CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Besluit van de raad tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer 'Bodem' met bijlage A (regels, artikelsgewijze toelichting en informatie-objecten)

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 22 mei 2025, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’ (12018917) - AANGENOMEN48.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Aanpassingen ten opzichte Wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’1 2 De gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van (dd-dd-dd)

gelet op: a. b.

de artikelen 2.4 en 4.1, eerste lid van de Omgevingswet, artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit en artikel 2.12, vierde lid Besluit activiteiten leefomgeving, het feit dat geen zienswijzen zijn ingediend naar aanleiding van het ter inzage gelegde ontwerpbesluit

Besluit:

Artikel I Wijziging omgevingsplan zoals opgenomen in bijlage A Vast te stellen de wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’ zoals opgenomen in bijlage A.

Artikel II Inwerkingtreding Dat dit besluit in werking treedt < PM vier weken na bekendmaking hiervan>.

Artikel III Aanhaaltitel Dat dit besluit wordt aangehaald als: wijziging Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer ‘Bodem’.

Aldus vastgesteld door Gemeente Haarlemmermeer, {datum (maand voluit geschreven)}

De voorzitter,

De raadsgriffier,

1

Let op: de tekst kan op punten redactioneel verschillen van de uiteindelijk te publiceren tekst in het Digitaal Stelsel Omgevingswet en Officielebekendmakingen.nl (Gemeenteblad); inhoudelijk zal de tekst niet verschillen. 2 De lichtgrijze tekst in het document geeft de artikelen weer die al eerder onderdeel van het omgevingsplan zijn geworden; alleen de zwarte onderdelen in die artikelen wijzigen met dit wijzigingsplan.

1

Bijlage A bij artikel I van het besluit van de raad HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen LGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, gelden voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22. 2. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die gelden voor Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 22.

HOOFDSTUK 5 Activiteiten Titel 5.1 Algemene bepalingen Afdeling 5.1.1 Algemeen Artikel 5.1 Toepassing Hoofdstuk 5 gaat over het bouwen van een bouwwerk, thematische activiteiten en gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte. Artikel 5.2 Doelen De regels in Hoofdstuk 5 hebben als doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; e. het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk; f. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en g. het beschermen van de kwaliteit van de bodem. Artikel 5.3 Normadressaat Aan Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in Hoofdstuk 5 anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 5.1 5.4 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit omgevingsplan aan de locatie toegedeelde functies. Artikel 5.5 Specifieke zorgplicht 1. Degene die een activiteit als bedoeld in Hoofdstuk 5 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, bedoeld in Artikel 5.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b.

als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit niet te verrichten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in Artikel 5.5, eerste lid, houdt in ieder geval in dat blootstelling aan verontreiniging van de bodem door gebruikers van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2

3. Artikel 5.5, eerste lid, geldt niet voor de nadelige gevolgen van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht van Artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de specifieke zorgplicht van Artikel 22.44 al geldt. Artikel 5.6 Gelijkwaardige methoden of technieken 1. Degene die een activiteit verricht kan alleen met toestemming vooraf voor het verrichten hiervan een andere methode of techniek toepassen dan staat in de algemene regels in Hoofdstuk 5 of in maatwerkvoorschriften die op grond van Hoofdstuk 5 zijn gesteld. 2. Voor het verkrijgen van toestemming als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid, wordt een aanvraag bij het bevoegd gezag ingediend. 3. Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de methode of techniek, bedoeld in het Artikel 5.6, eerste lid, gelijkgesteld kan worden aan de voorwaarden in de algemene regels of maatwerkvoorschriften.

