweejarige grassoort.

59 INFRASTRUCTUUR

Onverharde paden worden uitgevoerd als graspaden. Het pad is rechtlijnig en gekoppeld aan een kavelgrens en een sloot. Graspaden zijn geschikt voor extensieve gebruiksvormen. Omdat er geen fundering aanwezig is, kunnen in het algemeen geen grote lasten of intensiteiten gedragen worden. De directe impact van de aanleg blijft beperkt omdat er geen gebiedsvreemd materiaal wordt ingebracht. Hoewel de materiaal- en energiekosten beperkt blijven, kan het beheer intensief zijn door plantengroei op het pad of overgroei vanuit de bermen (maaibeheer). Omdat er geen externe grondstoffen ingebracht worden, kunnen herstellingen makkelijk uitgevoerd worden met relatief beperkte ingrepen: rijven, frezen, walsen of eventueel herinzaaien. Het is daarom de meest aangewezen methode om paden in ecologisch kwetsbare gebieden in te richten. Graspaden

6.3 PARK: PARKWEG

De parkweg ontsluit het parkhart vanuit Hoofddorp en Nieuw-Vennep voor autoverkeer. De parkweg sluit in het noordwesten aan bij de rotonde Nieuwe Bennebroekerweg - Molenaarslaan, in het zuiden bij NieuwVennep op de rotonde Noordelijke Randweg - Operaweg. Als laatste krijgt de parkweg een aansluiting bij de rotonde Nieuwe Bennebroekerweg - Toolenburg-Zuid. De parkweg is zodanig ingepast en vormgegeven zodat deze niet aantrekkelijk is voor sluipverkeer tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Eventueel kan een knip worden gelegd ter hoogte van het parkhart. Langs de parkweg wordt een doorlopende dubbele laanbeplanting aangelegd van Winterlindes (zie 5.4 laanbeplanting parkweg).

INFRASTRUCTUUR

60

De parkweg wordt uitgevoerd zwart asfalt. Aan de parkweg wordt niet geparkeerd. Dit gebeurt in parkkamers die vanaf de parkweg bereikbaar zijn. De oversteekplaatsen van wandelpaden en fietspaden worden aangelegd op een plateau, zodat het autoverkeer ter hoogte van de oversteek wordt afgeremd. Het plateau wordt uitgevoerd in asfalt met een witte belijning en een PARK21 logo op het plateau. (zie ook: 6.9 Park: Basisinrichting parkentree vanaf de polder linten).

Parkweg: Kleur:

Steenmastiekasfalt (SMA) zwart

INFRASTRUCTUUR

61

Om de bermen bereidbaar te maken bij het paseren van brede voertuigen, ook bij minder goede weersomstandigheden, wordt Mesh-Track graslandwapening als een duurzame 'onzichtbare' en groene oplossing toegepast. Doordat de wortelstructuur van het gras zich nestelt in het wapeningsnet worden trekspanningen optimaal opgenomen waardoor een goed overrijdbaar grasland ontstaat.

6.4 PARK: HOOFD FIETS/WANDELPAD

De hoofdfietsroute vormt de ruggengraat van het park en verbindt alle parkdelen met elkaar. De route vormt een verbinding tussen het Groene Hart en de Duin- en Bollenstreek en de kustzone. Dit pad heeft een herkenbaar profiel en materialisatie. De hoofdfietsroute heeft een gedeeld profiel met 4 meter breedte voor fietsen en skeeleren en 2 meter voor wandelen. Om de 250 meter is een zitplek voorzien waar het profiel zich verbreedt tot 7 meter, zodat de banken in de verharding kunnen staan en daardoor vrij blijven van onkruidgroei onder de banken. De toegepaste bank langs de hoofd fiets/wandelroute is de Erdi Dubbele Canapé lengte 3100 mm (zie 7.1 Parkbanken). Het hoofdprofiel voor fietsen en skeeleren is van glad asfalt: Dicht Asfaltbeton (DAB).

