CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 02 - Was-wordt lijst verordening sociaal domein 2024

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 4 juli 2024, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Verordening Sociaal Domein Gemeente Haarlemmermeer 2024 (11048268) - AANGENOMEN8.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was-wordt lijst Verordening Sociaal Domein Gemeente Haarlemmermeer 2024 Met in begrip van een klein aantal wijzigingen vanuit de Wmo 2015, Jeugdwet 2015 en de Participatiewet (met een belangrijk accent op het onderdeel Breed Offensief (artikelen 33 t/m 44).

Was

Wordt

Artikel 8. Inhoud beschikking

Artikel 8. Inhoud beschikking

1.

2.

3.

Het college legt de toe te kennen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. In de beschikking tot het toekennen van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. de manier waarop de voorziening wordt verstrekt; en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn; en e. indien van toepassing: of de voorziening al dan niet als

1. Het college legt de toe te kennen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 2. In de beschikking tot het toekennen van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. de manier waarop de voorziening wordt verstrekt; en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn; en e. indien van toepassing: of de voorziening al dan niet als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. Indien aan de orde, wordt de cliënt in de toekenningsbeschikking geïnformeerd over een te betalen bijdrage. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

c. d.

Indien aan de orde, wordt de cliënt in de toekenningsbeschikking geïnformeerd over een te betalen bijdrage. 4.

e.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en de berekening van de hoogte van het pgb; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. dat de cliënt de voorziening of het pgb binnen drie maanden gebruikt en niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd, en f. de wijze waarop de cliënt verantwoording over de besteding van het pgb aflegt.

f.

Artikel 9. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet (Toezicht)

wat de hoogte van het pgb is en de berekening van de hoogte van het pgb; wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; dat de cliënt de voorziening of het pgb binnen drie maanden na dagtekening van de toekenningsbeschikking gebruikt en niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd, en de wijze waarop de cliënt verantwoording over de besteding van het pgb aflegt.

Artikel 9. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet (Toezicht) 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over rechten en plichten die 2

1.

2.

3.

Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet, artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 en artikel 17 van de Participatiewet doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet, artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 en artikel 54 lid 3 van de Participatiewet kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijk herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet, artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 en artikel 17 van de Participatiewet doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet, artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 en artikel 54 lid 3 van de Participatiewet kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of ge- deeltelijk herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de individuele voorziening of op het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb; e.

de cliënt de voorziening of het pgb niet binnen 3 maanden na dagtekening van de toekenningsbeschikking gebruikt of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd;

3

b.

c.

d.

e.

de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de individuele voorziening of op het pgb is aangewezen; de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb; de cliënt de voorziening of het pgb niet binnen 3 maanden gebruikt of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd;

Artikel 22 Dyslexiezorg 1. Dyslexiezorg is beschikbaar voor de doelgroep jeugdigen van 7 tot 13 jaar, in het basisonderwijs waarbij er sprake is van ernstige dyslexie. Dit betreft een stoornis in het verwerken van taal specifieke informatie, wat leidt tot een ernstige beperking bij het lezen en spellen zoals omschreven in de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'. 2. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie;

b.

Artikel 22 Dyslexiezorg 1. Dyslexiezorg is beschikbaar voor de doelgroep jeugdigen vanaf 7 jaar, die basisonderwijs volgen waarbij er sprake is van ernstige dyslexie. Dit betreft een stoornis in het verwerken van taal specifieke informatie, wat leidt tot een ernstige beperking bij het lezen en spellen zoals omschreven in de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'. 2. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b.

behandeling van ernstige dyslexie. 3.

3. De toegang tot dyslexiezorg bij ernstige dyslexie is als volgt geregeld:

4

behandeling van ernstige dyslexie.

De toegang tot dyslexiezorg bij ernstige dyslexie is als volgt geregeld:

a.

Het college kent een individuele voorziening voor diagnostisch onderzoek toe om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie;

a.

Het college kent een individuele voorziening voor diagnostisch onderzoek toe om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie;

b.

Indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie kent het college een individuele voorziening voor behandeling toe;

b.

Indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie kent het college een individuele voorziening voor behandeling toe;

c.

Het college neemt het besluit als bedoeld in lid 2 sub a van dit artikel op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de gecontracteerde dyslexieaanbieder na een controle door de dyslexieaanbieder op basis van de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'.

c.

Het college neemt het besluit als bedoeld in lid 2 sub a van dit artikel op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de gecontracteerde dyslexieaanbieder na een controle door de dyslexieaanbieder op basis van de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'.

c. d.

a. b.

4.

4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot ernstige dyslexiezorg aangaande de inhoud van de individuele voorziening, de toegang daartoe, de doelgroep en de eisen waaraan het leerlingendossier dan wel de schoolanamnese moet voldoen. Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot ernstige dyslexiezorg aangaande de inhoud van de individuele voorziening, de toegang daartoe, de doelgroep en de eisen waaraan het leerlingendossier dan wel de schoolanamnese moet voldoen.

Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering (rood toevoegen en verwijderen)

1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

e. f.

1. Het college hanteert voor de uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering (gecertificeerde instelling, GI) de landelijk opgestelde tarieven. g. 2. h. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: 5

i. j.

d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van het personeel.

a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; k. c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; l. d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en m. e. kosten voor bijscholing van het personeel. artikel 26 lid 4. Afwijzen van een individuele voorziening Een individuele voorziening wordt afgewezen indien de voorziening reeds is ingezet of aangeschaft voor een melding bij het college is gedaan, tenzij: a. de voorziening nodig was voor een acute situatie; b. het college daarvoor ten tijde van de melding (dus nog voor aan vraag of tussen aanvraag en besluit) schriftelijk toestemming heeft gegeven of c. de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

artikel 26 lid 4. Afwijzen van een individuele voorziening Een individuele voorziening wordt afgewezen indien de voorziening reeds is ingezet of aangeschaft voor een melding bij het college is gedaan, tenzij: a. alsnog is na te gaan dat de voorziening noodzakelijk is; en b. de voorziening daadwerkelijk is ingezet en c. het niet verwijtbaar is aan de inwoner dat niet eerder de melding is gedaan.

Artikel 33 Begrippen Artikel 33. Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. wet: de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; d. beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; e. recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de Participatiewet; f. bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Participatiewet;

Artikel 33 Definities Artikel 33. Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. beschut werk; werk in een beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet; c. beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; d. bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet; e. bijstandsnorm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, of

6

g. verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet; h. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; i. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; j. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum; k. bijstandsnorm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; I. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; m.

Participatieraad: de Participatieraad als bedoeld in de Verordening Participatieraad gemeente Haarlemmermeer 2019.

2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; f. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; g. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; h. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op werkplek; i. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen uit de doelgroep en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; j. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; k. loonkostensubsidie: zoals bedoeld in artikel 10c en 10d van de wet; l.

overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; m. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10 da van de wet; n. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; o. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; p. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum; q. recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de wet; r. verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de wet;

7

s.

voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; t. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; u. werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; v. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; w. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen x. wet: de Participatiewet;

Paragraaf 4.1. Re-integratie

Paragraaf 4.1 Re-integratie

Artikel 35 Aanspraak op ondersteuning

Artikel 35 Evenwichtige verdeling en evaluatie

1.

1.

Het college kan een voorziening, bedoeld in artikelen 37, 38, en/of 39 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college kan een voorziening, bedoeld in artikelen 37, 38, en/of 39 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

2. 3.

4. 8

Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling van arbeid. Het college kan een voorziening, bedoeld in artikelen 37, 38, 39, 40 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep. Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

b.

de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

n.

5. 6. 7.

8.

a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort wordt vastgesteld aan de hand van een gevalideerde loonwaarde-methodiek. Het college informeert de gemeenteraad in ieder geval jaarlijks via de Planning en Control Cyclus over de resultaten van het beleid. Het college kan een budgetplafond instellen voor de hoogte van de re-integratievoorziening en het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke re-integratievoorziening. Het college beoordeelt bij de inzet van re-integratie voorzieningen of er geen sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt.

