Bijlage 1.4 Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6
Tekst van het document
OPGESTELD VOOR: FRESCH REAL ESTATE BV // OPGESTELD DOOR: STANTEC BV
Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag Concept
REFERENTIE: M21B0240-20220233 22-6-2022
Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag Concept
In opdracht van: FRESCH Real Estate Opgesteld door: Tobias Hartman Projectnummer: M21B0240-20220233 Documentnaam: m21b0240-20220233.r01 Datum: 22 juni 2022
2001 + 2002
Versie
Vrijgegeven door
m21b0240-20220233.r01
Dhr. ing. E. Kivits
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Bezoekadres Poortweg 4D 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl
Paraaf
Datum 22 juni 2022
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen
Stantec | m21b0240-20220233.r01
Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Referentiekader 1.3 Betrouwbaarheid
1 1 1 3
2.0 Vooronderzoek 2.1 Beschrijving van de locatie 2.2 Historische gegevens 2.3 Regionale bodemopbouw en geohydrologie 2.4 Hypothese en onderzoeksstrategie
5 5 5 8 8
3.0 Veldwerk en chemische analyses 3.1 Kwaliteit 3.2 Algemene onderzoeksstrategie en werkwijze 3.3 Resultaten veldwerk 3.4 Chemische analyses
10 10 11 12 16
4.0 Bespreking onderzoeksresultaten 4.1 Interpretatie onderzoeksresultaten grond (Wbb en BBK) 4.2 Asfalt 4.3 Funderingslagen 4.4 Veiligheidsklasse 4.5 Toetsing hypothese
17 17 21 21 23 23
5.0 Conclusies en aanbevelingen
25
Bronvermeldingen
27
Stantec | m21b0240-20220233.r01
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 3.5: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 4.3: Bijlage 5.1: Bijlage 5.2: Bijlage 5.3: Bijlage 5.4: Bijlage 5.5: Bijlage 6:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing BoToVa B16 en B17, beoordeling kwaliteit bouwstoffen (emissie en samenstelling) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Boorverslag Infraboor Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Analysecertificaten asfalt Analysecertificaten asbest Analysecertificaten fundering Foto’s onderzoekslocatie
Stantec | m21b0240-20220233.r01
1.0
INLEIDING
Op 11 mei 2022 is door FRESCH Real Estate B.V. aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag (bijlagen 1 en 2). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen sloop van de bebouwing op de onderzoekslocatie en realisatie van 16 grondgebonden woningen.
1.1
DOEL VAN HET ONDERZOEK
Het doel van het onderzoek is: • Inzicht te verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de onderhavige locatie en haar omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem. • Bepalen van de kwaliteit en hergebruikmogelijkheden van de aanwezige grond. • Bepalen van de kwaliteit van het grondwater. • Bepalen van de veiligheidsklasse voor eventuele werkzaamheden in de bodem. • Vaststellen of er meldingen in het kader van de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn.
1.2
REFERENTIEKADER
De onderzoeksstrategie is conform de NEN 5740 (bron 1). In overeenstemming met deze norm is voorafgaand aan het veldonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (bron 2). Het verkennend onderzoek bestond uit vooronderzoek, locatie inspectie, veldonderzoek, chemische analyses, toetsing en interpretatie. De analyseresultaten voor grond zijn getoetst aan de normering van de Wbb zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (bron 6) en de Regeling bodemkwaliteit (bron 7). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. De advieswerkzaamheden voor dit project zijn uitgevoerd vanuit ons kantoor te Delft. In dit rapport wordt de volgende terminologie voor grond gehanteerd: • Kleiner of gelijk aan de achtergrondwaarde (AW) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogd gehalte; niet verontreinigd. • Groter dan AW kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogd gehalte; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (achtergrondwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogd gehalte; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogd gehalte; sterk verontreinigd.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 1
De terminologie voor grondwater is als volgt: • Kleiner of gelijk aan de streefwaarde (S) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogde concentratie; niet verontreinigd. • Groter dan de streefwaarde (S), kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogde concentratie; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (streefwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogde concentratie; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogde concentratie; sterk verontreinigd. In deze rapportage is, afhankelijk van de gemeten asbestconcentraties, gebruik gemaakt van de volgende terminologie voor grond: • Geen verhoogde asbestconcentratie aangetoond (concentratie beneden of gelijk aan de bepalingsgrens); niet verontreinigd. • Een verhoogde asbestconcentratie gemeten < 50 mg/kg d.s.; verontreinigd (geen vervolg onderzoek). • Een verhoogde asbestconcentratie gemeten > 50 mg/kg d.s.; verontreinigd (vervolg nader asbestonderzoek). • Een verhoogde asbestconcentratie gemeten > 100 mg/kg d.s.; sterk verhoogd. De terminologie voor bouwstoffen is als volgt: • Toepasbaar: geschikt voor hergebruik, zonder risico op bodemverontreiniging (zoals uitloging). • Niet toepasbaar: ongeschikt voor hergebruik.
• Toepasbaar met IBC (isolatie-, beheers- en controlemaatregelen), vanwege beperkt risico op bodemverontreiniging. De betekenis van de streef-, achtergrond-, tussen- en interventiewaarde is opgenomen in de verklarende woordenlijst (bijlage 3.1). In verband met eventueel vrijkomende grond is aanvullend PFAS onderzoek verricht. De gemeente Haarlemmermeer gaat voor de achtergrondkwaliteit voor PFAS uit van de opgestelde bodemkwaliteitskaart van het Noordzeekanaalgebied (bron 11) en de daarin opgenomen toepassingsnormen voor PFAS. De resultaten uit dit onderzoek zijn dan ook getoetst aan deze bodemkwaliteitskaart. Tabel 1: Overzicht grenswaarden PFOS en PFOA Besluit bodemkwaliteit o.b.v. het beleid Noordzeekanaalgebied (bron 11) Zone
PFOS (µg/kg d.s.) bovengrond
PFOS (µg/kg d.s.) ondergrond
PFOA (µg/kg d.s.) bovengrond
PFOA (µg/kg d.s.) ondergrond
Landelijk
0,39
0,16
0,54
0,30
De resultaten uit dit onderzoek zijn ook getoetst aan het landelijk ‘Definitieve handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie van december 2021)’ (bron 9). De bijbehorende toetsingswaarden staan in onderstaande tabel.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 2
Tabel 2: Overzicht grenswaarden PFOS en PFOA Besluit bodemkwaliteit o.b.v. het Handelingskader (bron 9) Functieklasse in de zin van het Besluit bodemkwaliteit Landbouw/Natuur Wonen/Industrie Niet Toepasbaar
PFOS (µg/kg d.s.)
PFOA (µg/kg d.s.)
Overige PFAS (µg/kg d.s.)
