CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.2 - Quickscan ecologie

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 29 februari 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Vaststelling bestemmingsplan Nieuw-Vennep IJweg 1762 (10363075) - AANGENOMEN (unaniem)6.593 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN IJWEG 1762 TE NIEUW-VENNEP Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 9-3-2021

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Vastgoed Nationaal dhr. A. Koolhaas Korenaarstraat 27 2153 BN Nieuw-Vennep 06 30372387 arjan@vastgoednationaal.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

J. Andringa MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. P.J. Schep ing. S. van Lieshout

Projectcode: Status: Datum:

VNNA2007 Concept 9-3-2021

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

Vastgoed Nationaal is voornemens de bestaande bebouwing in projectgebied ‘IJweg 1762’ in Nie u w -Ve n ne p te amoveren en een zorgvastgoedcomplex te ontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De groenstructuren in het projectgebied kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. De bomenrijen en de watergang direct buiten het projectgebied, maken mogelijk deel uit van essentiële vl i e g ro u te s van vleermuizen. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen w o rd e n vernietigd en kunnen vleermuizen worden verstoord en gedood. Tevens kan foerageergebied van vleermuizen verloren gaan en kunnen foeragerende en passerende individuen van vleermuizen worden verstoord. Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties va n de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren in het projectgebied kunnen dienen als f u n cti o ne e l leefgebied van de huismus en bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten vogels.

Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en functioneel leefgebied van de huismus worden vernietigd en kunnen individuen van de gierzwaluw en de huismus worden gedood. Tevens kunnen algemene soorten broedvogels worden gedood. Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden is een potentieel jaarrond beschermd nest van vog e l s aanwezig in de houtopstanden ten zuidoosten van het projectgebied. Wanneer de geplande werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), kan dit mogelijk leiden tot negatieve effecten op de functionaliteit van een jaarrond beschermd nest en het verstoren van broedvogels. Het projectgebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNN. Derhalve zijn er geen negatieve eff e cte n te verwachten op het NNN. Directe effecten op Natura 2000-gebieden worden niet verwacht, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamh e d e n een effect hebben op Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van foerageergebied en verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Tevens is aanvullend onderzoek naar de aa n w e zi g h ei d van jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en essentieel leefgebied van de huismus in het projectgebied noodzakelijk. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels, dient een aanvullende inspectie o p algemene broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer noodzakelijk alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden.

Het projectgebied is gelegen binnen de door de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer vastgeste l d e bebouwde kom in het kader van de Wet natuurbescherming. Zodoende is toetsing aan de bepalingen u i t d e We t natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding.............................................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ........................................................................................................................................ 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving .................................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming................................................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming..................................................................................................................................... 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ..................................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer...................................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen................................................................................................................ 8 Projectgebied................................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen.............................................................................................................................................. 9

3 Soortbescherming......................................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ..................................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan.................................................................................................................................................. 10 3.2.1 Zoogdieren............................................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels....................................................................................................................................................... 11 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................................. 11 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................................. 11 3.2.5 Vissen .......................................................................................................................................................

12 3.2.6 Ongewervelden ....................................................................................................................................... 12 3.2.7 Vaatplanten.............................................................................................................................................. 12 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ...................................................................... 12 3.3 Effecten ........................................................................................................................................................ 12 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ......................................................................................................................... 12 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .............................................................. 13 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ......................................................................................... 13 3.4.2 Mitigerende maatregelen....................................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming ..................................................................................................... 14 4 4.1

Gebiedsbescherming ................................................................................................................................... 15 Effecten ........................................................................................................................................................ 15

5 5.1 5.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................... 17 Conclusies ................................................................................................................................................... 17 Aanbevelingen............................................................................................................................................. 17

6 Literatuur ......................................................................................................................................................... 19 Bijlage 1: Foto-impressie......................................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten....................................................................................................... 21