Titel 5.2 Thematische activiteiten Afdeling 5.2.1 Beschermingsgebieden Afdeling 5.2.2 Bouwen van een bouwwerk Paragraaf 5.2.2.14 Bodemgevoelig gebouw bouwen Artikel 5.7 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.2.14 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 2. In Paragraaf 5.2.2.14 wordt onder sanerende maatregel verstaan: a. sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of Paragraaf 5.2.11.2; of b. sanering waarvoor artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet geldt en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van Artikel 5.7, tweede lid, onder a. Artikel 5.8 Meldingsplichtige activiteit 1. Het is verboden zonder melding een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin hiervan te melden. 2. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e.

als sprake is van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 3. In aanvulling op Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal. 4. In aanvulling op Artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied 'verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 5. Artikel 5.8, vierde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b.

de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen. 6. De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in:

3

a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 7. Artikel 5.8 geldt niet als voor het bouwen een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.10 nodig is. Artikel 5.9 Gegevens bij een melding 1. Als op grond van Artikel 5.8 een melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag, wordt die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en d. de dagtekening. 2. Als het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in Artikel 5.9, eerste lid, onder b, of de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.9, eerste lid, onder c, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens ten minste 4 weken voordat met de activiteit begonnen wordt, verstrekt aan het bevoegd gezag Artikel 5.10 Vergunningplichtige activiteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen als voor het bouwen van het gebouw ook een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit nodig is. Artikel 5.11 Beoordelingsregels 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt als de aanvraag gaat over een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als ook: a.

de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem: 1°. niet wordt overschreden; of 2°. wordt overschreden maar aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat: 1°. er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2°. als er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in Artikel 5.11, eerst lid, onder a, sub 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. 2. Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m 3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 3.

In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. In afwijking van Artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Artikel 5.12 Vergunningvoorschriften 1. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, geldt, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.

4

2. Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor Artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder b sub 2, geldt, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven. 3. Als aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in Artikel 5.12, tweede lid, wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht. Artikel 5.13 Aanvraagvereisten 1. In aanvulling op Artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b.

als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.11, tweede lid, Artikel 5.11, derde lid, en Artikel 5.11, vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen; en c. als de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie. 2. In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal. 3. In aanvulling op Artikel 5.13, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het werkingsgebied 'verplicht uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4.

Artikel 5.13, derde lid, geldt niet voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 5.13, derde lid, niet rechtvaardigen. 5. De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Paragraaf 5.2.2.25 Bouwen van een bouwwerk – kleine bouwwerken Artikel 5.14 Voorrangsregel Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, gelden de bepalingen uit Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan onverkort. Artikel 5.15 Toepassing 1. Deze paragraaf gaat over het bij een woning bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing bij een recreatiewoning, een tijdelijke woning, een woonwagen, een woonschip, een mantelzorgwoning of een bedrijfswoning. Artikel 5.16 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing 1. Artikel 22.27 onder a, sub 3⁰, is niet van toepassing bij een woning.

5

2. Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning dat voldoet aan de eisen in Artikel 22.27, aanhef en onder a, sub 1⁰, 2⁰, 4⁰ en 5⁰, en dat voorzien is van een dakterras dat voldoet aan de volgende eisen: a. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; en b. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 3. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van die woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 5 meter; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 meter; en c. hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 meter ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 4. Artikel 22.27, onder c, sub 1⁰, is niet van toepassing bij een woning. 5.

In aanvulling op Artikel 22.27, aanhef en onder f, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; en c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten. 6. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant, bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van een woning; b. op de grond staand; c. niet dieper dan 2,50 m; d. niet breder dan het bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak. 7.

In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw. 8. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de gevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk bij een woning, als die gevel is gelegen in het voorerfgebied. 9. In aanvulling op Artikel 22.27 geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. niet meer dan één bouwlaag; c.

niet dieper dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein. 10. In aanvulling op Artikel 22.27, geldt het verbod, als bedoeld in Artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd tegelijkertijd met of na voltooiing van

6

een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk gebouw bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in het achtererfgebied; b. niet hoger dan 5 m; c. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; d. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen, bedoeld als gesteld in Artikel 5.16, tweede lid, en Artikel 5.16, derde lid; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid. Artikel 5.17 Inperkingen artikel 5.16 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.16 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een woning, en die in strijd is met dit omgevingsplan, de omgevingsvergunning ook verleend als: a. het bouwwerk niet op een bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst; b. het gaat om een standaardoptie; of c. het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk in hetzelfde dakvlak van een identiek woontype, waarbij in dat dakvlak maximaal één vergunde variant van dat bouwwerk aanwezig is, en 1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en 2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 2. Onverminderd het bepaalde in Artikel 22.29 eerste lid onderdeel b en c en het tweede lid, wordt, in afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, onderdeel a, voor zover de daarin bedoelde aanvraag betrekking heeft op een verbindend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.16, zesde lid, van het omgevingsplan of een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.16, zevende lid en die in strijd is met dit omgevingsplan, de vergunning verleend als: a.