INFRASTRUCTUUR

62

De wandelstrook onderscheidt zich in kleur en heeft een toplaag (25 mm) van schelpenasfalt. Op het asfalt wordt géén belijning aangebracht. Dit past niet bij het parkachtige karakter van het pad. Wegmarkering zou een verkeerskundige en civiel technische uitstraling geven en daarom niet gewenst. Het hoofdfietspad in het park mag niet worden gebruikt door brom- en snorfietsen. Voorkomen moet worden, dat bij aansluitingen op fietspaden net buiten het park, die niet tot de bebouwde kom horen, wel brom- en snorfiesten worden toegestaan.

Dicht Asfaltbeton (DAB) zwart glad

Wandelstrook: Opbouw: Samenstelling: Laagdikte:

Schelpenasfalt AC 16 met 25mm toplaag schelpenasfalt Asfalt voorzien van toeslagstof kleur geel en schelpenmengsel. Asfalt: AC 8 surf Mengseleigenschappen: D3 25 mm

63 INFRASTRUCTUUR

Fietspad: Kleur: Structuur:

INFRASTRUCTUUR

64

6.5 PARK: SECUNDAIR FIETS/WANDELPAD Een netwerk van wandel- en fietspaden sluit aan op de omgeving en aanliggende woongebieden. De vrijliggende fietspaden met tweerichtingsverkeer hebben een breedte van 3 meter en zijn uitgevoerd in glad asfalt. Op het asfalt wordt géén belijning aangebracht. Dit past niet bij het parkachtige karakter van het pad. Wegmarkering zou een verkeerskundige en civiel technische uitstraling geven en daarom niet gewenst. De fietspaden in het park mogen niet worden gebruikt door brom- en snorfietsen. Voorkomen moet worden, dat bij aansluitingen op fietspaden net buiten het park, die niet tot de bebouwde kom horen, wel brom- en snorfiesten worden toegestaan. Dicht Asfaltbeton (DAB) zwart glad

65 INFRASTRUCTUUR

Fietspad: Kleur: Structuur:

6.6 PARK: WANDELPAD De wandelpaden zijn 1,5 meter breed en gemaakt van een halfverharding van schelpen. Halfverharding wordt uitsluitend toegepast in extensief te beheren gebieden. De halfverharding dient aan de volgende eisen te voldoen: waterdoorlatend, niet stuivend en geen onkruiddoorgroei (DIOR). De schelpen zijn met water gewassen en daarna gezeefd. Op die manier zijn de schelpen vrij van zand en ligt het chloridegehalte zeer laag. Dit product blijft losser en heeft een betere drainerende kwaliteit dan kleischelpen. De schelpen kunnen los aangebracht worden, niet gemalen. De schelpen kunnen ook mechanisch verdicht worden door te walsen.

INFRASTRUCTUUR

66

6.7 PARK: STRUINPAD/VLONDERPAD

Struinpaden: Een struinpad is een graspad dat vanzelf ontstaat doordat het gras op deze plaatsen veel belopen wordt. Met het maaibeheer kan hiermee rekening worden gehouden door het struinpad als graspad te onderhouden.

Struinpad

67 INFRASTRUCTUUR

Vlonderpaden: Permanent of regelmatig natte delen in PARK21 kunnen overbrugd worden door vlonderpaden. Vlonderpaden bestaan uit een opeenvolging van houten planken die in een constructie op palen bevestigd worden. Het hout voor de vlonderpaden is bij voorkeur afkomstig van Europese boomsoorten met duurzaamheidsklasse* I of II en is FSC (of gelijkwaardig) gecertificeerd. vlonderpaden kunnen ook worden vervaardigd van kunsstof. De uitstraling is minder natuurlijk maar de duurzaamheid is hoger en beheerkosten zijn lager.

Vlonderpad

Vlonderpad op dijkje

6.8 PARK: BASISINRICHTING PARKENTREES

Entrees in PARK21 krijgen een duidelijke markering met een informatiebord en een ontmoetingsplek (parkbank). Deze entrees liggen bij aansluitingen polderlint-parklaag en bij de aansluitingen van langzaamverkeersbruggen op de parklaag. De omliggende wegen zijn immers van een categorie die niet gelijkvloers kan worden overgestoken door langzaamverkeer.