Artikel 36 Algemene bepalingen over voorzieningen

Artikel 36 Algemene bepalingen over voorzieningen

1.

1.

2. a.

b.

c.

d.

Het college stelt ter nadere uitvoering van dit hoofdstuk beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit hoofdstuk geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de wet; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een of meer in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

Het college stelt ter nadere uitvoering van dit hoofdstuk beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit hoofdstuk geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Het college kan een voorziening weigeren als: o. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; p. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; q. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; r. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of s. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening

9

e. f. g.

de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in dit hoofdstuk worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

b. c.

d. e. f. g.

Artikel 37. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. een scholingstraject moet bijdragen aan een (duaal) re-integratietraject; b. de scholing is altijd ter ondersteuning van het traject om de rechthebbende duurzaam te laten uitstromen naar werk, bijvoorbeeld door middel van het behalen van een startkwalificatie.

oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een of meer in dit hoofdstuk genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, punt 2 van de wet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in dit hoofdstuk van de verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 4. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon.

Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet.

Artikel 37. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. een scholingstraject moet bijdragen aan een (duaal) re-integratietraject; b. de scholing is altijd ter ondersteuning van het traject om de rechthebbende duurzaam te laten uitstromen naar werk, bijvoorbeeld door middel van het behalen van een startkwalificatie.

10

3.

De scholing kan bestaan uit kortlopende opleidingen of trainingen met als doel te kunnen instromen in de door rechthebbende beoogde bedrijfssector.

3.

De scholing kan bestaan uit kortlopende opleidingen of trainingen met als doel te kunnen instromen in de door rechthebbende beoogde bedrijfssector.

Artikel 38 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.

Artikel 38 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De scholing, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, bestaat uit een kortdurende opleiding of cursus van maximaal één jaar en is gericht op arbeidsinschakeling. 4. De hoogte van de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet, wordt gedifferentieerd naar gelang het aantal uren dat een persoon werkzaamheden verricht op een participatieplaats en wordt uitbetaald per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van (structurele) begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 36, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 4.2B. Nieuw: Artikel 40. Sociale Activering (niet in het kader van Breed Offensief, wel nieuw) 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

t.

11

3.

Artikel 41a. Beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2. Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Sinds januari 2017 is het mogelijk dat de personen uit de doelgroep zelf een advies beschut werk aanvragen bij UWV. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. AM match is verantwoordelijk voor het aanbieden van de ondersteunende voorzieningen. 4. Het college biedt beschut werk conform de raming van het aantal beschut werkplekken dat jaarlijks bij ministeriële regeling voor de deelnemende gemeenten wordt bepaald.

In het geval van een wachtlijst de personen met een positief UWV advies voor wie in een jaar geen plek is in het volgende jaar met voorrang geplaatst. Gedurende de wachttijd kunnen die personen op de wachtlijst gebruik maken van andere voorzieningen als vrijwilligerswerk, werkstage en dagbesteding. 5. Indien het aantal geraamde beschut werkplekken is gerealiseerd maar er zijn meer personen met een positief advies beschut werk, kan het college besluiten om additionele werkplekken aan te bieden.

Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 41. Beschut Werk /dit was artikel 41a (herschreven) niet Breed Offensief) 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep; of b. een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het college de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3. Het college kan de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. sociale activering; b. arbeidsmatige dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

12

Artikel 42. Tijdelijke loonkostensubsidie (nieuw in verordening, was in beleidsregels, tekst aangepast (niet Breed Offensief) 1. Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie anders dan bedoeld dan in paragraaf 4.2 (Specifieke bepalingen Doelgroep Breed Offensief) in de vorm van een vast bedrag verstrekken aan de werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit of beoogt te sluiten met een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt die: a. een uitkering heeft voor levensonderhoud b. een niet uitkeringsgerechtigde die werkzoekend is. 2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 3. Voor de tijdelijke loonkostensubsidie gelden de volgende voorwaarden: a. de werkgever biedt enige scholing en/of gerichte begeleiding; b. de arbeidsovereenkomst wordt gesloten met een arbeidstijd van minimaal 16 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden; een tijdelijke loonkostensubsidie wordt niet langer ingezet dan 12 maanden.de loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien de werkgever aanspraak kan maken op een loonkostensubsidie naar loonwaarde of forfaitaire loonkostensubsidie. u.