het bouwwerk identiek is aan een vergund bouwwerk bij een identiek woontype gelegen binnen dezelfde aaneengesloten bebouwing; en 1° het bouwwerk past binnen het straat- en bebouwingsbeeld; en 2° het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Artikel 5.19 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan 1. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a, sub 3⁰, gestelde eis niet bij woningen. 2. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1°. voorzien van een plat dak; 2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak. 3.

In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erfafscheiding of perceelafscheiding geplaatst in het voorerfgebied, en achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; b. op een erf of perceel waarop al een woning staat waarmee de erfafscheiding of perceelafscheiding in functionele relatie staat; c. haag ondersteunende constructie die bestaat uit een gaaswerk bevestigd aan palen en die uitsluitend is bedoeld om volledig begroeid te zijn met groenblijvende planten.

7

4. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een verbindend bouwwerk tussen het hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk voor de voorkant van een woning als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen aan de oorspronkelijke gevel van de woning; b. op de grond staand; c. diepte niet meer dan 2,50 m; d. breedte maximaal de breedte van het andere bijbehorend bouwwerk; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw; f. voorzien van een plat dak. 5. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, gelegen in het voorerfgebied bij een woning als voldaan wordt aan de volgende eisen: a. gelegen aan de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; b. niet breder dan 65% van de gevelbreedte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; c. niet dieper dan 1,2 m gemeten vanuit de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw; d. afstand tot de erfgrens met niet-particuliere erven niet minder dan 1 m; e. niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het aansluitende hoofdgebouw. 6.

In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan een activiteit die betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, in of aan de voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, als die gevel is gelegen in voorerfgebied. 7. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a, geldt bij de toepassing van dat artikel de in artikel 22.36, onder a, sub 2⁰, onder ii gestelde eis niet voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken tot een maximum oppervlakte van 50m² die worden gebouwd bij vrijstaande of een twee-aan-een-geschakelde woningen. 8. In afwijking van Artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 3⁰, onder iii, bedraagt de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied groter dan 300 m²: niet meer dan 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 250 m². 9. In afwijking van Artikel 22.36 aanhef en onder a geldt bij de toepassing van dat artikel de in Artikel 22.27, onder a sub 6°, gestelde eis voor zover deze ziet op dakterrassen niet als het dakterras voldoet aan de volgende eisen: a. op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij een woning; b. afstand van de balustrade tot de zijdelingse perceelgrens niet minder 2 m; en c.

hoogte van de balustrade niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 10. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een balustrade ten behoeve van een dakterras op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, gelegen achter de voorkant van een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; b. afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 2 m; c. hoogte niet meer dan 1,2 m ten opzichte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het dakterras. 11. In aanvulling op Artikel 22.36 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geheel of gedeeltelijk ondergronds gebouw bij een woning, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. ter plaatse bovengronds gebouwd is, of mag worden; b. oppervlakte niet meer dan 50 m²; c. niet meer dan één bouwlaag d.

diepte niet meer dan 4 m tot het laagste punt van het ondergrondse gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer dan wel, wanneer geen sprake is van een bovenliggende begane grondvloer, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein bedoeld in artikel 2.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tot aan het laagste punt van het ondergrondse gebouw; e. er geen functie Waterstaat beschermingszone is toegedeeld of gelijksoortige functies die als doel hebben de waterkering te beschermen. 12. In aanvulling op Artikel 22.36, is in ieder geval ook in overeenstemming met dit omgevingsplan het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan dat wordt gebouwd