<1,4 1,4-3,0 >3,0
<1,9 1,9-7,0 >7,0
<1,4 1,4-3,0 >3,0
Ook worden de gemeten gehalte PFAS in dit onderzoek getoetst aan de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV-waarden) PFOS en PFOA in grond. Deze waarden worden toegelicht in de ‘Risicogrenzen ten behoeve van de vaststelling van Interventiewaarden voor PFOS, PFOA en GenX’ (bron 10). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Deze waarden staan in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 3: Overzicht INEV-waarden PFOS en PFOA Stof
Risicogrenzen grond Grond (µg/kg d.s.)
PFOS PFOA
59 60
Met de INEV’s wordt bepaald of een bestaande, lokale verontreiniging (mogelijk) moet worden gesaneerd. Dit is pas het geval bij relatief hoge concentraties. De normen uit het Definitieve Handelingskader moeten voorkomen dat de bodem op meerdere plekken verontreinigd raakt door het verplaatsen van grond of bagger die verontreinigd is.
1.3
BETROUWBAARHEID
Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Aan de hand van de uit de bronnen verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie afgeleid, waarvan het aannemelijk wordt geacht dat deze representatief is voor de locatie. Er wordt op gewezen dat de geraadpleegde bronnen mogelijk onvolledig zijn of dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Voor elk bodemonderzoek geldt dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 3
Tevens wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek een momentopname is. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor worden beïnvloed.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 4
2.0
VOORONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Dit resulteert in een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is conform de NEN 5725 (bron 2).
2.1
BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is zichtbaar in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie O, nummers 3035 en 3142. De oppervlakte van de onderzoekslocatie locatie bedraagt circa 4.000 m2. Momenteel is de locatie in gebruik als woning. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is vastgesteld dat het maaiveld niveau op circa -3,0 m NAP ligt.
2.2
HISTORISCHE GEGEVENS
Algemeen Voor een inventarisatie van mogelijk verdachte locaties binnen het onderzoeksgebied is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl). • Bodemarchief (Gemeente Haarlemmermeer en opdrachtgever). • Bodemkwaliteitskaart. • Bodemrisicokaart Stantec B.V.
Historisch kaartmateriaal Op basis van gegevens van het Kadaster (bron: www.topotijdreis.nl) blijkt dat er op de onderzoekslocatie tot 1894 weiland aanwezig was. Op de kaart van 1895 is al wel een woning gerealiseerd. Daarnaast is een weg naar de woning zichtbaar. Mogelijk betreft dit de huidige asfaltweg op de locatie. De huidige bebouwing op de onderzoekslocatie zijn gebouwd in de jaren 60 en 70. Het gebouw aan het de noordzijde van het perceel is gebouwd rond het jaar 2009. In figuur 1 zijn enkele historische topografische kaarten opgenomen waar de veranderingen van de afgelopen eeuw zichtbaar op zijn.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 5
1930
1951
1960
1980
1988
2022
Figuur 1: Historische kaarten Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag met in rood de onderzoekslocatie.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 6
In onderstaande tabel zijn de locatiegegevens beknopt samengevat. Tabel 4: Locatiegegevens Aspect Adres Kadastraal bekend Huidig gebruik Oppervlakte onderzoekslocatie Verhardingen Ouderdom asfaltverharding Aanleggevens aanwezig Onderhoudsgegevens aanwezig
Gegevens Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag Haarlemmermeer, sectie O, nummers 3035 en 3142 Woning Circa 4.000 m² Asfalt, stelconplaat en klinkers < 1995 (aanlegdatum onbekend) Nee Nee
Historische informatie (voorgaand onderzoek en verdachte activiteiten) Op de onderzoekslocatie was in het verleden glastuinbouw aanwezig. Daarnaast zijn in het verleden op en nabij de onderzoekslocatie enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieronder zijn deze samengevat. Verkennend onderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag, Grondslag, kenmerk 3065-B, 21 april 1997; Op de onderzoekslocatie zijn 14 boringen geplaatst waar nu een loods aanwezig is. In de bovengrond van boringen 8 (0,05-0,6 m-mv) en 42 (0,0-0,2 m-mv) zijn sterk verhoogde gehalten minerale olie aangetoond. Daarnaast is over het algemeen op het terrein een matig verhoogd gehalte zink en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn matig verhoogde gehalten zink en minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties vluchtige aromaten en minerale olie aangetoond. Na dit onderzoek is in 1998 een sanering uitgevoerd ter plaatse van de verontreiniging met minerale olie (kenmerk 3065, 6 april 1998). Alle verontreinigde grond is op het terrein is verwijderd. Ook het licht verontreinigde grondwater is ontgraven. In totaal is circa 33 ton verontreinigde grond afgevoerd en is de locatie aangevuld met schoon zand. Daarnaast is de aanwezige HBO-tank verwijderd. Deze heeft geen verontreiniging veroorzaakt.
Verkennend (water)bodemonderzoek en asbestonderzoek Zweilandstraat t.o. nr 17-21 te Buitenkaag, Grondslag, kenmerk 19851, 10 december 2012; De aanleiding tot het onderzoek betreft de aanvraag van een omgevingsvergunning. Ter plaatse van de Zweilandstraat, ten westen van de huidige onderzoekslocatie, zijn in totaal elf boringen uitgevoerd. Zintuiglijk zijn in de grond baksteen en beton aangetroffen. Tevens zijn er enkele stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen die direct zijn afgevoerd van de locatie. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten OCB’s aangetoond. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten cadmium aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium aangetoond. Analytisch is er geen asbest aangetoond.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 7
Bodemkwaliteitskaart Volgens de Bodemkwaliteitskaart (BKK) van de regio Haarlemmermeer (bron 13) bevindt de locatie zich in de zone Haarlemmermeer: Zone 3A BG en OG. Dit betekent dat de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) verdacht is op het voorkomen van licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. De ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) is verdacht op het voorkomen van licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink, PAK en PCB.
2.3
REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
De deklaag betreft een antropogene klei- en veenlaag. Diepere lagen betreffen Pleistocene afzettingen. Het grondwater bevindt zich op basis van Dinoloket op circa 0,5 à 1,0 m-mv. Zandlagen hierbinnen vormen het freatische, 1e en diepere watervoerende pakket. In onderstaande tabel is de regionale geohydrologische bodemopbouw gegeven, op basis van de sondering B30F0463 van Dinoloket. Tabel 5: Regionale bodemopbouw Diepte (m-mv)
Lithostratigrafische eenheid
Geohydrologische eenheid
Samenstelling
0,00 – 8,60
Deklaag (freatisch grondwater)
Holocene afzettingen
Klei/veen
8,60 – 11,10
Eerste watervoerend pakket
Formatie van Boxtel
Zand
11,10 – 29,10
Tweede watervoerend pakket
Formatie van Kreftenheye
Zand
Regionaal stroomt het diepere grondwater van het watervoerend pakket in noordoostelijke richting. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Op basis van de beschikbare gegevens kan geen eenduidige stromingsrichting van het freatisch grondwater worden afgeleid. De freatische grondwaterstroming kan zijn beïnvloed door bijvoorbeeld drainage, kabels en leidingen e.d. Zeer lokaal zal het grondwater vermoedelijk in de richting van het dichtstbijzijnde oppervlaktewater stromen. Vermoedelijk betreft dit de watergang aan de westzijde van de onderzoekslocatie (ten oosten van de Zweilandstraat).