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL Vastgoed Nationaal is voornemens de bestaande bebouwing in projectgebied ‘IJweg 1762’ in Nie u w -Ve n ne p te amoveren en een zorgvastgoedcomplex te ontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadvise e rd o ve r d e vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is. Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Haarlemmermeer. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherm i ng zi j n er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habita ts van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De af sp ra ke n zi j n vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af va n d e mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden e n voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatre ge l en tre f t o m die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te verniele n of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is o p de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 va n d e We t natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bi j l a g e I b i j het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van d e We t natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de so o rte n , genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, ind i e n i s voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zi j n o p d e aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving va n d e projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de provincie Noord-Holland in de gemeente Haarlemmermeer in kilometerhok: X: 101 / Y: 475 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied betreft een kavel aan de IJweg 1762 te Nieuw-Vennep. Op de kavel is een uit baksteen opgetrokken woning aanwezig, waarin tevens een schuur aanwezig is. De woning heeft een zadeldak, dat is voorzien van dakpannen. In de woning is tevens een zolder aanwezig. Ten noorden van de woning is een uit baksteen opgetrokken stallencomplex aanwezig. Het stallencomplex heeft een zadeldak dat is voorzien va n e e n golfplaten dakbekleding. Aan de binnenzijde van de muren van het stallencomplex zijn isolatiepanelen van piepschuim aanwezig. Aan weerszijden van de oprijlaan is intensief beheerd gazon aanwezig, waar op meerde re locaties struweel is aangeplant. Direct ten noorden van het projectgebied is een uit baksteen opgetrokken woonhuis gesitueerd. Het zadeldak van het woonhuis is voorzien van dakpannen. Langs de zuidwestelijke en zuidoostelijke grens van het projectgebied is een watergang aanwezig, waarvan de oevers met riet zijn begroe i d . Direct ten zuidoosten van het projectgebied is een perceel met houtopstanden aanwezig. Langs de IJweg ten noordwesten en langs de watergang ten zuidwesten van het projectgebied, is een bomenrij van de gewone es aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

8

2.2

ONTWIKKELINGEN De bebouwing in het projectgebied zal worden geamoveerd, waarna het projectgebied bouwrijp zal worden gemaakt en het nieuwe zorgvastgoedcomplex zal worden gerealiseerd. Op afbeelding 2 en 3 zijn de huidige situatie en de geplande ontwikkeling weergegeven.

Afbeelding 2: Huidige situatie

Afbeelding 3: Geplande ontwikkeling

9

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgege ve ns geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebi e de n . Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebra ch t. U i t h e t bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn u i t de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectge b i e d te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij beste n d i g beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit a rti ke l 3 .1 0 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkza a m h e d e n indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog so o rte n worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsg e vo n d e n op 15 februari 2021 en is uitgevoerd door ing. P.J. Schep. Het weer ten tijde van de habitatscan was geheel bewolkt, met een temperatuur van 2 °C en een windkracht van 2 Beaufort. 3.2.1

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. In de woning is een spouwmuur aanwezig, welke via open stootvoegen toegankelijk is voor vleermuizen. Tevens zijn er ruimtes onder de kantpannen van de woning aanwezig. De spouwmuur en het pannendak bieden geschikte verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, m e e rvl ee rmu is e n d e ruige dwergvleermuis. Tevens biedt de zolder van de woning geschikte verblijfplaatsen voor de gewone grootoorvleermuis. Het stallencomplex is niet voorzien van een spouwmuur. Wel zijn er ruimtes in de g e ve l s va n het stallencomplex aanwezig, waardoor de bebouwing toegankelijk is voor vleermuizen. In het stallencomplex zijn ruimtes aanwezig onder de piepschuim isolatiepanelen, welke tegen de muur aan zijn bevesti g d . D e ze ru i m te s bieden geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen (zie afbeelding 4). De groenstructuren in het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebied van vleermuize n . D e bomenrijen en de watergang direct buiten het projectgebied, maken mogelijk deel uit van essentiële vl i e g ro u te s van vleermuizen.