8

tegelijkertijd met of na voltooiing van een geheel of gedeeltelijk ondergronds bijbehorend bouwwerk gebouw bij een woning en deze bijbehorende bouwwerken constructief met elkaar verbonden zijn, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. gelegen in het achtererfgebied; b. niet hoger dan 5 m; c. de ligging van verblijfsgebieden alleen op de ondergrondse bouwlaag en/of op de begane grond; cd. een niet op de grond gelegen buitenruimte, uitsluitend in de vorm van een dakterras, en als wordt voldaan aan de eisen, bedoeld als gesteld in Artikel 5.16 , tweede lid, en Artikel 5.16, derde lid, Artikel 5.19, negende lid, en Artikel 5.19, tiende lid; d. voor zover bovengronds gelegen zijn de eisen, bedoeld in Artikel 22.36, onder a, onder 1° tot en met 4°, en Artikel 5.19, zevende lid, en Artikel 5.19, achtste lid, van overeenkomstige toepassing; en e. voor zover ondergronds gelegen wordt voldaan aan Artikel 5.16, negende lid, en Artikel 5.19, elfde lid. . Artikel 5.20 Inperkingen artikel 5.19 vanwege cultureel erfgoed Artikel 5.19 geldt niet voor een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; b. in een beschermd stads- en dorpsgezicht.

Artikel 5.21 Inperkingen artikel 5.19 vanwege externe veiligheid Artikel 5.19, eerste lid, vierde lid, vijfde lid, zevende lid, achtste lid, elfde lid en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3°.

artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11°.

artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of

9

13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Afdeling 5.2.11 Bodembeheer Paragraaf 5.2.11.1 Bodem – toepassen van grond of baggerspecie Artikel 5.22 Toepassing Paragraaf 5.2.11.1 gaat over het toepassen van grond en baggerspecie. Artikel 5.23 Bodemfunctieklassen 1. De gebiedsaanwijzing ‘bodemfunctieklasse Landbouw - Natuur’ is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Landbouw/ Natuur voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. De gebiedsaanwijzing ‘bodemfunctieklasse Wonen’ is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Wonen voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3. De gebiedsaanwijzing ‘bodemfunctieklasse Industrie’ is de geometrische begrenzing van de bodemfunctieklasse Industrie voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 5.89p, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 5.2.11.2 Bodem – saneren van de bodem Artikel 5.24 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.2 gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.2 wordt verstaan onder: a. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. baggerspecie: baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie: lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Artikel 5.25 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 1. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw. 2. Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in de tabel in Artikel 5.25, derde lid, opgenomen vluchtige stoffen. 3. Vluchtige stoffen a.

Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som)

10

trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Artikel 5.26 Geen mobiele verontreiniging herschikken 1. In afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.26, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.26, derde lid, opgenomen mobiele stoffen. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b.

Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.27 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde. Artikel 5.28 Maatwerk Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in Artikel 5.25, eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door:

11

a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging.

Paragraaf 5.2.11.3 Bodem – nazorg na saneren van de bodem of bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Artikel 5.29 Toepassing Paragraaf 5.2.11.3 gaat over het verrichten van nazorg als: a. bij het saneren een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; b. bij het saneren een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift op artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangebracht; of c. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet zijn genomen. Artikel 5.30 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst 1. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag. 2. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan.

Paragraaf 5.2.11.4 Bodem – graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.31 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.4 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.4 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.32 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven' wordt in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.32, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3.

Artikel 5.32, eerste lid, geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. Artikel 5.33 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 5.32 verstrekt. 2. Artikel 5.33, eerste lid, geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.33, eerste lid, worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.34 Beschikbaar hebben van gegevens op locatie

12

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.32, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.35 Gescheiden houden verschillende grondsoorten 1. In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden. 2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.35, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen. Artikel 5.36 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Paragraaf 5.2.11.5 Bodem – graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.37 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.5 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In Paragraaf 5.2.11.5 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.38 Voorafgaand bodemonderzoek 1. In het werkingsgebied 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven' wordt in aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het graven in de bodem, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 2. Artikel 5.38, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3. Artikel 5.38, eerste lid, geldt niet als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 5.39 Informeren bij actuele risico's Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Artikel 5.40 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste 4 weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in Artikel 5.38, verstrekt. 2. De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.40, eerste lid, worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101 als het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. Artikel 5.41 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en Artikel 5.38, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

13

Artikel 5.42 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden. Artikel 5.43 Grond gescheiden houden 1. In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.43, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen. Artikel 5.44 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.44, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2°. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3°. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2.

