6423-243289-64-R01_v3.0
Tekst van het document
bestudering zak/drijflagen en/of verontreinigingen met (gechloreerde) koolwaterstoffen
Verticale verspreiding van (aromatische) koolwaterstoffen
◼
ROST (Rapid Optical Screening Tool)
bestudering zak/drijflagen en/of verontreinigingen met (aromatische) koolwaterstoffen
◼
niet-stationaire grondwatermodellen
◼
ontwerp bemalingen;
◼
onderzoek infiltratiecapaciteit (DSI);
◼
beoordeling pipinggevoeligheid dijken.
HPT (Hydraulic Profiling Tool)
Doorlatendheid
Waterspanningssonderingen Naast registratie van conusweerstand en plaatselijke wrijvingsweerstand wordt bij een groot deel van de sonderingen waterspanning geregistreerd. Een waterspanningsconus (piëzo-conus) is voorzien van een ingebouwde druksensor, waarmee de waterdruk tijdens het sonderen wordt gemeten.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 4 van 9
Standaard bijlage
Een filter voorkomt het contact van grond met de druksensor. De waterdruk kan op drie locaties in de conus worden gemeten waarbij de posities u1 en u2 veelvuldig voorkomen (zie figuur 1). Positie u3 wordt zelden toegepast. Slechts een kleine hoeveelheid water (0,2 mm3) is nodig om een nauwkeurige waterdruk te meten. Het meetbereik kan worden gekozen afhankelijk van de te verwachten wateroverspanning. In stijve kleien kan deze oplopen tot meer dan 3 MPa.
Figuur 1: Schematische weergave sondeerconus met meting van waterspanning
Uitvoeringswijze Om een juiste meting van de waterspanning te verkrijgen, dient het gehele meetsysteem volledig ontlucht en gevuld te zijn met een weinig samendrukbare vloeistof. Om te voorkomen dat de vloeistof tijdens het sonderen in de onverzadigde lagen boven de grondwaterstand wegvloeit zijn een juiste keuze van vloeistof, het gebruik van een rubber membraam, een goede uitvoering en de poriëngrootte van het filter belangrijk. Indien het grondwater relatief ondiep aanwezig is, wordt bij voorkeur voorgeboord tot het niveau van de grondwaterspiegel teneinde luchttoetreding te voorkomen. Hiermee wordt ook de kans op beschadiging en in de grond achterblijven van het rubber membraan verkleind. Interpretatie De resultaten van de piëzo-sonderingen bestaan uit de gemeten conusweerstand (qc), de plaatselijke wrijvingsweerstand (fs), het wrijvingsgetal (Rf), de gemeten waterspanning (u1 of u2 respectievelijk in de punt en achter de punt) en de wateroverspanningsindex Bq.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 5 van 9
Standaard bijlage
De resultaten van de waterspanningsmeting tijdens het sonderen vormen uit grondmechanisch en geohydrologisch oogpunt een belangrijke extra informatiebron voor de interpretatie van de bodemopbouw. Door combinatie van de meting van de conusweerstand en de waterspanning, bij voorkeur samen met de plaatselijke wrijvingsweerstand, wordt optimaal gebruik gemaakt van de sondeertechniek en kan het benodigde aanvullend grondonderzoek efficiënter worden gepland. Bij de interpretatie speelt met name de wateroverspanning een rol, dat wil zeggen de verhoging van de waterspanning die door het indrukken van de conus ontstaan is. Dunne cohesieve laagjes in een zandpakket en dunne zandlaagjes in een kleipakket, die in de conusweerstand en de plaatselijke wrijvingsweerstand door uitmiddeling niet of slecht zichtbaar zijn, kunnen goed worden gedetecteerd aan de hand van de water(over)spanningen, die door het sonderen ontstaan. Deze laagjes kunnen van groot belang zijn voor het zettingsgedrag van funderingen en voor de verticale (on)doorlatendheid van de grond. Verder kunnen met de piëzo-conus, met name via de u1-meting, sterk gelaagde structuren van zand en klei onderscheiden worden van homogene lagen hetgeen op basis van conusweerstand en plaatselijke wrijving in de meeste gevallen niet lukt. Aangetoond is dat het detectievermogen van de u1-meting veel hoger is dan van de u2-meting.