2.4
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
Op basis van het historisch vooronderzoek wordt de hypothese geformuleerd. Op basis van het vooronderzoek is de grond en het grondwater op de locatie verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie. Op de onderzoekslocatie was in het verleden glastuinbouw (en weiland) aanwezig. Om deze reden wordt de bovengrond aanvullend geanalyseerd op PFAS en OCB. De locatie wordt onderzocht conform het niveau van de NEN 5740, strategie voor verdachte locaties, heterogeen verdeeld, onbekende plaats van voorkomen (VED-HE).
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 8
De grondwaterstand wordt op basis van de voorgaande onderzoeken verwacht op een diepte van circa 0,5 à 1,0 meter beneden lokaal maaiveld. De peilbuis wordt conform de NEN 5740 norm geplaatst (0,5 meter beneden de grondwaterstand). Een volledig verkennend asbestonderzoek maakt op basis van de beschikbare gegevens geen onderdeel uit van het onderzoek. Tijdens het veldwerk is onder het asfalt echter fundering aangetroffen van menggranulaat en grind. Omdat onbekend is wanneer het asfalt is aangelegd, is de fundering formeel verdacht en daarom indicatief op asbest geanalyseerd. Daarnaast zijn het menggranulaat, grind en hoogovenslakken (allen onder het asfalt) onderzocht op samenstelling en uitloging volgens een afgeleide variant van onderzoek naar bouwstoffen (analyse volgens AP04). Het asfalt op de onderzoekslocatie is, gezien het asfalt voor 1995 is aangelegd, verdacht op PAK (teerhoudendheid).
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 9
3.0
VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES
In dit hoofdstuk worden de kwaliteitseisen uit de beoordelingsrichtlijnen, de gekozen onderzoeksstrategie, de resultaten van het veldwerk en de uitgevoerde chemische analyses besproken.
3.1
KWALITEIT
De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA**). Voor dit project is Edwin Kivits van ons kantoor te Oosterhout opgetreden als senior adviseur. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ (bron 3), protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (bron 4) en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ (bron 5).
2001 + 2002
Alle procesonderdelen (uitvoering veldwerk, begeleiding erkend projectleider, overdracht monsters aan laboratorium en rapportage) worden in principe uitgevoerd door en onder het certificaat van Stantec B.V., voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. Bij de uitvoering van de monsternemingen op 2 en 9 juni 2022 zijn de volgende personen ingezet, betreffende de, voor de BRL SIKB 2000 relevante kritische werkzaamheden: • G. Pisa (boormeester, persoon is geregistreerd voor het uitvoeren van deze werkzaamheden bij Rijkswaterstaat Leefomgeving). • E. Sibon (monsternemer grondwater, persoon is geregistreerd voor het uitvoeren van deze werkzaamheden bij Rijkswaterstaat Leefomgeving). De uitgevoerde kernboringen van het asfaltonderzoek vallen niet onder een specifiek protocol. Het kernboorwerk door de asfaltverharding is uitgevoerd door Infraboor B.V., erkend specialist op het gebied van wegenbouwkundig onderzoek. Bij het plaatsen van de asfaltboringen is conform de CROW publicatie 210 rekening gehouden met de onderstaande zaken: • Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord.
• Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100 millimeter. • De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt. • De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x- en y-coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter. Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 10
Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Vervolgens zijn de PAK in asfalt analyses (GCMS) ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 is hierbij rekening gehouden met: • Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd. • Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden. • De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter. • Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn. De gaten in het asfalt zijn gedicht met koud asfalt. Wij verklaren dat de beschreven uitvoering van kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen die de BRL daartoe stelt vanuit de Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitsborgingsformulieren zijn opgenomen in bijlage 4.2. Stantec B.V. heeft geen financiële of juridische belangen met betrekking tot het eigendom van de locatie.
3.2
ALGEMENE ONDERZOEKSSTRATEGIE EN WERKWIJZE
De gehanteerde onderzoeksstrategie is gebaseerd op de in hoofdstuk 2 gestelde hypothese. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van alle uitgevoerde veldwerkzaamheden en de analyses van grond en grondwater. In de hierop volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de veldwerkzaamheden en de chemische analyses. Tabel 6: Overzicht uitgevoerde veldwerkzaamheden en analyses Aanleiding Veldwerk Analyses Diepte boringen Aantal boringen Waarvan Grond Grondwater (m-mv) met peilbuis Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag (4.000 m2) VED-HE NEN 5740 0,0-0,5 6 4 NEN-grond1 0,0-1,0 4 3 PFAS2 0,0-1,5 4 3 PAK3 0,0-2,0 1 3 OCB4 0,0-3,5 1 1 1 NEN-grondwater5 3 CO/PAK-ma6 7 2 GC/MS 2 Samenstelling/uitloging8 2 Asbest (indicatief)9 Totaal 15 1 1 NEN-grond: Lutum- en organisch stofpercentage, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM) en polychloorbifenylen (PCB). 2 PFAS: 30 verbindingen conform handelingskader.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 11
3 PAK 4 OCB: 5 NEN-grondwater
6 CO/PAK-ma 7 GC/MS 8 Samenstelling/uitloging 9 Asbest (indicatief)
Inclusief AS3000 voorbehandeling, bepaling droog stofpercentage en organische stofpercentage. Alpha-endosulfan, endosulfansulfaat, hexachloorbutadieen, hexachloorbenzeen, chloordaan, heptachloorepoxide, HCH, drins, DDD, DDT, DDE. Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p), styreen, naftaleen, vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform, minerale olie. Constructie en laagopbouw asfaltkern; PAK-markertest (indicatieve teerhoudendheid). Aanvullende kwantitatieve analyse op PAK (geaccrediteerd volgens AP04/CROW210/NCOB). CEN-test en analyse eluaat (15 metalen en 4 anionen). Asbestgehalte in grond; bij een volumepercentage puin(granulaat) in de bodem kleiner dan 50%; 0,5 kg van de fractie <20 mm.
De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig verspreid over het buitenterrein van de woning en loods geplaatst. Opgemerkt wordt dat boring B06 meermaals is gestaakt op een harde laag. Dit is een afwijking op de NEN 5740. Aangezien in de meest verdachte kleilagen (op basis van bijmenging) ten hoogste licht verhoogde gehalten zijn aangetoond, wordt er geen invloed verwacht op de representativiteit van het onderzoek.
3.3
RESULTATEN VELDWERK
Het veldwerk is uitgevoerd op 2 juni 2022. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden is de locatie visueel geïnspecteerd. Op het maaiveld van het terrein zijn geen verontreinigingen of asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde boorbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw, de diepten waarop grondmonsters zijn genomen en de diepten waarop eventuele peilfilters geplaatst zijn. De zintuiglijke waarnemingen en eventuele afwijkingen zijn eveneens in deze bijlage weergegeven.
