Bijlage 1.2 - Quikscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Actualisatie quickscan Wet Natuurbescherming Herinrichting Hoofdweg 875 te Hoofddorp 28 april 2023, Hippolytushoef
Opdrachtgever: ROW vastgoed Borkeldsweg 31 7451 SN Holten Tel: 0251-826906 e-mail: info@rowvastgoed.nl www.rowvastgoed.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: info@aandachtnatuur.nl www.aandachtnatuur.nl
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 8 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 8 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 8 3.3 Zoogdieren...…………………………………………….…………………...... blz. 8 3.4 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 10 4. Resultaten gebiedsbescherming………………….……...……………......... blz. 11 4.1 Natura 2000 gebieden ……………………………….……...……………...... blz. 11 4.2 Overige aspecten gebiedsbescherming..…………….…………………...... blz. 14 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 15 5.1 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 15 5.2 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 16 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 17 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 18 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2: Stikstofberekeningen Aerius Calculator
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van ROW vastgoed heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden met betrekking tot de herinrichting van De Hoofdweg 875 te Hoofddorp. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft op 7 mei 2019 een veldonderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Ter actualisatie van het onderzoek heeft aanvullend hierop een veldbezoek plaatsgevonden op 28 februari 2023. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
Figuur 1. Ligging van de beoogde woningbouwlocatie (rood kader) aan de Hoofdweg 875 te Hoofddorp
1.1 Aanleiding en doel Als uitbreiding van de woningbouwlocatie Tudor Gardens zullen rondom het erf aan de Hoofdweg 875 (figuur 1) een zestal woningen worden gebouwd. Deze komen in een lusje rond de bestaande woning te liggen. Het onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of het beoogde gebied een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. De uitkomsten van dit onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de nieuwbouw en zijn mede bepalend voor het verdere plan van aanpak. 1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder 2
Bureau Aandacht Natuur
ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding.
De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Provinciale Ruimte Ordening dan wel de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing.
Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: 3
Bureau Aandacht Natuur
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. -
Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst 4
Bureau Aandacht Natuur
waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer.
Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.
1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
5
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De onderzoekslocatie is gelegen aan de zuidzijde van Hoofddorp en bestond in 2019 uit een graslandperceel, moestuin en tuin rondom de woning aan de Hoofdweg 875 te Hoofddorp. Het betrof een goed onderhouden woning met een nette tuin aangeplant met sierheesters en vaste planten. Aan de achterzijde van het erf, staat een smalle windsingel, met daarachter een kort gemaaide grasstrook (gazon) Aan de wegzijde bevindt zich een moestuin en een kippenren. Andere terreintypen zijn niet aanwezig binnen het projectgebied, de betreffende percelen zijn onbebouwd en bevatten geen opstallen of oude schuren. Het terrein is geheel omheind, en grenst in het noordwesten aan een brede singel rondom de sportvelden.
Figuur 2. Foto projectlocatie 2019
In 2023 is de moestuin en de kippenren verwijderd en is er sprake van grondopslag op het terrein. Een deel van het gazon aan de achterzijde van de woning is nog aanwezig, maar is door gebrek aan maaibeheer verder verruigd. Het aanliggende erf en de windsingel ten noordwesten van het terrein zijn nog aanwezig. De woonwijk Tudor Gardens is inmiddels gerealiseerd, waardoor de projectlocatie tussen de nieuwbouw is gesitueerd. Met betrekking tot de beoogde herinrichting, zal de beoogde grondopslag worden verwijderd en de projectlocatie worden bebouwd met zes woningen. Het bestaande erf blijft hierbij gehandhaafd, als ook de windsingel aan de noordwestzijde.
6
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 3. Foto projectlocatie 2023
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied en maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Kennemerland-Zuid en ligt op een minimale afstand van 6,7 kilometer van de projectlocatie. Gezien de genoemde afstand en de ligging in de bebouwde kom van Hooddorp, bevat de projectlocatie geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende soorten of habitattypen. Echter is het mogelijk dat het planvoornemen een effect heeft op de stikstofdepositie in het plangebied en is het noodzakelijk om voor zowel de uitvoeringsfase als gebruiksfase een stikstofberekening uit te voeren. 2.3 Houtopstanden De projectlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom en bevat geen (beschermde) houtopstanden zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 7 mei 2019 en 28 februari 2023 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven gebied. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projectgebied.
Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen en zijn er stikstofberekeningen uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius. 7
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen de projectlocatie zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen dan wel te verwachten. De planlocatie bestaat uit een grondopslag en een verruigd gazon / grasveld. In het gazon en langs de randen van het perceel komen enkele algemene soorten als witte klaver, madeliefje, gewone paardenbloem, kruipende boterbloem en hondsdraf. De windsingel aan de achterzijde van het erf bestaat uit aangeplante sierheesters, meidoorn, treurwilg en zwarte els. De singel aan de noordwestzijde van de projectlocatie bestaat uit een opstand van voornamelijk veldesdoorn en zwarte els met in de ondergroei soorten als klimop, braam en liguster. Aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2023) is, binnen het betreffende atlasblok (5x5km), niet bekend dat beschermde plantensoorten voorkomen. Op basis van de aanwezige terreintypen, het gebruik van de projectlocatie en de huidige verspreidingsgegevens kan het voorkomen van beschermde plantensoorten worden uitgesloten van de projectlocatie.
3.2 Vogels In de omgeving van het projectgebied zijn een aantal algemene broedvogels aangetroffen en te verwachten, zoals pimpelmees, ekster, houtduif, heggemus en koolmees. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. In de singel aan de noordwestzijde is op circa 50 meter van de projectlocatie een eksternest aangetroffen. Andere mogelijke nestlocatie van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (braakballen/uitwerpselen/prooiresten) zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie.
Gezien de aanwezige terreintypen en de ligging van het plangebied in het (nieuw)stedelijk gebied van hoofddorp, wordt niet verwacht dat vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen voorkomen op de projectlocatie.
2
In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
8
Bureau Aandacht Natuur
3.3 Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat het plangebied (en omgeving) het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoort zoals huisspitsmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor dergelijke soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (bijlage 1) van toepassing. Daarbij is aan de hand van recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde soorten wezel, hermelijn en bunzing voorkomen in de Haarlemmermeer. Tevens is ook de steenmarter in Noord-Holland bezig aan een opmars en is reeds in verschillende atlasblokken (5x5km) van de Haarlemmermeer waargenomen. Met betrekking tot genoemde (kleine) marterachtigen wordt niet verwacht dat de projectlocatie een belangrijk onderdeel uitmaakt van het leefgebied. Op de projectlocatie is een grondopslag en een ongemaaid grasveld aanwezig. Met uitzondering van de aanliggende singel en de tuin van de Hoofdweg 875, ontbreken er opgaande groenstructuren of andere geschikte landschapselementen op of rond de projectlocatie.
De projectlocatie en aanliggende singel liggen inmiddels ingeklemd tussen de parkeerplaats van een fitness school en de nieuwbouwwijk Tudor Gardens en bevat geen mogelijk verblijfplaatsen voor (kleine) marterachtigen. In de singel zijn geen grondholen of geschikte takkenhopen/boomstronken aangetroffen. Daarbij hebben genoemde soorten een groot territorium van enkele tot soms tientallen hectares bestaande uit bosschages, hagen, slootkanten, singels en andere groenstructuren. Op basis van de aanwezige terreinkenmerken wordt niet verwacht dat de projectlocatie een belangrijk onderdeel zal uitmaken van het leefgebied van marterachtigen. Verder blijf de windsingel gehandhaafd, waarmee een opgaande corridor naar andere groenstructuren in Hoofddorp in tact blijft en niet wordt verwacht dat met het planvoornemen functioneel leefgebied van genoemde soorten wordt aangetast. Verder kan worden verwacht dat vleermuizen voorkomen op en rond het plangebied. Gezien de aanwezige windsingel langs het plangebied kan worden verwacht dat de omgeving onderdeel uitmaakt van een foerageergebied voor vleermuizen. Op basis van het onderzoek voor Tudor Gardens in 2018 (Bureau Aandacht Natuur, 17 aug. 2018), is destijds geconstateerd dat er van grote aantallen of een eventuele vliegroute langs de singel geen sprake was.