Wateroverspanningsindex Bq Met de wateroverspanningindex Bq kan een meer nauwkeurige classificatie van de grondsoort worden verkregen. Deze index is de verhouding van de wateroverspanning en de netto conusweerstand qnet, zijnde de gemeten conusweerstand qc gecorrigeerd voor de waterspanning op het netto oppervlak van de sondeerconus, rekening houdend met de heersende effectieve verticale spanning op het betreffende niveau. De wateroverspanningindex Bq wordt als volgt berekend: 𝐵𝑞 =
(𝑢1 − 𝑢𝑜 ) 𝑞𝑛𝑒𝑡 Vergelijking 3
𝐵𝑞 =
(𝑢2 − 𝑢𝑜 ) 𝑞𝑛𝑒𝑡 Vergelijking 4
Waarin: 𝛽 =
𝑞𝑛𝑒𝑡 = 𝑞𝑡 = 𝜎𝑣0
= =
𝑎 𝑢1 𝑢2 𝑢0
= = = =
factor voor de verschillende grondsoorten voor omrekening van u1 naar u2. Standaard wordt hiervoor aangehouden 0,8, zijnde normaal geconsolideerde kleien (zie hierna volgende tabel); 𝑞𝑡 − 𝜎𝑣0 = netto conusweerstand 𝑞𝑐 + (1 − 𝑎) ∙ {𝛽(𝑢1 − 𝑢0 ) + 𝑢0 } voor een filter in de conuspunt 𝑞𝑐 + (1 − 𝑎) ∙ 𝑢2 voor een filter direct achter de conuspunt de verticale grondspanning; standaard wordt hierbij uitgegaan van een gemiddeld volumiek gewicht van de bodemlagen van 14 kN/m3 en een grondwaterstand op 1 m beneden maaiveld; netto oppervlakteverhoudingscoëfficiënt van de conus i.v.m. de spleet achter de conuspunt; de gemeten waterdruk bij een filterplaatsing in de punt; de gemeten waterdruk bij een filterplaatsing achter de punt; de hydrostatische stijghoogte; standaard wordt hiervoor in de berekening een niveau uitgegaan van 1 m beneden maaiveld.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 6 van 9
Standaard bijlage
Voor andere grondsoorten zijn de β-factoren in tabel 3 gegeven. Tabel 3: β-factor per grondsoort Grondgedrag
β-factor
Normaal geconsolideerde klei
0,6 – 0,8
Licht overgeconsolideerde klei
0,5 – 0,7
Sterk overgeconsolideerde klei
0,0* – 0,3
Silt, samendrukbaar
0,5 – 0,6
Silt, vast en dilatant gedrag
0,0* – 0,2
Zand, siltig, los gepakt
0,2 – 0,4
Opmerking: * = Bij meting van de waterspanning achter de conuspunt worden in bepaalde gevallen negatieve waterspanningen gemeten. Deze waarden geven nauwelijks een indicatie van de doorlatendheid, doch alleen over het materiaalgedrag.
Dissipatietest Het is ook mogelijk het sondeerproces op een bepaalde diepte tijdelijk te stoppen en de afname van de wateroverspanning (dissipatie) als functie van de tijd te registreren. Daarna kan het sondeerproces worden voortgezet. In doorlatende gronden geeft de dissipatietest een goed beeld van de heersende hydrostatische waterspanning en daarmee van de stijghoogte. Het betreft slechts een indicatie aangezien de meetnauwkeurigheid beperkt is. Door het uitvoeren van meerdere metingen in een grondlaag en de gemiddelde waarde van de stijghoogte te bepalen kan een beduidend hogere nauwkeurigheid worden behaald. Ervaring leert dat de onnauwkeurigheid circa 0,5 m bedraagt. Voor een meer nauwkeurige bepaling en de optredende fluctuaties zijn peilbuismetingen over een langere waarnemingsperiode nodig, afhankelijk van het doel. In slecht doorlatende, cohesieve lagen kan met behulp van de dissipatietest een indicatie van de consolidatiecoëfficiënt en daarmee van de verticale (on)doorlatendheid worden verkregen. Hierbij dient de dissipatietest te worden voortgezet totdat de wateroverspanning tenminste met 50 % is afgenomen. In de praktijk komt dat in klei overeen met circa 1/2 uur. Uit berekeningen en kwalitatieve vergelijking van de metingen wordt inzicht verkregen in het consolidatiegedrag van de grond.