Grond De bovengrond bestaat afwisselend uit zand- en kleilagen. Het zand in de boringen varieert in samenstelling. Ter plaatse van boringen B01, B03 en B05 is het zand matig fijn en matig siltig. Ter plaatse van boringen B06, B09 en B15 is het zand zeer fijn, matig kleiig en matig humeus. Daarnaast is het zand plaatselijk matig fijn en zwak kleiig (B04) of matig fijn, sterk siltig en matig humeus (B08). Tevens is in enkele zandlagen ook grind aangetroffen. De aangetroffen kleilagen in de bovengrond zijn matig tot sterk zandig en/of matig humeus.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 12
Zintuiglijk zijn in de bovengrond van boringen B04, B06, B09 en B11 resten of brokken beton en sporen baksteen waargenomen. De kleiige bovengrond ter plaatse van boringen B07 en B12 is zwak baksteenhoudend. In de ondergrond tot 3,5 m-mv is alleen klei aanwezig. Dit klei is zwak tot sterk zandig en/of zwak tot matig humeus. Zintuiglijk zijn in de ondergrond van boringen B02 (0,45 tot 0,65 m-mv), B04 (0,8 tot 1,0 m-mv) en B06 (1,0 tot 1,5 m-mv) sporen of resten baksteen waargenomen. Daarnaast zijn in boringen B04 (0,5 tot 0,8 m-mv), B06 (0,5 tot 1,0 m-mv) en B11 (0,5 tot 1,0 m-mv) brokken of sporen beton en zwakke bijmenging met baksteen of sporen baksteen aangetroffen.
Grondwater Voor de bemonstering van het grondwater is boring B11 afgewerkt met een peilbuis. Conform NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter circa 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst. Het grondwater is bemonsterd op 9 juni 2022. Bij de grondwaterbemonstering is het grondwater waargenomen op een diepte van 1,77 m-mv. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van niet-opgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De meetwaarden geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. Tabel 7: Veldmetingen grondwater Peilbuis
Filter (m-mv)
GWS (m-mv)
Temp. (0C)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
B11-1-1
2,5-3,5
1,77
11,9
6,90
2.550
51
Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 µS/cm <Ec <2.800 µS/cm) grondwater. Tijdens monstername van het grondwater is in de peilbuis een NTU boven de 10 gemeten. De troebelheid kan verhoogd voorkomen wanneer er sprake is van een meer siltig samengestelde bodem. Vooral in klei- en veengronden (slechtlopende peilbuizen) komt het in de praktijk veelvuldig voor ondanks dat de gestelde vereisten voor plaatsing van peilbuizen en bemonstering van grondwater zijn gevolgd, de NTU waarden afwijken. Het filter van peilbuis B11 staat in een kleilaag. Mogelijk is de verhoogde troebelheid hieraan te relateren. Bij de resultaatbespreking in hoofdstuk 4 komen we terug op de verhoogde troebelheid in relatie tot de analyseresultaten. Op basis van de beschikbare gegevens kan geen eenduidige stromingsrichting van het freatische grondwater worden vastgesteld. Opgemerkt wordt dat de stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloed kan zijn door bijvoorbeeld getijden, drainage, kabels en leidingen e.d.
Asfalt Het asfaltonderzoek voldoet voor het geplande werk qua geboorde en geanalyseerde hoeveelheden aan de CROW 210 (bron 12). Tijdens de monstername van de asfaltkernen zijn door de veldwerker geen zintuiglijke afwijkingen waargenomen. Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 13
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn zes asfaltboringen uitgevoerd (waarvan vijf door asfalt en één door stelconplaat), om de kwaliteit en de hergebruikmogelijkheden vast te stellen. Op de locatie zijn twee verschillende soorten asfalt aangetroffen: dichtasfaltbeton (DAB) en grindasfaltbeton (GAB) (zie bijlage 5.3). Het boorverslag van Infraboor is toegevoegd aan bijlage 4.3. Op basis van de waarnemingen van de veldwerker was het asfalt op terrein doorlopend tot de weg naar de Leidsemeerstraat. Dat betekent dat de toplaag van het asfalt vermoedelijk tegelijkertijd is aangelegd. Hoeveelheden af te voeren asfalt De hoeveelheid af te voeren asfalt per onderzoeksvak is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 8: Volume af te voeren asfalt per onderzoeksvak Boringen Locatie B02, B04, B05, B07, Asfaltweg en B12 aansluitend terrein Totaal
Oppervlakte Gemiddelde Volume (m²) laagdikte (m) Omrekening (ton) ca. 1.000 0,15 2,5 375 1.000
375
Op basis van de CROW 210 zijn voor (homogene) asfaltvakken tussen 200 en 1000 ton twee GC/MS-analyses noodzakelijk. Derhalve zijn de asfaltkernen van boring B05, bestaande uit drie GAB-lagen, en boring B12, bestaande uit twee verschillende GAB-lagen en een DAB-laag, in zijn geheel ingezet.
Fundering Onder het asfalt zijn een laag menggranulaat (B02 en B05), een laag grind (B04, B07 en B12) en een laag hoogovenslakken (B07 en B12) aangetroffen. Onder de stelconplaten (B01) is geen funderingsmateriaal, maar een zandlaag aangetroffen. Het boorverslag van Infraboor is toegevoegd aan bijlage 4.3. Het funderingsmateriaal onder het asfalt van boring B05 (menggranulaat) en boring B12 (grind) is tevens indicatief bemonsterd op asbest middels een potje van 0,5 kg. Wij merken op dat dit indicatieve asbestonderzoek niet is uitgevoerd conform de NEN 5897 en BRL SIKB 2018. Daarnaast is van het menggranulaat (B02), grind (B04) en hoogovenslakken (B07) een mengmonster samengesteld voor de analyse op de organische samenstelling en uitloging (conform AP04).