10

Afbeelding 4: Ruimtes onder isolatiepanelen

Afbeelding 5: Potentieel jaarrond beschermd nest

In de omgeving van het projectgebied is het damhert bekend voor te komen. De soort komt voor in de duingebieden tussen Noordwijk en Zandvoort. In het projectgebied is geen geschikt habitat voor het damhert aanwezig, waardoor de soort niet verwacht wordt voor te komen. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de kleine marterachtigen de bunzing, hermel ij n e n de wezel bekend. In het intensief beheerde gazon zijn geen (muizen)holen waargenomen die ku n n e n f u ng e ren als verblijfplaats voor de wezel. Andere potentieel geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen zijn eveneens niet in het projectgebied waargenomen. Beschermde functies van de bunzing, hermelij n e n d e w e ze l worden derhalve niet in het projectgebied verwacht.

3.2.2

VOGELS

Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties va n de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren in en direct buiten het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. In de groenstructuren binnen 50 meter van het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest voor vogels aanwezig, welke geschikt is als nestlocatie voor de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer. Het nest (zie afbeelding 5) bevindt zich op circa vijf meter hoogte in een grauwe abeel, welke in de houtopstanden ten zuidoosten van het projectgebied is gesitueerd. Op circa 500 meter ten zuidoosten van het projectgebied zijn twee waarnemingen bekend van de kerkuil. In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van individuen van de steenuil bekend. Tijdens de habitatscan zijn in de bebouwing binnen het projectgebied geen openingen waargenomen die voor de ke rku i l e n de steenuil toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. Tevens zijn er in de bebouwing geen sporen of individuen van uilen waargenomen. Jaarrond beschermde nesten van de kerkuil en de steenuil worden derhalve n i e t i n h e t projectgebied verwacht. Aan de zuidelijke kopgevel van de schuur is een nestkast aanwezig, welke geschikt is als nestlocatie voor de torenvalk.

De groenstructuren in het projectgebied en de watergang direct buiten het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten broedvogels, zoals de houtduif, merel en de wilde eend.

3.2.3

AMFIBIEËN

Op 3,75 kilometer ten noorden van het projectgebied is een waarneming van de rugstreeppad bekend. In het projectgebied is geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig. De watergang d i re ct b u i te n het projectgebied is niet visvrij en tevens te diep om geschikt te zijn als voortplantingswater van de rugstreeppa d . Geschikt landbiotoop is eveneens niet aanwezig. De rugstreeppad wordt derhalve niet verwacht voor te komen i n de directe omgeving van het projectgebied.

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied is een waarneming van de muurhagedis bekend. De waarneming b e vi n d t zich ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort en het betreft vrijwel zeker een uitgezet in d i vi d u . In het projectgebied is geen geschikt habitat voor de muurhagedis aanwezig, waardoor deze niet verwacht w o rd t voor te komen.

11

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde soorten vissen bekend voor te komen. In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het voorkomen van beschermde soorten vissen is uitgesloten. De naastgelegen watergang biedt geen geschikt habitat voor beschermde soorten vissen.

3.2.6

ONGEWERVELDEN

Op circa 4,4 kilometer ten westen van het projectgebied is de platte schijfhoren bekend voor te komen . D e so o rt komt voor in zoet en helder water met een rijke begroeiing en wordt met name aangetroffen in wateren met draadalgvegetaties en krabbescheer of op de wortels van lisdodde en andere oevergebonden planten. De watergang direct buiten het projectgebied is deels begroeid met riet en maakt mogelijk onderdeel uit van geschi kt habitat voor de platte schijfhoren. Het voorkomen van de platte schijfhoren direct buiten het projectgebied kan derhalve niet worden uitgesloten.

3.2.7

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de muurbloem en de wilde ridderspoor bekend voor te komen. De muurbloem groeit alleen op oude muren gebouwd met zachte kalkspecie. Vanwege een gebrek aan geschikte standplaatsen in het projectgebied wordt de muurbloem niet verwacht. De wilde ridderspoor komt alleen op voedselarme grond voor, veelal in Natura 2000-gebied. In het projectgebied zijn geen geschikte standplaatsen voor de soort aanwezig, waardoor deze niet in het projectgebied verwacht wordt voor te komen.