Voor het vaststellen van de heersende hydrostatische waterspanning in kleilagen is de dissipatietest in de meeste gevallen weinig geschikt, vanwege de benodigde lange aanpassingstijd en de onnauwkeurigheid.
Klassenindeling EN-ISO 22476-1 Voorafgaand aan de uitvoering diende een keuze te worden gemaakt binnen welke kwaliteitsklasse met bijbehorende toelaatbare meetonzekerheid het werk minimaal uitgevoerd moet worden. De klassenindeling heeft voornamelijk betrekking op de nauwkeurigheid van de gemeten parameters.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 7 van 9
Standaard bijlage
Door invoering van de Eurocode is op Europees niveau de internationale sondeernorm EN-ISO 224761 ‘Electrical cone and piezocone testing’ ontwikkeld. In de norm EN-ISO 22476-1 is de nauwkeurigheid van de meetresultaten gekoppeld aan het toepassingsgebied met bijbehorend bodemkenmerken / geschiktheid voor interpretatie en afleiding van bodemparameters. Verder is de meting van de waterspanning genormeerd. In de Europese tabel van sondeerklassen worden de sondeerklassen ingedeeld naar de toepassing van de sondering, zie tabel 4. Tabel 4: Overzicht toepassingsklassen EN-ISO 22476-1 Toepassingklasse
1
2
3
4
Test type
TE2
TE1 TE2
TE1 TE2
TE1
Gemeten parameter
Toegestane minimum nauwkeurigheid a
◼
Conusweerstand
35 kPa of 5 %
◼
Mantelwrijving
5 kPa of 10 %
◼
Waterspanning
10kPa of 2 %
◼
Helling
◼
Sondeerlengte
0,1 m of 1%
◼
Conusweerstand
100 kPa of 5 %
◼
Mantelwrijving
15 kPa of 15 %
◼
Waterspanning
25 kPa of 3 %
◼
Helling
◼
Sondeerlengte
0,1 m of 1 %
◼
Conusweerstand
200 kPa of 5 %
◼
Mantelwrijving
25 kPa of 15 %
◼
Waterspanning d
50 kPa of 5 %
◼
Helling
◼
Sondeerlengte
0,2 m of 2 %
◼
Conusweerstand
500 kPa of 5 %
◼
Mantelwrijving
50 kPa of 20 %
◼
Sondeerlengte
0,2 m of 1 %
Maximum lengte tussen metingen
20 mm
Gebruik Grondsoort
Interpretatie
A
G,H
A
G, H*
B
G, H
C
G, H
D
G, H
2°
20 mm
2°
50 mm
5°
50 mm
A
G
B
G, H*
C
G, H
D
G, H
A
G*
B
G*
C
G*
D
G*
Opmerking: Uiterst slappe gronden maken soms nog hogere nauwkeurigheden noodzakelijk. a b
c
d
De toegestane minimum nauwkeurigheid van de gemeten parameters is de grootste van de twee genoemde. De relatieve nauwkeurigheid geldt voor de gemeten waarde en niet voor het meetbereik. Volgens ISO 14688-2: A homogene gronden bestaande uit zeer slappe tot stijve kleien (en silt) (typische gronden met qc < 3 MPa); B gemengde bodemprofielen met slappe tot stijve kleien (qc ≤ 3 MPa) en matig vaste tot vaste zanden (conusweerstand 5 MPa qc < 10 MPa); C gemengde bodemprofielen met stijve kleien (conusweerstand 1,5 MPa qc < 3 MPa) en zeer dichte zanden (qc > 20 MPa); D zeer stijve tot harde kleien (qc ≥ 3 MPa) en zeer vaste grove gronden (qc ≥ 20 MPa). G Vaststelling bodemprofiel en bepaling van grondsoort met een laag niveau van onzekerheid. G* Indicatieve vaststelling bodemprofiel en bepaling van grondsoort met een hoog niveau van onzekerheid. H Interpretatie met betrekking tot ontwerp met een laag niveau van onzekerheid. H* Interpretatie met betrekking tot ontwerp met een hoog niveau van onzekerheid. Waterspanning kan alleen worden gemeten als TE2 wordt toegepast.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 8 van 9