Inmiddels is de omgeving verder bebouwd geraakt en is er sprake van een fel verlichte parkeerplaats aan de achterzijde van de singel. Gezien de huidige ontwikkeling wordt dan ook niet verwacht dat de windsingel een belangrijke vliegroute of foerageergebied vormt ten aanzien van vleermuizen. Tevens zijn er in de singel geen bomen met holten geschikt als vleermuisverblijfplaats aangetroffen. Van het verstoren van eventuele vleermuisverblijfplaatsen in de aanliggende singel is dan ook geen sprake. Verder is er geen bebouwing in het plangebied aanwezig en blijven omliggende groenelementen gehandhaafd, waardoor er voor de herinrichting van het plangebied een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen niet noodzakelijk is. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied. 3.4 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie tijdens het veldbezoek. Naast de aanwezigheid van enkele algemeen voorkomende amfibieën zoals gewone pad of bruine kikker, is ook het voorkomen van de 9
Bureau Aandacht Natuur
strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de omgeving van Hoofddorp (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Tijdens het onderzoek voor de ontwikkeling van Tudor Gardens in 2018 (Bureau Aandacht Natuur, 17 aug. 2018), bleek dat de rugstreeppad niet voorkwam binnen het plangebied en de (ruime) omgeving daarvan. Geschikte leefgebied voor rugstreeppad ontbreekt in de huidige situatie. Eventuele voortplantingswateren zijn niet aanwezig op of in de directe omgeving van het plangebied en door de verdere bebouwing en verharding van de omgeving is het niet aannemelijk dat een soort als rugstreeppad zich in de tussentijd heeft gevestigd binnen het plangebied. Ook ten aanzien van de algemeen voorkomende amfibieën, waarvoor een vrijstelling geldt bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer, is in de huidige situatie beperkt geschikt leefgebied aanwezig. Gezien de aanwezige terreintypen wordt dan ook niet verwacht dat de herinrichting een effect zal hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
10
Bureau Aandacht Natuur
4. Resultaten Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van het projectgebied aan de rand van het stedelijk gebied van Hoofddorp en de minimale afstand van 6,7 km, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zijn te verwachten op de Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid. Echter is het mogelijk dat er een extern effect van de plannen wordt ondervonden door de uitstoot van stikstof door een toename van verkeersbewegingen en de tijdelijke bouwwerkzaamheden.
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Beoordeling van stikstofdepositie Om te beoordelen of het planvoornemen effecten heeft op de stikstofdepositie, en daarmee op Natura 2000 gebieden, is het toekomstige gebruik beoordeelt middels het rekeninstrument Aerius. Dit programma berekent hoeveel ruimte er is voor nieuwe (economische) ontwikkelingen, in dit geval de bouw van vier vrijstaande woningen en een twee-onder-één-kapwoning aan de Hoofdweg 875 te Hoofddorp. In verband met de uitbreiding van het aantal woningen is een toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten. De woningen zelf worden gas- en haardloos opgeleverd, waardoor er naast de verkeerstoename geen sprake is van een stikstofuitstoot door de woningen zelf.