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten vo o r te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Struweel en bomen

Broedvogels cat. 1 t/m 4

Jaarrond beschermd nest

Artikel 3.1 (VR)

Gierzwaluw

Jaarrond beschermde nesten

Artikel 3.1 (VR)

Houtopstanden direct ten zuidoosten van projectgebied Ruimtes onder pannendak

Huismus

Jaarrond beschermde nesten Functioneel leefgebied

Artikel 3.1 (VR)

Ruimtes onder pannendak Groen rond bebouwing

Platte schijfhoren

Leefgebied

Artikel 3.5 (HR)

Vleermuizen

Verblijfplaats(en) Foerageergebieden Vliegroutes (essentieel)

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Watergang direct buiten projectgebied Bebouwing spouwmuur/dakrand Groenstructuren en watergang Bomenrijen en watergang

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen ku n n e n worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing va n de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven w a a r g e e n effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Tijdens de geplande werkzaamheden zal de watergang direct ten westen en ten zuiden van het projectgebied onaangetast blijven. Negatieve effecten op beschermde functies van de platte schijfhoren worden als gevol g va n de geplande werkzaamheden niet verwacht.

12

Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de broedvogels binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden. Dit kan tevens leiden tot verstoring van vleermuizen in de bebouwing in het projectgebied. Indien er in de actieve periode van vleermuizen (globaal april – november) gebruik wordt gemaakt van nachtelijke verlichting, kan dit leiden tot verstoring van passerende en foeragerende vleermuizen. Permanente effecten Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties va n de gierzwaluw en de huismus aanwezig. Als gevolg van de geplande ontwikkeling, kunnen jaarrond besche rmd e nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus worden vernietigd en kunnen individuen van de gierzwaluw e n d e huismus worden gedood. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernieti gd e n ku n n e n vleermuizen worden gedood. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels, kunnen nesten van algemene broedvogels worden aangetast en vernietigd en kunnen broedvogels worden gedood.

Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene broedvogels

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Broedvogels (cat. 1 t/m 4)

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Huismus

Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Vleermuizen

Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Gierzwaluw

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden zijn mogelijk functies voor beschermde vl e e rmui ze n en jaarrond beschermde broedvogels aanwezig. Of en waar deze zich bevinden is nog onbekend. H e t i s a a n te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus en functioneel leefgebie d va n de huismus. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden is een potentieel jaarrond beschermd nest van vog e l s aanwezig in de houtopstanden ten zuidoosten van het projectgebied. Wanneer de geplande werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), kan dit mogelijk leiden tot negatieve effecten op de functionaliteit van een jaarrond beschermd nest van vogels en het verstoren van broedvogels. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, ransu i l en de sperwer derhalve noodzakelijk alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden.

13

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. -

Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden;

-

De groenstructuren in het projectgebied dienen mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen. De bomenrijen en de watergang direct buiten het projectgebied maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebieden en essentiële vliegroutes van vleermuizen. Om verstoring van foerageergebieden e n vliegroutes van vleermuizen te voorkomen, is het noodzakelijk dat het gebruik van nachtelijk diffuus li ch t in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart – november) wordt vermeden;

-

Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw aanwezig in de bebouwing in het projectgebied. De groenstructuren rondom de bebouwing in het projectgeb i e d m a ke n mogelijk onderdeel uit van functioneel leefgebied van de huismus. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde functies zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden;

-

Direct ten zuidoosten van het projectgebied is mogelijk een jaarrond beschermde nestlocatie aanwezig in een boom die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevindt. Indien de werkzaa m h e d en plaatsvinden in het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), is onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer noodzakelijk. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden;

-

Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. In d i e n werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen;

-

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat e r g e b ru i k wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling;

-

De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardo o r aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

3.4.3

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand n i e t worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies o f d i e re n i n h e t projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten mogelijk met de werkzaamheden gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

14

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 5,8 kilometer ten westen van het projectgebied en betreft ‘Kennemerland-Zuid’ (afbeelding 6 ). Direct ten zuiden van het projectgebied is een zone van het NNN gelegen (afbeelding 7). Dit betreft Park N i e u w Vennep.