Analysestrategie Onderstaande tabel geeft de geselecteerde monsters weer met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses. Voor de selectie van de monsters zijn mengmonsters samengesteld van de meest verdachte bodemlagen. Derhalve worden de analyseresultaten als worst-case beschouwd.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 14
Tabel 9: Analysestrategie Code
Samengesteld
(meng)monster uit boringen
Bodem-
Zintuiglijke
Analyses
type
waarnemingen
Grond
Grondwater
Diepte (m-mv) Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag (4.000 m2) VED-HE NEN 5740 MM01 B03 (0,30-0,50) Klei NEN-grond1 (0,00-0,50) B10 (0,00-0,50) PFAS2 B13 (0,00-0,50) OCB4 B14 (0,00-0,50) MM02 B04 (0,28-0,50) Zand Brokken beton, resten asfalt NEN-grond1 (0,00-0,50) B06 (0,00-0,50) PFAS2 B09 (0,00-0,50) OCB4 Uitsplitsing MM02 B04-3 B04 (0,28-0,50) Zand Resten beton, sporen PAK3 (0,28-0,50) baksteen B06-1 B06 (0,00-0,50) Zand Brokken beton, sporen PAK3 (0,00-0,50) baksteen B09-1 B09 (0,00-0,50) Zand Brokken beton, sporen PAK3 (0,00-0,50) baksteen MM03 B07 (0,45-0,80) Klei Zwak baksteenhoudend, NEN-grond1 (0,00-0,80) B11 (0,00-0,50) brokken beton PFAS2 OCB4 B12 (0,40-0,80) MM04 B04 (0,50-0,80) Zand Zwak baksteenhoudend, NEN-grond1 (0,50-1,00) B06 (0,50-1,00) brokken beton Grondwater B11-1-1 B11 (2,50 – 3,50) NENgrondwater5 Asfaltonderzoek B04-1 B04 (0,00-0,14) Asfalt CO/PAK5 (0,00-0,14) ma B05-1 B05 (0,00-0,14) Asfalt CO/PAK(0,00-0,14) ma5 B12-1 B12 (0,00-0,15) Asfalt CO/PAK(0,00-0,15) ma5 B05-GCMS B05 (0,00-0,14) Asfalt GC/MS6 (0,00-0,14) B12-GCMS B12 (0,00-0,15) Asfalt GC/MS6 (0,00-0,15) Uitloging en samenstelling B02-2 B02 (0,16-0,45) MengSamenstellin (0,16-0,45) granulaat g/uitloging B04-2 B04 (0,14-0,28) Grind Resten baksteen, resten Samenstellin (0,14-0,28) beton g/uitloging B07-2 B07 (0,16-0,28) Hoogoven Samenstellin (0,16-0,28) slakken g/uitloging
Indicatief asbestonderzoek B05-2 B05 (0,14-0,28) MengAsbest (0,14-0,28) granulaat (indicatief) B12-3 B12 (0,19-0,40) Grind Brokken beton, brokken Asbest (0,19-0,40) baksteen (indicatief)
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 15
Code
Samengesteld
(meng)monster uit boringen Diepte (m-mv) 1 NEN-grond:
2 PFAS: 3 PAK 4 OCB:
5 NEN-grondwater
6 CO/PAK-ma 7 GC/MS 8 Samenstelling/uitloging 9 Asbest (indicatief)
3.4
Bodem-
Zintuiglijke
Analyses
type
waarnemingen
Grond
Grondwater
Lutum- en organisch stofpercentage, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwater-stoffen (PAK 10 VROM) en polychloorbifenylen (PCB). 30 verbindingen conform handelingskader. Inclusief AS3000 voorbehandeling, bepaling droog stofpercentage en organische stofpercentage. Alpha-endosulfan, endosulfansulfaat, hexachloorbutadieen, hexachloorbenzeen, chloordaan, heptachloorepoxide, HCH, drins, DDD, DDT, DDE. Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p), styreen, naftaleen, vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2dichlooretheen, cis-1,2-dichloor-etheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloor-ethaan, tetrachloormethaan,1,2dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform, minerale olie. Constructie en laagopbouw asfaltkern; PAK-markertest (indicatieve teerhoudendheid). Aanvullende kwantitatieve analyse op PAK (geaccrediteerd volgens AP04/CROW210/NCOB). CEN-test en analyse eluaat (15 metalen en 4 anionen). Asbestgehalte in grond; bij een volumepercentage puin(granulaat) in de bodem kleiner dan 50%; 0,5 kg van de fractie <20 mm.
CHEMISCHE ANALYSES
De analyseresultaten met de bijbehorende toetsingswaarden en een verklarende woordenlijst zijn opgenomen in bijlage 3. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (RvA geaccrediteerd). De analyses zijn uitgevoerd conform het AS3000 protocol. In analysecertificaat 13682543 is de opmerking opgenomen dat de rapportagegrens voor de chloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) is verhoogd in verband met een noodzakelijke verdunning. Aangezien de OCB’s ten hoogste licht verhoogd zijn aangetoond wordt er geen invloed verwacht op de conclusie van de analyse.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 16
4.0
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten getoetst aan de in hoofdstuk 2 geformuleerde hypothese.
4.1
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN GROND (WBB EN BBK)
In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en (indicatief) aan de normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bron 6) en het Besluit bodemkwaliteit (bron 7) conform het generieke beleid (landelijke en/of regionale beleid). Tevens wordt de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven. In onderstaande tabel zijn de toetsingen van de grond(meng)monsters weergegeven. In de navolgende paragrafen is de interpretatie van de resultaten opgenomen. Tabel 10: (Indicatieve) toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 en de Regeling/het Besluit bodemkwaliteit AnalyseBoringen (m-mv) Bodem Zintuiglijk waarAnalyses Toetsing Wbb monster type nemingen >AW (m-mv) Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag (4.000 m2) VED-HE NEN 5740 MM01 B03 (0,30-0,50) Klei NEN-grond kwik, lood, zink, PAK, (0,00-0,50) B10 (0,00-0,50) som drins B13 (0,00-0,50) B14 (0,00-0,50) MM02 B04 (0,28-0,50) Zand Brokken beton, NEN-grond kobalt, koper, kwik, (0,00-0,50) B06 (0,00-0,50) sporen baksteen lood, molybdeen, B09 (0,00-0,50) nikkel, zink, som drins, som a-b-c-d HCH, heptachloor, alpha-endosulfan
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 17
>T
>I
Toetsing Bbk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
-
-
Wonen
Basishygiëne
-
PAK
NIET
Basishygiëne
AnalyseBoringen (m-mv) monster (m-mv) Uitsplitsing MM02 B04-3 B04 (0,28-0,50) (0,28-0,50) B06-1 B06 (0,00-0,50) (0,00-0,50) B09-1 B09 (0,00-0,50) (0,00-0,50) MM03 B07 (0,45-0,80) (0,00-0,80) B11 (0,00-0,50) B12 (0,40-0,80) MM04 B04 (0,50-0,80) (0,50-1,00) B06 (0,50-1,00) Toelichting: >AW: >T; >I:
Bodem type
Zintuiglijk waarnemingen
Analyses
Toetsing Wbb
Zand
Resten beton, sporen baksteen Brokken beton, sporen baksteen Brokken beton, sporen baksteen Zwak baksteenhoudend, brokken beton Zwak baksteenhoudend, brokken beton
PAK
-
-
PAK
PAK
PAK
Zand Zand Klei
Zand
Gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde. Gehalte overschrijdt de tussenwaarde ((AW+I)/2). Gehalte overschrijdt de interventiewaarde.