Standaard bijlage
Voor projecten, waarbij parameters op basis van Tabel 2.b uit NEN 9997-1 worden afgeleid, is een hoge nauwkeurigheidsklasse gewenst. Het is echter in een bodemgesteldheid met zowel zeer slappe grondlagen als zeer vaste zandlagen met hoge conusweerstanden niet realistisch om aan de eisen van toepassing klasse 1 voldoen zoals ook blijkt uit de bovenstaande tabel. Het bij Fugro gehanteerde meetsysteem voor sonderen is bijzonder nauwkeurig door toepassing van digitale conussen, strikte kwaliteitscontroles en kalibraties. In de praktijk is gebleken dat standaard Fugro sonderingen in de nieuwe norm voor het overgrote deel (>95%) in toepassingsklasse 2 vallen. Voor sondering in toepassingklasse 1 worden speciale gevoelige conussen met een beperkt meetbereik toegepast. De enige praktische indicatie over de bereikte sondeerklasse is controle van recente kalibraties en 0-puntsverlopen tussen het begin en eind van de sondering. In de praktijk komt het af en toe voor dat sonderingen worden uitgevoerd, waarbij door de opdrachtgever is aangegeven dat de maaiveldhoogte niet ten opzichte van een vast referentiepeil (NAP) behoeft te worden vastgelegd. Deze sonderingen voldoen derhalve op dit punt niet aan EN-ISO 22476-1.
MB01 Continu elektrisch sonderen | 22 juli 2020 Pagina 9 van 9
Standaard bijlage
Legenda terreinproeven Boringen / Peilbuizen
Sonderingen
Handboring nog niet uitgevoerd
Sondering met plaatselijke
Handboring uitgevoerd
kleefmeting nog niet uitgevoerd
Handboring uitgevoerd met 1 peilbuis
Sondering met plaatselijke
Handboring uitgevoerd met 2
kleefmeting uitgevoerd
peilbuizen
Sondering zonder plaatselijke
Mechanische boring nog niet
kleefmeting nog niet uitgevoerd
uitgevoerd
Sondering zonder plaatselijke
Mechanische boring uitgevoerd
kleefmeting uitgevoerd
Mechanische boring uitgevoerd met 1
Slagsondering uitgevoerd
peilbuis
Handsondering uitgevoerd
Mechanische boring uitgevoerd met 2
Multigrondwatersondering nog niet
peilbuizen
uitgevoerd
Mechanische boring uitgevoerd met 3
Multigrondwatersondering
peilbuizen
uitgevoerd
Boring uitgevoerd door derden
Sondering met bolconus nog niet
Boring uitgevoerd met peilbuis door
uitgevoerd
derden
Sondering met bolconus uitgevoerd
Gedrukte peilbuis (PB) / minifilter (MF)
Waterspanningsmeter nog niet
nog niet uitgevoerd
uitgevoerd
Gedrukte peilbuis (PB) / minifilter (MF)
Waterspanningsmeter uitgevoerd
uitgevoerd
Sondering uitgevoerd door derden Sondering met plaatselijke
Overige symbolen
kleefmeting uitgevoerd door derden
Meetpunt
Hellingmeterbuis nog niet
Hoogtemaat
uitgevoerd Hellingmeterbuis uitgevoerd
Type sonderingen D
Diepsondering
Toegevoegde metingen
HS
Handsondering
KM
Meting van de plaatselijke kleef
S
Slagsondering
P
Meting van de waterspanning
M
Meting van de magnetische veldsterkte
G
Meting van de geleidbaarheid
S
Meting van de schuifgolfsnelheid (seismische meting)