Afbeelding 6: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (maps.noord-holland.nl)

Afbeelding 7: Projectgebied ten opzichte van het NNN (maps.noord-holland.nl)

4.1

EFFECTEN In het projectgebied zijn geen zones van het NNN aanwezig. Derhalve zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stiksto f i s onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase en de emissie in de gebruiksfase. Tijdens de bouwfase is een tijdelijke toename van stikstofemissies te verwachten. Dit wordt veroorzaakt door een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied en de inzet van mobiele werktuigen. De gebruiksfa se zal mogelijk een verhoging van stikstofemissies teweegbrengen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat d e stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden niet boven de waarde van 0,00 mol/ha/jaar uit zal komen. Er is een

15

berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te g e ve n o f de werkzaamheden een negatief effect hebben op Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’.

16

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5.1

CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De groenstructuren in het projectgebied kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. De bomenrijen en de watergang direct buiten het projectgebied, maken mogelijk deel uit van essentiële vl i e g ro u te s van vleermuizen. Onder het pannendak van de bebouwing in het projectgebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. De groenstructuren in het projectgebied kunnen dienen als functioneel leefgebied van de huismus en bieden geschikt broedbiotoop voor algemene soorten vogels. Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden is een potentieel jaarrond beschermd nest van vog e l s aanwezig in de houtopstanden ten zuidoosten van het projectgebied. Wanneer de geplande werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), kan dit mogelijk leiden tot negatieve effecten op de functionaliteit van een jaarrond beschermd nest en het verstoren van broedvogels. Het projectgebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNN. Derhalve zijn er geen negatieve eff e cte n te verwachten op het NNN. Directe effecten op Natura 2000-gebieden worden niet verwacht, gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden.

Indirecte effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamh e d e n een effect hebben op Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Het projectgebied is gelegen binnen de door de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer vastgeste l d e bebouwde kom in het kader van de Wet natuurbescherming. Zodoende is toetsing aan de bepalingen u i t d e We t natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

5.2

AANBEVELINGEN Onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en functioneel leefgebied van de huismus wordt noodzakelijk geacht alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient gericht te zi j n op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Indien de werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen van vogels, is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en de sperwer noodzakelijk alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt Jaarrond beschermde nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt

Binnen de periode 15 maart – 31 augustus Binnen de periode 15 maart – 31 augustus

Nesten

1 juni – 15 juli

Huismus

Nesten en functioneel leefgebied

1 april – 15 mei

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei – 15 juli

Vleermuizen

Paarverblijfplaats(en) en zwermplaatsen

15 augustus – 1 oktober

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december – 28 februari

Vleermuizen

Foerageergebieden en vliegroutes

15 april – 1 oktober

Broedvogels cat. 1 t/m 4 Gierzwaluw

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van nachtelijk diffuus licht in de acti e ve p e ri o d e van vleermuizen (globaal maart – november) te worden vermeden. Indien de geplande werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart – 31 augustus), dient een aanvullende inspectie op nesten van algemene broedvogels door een ecoloog te worden

17

uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

18

6

LITERATUUR

BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gewone grootoorvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument kerkuil, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus, Soortinventarisatieprotocol in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020). Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/ www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

19

Bijlage 1:

Foto-impressie

`

20

Bijlage 2:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 101/475 Soortgroep Naam Bescherming

Afstand

Amfibieën

bastaardkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

gewone pad1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

kleine watersalamander 1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 5km

Reptielen

muurhagedis

HR IV & Bern II

< 5km

Vaatplanten

muurbloem

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

wilde ridderspoor

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 3km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 5km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 3km*

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 2km*

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km*

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 5km

Vogels

ekster

Cat. 5

< 5km

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 4km*

Vogels

huismus

Cat. 2

< 4km*

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 4km*

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 5km

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 5km

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 5km

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

bosmuis 1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

damhert

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

egel 1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

haas 1

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

hermelijn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

konijn1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

molmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

ree1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

vos 1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

wezel

Wnb A

< 5km

Zoogdieren woelrat1 Wnb A * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling

< 5km

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=2ebb4d7c-9074-4371-b2ea-b4bb12ef4b1b