Toetsing Bbk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
PAK
NIET
Basishygiëne
-
-
Wonen
Basishygiëne
PAK
-
-
Wonen
Basishygiëne
NEN-grond
lood, molybdeen, PAK
-
-
AW
Basishygiëne
NEN-grond
kwik, lood, zink, PAK
-
-
Industrie
Basishygiëne
AW: Wonen: Industrie: NIET:
Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Bodemkwaliteitsklasse Wonen. Bodemkwaliteitsklasse Industrie. Niet toepasbaar.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 18
Toetsing Wet bodembescherming (Wbb) In de zandige bovengrond van B04, B06 en B09 (MM02; brokken beton en sporen baksteen) zijn een sterk verhoogd gehalte PAK en licht verhoogde gehalten zware metalen en OCB’s aangetoond. Vanwege het sterk verhoogd gehalte PAK is dit mengmonster uitgesplitst. Hieruit blijkt dat in de bovengrond van B04 (resten beton en sporen baksteen; 0,28-0,50 m-mv) een sterk verhoogd gehalte PAK is aangetoond. In de bovengrond van B06 (brokken beton en sporen baksteen; 0,00-0,50 m-mv) en B09 (brokken beton en sporen baksteen; 0,00-0,50 m-mv) is een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond. In de kleiige, zintuiglijk schone bovengrond van boringen B03, B10, B13 en B14 (MM01) zijn licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink, PAK en drins aangetoond. In de kleiige bovengrond van boringen B07, B11 en B12 (MM03; zwak baksteenhoudend en brokken beton) zijn licht verhoogde gehalten lood, molybdeen en PAK aangetoond. In de zandige ondergrond van boringen B04 en B06 (MM04; zwak baksteenhoudend en brokken beton) zijn licht verhoogde gehalten kwik, lood, zink en PAK aangetoond. De sterke verontreiniging met PAK ter plaatse van B04 (0,28-0,50 m-mv) wordt verticaal begrensd door het licht verhoogde gehalte PAK in dit mengmonster.
De licht verhoogde gehalten in de kleiige, zintuiglijk schone bovengrond van mengmonster MM01 overschrijden de P80 van de Bodemkwaliteitskaart niet en zijn daarmee gebiedseigen. De licht verhoogde gehalten in de overige mengmonsters en het sterk verhoogde gehalte PAK in B04-3 overschrijden de P80 van de Bodemkwaliteitskaart met als uitzonderingen lood en zink in alle mengmonsters en PAK in mengmonster MM03. Voor deze grond gelden dan ook gebruiksbeperkingen voor het toepassen binnen deze zone van de Bodemkwaliteitskaart. Vermoedelijk zijn de licht verhoogde gehalten te relateren aan de aangetroffen bijmenging in de grond. De herkomst van het sterk verhoogde gehalte PAK in B04-3 is niet bekend.
Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de zandige bovengrond ter plaatse van boring B04 niet toepasbaar op basis van het gemeten gehalte PAK. De overige monsters (B06 en B09) uit het mengmonster MM02 vallen in de klasse Industrie. De zandige ondergrond (MM04) valt ook in de klasse Industrie. De zintuiglijk schone, kleiige bovengrond (MM01) valt op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit in de klasse Wonen. De kleiige bovengrond van mengmonster MM03 valt in de klasse AW2000/Natuur. Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek.
PFAS in grond Ten behoeve van het PFAS in grond onderzoek zijn in totaal drie mengmonsters van de bovengrond aanvullend op PFAS geanalyseerd. Onderstaande tabel geeft de verontreinigingssituatie voor wat betreft PFAS weer.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 19
Tabel 11: Toetsingen PFAS aan het Handelingskader (d.d. december 2021) Analysemonster (m-mv)
Boringen (m-mv)
Bodemtype
Zintuiglijke waarnemingen
Toetsing PFAS
Toetsing PFAS Regionaal beleid
Landelijk Handelingskader Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag (4.000 m2) VED-HE NEN 5740 MM01 B03 (0,30-0,50) Klei Landbouw/ Geen (0,00-0,50) B10 (0,00-0,50) Natuur overschrijding B13 (0,00-0,50) B14 (0,00-0,50) MM02 B04 (0,28-0,50) Zand Brokken beton, Landbouw/ Overschrijding (0,00-0,50) B06 (0,00-0,50) sporen baksteen Natuur lokale norm B09 (0,00-0,50) MM03 B07 (0,45-0,80) Klei Zwak Landbouw/ Geen (0,00-0,80) B11 (0,00-0,50) baksteenhoudend, Natuur overschrijding B12 (0,40-0,80) brokken beton
De zandige bovengrond ter plaatse van mengmonster MM02 (PFOS 0,9 mg/kg d.s.; PFOA 0,9 mg/kg d.s.) overschrijdt de toepassingsnormen voor de gehalten PFOS/PFOA (PFOS 0,39 mg/kg d.s.; PFOA 0,54 mg/kg d.s.) van het Noordzeekanaalgebied. Regionaal gelden er dus beperkingen voor het toepassen van deze grond. De overige twee mengmonsters (MM01 en MM03) overschrijden de toepassingsnormen van het Noordzeekanaalgebied niet. Zowel de zandige als de kleiige bovengrond vallen echter op basis van de toetsing aan het landelijk beleid in de klasse Landbouw/Natuur. Daarnaast overschrijden de gemeten gehalten PFOS/PFOA de INEV-waarden niet.
Grondwater In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Tabel 12: Toetsing analyseresultaten grondwater aan de Circulaire bodemsanering Peilbuis
Filter (m-mv)
>S
>T
>I
ARBO Veiligheidsklasse
B11-1-1
2,50 - 3,50
barium, xylenen, naftaleen
-
-
Basishygiëne
Toelichting: >AW: >T: >I:
Concentratie overschrijdt de streefwaarde. Concentratie overschrijdt de tussenwaarde ((AW+I)/2). Concentratie overschrijdt de interventiewaarde.
In het grondwater van peilbuis B11 zijn licht verhoogde concentraties barium, xylenen en naftaleen gemeten. De herkomst hiervan is onbekend. Er is geen historische bron voor deze lichte verontreiniging bekend. In brak grondwater komen vaker lichte verontreinigingen met barium voor. Daarnaast is in het grondwater in peilbuis B11 tijdens het veldwerk een verhoogde NTU (>10) gemeten. Een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) kan invloed hebben op het meetresultaat.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 20
Bij een te hoge troebelheid kan een overschatting van het meetresultaat voor organische verbindingen (minerale olie, vluchtige (aromatische en gechloreerde) koolwaterstoffen, PAK en PCB) plaatsvinden. Er kan daardoor ten onrechte vastgesteld worden dat sprake is van een grondwaterverontreiniging. Voor meerdere organische verbindingen (xylenen en naftaleen) is een overschrijding van de streefwaarde aangetoond. De tussenwaarde voor deze parameters wordt echter niet overschreden. De verhoogde troebelheid kan een (geringe) invloed hebben gehad op deze verhoogde concentratie. Echter, omdat de tussenwaarde niet wordt overschreden is ons inziens geen noodzaak tot aanvullend onderzoek.