Artikel 5.42, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie

Paragraaf 5.2.11.6 Bodem – kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.45 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.6 gaat over het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3. 2. Graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.45, eerste lid, omvat ook:

14

a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 3. Artikel 5.45, eerste lid, geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. 4. In Paragraaf 5.2.11.6 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; en c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt. Artikel 5.46 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven' wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.

Artikel 5.46, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. In afwijking van Artikel 5.46, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van Paragraaf 5.2.11.7. 5. Artikel 5.46, tweede lid, geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 6. Artikel 5.46 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 5.47 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het voorafgaand vooronderzoek ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt. 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 3. Artikel 5.47 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 5.48 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In het werkingsgebied 'informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur' wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur in dat werkingsgebied waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 5.49 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De onderzoeken, bedoeld in Artikel 5.47, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van het kleinschalig graven. Artikel 5.50 Grond gescheiden houden 1. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.50, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen.

15

Artikel 5.51 Tijdelijk uitnemen van grond 1. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 5.52 Geen grond met PFAS terugplaatsen In afwijking van Artikel 5.51, eerste lid, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Artikel 5.53 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Grond die bij het kleinschalig graven is vrijgekomen, wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Paragraaf 5.2.11.7 Bodem – kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Artikel 5.54 Toepassing 1. Paragraaf 5.2.11.7 gaat over het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als het bodemvolume waarin wordt gegraven maximaal 25 m3 is. 2. Kleinschalig graven in bodem als bedoeld in Artikel 5.54, eerste lid, omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 3. Artikel 5.54, eerste lid, geldt niet voor: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel. 4. In Paragraaf 5.2.11.7 wordt verstaan onder: a. interventiewaarden bodemkwaliteit: de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; c. partij: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; en d.

afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming. Artikel 5.55 Voorafgaand bodemonderzoek 1. Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.54, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. In het werkingsgebied 'verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven' wordt voorafgaand aan het kleinschalig graven een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht. 3. Artikel 5.55, eerste lid, geldt ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. In afwijking van Artikel 5.55, tweede lid, kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend bodemonderzoek. In dat geval gelden wel alle overige regels van Paragraaf 5.2.11.7 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

16

5. Artikel 5.55, tweede lid, geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 6. Artikel 5.55 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Artikel 5.56 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 1. Als het gaat om afvoer van grond of als het kleinschalig graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in Artikel 5.64, gaan verrichten. 2. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht, wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt. 3. Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 4.

Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 5. Artikel 5.56 geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval geldt Artikel 5.57. Artikel 5.57 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In het werkingsgebied 'informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur' wordt bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur waarbij grond wordt afgevoerd direct na beëindiging van het kleinschalig graven gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit. Artikel 5.58 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie De gegevens en bescheiden, bedoeld in Artikel 5.56, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit. Artikel 5.59 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond Om de ontgravingslocatie, waaronder de opgeslagen partijen grond, wordt een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 5.60 Grond gescheiden houden 1. Bij het kleinschalig graven worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in Artikel 5.60, eerste lid, worden gescheiden opgeslagen. Artikel 5.61 Tijdelijk uitnemen van grond 1. Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Artikel 5.62 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 1. In afwijking van Artikel 5.61, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als:

17

a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in de tabel in Artikel 5.62, derde lid, opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Artikel 5.62, eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden. 3. Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c.

Overige stoffen: Minerale olie Artikel 5.63 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond Bij het kleinschalig graven wordt grond die is vrijgekomen maximaal acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen. Artikel 5.64 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag Het kleinschalig graven in bodem ,wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. Artikel 5.65 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Het kleinschalig graven in bodem wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=d49f3aed-9799-42b9-ac86-2266b19b119e