Nieuw Artikel 43 Proefplaats was bij ons in beleidsregels, nieuwe tekst in het kader van Breed Offensief 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaats is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie om de arbeidsinschakeling bij de werkgever te bevorderen. 3. De proefplaats duurt maximaal 2 maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 4. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; 13

b.

5.

6.

7.

8.

Paragraaf 4.2 Loonkostensubsidie

het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. De proefplaats wordt alleen verlengd wanneer dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is om tot een structurele plaatsing bij de werkgever te komen. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 4.2B

Paragraaf 4.2 Specifieke bepalingen Doelgroep Breed Offensief v.

Paragraaf 4.2A Administratief proces loonkostensubsidie w.

Artikel 44a. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de

14

3.

4.

5.

aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. Het college neemt contact op met de werkgever voor een zorgvuldig vervolg van het proces. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie de werkwijze in acht in het kader van het preferente werkproces loonkostensubsidie, als bedoeld in de bekendmaking van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021 van 23 februari 2021 (Staatsblad 2021, nummer 113).

Paragraaf 4.2B Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 40. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt het college in elk geval opga ven en inlichtingen van de beoogde werknemer en van of namens de werkgever op basis van hun praktijkervaringen, bijvoorbeeld tijdens een participatieplaats of proefplaatsing. 4. Bij de vaststelling neemt het college in aanmerking of sprake is van beperkingen van lichamelijke, verstandelijke, psychische of andere aard die naar verwachting leiden tot een arbeidsprestatie met een loonwaarde tussen 30% en 80% van het wettelijk minimumloon.

Artikel 44b. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon in de doelgroep met een extra begeleidingsbehoefte. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van acht uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

15

f.

g.

Artikel 41. Vaststelling loonwaarde Het college besluit in samenspraak met de colleges van de arbeidsmarktregio en het UWV welke methode wordt gehanteerd voor de vaststelling van de loonwaarde en draagt zorg voor de bekendmaking van een adequate en actuele beschrijving van deze methode. Het college stelt de raad binnen vier weken in kennis van zijn besluit en van de beschrijving van de methode van loonwaardebepaling.

er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van (gedeeltelijke) uitstroom naar werk.

Artikel 44c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 4. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 5. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Artikel 44d. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.

Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;

16

c. d. e.

2.

de duur en intensiteit van de ondersteuning; de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft.

Artikel 44e. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Als voorzieningen waarvoor het college zorgdraagt in het kader van de noodzakelijke persoonlijke ondersteuning bij werk, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet en begeleiding op de werkplek, als bedoeld in artikel 10da van de wet worden onderscheiden: a. jobcoaching: noodzakelijke methodische ondersteuning bij werk van een persoon in de doelgroep en van medewerkers die met diegene samenwerken door een erkend deskundige, als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de wet; b. interne werkbegeleiding: noodzakelijke bijzondere ondersteuning bij werk die aan de persoon in de doelgroep wordt gegeven door een of meer medewerkers die met diegene samenwerken. 2. De in het eerste lid genoemde vormen van ondersteuning kunnen ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats. Artikel 44f. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen vier weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.

Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.

17

Artikel 44g. Jobcoaching 1. Degene die in opdracht van het college jobcoaching in natura verleent of jobcoaching uitvoert waarvoor het college subsidie verleent, moet hiervoor aantoonbaar deskundig zijn, dan wel hiertoe in opleiding zijn. De deskundigheid blijkt uit de in de toelichting genoemde keurmerken. 2. Het college hanteert bij de verstrekking van een subsidie voor het organiseren van jobcoaching een basisregime, zoals vermeld in de leden drie en vier, dat in de meeste situaties toereikend en passend is te achten gedurende een periode van zes maanden, waarbij de mogelijkheid bestaat hiervan af te wijken indien meer of minder intensieve jobcoaching noodzakelijk is. 3. Bij aanvang van een dienstverband kan een basisregime van 24 uur voor de eerste zes maanden worden gehanteerd en na deze zes maanden een basisregime van 12 uur per zes maanden. 4. De noodzaak van jobcoaching wordt telkens voor een periode van zes maanden beoordeeld. 5. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 6. Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien.