4.2
ASFALT
Van de vijf genomen asfaltkernen zijn drie stuks aangeboden voor een beschrijving van de constructie-opbouw en een PAK-marker test. In de asfaltkernen is op basis van de PAK-marker geen fluorescentie aangetoond. Op een tweetal kernen zijn vervolgens aanvullende GC/MS analyses uitgevoerd van de DAB- en GAB-lagen. Hierbij zijn de asfaltkernen van B05 en B12 in zijn geheel geanalyseerd. Op deze manier zijn alle verschillende asfalttypen middels een GC/MS analyse onderzocht (zie bijlage 5.3). In geen van de uitgevoerde GC/MS analyses zijn PAK-gehalten gemeten die de hergebruiksnorm van 75 mg/kg (CROW 210) overschrijden. Het asfalt ter plaatse van de onderzoekslocatie is daarom vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor warm hergebruik. Wanneer niet eenduidig homogene wegvakken zijn te bepalen, stelt de CROW 210 (2015) paragraaf 5.4, pagina 59, dat beoordeeld moet worden of aanvullend onderzoek zinvol is. Hierbij moet met name worden gekeken a) of er gedeelten van het asfalt zijn die vanwege het ontbreken van gegevens als teerhoudend moeten worden aangemerkt; en b) of met aanvullende boringen en/of analyses afgebakende gedeelten van de constructie “alsnog als teervrij kunnen worden aangemerkt”. Beide zijn niet het geval.
Aangezien alle voorkomende asfaltlagen analytisch zijn onderzocht en er geen van de lagen en kernen teerhoudend zijn, is er geen verbetering van het onderzoeksresultaat mogelijk. Hiermee geeft de CROW 210 aan dat vervolgonderzoek niet zinvol is, ook niet bij de verschillen in homogeniteit van de asfaltlagen. Een overzicht van de constructie/laagopbouw van het asfalt is in bijlage 5.3 weergegeven.
4.3
FUNDERINGSLAGEN
Van het funderingsmateriaal (menggranulaat, grind en hoogovenslakken) onder het asfalt zijn drie monsters samengesteld.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 21
Deze mengmonsters zijn ter analyse bij het laboratorium aangeboden voor analyse op samenstelling van organische parameters en uitlooggedrag van de anorganische parameters (15 metalen en 4 anionen). De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. Uit de analyse van de beide materialen op organische verbindingen PAK, PCB en minerale olie conform AP04 en het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat het materiaal voldoet aan de eisen uit de Regeling bodemkwaliteit. Dit houdt in dat het materiaal als toepasbaar geldt, mits een uitloogproef aantoont dat er geen kans is op uitloging. Deze uitloogproef bestaat uit een kolom- of beschikbaarheidsproef en analyse van het eluaat op 15 metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, kobalt, chroom, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, seleen, tin, vanadium en zink), vier anionen (fluoride, bromide, chloride en sulfaat), PAK, PCB en minerale olie. In het eluaat van de beschikbaarheidsproef van de monsters overschrijdt de parameter vanadium in elk monster de norm voor hergebruik voor niet-vormgegeven bouwstoffen zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Geadviseerd wordt om het menggranulaat, grind en hoogovenslakken af te voeren naar een erkend verwerker indien deze lagen vrijkomen bij de graafwerkzaamheden.
Uit de toetsing blijkt wel dat het materiaal geschikt is voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof met aanvullende (IBC-)maatregelen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor een definitieve classificatie een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk is. Tabel 13: Mengmonsters funderingsonderzoek Code mengmonster
Deelmonsters (m-mv)
Type materiaal
Toetsing samenstelling (T17 BoToVa)
Toetsing emissie (T16 BoToVa)
B02-2
B02 (0,16-0,45)
Menggranulaat
Toepasbaar (<= SW)
Niet toepasbaar (> EW)
B04-2
B04 (0,14-0,28)
Grind
Toepasbaar (<= SW)
Niet toepasbaar (> EW)
B07-2
B07 (0,16-0,28)
Hoogovenslakken
Toepasbaar (<= SW)
Niet toepasbaar (> EW)
Asbest in fundering Van het menggranulaat en grind is van beide bodemtypen ook één monster samengesteld van 0,5 kg voor indicatieve analyse op asbest in fundering. Dit mengmonster is ter analyse bij het laboratorium aangeboden. Uit de gemeten asbestconcentraties is de gewogen asbestconcentratie per mengmonster berekend (waarbij de concentratie amfibool 10 maal zwaarder weegt dan de concentratie serpentijn). De gewogen concentraties zijn vervolgens getoetst aan de restconcentratienorm van 100 mg/kg d.s. en de grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.). De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. In deze tabel zijn de in het laboratorium gemeten en gewogen asbestconcentraties (fijne fractie < 20 mm) in de mengmonsters weergegeven, deze zijn nog niet omgerekend naar de totale hoeveelheid asbest in het traject en proefgat (conform de rekenregels uit de NEN 5707 / NEN 5897). Aangezien de monsters indicatief op asbest zijn geanalyseerd en omdat er analytisch geen asbest is aangetoond, is deze berekening niet uitgevoerd.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 22
Tabel 14: Gemeten en gewogen asbestgehalte fijne fractie puinmonster Aanleiding/ deellocatie
Proefgaten
Code monster
Asbestgehalte fijne fractie (mg/kg d.s.) Gemeten
Gewogen
Asbest in fundering Menggranulaat
B05 (0,14-0,28)
B05-2
< bepalingsgrens
< bepalingsgrens
Grind
B12 (0,19-0,40)
B12-2
< bepalingsgrens
< bepalingsgrens
Uit analyse blijkt dat in de funderingslaag geen asbest is aangetoond (concentratie beneden of gelijk aan de bepalingsgrens). Het resultaat is echter indicatief, omdat het asbestonderzoek niet conform de NEN 5897 is uitgevoerd. Echter, gezien de afwezigheid van asbestverdacht materiaal in de grond en de afwezigheid van asbest in het aangeleverde monster, wordt de kans zeer klein geacht dat er asbest aanwezig is in het onderzochte materiaal.
4.4
VEILIGHEIDSKLASSE
Met behulp van de berekeningsmodule van de CROW 400 zijn de gehalten van de monsters getoetst aan de betreffende veiligheidseisen. Hieruit volgt dat tijdens eventueel uit te voeren grondwerk geen (voorlopige) veiligheidsklasse van toepassing is waarbij in ieder geval de Basishygiëne in acht genomen moet worden genomen.