T
MB03 Legenda terreinproeven | 13 januari 2020 Pagina 1 van 2
Meting van de temperatuur
Standaard bijlage
Peilbuis
MB03 Legenda terreinproeven | 13 januari 2020 Pagina 2 van 2
Gemeente Haarlemmermeer
A.2
Sonderingen derden
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage A
Gemeente Haarlemmermeer
A.3
Laboratoriumonderzoek 6423-230173
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage A
FUGRO NL LAND B.V. Veurse Achterweg 10 2264 SG Leidschendam Postbus 63 2260 AB Leidschendam 070 3111333
RAPPORTAGE LABORATORIUMONDERZOEK Project Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp Opdrachtnummer 6423-230173 Opdrachtgever Gemeente Haarlemmermeer Datum rapport 28-03-2023 Contactpersoon Mevrouw M. Schoenmaker Ontvangst monsters 14-03-2023 Monstername Uitgevoerd door Fugro NL Land B.V. Afdeling Grondonderzoek Dit rapport bevat de resultaten van het in-situ- en/of laboratoriumonderzoek dat ten behoeve van bovengenoemd project is uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Fugro NL Land B.V., Laboratorium voor Infra- en Geotechniek. Eventueel uitbesteed onderzoek is duidelijk als zodanig gekenmerkt. Inhoudsopgave
Pagina
Voorblad onderzoeksrapport
1
Boorstaat Labidentificatie
2
t/m
3
Volumiek gewicht / watergehalte
4
t/m
5
Monsteroverzicht
6
OPMERKINGEN: Het Fugro Laboratorium voor Geotechniek en Bouwstoffen is een door de RvA (Raad van Accreditatie) geaccrediteerd Laboratorium (L034) conform ISO 17025, te raadplegen via https://www.rva.nl/geaccrediteerdeorganisaties/alle-geaccrediteerden. Alle testen die onder deze accreditatie zijn uitgevoerd worden aangeduid met “Q”. Tenzij anders aangegeven hebben verwijzingen naar RAW proefnummers betrekking op de Standaard RAW Bepalingen 2020. Het rapport mag niet anders dan in zijn totaliteit worden gereproduceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het in-situ- en/of laboratoriumonderzoek dat ten behoeve van bovengenoemd project is uitgevoerd. Eventueel uitbesteed onderzoek is duidelijk als zodanig gekenmerkt. Op deze rapportage zijn de afspraken van toepassing zoals opgenomen in de Algemene Uitvoeringsvoorwaarden Laboratorium welke op verzoek beschikbaar zijn. De resultaten in dit rapport gelden alleen voor de geteste monsters zoals deze door het Fugro Laboratorium voor Geotechniek en Bouwstoffen zijn ontvangen. De door de klant aangeleverde gegevens zullen herkenbaar worden gerapporteerd. 6423-230173-17-R01-v1.0-20230328.doc
Wanneer u naar aanleiding van de resultaten van dit rapport nog vragen heeft verzoeken wij u contact op te nemen met ondergetekende. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest en uw opdracht naar wens te hebben uitgevoerd. Met vriendelijke groet, Fugro NL Land B.V.
J. Kortekaas Hoofdlaborant
Fugro NL Land B.V. | Handelsregister Nr.: 27114147 | BTW Nr. 0056 21 409 B08 | Onderdeel van de Fugro Groep met vestigingen over de hele wereld.
T +31 70 31 11 333 | E info@fugro.nl | W fugro.com
Page 1 of 6
Labidentificatie
Boring: B01 Peilbuis 1 2
Referentie (m tov NAP)
Monsternr.