Artikel 44h. Jobcoaching in natura 1. Jobcoaching in natura kan worden gerealiseerd door een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij de gemeente of in opdracht van de gemeente. Jobcoaching in natura kan door het college op aanvraag of ambtshalve worden verleend. 2. Bij de aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 44b tot en met 44g van overeenkomstige toepassing.

18

Artikel 44i. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 44b tot en met 44g, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Subsidieverstrekking is mogelijk voor jobcoaching die door de werkgever wordt georganiseerd met een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij de werkgever of in opdracht van de werkgever.

Subsidie voor het organiseren van jobcoaching voor een werknemer die behoort tot de doelgroep wordt door het college verleend op een aanvraag die door de werkgever of mede door de werkgever is ingediend, indien het college jobcoaching voor de werknemer noodzakelijk acht. Het college kan in de beleidsregels uitwerken: a. de wijze waarop de kwaliteit van de jobcoaching wordt geborgd; b. het bepalen van de hoogte van de subsidie in het basisregime en de wijze waarop hiervan kan worden afgeweken; c. de wijze waarop de werkgever verantwoording aflegt over de georganiseerde jobcoaching; d. de wijze waarop de subsidie wordt vastgesteld. Artikel 44j. Integrale ondersteuning en voortgezette persoonlijke ondersteuning

19

1. De erkend deskundige die jobcoaching uitvoert in dienst of in opdracht van de werkgever, kan met instemming van het college, de werknemer en de werkgever mede ondersteuning bieden aan een persoon in de doelgroep: a. gericht op het vinden van werk; b. in het kader van integrale ondersteuning, als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, onder 1o, van de wet; c. met het oog op voortgezette persoonlijke ondersteuning bij de overgang van werk naar werk, van werk naar onderwijs en van onderwijs naar werk, als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, onder 2o, van de wet. 2. Het vorige lid is met instemming van het college en de werkgever van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de erkend deskundige die jobcoaching in natura uitvoert. Artikel 44k. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3.

Het college kan beleidsregels uitwerken met betrekking tot de leden 1 en twee. Paragraaf 4.2C Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 44l. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

20

a.

de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 44m. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Recht op de in het eerste lid beschreven voorziening voor inwoners met een visuele handicap bestaat tot het moment dat de beoordeling, verstrekking en bekostiging van deze voorziening wordt overgenomen door het UWV. 3. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt. Artikel 44n. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2.

Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt. Artikel 44o. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product

21

als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. Artikel 46. Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners. 2. Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die: a. op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten; b. b. op de peildatum of in de 12 maanden daaraan voorafgaand in een WLZ-inrichting, RIBW inrichting of een andere instelling bedoeld voor beschermd wonen verbleven, niet zelfstandig wonen en geen vaste woonkosten- en/of woonlasten hebben.

Artikel 46. Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners. 2. Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die: a. op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten; b. op de peildatum of in de 12 maanden daaraan voorafgaand in een WLZ-inrichting, RIBW inrichting verbleven. Artikel 47. Hoogte individuele inkomenstoeslag De hoogte van de individuele inkomenstoeslag voor een alleenstaande en gehuwden is gelijk aan 40% van de van toepassing zijnde netto bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, naar boven afgerond op hele tientallen. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag voor een alleenstaande ouder is gelijk aan 90% van de van toepassing zijnde netto bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag voor gehuwden. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt jaarlijks in januari bekend gemaakt en geldt voor het gehele kalenderjaar.

Artikel 47. Hoogte individuele inkomenstoeslag (de hoogte blijft in 2024 hetzelfde als in 2023) De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is opgenomen in het Financieel Besluit Sociaal Domein gemeente Haarlemmermeer 2024. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt jaarlijks in januari bekend gemaakt en geldt voor het gehele kalenderjaar. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Voor toepassing van het tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Voor toepassing van het tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

22

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=dad7ff4a-86cb-424b-8667-331a47635b36