4.5
TOETSING HYPOTHESE
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.5 opgestelde hypothese, een verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreinigingen voor de grond en het grondwater bevestigd. In de zandige bovengrond van boring B04 is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond. De verontreiniging is verticaal afgeperkt, maar horizontaal niet. Een nader onderzoek is noodzakelijk om de sterke verontreiniging horizontaal af te perken. Daarnaast zijn in zowel de bovengrond als ondergrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB, OCB en/of minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn daarentegen wel ten hoogste licht verhoogde concentraties (barium, xylenen en naftaleen) aangetoond. De opgestelde hypothese voor PFAS wordt aanvaard. Er zijn verhoogde gehalten PFAS aangetoond. Plaatselijk overschrijden de gehalten de lokale toepassingsnormen. De gehalten overschrijden de landelijke hergebruiksnormen echter niet. De opgestelde hypothese voor asbest (verdacht) wordt verworpen. Er zijn bij de locatie zintuiglijk zowel op het maaiveld als in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen. Daarnaast blijkt uit de indicatieve analyses dat in de fundering onder asfalt geen asbest aanwezig is. De kans is dus zeer klein dat er asbest aanwezig is op de onderzoekslocatie.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 23
De opgestelde hypothese voor het asfalt wordt verworpen. Het asfalt is niet teerhoudend. De opgestelde hypothese voor de funderingslagen wordt ook verworpen. Uit de beschikbaarheidsproef blijkt dat vanadium de norm voor niet-vormgegeven bouwstof overschrijdt in het menggranulaat, grind en de hoogovenslakken. De funderingslagen zijn wel geschikt voor hergebruik als nietvormgegeven bouwstof met aanvullende (IBC-)maatregelen.
Stantec | Rapport m21b0240-20220233.r01 24
5.0
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusies •
• • • • • • • •
• • • •
De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van circa 0,3 à 1,0 m-mv globaal uit zand, gevolgd door een zwak tot sterk zandige en/of zwak tot matig humeuze kleilaag kleilaag tot de maximale boordiepte van 3,5 m-mv. Het zand varieert in samenstelling; het zand is matig tot sterk siltig, zwak tot matig kleiig en/of matig humeus. Onder het asfalt is een laag menggranulaat, een laag grind en/of een laag hoogovenslakken aangetroffen. Aan het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Visueel is in het opgeboorde materiaal geen asbest aangetroffen. In het opgeboorde materiaal van de boven- en ondergrond is bodemvreemde bijmenging aangetroffen. Deze bijmenging bestaan voornamelijk uit baksteen en beton. In de zandige bovengrond van boring B04 (0,28-0,50 m-mv) is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond. De omvang van de sterke verontreiniging is vooralsnog onbekend. In de overige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB, OCB en minerale olie gemeten. In de ondergrond tot 1,0 m-mv zijn licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium, xylenen en naftaleen gemeten. De bovengrond ter plaatse van boring B04 is niet toepasbaar op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit.
De overige zandige boven- en ondergrond vallen in de klasse Industrie. De kleiige boven- en ondergrond vallen in respectievelijk de klassen Wonen en AW2000/Natuur. Door de aard en concentraties van de in de grond aanwezige stoffen kent bij eventuele graafwerkzaamheden vrijkomende grond mogelijk een beperkt hergebruik. In de asfaltkernen is geen fluorescentie aangetoond en het asfalt is niet teerhoudend. In de funderingslagen (menggranulaat, grind en hoogovenslakken) overschrijdt vanadium de norm voor hergebruik voor niet-vormgegeven bouwstoffen. In het menggranulaat en het grind is indicatief geen asbest aangetoond. De kans is zeer klein dat er asbest aanwezig is op de onderzoekslocatie.
Aanbevelingen •
•
Bij het chemisch onderzoek zijn verontreinigingen met PAK (10 VROM) in de grond aangetoond in concentraties die de interventiewaarde overschrijden. Dit betekent dat er op basis van de Wet bodembescherming een noodzaak bestaat voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Geadviseerd wordt een dergelijk onderzoek uit te laten voeren waarbij de mate en omvang van de bodemverontreiniging wordt vastgesteld en hiermee in samenhang wordt bepaald of voor de bodemverontreiniging een saneringsplicht geldt. Gezien de resultaten van het onderzoek is het terrein(deel) rondom boring B04 niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Stantec | m21b0240-20220233.r01 25
• •
Voor graafwerkzaamheden in de overige grond zijn geen sanerende maatregelen benodigd. Tevens is het opstellen van een V&G plan niet nodig voor die werkzaamheden in die grond. Geadviseerd wordt om de funderingslagen (menggranulaat, grind en hoogovenslakken) af te voeren naar een erkend verwerker indien deze vrijkomen.
Stantec | m21b0240-20220233.r01 26
BRONVERMELDINGEN 1.
NEN 5740:2009+A1:2016 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 april 2016. 2. NEN 5725:2017 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2017. 3. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 4. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 5. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 6. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. 7. Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. 8. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr.
469., 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen/besluiten. 9. Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 13 december 2021. 10. Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, RIVM, 20200302v10, 5 maart 2020. 11. ACN en Bodemkwaliteitskaart PFOS en PFOA Regio Noordzeekanaalgebied versie 3.2, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, 2 januari 2020. 12. CROW-publicatie nummer 210, ‘Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt’, juni 2015. 13. Nota Bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer, Beleidskader voor grond- en baggerverzet versie 1.1, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, 1 maart 2020.
Stantec | m21b0240-20220233.r01 27
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 3.5: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 4.3: Bijlage 5.1: Bijlage 5.2: Bijlage 5.3: Bijlage 5.4: Bijlage 5.5: Bijlage 6:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing BoToVa B16 en B17, beoordeling kwaliteit bouwstoffen (emissie en samenstelling) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Boorverslag Infraboor Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Analysecertificaten asfalt Analysecertificaten asbest Analysecertificaten fundering Foto’s onderzoekslocatie
Stantec | m21b0240-20220233.r01
Bijlage 1: Overzichtskaart (1:25.000)
Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag Overzichtstekening Legenda
J )
Onderzoeklocatie
J )
250
500
750
1.000 m
Opdrachtgever: FRESCH Real Estate B.V. Datum: Schaal: Status:
±
14-6-2022 1:25.000 Definitief
Projectnummer: M21B0240-20220233 A4 landscape Formaat: Tekenaar: NIKO
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M21\M21B0240-20220234
0
Bijlage 2: Situatietekening (1:500)
Verkennend bodemonderzoek Leidsemeerstraat 6 te Buitenkaag Situatietekening Legenda <
(
ú8ú
Peilbuis tot 3,5 m-mv
! (
Boring tot 0,5 m-mv
! .
Boring tot 1,0 m-mv
" /
Boring tot 1,5 m-mv
! . Asfaltboring met boring tot 1,0 m-mv ( % / Asfaltboring met boring tot 1,5 m-mv ( D Asfaltboring met boring tot 2,0 m-mv (
B01
D
Projectgebied
! . (
B04
% / (
B02
! (
(
B03
B05
! .
0
! (
! (
! (
B11
ú8ú
B13
! .
" /
12
16
20 m
B06
B09
<
% / (
B12
B10
B08
8
! (
B14
! (
B15
±
Opdrachtgever:
FRESCH Real Estate B.V.
Datum: Schaal: Status:
14-6-2022 1:500 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M21B0240-20220233 A3 landscape NIKO
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M21\M21B0240-20220234
% / (
B07
4
Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst
VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.
Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.