Ten behoeve van twee vrijstaande woningen is uitgegaan van de gemiddeld kencijfers van CROW-publicatie 381 en betreffen 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per vrijstaande woning en 8,2 verkeersbewegingen voor iedere twee-onder-éénkapwoning. Met betrekking tot de stikstofuitstoot van verkeerbewegingen bij vier vrijstaande woningen is gerekend met 34,4 verkeersbewegingen per etmaal en 16,4 verkeersbewegingen per etmaal voor de twee-onder-één-kap woningen. Dit komt op een totale toename van 50,8 verkeersbewegingen per etmaal. Tevens zullen door de beoogde graaf- en bouwwerkzaamheden en de hiermee gepaard gaande verkeersbewegingen, sprake zijn van een tijdelijke stikstofuitstoot, en daarmee een mogelijk oorzaak van stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000 gebieden. De bouw neemt zo’n 46 weken in beslag. Met betrekking tot het bouwverkeer wordt uitgegaan van zo’n 3 auto’s per dag (heen en terug) voor personeel en werknemers gedurende 46 11
Bureau Aandacht Natuur
weken, is 1380 verkeersbewegingen per jaar. Voor de berekening is verder uitgegaan van circa 70 verkeersbewegingen met middelzwaar vrachtverkeer (35 vrachtwagens heen en terug) en 50 verkeersbewegingen bestaande uit zwaar vrachtverkeer (25 zware vrachtwagens heen en terug). Voor de bouw van zes woningen op de projectlocatie, is uitgegaan van de inzet van onderstaand materieel, werkduur en brandstofverbruik: Materieel Graafmachine (75-560 kW) Midikraan (<56 kW) Heistelling (75 – 560 kW) Betonpomp (75-560 kW) Telekraan (75-560 kW) Aggregaat (<56 kW)
inzet (draaiuren) 120 120 15 18 32 600
verbruik (liter) 2000 800 300 350 560 750
Tabel 1. Overzicht van de stikstof-emissie in kg/j per onderdeel van de realisatie- en gebruiksfase.
Veranderingen in stikstofbalans Binnen dit planvoornemen zijn de bouwwerkzaamheden van het plan aan te merken als tijdelijke stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000-gebieden. Om te bepalen wat de gevolgen zijn voor de stikstofdepositie van dit plan is onderstaand per onderdeel, de beoogde situatie geïnventariseerd en doorgerekend. 12
Bureau Aandacht Natuur
Tijdelijk (circa 1 jaar) is er sprake van bouwverkeer van en naar de projectlocatie en betreft zwaar vrachtverkeer, middelzwaar vrachtverkeer en licht bouwverkeer (werknemers/ aannemers). Hiertoe zijn de beoogde verkeersbewegingen ingetekend van de projectlocatie tot de dichtstbijzijnde N-of A-weg. De uitstoot van extra stikstof door de verkeersaantrekkende werking en het (tijdelijke) brandstofverbruik van de machines benodigd voor graafwerkzaamheden en nieuwbouw zijn de belangrijkste bronnen van stikstofemissie. In tabel 1 is de totale emissie per onderdeel van de sloop- en realisatiefase weergegeven. Ten aanzien van de gebruiksfase is uitsluitend gerekend met de toename van het aantal verkeersbewegingen, zie tabel 2. De woningen zullen gas- en haardloos worden opgeleverd, waardoor er geen sprake is van een (extra) emissie van de gebruiksfase op de betreffende planlocatie zelf. Tabel 2. Stikstofemissie gebruiksfase uitbreiding woningbouw (verkeersbewegingen)
Ten behoeve van de stikstofberekening zijn zowel de gebruiksfase als de uitvoeringsfase doorberekend. In de bouwfase komt de totale stikstofemissie van het projectplan op 104,4 kg NOx en 1,0 kg NH3 voor het betreffende bouwjaar. De structurele stikstofemissie door de gebruiksfase komt op 19,4 kg NOx per jaar en 1,3 kg NH3 per jaar.
13
Bureau Aandacht Natuur
Middels het programma Aerius is de beoogde situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat er in nabij gelegen Natura 2000 gebieden geen sprake is van een toename van (extra) stikstofdepositie door de beoogde werkzaamheden (uitvoeringsfase) en de gebruiksfase, zie bijlage 2. 4.2 Overige onderdelen gebiedsbescherming Op of langs het projectgebied is er geen sprake van andere onderdelen van de gebiedsbescherming zoals de aanwijzing als NNN, natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap.
14
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de Wet Natuurbescherming verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in of aan de planlocatie. Aan de hand van huidige terreintypen en de groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is het voorkomen van binnen de Wet Natuurbescherming beschermde plantensoorten op de planlocatie niet te verwachten. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming, in verband met het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantensoorten, is dan niet aan de orde. Vogels Op en rond het plangebied zijn uitsluitend enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen en te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen3 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan.
Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn niet aangetroffen binnen of rond het plangebied. Aan de hand van de uiterlijke kenmerken van het plangebied en het ontbreken van mogelijk geschikte nestlocaties in omringende beplantingen en erven, wordt niet verwacht dat vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats een nestlocatie hebben op of in de directe omgeving van het plangebied. Een nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming, in verband met het (mogelijk) voorkomen van jaarrond beschermde vogelsoorten, is dan ook niet noodzakelijk. Zoogdieren Op de projectlocatie kunnen enkele beschermde zoogdieren worden verwacht. In verband met de plannen heeft de voorgenomen nieuwbouw voornamelijk betrekking op de soortgroep van vleermuizen.
Verder worden hoofdzakelijk algemeen voorkomende beschermde soorten verwacht in of rond de projectlocatie, waarvoor een vrijstelling geldt met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Op basis van de ligging en de uiterlijke kenmerken van het plangebied heeft de projectlocatie naar verwachting geen functie als leefgebied van (kleine) marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing of steenmarter. Met betrekking tot genoemde soorten zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen de aanwezigheid van één van deze soorten (uitwerpselen of prooiresten). Ook in de aanliggende singel zijn er geen mogelijke 3
In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
15
Bureau Aandacht Natuur
verblijfplaatsen van marterachtigen aangetroffen. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van marterachtigen niet noodzakelijk. Gezien de ligging van het plangebied en de aanwezige terreintypen wordt niet verwacht dat andere, zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten voorkomen op de projectlocatie. Met betrekking tot andere zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdieren is een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Gezien de situering van de projectlocatie en de aanwezige terreintypen, kan worden verwacht dat het projectgebied van beperkt belang zal zijn voor vleermuizen. Binnen het plangebied en de omliggende groenstructuren zijn geen potentieel geschikte vaste rusten verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. De aanliggende windsingel vormt een lijnvormige groenstructuur. In de oude situatie, voorafgaand aan de nieuwbouw, is uit onderzoek (Bureau Aandacht Natuur, 17 aug. 2018) gebleken dat de singel niet van belang was als vliegroute of belangrijk foerageergebied. Gezien de huidige inrichting van de directe omgeving met o.a. straat- en sportveldverlichting, wordt dan ook niet verwacht dat de singel in 2023 wel van belang is als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen.
Voor de voorgestane herinrichting van het plangebied is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Met uitzondering van enkele algemeen voorkomende amfibieën, worden overige (zwaar) beschermde soorten niet verwacht binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek naar het voorkomen van overige beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen en/of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 5.2 Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie aan de oostzijde van Hoofddorp, de aard van de plannen en de minimale afstand van circa 6,7 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid, zijn er met uitzondering van een stikstofdepositie geen negatieve effecten te verwachten op het Natura 2000 gebieden. Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is dan ook een stikstofdepositie-analyse uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat de stikstofemissie voor de uitvoeringsfase op de projectlocatie door het planvoornemen toeneemt met 104,4 kg NOx en 1,0 kg NH3 voor het betreffende bouwjaar. Voor de gebruiksfase neemt extra stikstofemissie toe met 19,4 kg NOx en 1,3 kg NH3 per jaar. Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid geen overschrijding verkrijgt door de (extra) stikstofdepositie van de beoogde werkzaamheden en de gebruiksfase. Aan de hand van de gehanteerde inzet, zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j, zie bijlage 2. Het plan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats 16
Bureau Aandacht Natuur
en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. De beoogde plannen vinden verder niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) Bijzonder Provinciaal Landschap, de NNN of een natuurverbinding. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de overige aspecten van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is hiermee niet aan de orde. 5.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.
17
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst •
• • • • • •
•
•
• • • • • • • • • • •
Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Herder J., Kranenbarg J., Hoogeboom D., Hamers J., Dekker K., 2012, Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012, Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk.
Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009).
Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/
18
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Wet Natuurbescherming
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.
34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.
Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •
Natura 2000-beheerplannen
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •
Cumulatieve effecten
Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •
Beschermd Natuurmonument
Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.
Bureau Aandacht Natuur
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.
Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •
Beschermingsregime Vogels
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1
1
Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Bureau Aandacht Natuur
Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten
Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.
Bureau Aandacht Natuur
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Beschermingsregime “andere” beschermde soorten
Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort. •
Mitigatie en compensatie
Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd
Bureau Aandacht Natuur
Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •
Vrijstelling
Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.