Fiets/wandelpad: Dicht Asfaltbeton (DAB) Kleur: zwart Structuur: glad Wandelstrook: Opbouw: schelpenasfalt Samenstelling: Laagdikte:

Schelpenasfalt AC 16 met 25mm toplaag Infobord Asfalt voorzien van toeslagstof kleur geel en schelpenmengsel. Asfalt: AC 8 surf Mengseleigenschappen: D3 25 mm

INFRASTRUCTUUR

68

Parkbank

De linten vormen de historische verbindingen in de polder en zijn een goede mogelijkheid om in PARK21 te komen. Fietspaden van PARK21 sluiten aan op de linten. Ter hoogte van de entree’s wordt een PARK21 logo met wegmarkeringsmateriaal op het asfalt van het lint aangebracht. Entreemarkering: PREMARK® voorgevormde thermoplastische wegmarkering Vorm: PARK21 logo Kleur: wit

69

MEUBILAIR

70

Uitgangspunt bij de keuze voor het straatmeubilair in PARK21 is een herkenbare PARK21-familie van elementen. De familie van meubilair is opgebouwd uit elementen die standaard in de markt verkrijgbaar zijn. De standaard elementen zijn licht gemodificeerd om er een PARK21 identiteit aan te geven. De modificaties zijn: kleur, de basiskleur voor de stalen delen is RAL 5011, donkerblauw en de toepassing van de huisstijl patronen die uit staalplaten worden lasergesneden. De elementen voldoen aan de eisen die hieraan gesteld zijn vanuit de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte van de Haarlemmermeer (DIOR). Het zitmeubilair is in veel uitvoeringen verkrijgbaar, zodat voor elke situatie een geschikt zitelement kan worden gekozen. In de polderlaag worden de eenvoudige modellen toegepast. In de parklaag kunnen ook samengestelde of langere uitvoeringen van de parkbanken worden toegepast. In de leisurelaag wordt nog sterker ingezet op verblijf met lounge banken, zitranden, sofa’s, en terrassen. Vormgeving van deze elementen hangt samen met de functies die in de leisurelaag ontwikkeld zullen gaan worden. Hiervoor kan te zijner tijd een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld.

71 MEUBILAIR

7

Meubilair

7.1 DE PARKBANK De parkbank is de Erdi Canapé. De Erdi Canapé is in vele uitvoeringen verkrijgbaar: een bench, een fauteuil, een enkele bank en een dubbele bank op verschillende lengtes, een lounge fauteuil en een picknick set. De banken krijgen hun specifieke PARK21 uitstraling door de stalen draagframes uit te voeren in de huisstijlkleur RAL 5011. Het frame kan uitgevoerd worden met een lasergesneden huisstijlpatroon. Er is altijd minimaal 1 frame zonder lasergesneden huisstijl patroon. De drie huisstijlpatronen kunnen afwisselend worden toegepast. De positie van het lasergesneden frame onder de bank kan ook afwisselend worden toegepast. Zo ontstaan een aantal toe te passen types (zie volgende pagina). De afwisseling van banktypes in het park levert een verassend totaal op, eenheid door verscheidenheid.

MEUBILAIR

72

picknick set lounge fauteuil dubbele bank lengte 2200 mm enkele bank lengte 2200 mm enkele bank lengte 1300 mm fauteuil bench

Enkele zitbank Erdi Canapé, model CA 2200 A0-B2-C2 Afmetingen: 2200 x 670 x 745 mm Hout: 100%, SGS-COC-005667, latten geschaafd, afgerond en blind gemonteerd op de frames. Frames: staal T-profiel, 2 ingelaste staalplaten v.z.v. laser gesneden patronen thermisch verzinkt vlg. NEN en ISO 1461 gecoat Kleur: RAL 5011

Dubbele zitbank Erdi Canapé, model CDZ 2200 A1-B0-C2 Afmetingen: 2200 x 1400 x 745 mm Hout: 100%, SGS-COC-005667, latten geschaafd, afgerond en blind gemonteerd op de frames. Frames: staal T-profiel, 2 ingelaste staalplaten v.z.v. laser gesneden patronen thermisch verzinkt vlg. NEN en ISO 1461 gecoat Kleur: RAL 5011

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=f4c310b9-0ec8-4046-aa37-13a9cb982907