-4.20 tot -4.30 Niet beschreven -4.30 tot -4.80 Antropogeen ZAND, met weinig schelpmateriaal, bruin, subrond, met weinig klei brokjes, fijn, niet organisch -4.80 tot -5.80 KLEI, zwak zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs
1 -5.00 2 -6.00
3 St1 St2
-7.00
Bodembeschrijving volgens NEN-EN-ISO 14688-1:2019+C:2020
-5.80 tot -6.20 SILT, zwak zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs -6.20 tot -7.40 ZAND, siltig, met weinig schelpmateriaal, grijs, kalkhoudend, subhoekig, fijn 63 - 105µm, niet organisch
St3 St4
-8.00
St5 St6 St7
-9.00
St8 4
-10.00
St9 St10 St11 St12
-11.00
St13 St14
-12.00 5
Versie 2020-08
-13.00
6
Algemene opmerking: X: 107843.2
GWS (m tov NAP): -4.75
Y: 479526.5
GHG (m tov NAP):
Coördinatenstelsel: RD
GLG (m tov NAP):
BORING VOLGENS ISO22475d1v2021
-7.40 tot -7.65 KLEI, sterk zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs, slap, zwak kalkhoudend -7.65 tot -8.60 KLEI, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -8.60 tot -9.00 KLEI, zwak zandig, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -9.00 tot -9.40 KLEI, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -9.40 tot -10.10 KLEI, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -10.10 tot -10.20 KLEI, sterk organisch, donkergrijs, stevig, kalkloos -10.20 tot -10.30 KLEI, sterk organisch, dik gelamineerd, donkergrijs, stevig, kalkloos -10.30 tot -10.60 KLEI, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -10.60 tot -10.87 KLEI, sterk organisch, donkergrijs, stevig, zwak kalkhoudend -10.87 tot -11.00 VEEN, kleiig, pseudo fijn vezelig, donkergrijs, stevig -11.00 tot -11.30 VEEN, pseudo fijn vezelig, donkerbruin, stevig -11.30 tot -11.62 ZAND, bruin, kalkloos, subhoekig, fijn 105 - 150µm, niet organisch -11.62 tot -13.20 ZAND, bruin, subhoekig, fijn, niet organisch
MV (m tov NAP): -4.20 bk PB1 (m tov NAP): -4.30 bk PB2 (m tov NAP): -4.26 bk PB3 (m tov NAP): bk PB4 (m tov NAP):
Boorvloeistof: WS PB1 (m tov NAP): -5.52 WS PB2 (m tov NAP): -5.31 WS PB3 (m tov NAP): WS PB4 (m tov NAP):
Datum uitvoering: 10-03-2023 Boormeester: MBV Datum identificatie laboratorium: 24-03-2023 Geïdentificeerd door: RSS
6423-230173
Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp Pagina 1 van 1
Page 2 of 6
Labidentificatie
Boring: B02 Peilbuis 1 2
Referentie (m tov NAP)
Monsternr. 1 2
-5.00
3 4
-6.00
5 St1
-7.00
St2 St3 St4
-8.00
St5 St6
-9.00
St7 St8 St9
-10.00
St10 St11
-11.00
St12 St13 St14
-12.00
St15
Versie 2020-08
-13.00
6
Algemene opmerking: X: 107864.6
GWS (m tov NAP): -4.90
Y: 479470.2
GHG (m tov NAP):
Coördinatenstelsel: RD
GLG (m tov NAP):
BORING VOLGENS ISO22475d1v2021
Bodembeschrijving volgens NEN-EN-ISO 14688-1:2019+C:2020 -4.40 tot -4.70 Antropogeen ZAND, lichtbruin, afgerond, middelgrof, niet organisch -4.70 tot -5.00 KLEI, zwak zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs -5.00 tot -5.50 KLEI, zwak zandig, met weinig schelpmateriaal, zwak organisch, grijs -5.50 tot -5.80 KLEI, sterk zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs -5.80 tot -6.40 ZAND, kleiig, met weinig schelpmateriaal, grijs, subhoekig, middelgrof, niet organisch -6.40 tot -6.80 ZAND, kleiig, met weinig schelpmateriaal, grijs, kalkrijk, subhoekig, fijn150 - 200µm, niet organisch -6.80 tot -8.25 KLEI, sterk zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs, met weinig klei brokjes, slap, zwak kalkhoudend -8.25 tot -8.40 KLEI, zwak zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, grijs, met weinig veen brokjes, slap, zwak kalkhoudend -8.40 tot -9.70 KLEI, sterk zandig, met weinig schelpmateriaal, niet organisch, dun gelamineerd, grijs, met weinig veen brokjes, slap, zwak kalkhoudend -9.70 tot -10.00 KLEI, sterk zandig, niet organisch, dun gelamineerd, grijs, slap, zwak kalkhoudend -10.00 tot -10.40 KLEI, niet organisch, grijs, met weinig veen brokjes, stevig, zwak kalkhoudend -10.40 tot -10.80 VEEN, kleiig, pseudo fijn vezelig, donkerbruin, matig stevig -10.80 tot -11.05 KLEI, niet organisch, grijs, stevig, zwak kalkhoudend -11.05 tot
-11.50 VEEN, pseudo vezelig, bruin, matig slap -11.50 tot -12.05 ZAND, grijs, kalkloos, subhoekig, fijn150 - 200µm, niet organisch -12.05 tot -12.40 ZAND, grijs, kalkrijk, subhoekig, fijn 105 - 150µm, niet organisch -12.40 tot -13.40 ZAND, grijs, subhoekig, fijn, niet organisch
MV (m tov NAP): -4.40 bk PB1 (m tov NAP): -4.52 bk PB2 (m tov NAP): -4.46 bk PB3 (m tov NAP): bk PB4 (m tov NAP):
Boorvloeistof: WS PB1 (m tov NAP): -5.10 WS PB2 (m tov NAP): -5.27 WS PB3 (m tov NAP): WS PB4 (m tov NAP):
Datum uitvoering: 09-03-2023 Boormeester: MBV Datum identificatie laboratorium: 21-03-2023 Geïdentificeerd door: JCW
6423-230173
Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp Pagina 1 van 1
Page 3 of 6
Bulk Density Test Results Project Name
Project No.
Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp
Borehole
Sample Depth to N.A.P. Type Sample ID
6423-230173 Density
Description
Bulk 3
[m]
Water Content (w)
Dry
[Mg/m ]
3
[Mg/m ]
[%]
B01
St1
-6.50
TW
1.77
1.25
41.7
B01
St2
-6.90
TW
1.83
1.32
38.5
B01
St3
-7.30
TW
1.80
1.31
37.5
B01
St4
-7.70
TW
1.71
1.16
47.2
B01
St5
-8.10
TW
1.50
0.81
86.5
B01
St6
-8.50
TW
1.69
1.11
53
B01
St7
-8.90
TW
1.67
1.09
52.9
B01
St8
-9.30
TW
1.70
1.13
49.6
B01
St9
-9.70
TW
1.56
0.93
68.7
B01
St10
-10.10
TW
1.15
0.41
177.3
B01
St11
-10.50
TW
1.23
0.48
154.1
B01
St12
-10.90
TW
1.21
0.45
171.4
B01
St13
-11.20
TW
1.07
0.25
324.1
B01
St14
-11.50
TW
2.03
1.68
20.4
Methods: Water Content - NEN EN ISO 17892-1
Undrained Shear Strength PP
TV
[kPa]
[kPa]
Remarks
Version 1.00.0008 Bulk Density - NEN EN ISO 17892-2
Key
TV/PP - NEN-EN-ISO 14688-2 + NEN 8991 »All of the above tests have accreditation from Dutch RvA Date Printed Figure Number Approved by:
Density tests Linear Measurement (lm) unless: fluid displacement (wd); fluid immersion (wi).
28-03-23
j.kortekaas
Page 4 of 6
Bulk Density Test Results Project Name
Project No.
Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp
Borehole
Sample Depth to N.A.P. Type Sample ID
6423-230173 Density
Description
Bulk
Dry
3
[m]
Water Content (w)
[Mg/m ]
3
[Mg/m ]
[%]
B02
St1
-6.60
TW
1.88
1.43
31.2
B02
St2
-7.10
TW
1.81
1.35
34.6
B02
St3
-7.50
TW
1.79
1.28
39.9
B02
St4
-7.90
TW
1.75
1.23
42.1
B02
St5
-8.30
TW
1.65
1.14
44.6
B02
St6
-8.70
TW
1.75
1.25
40.4
B02
St7
-9.10
TW
1.58
1.01
56.1
B02
St8
-9.50
TW
1.40
0.76
82.8
B02
St9
-9.90
TW
1.78
1.26
41.8
B02
St10
-10.30
TW
1.10
0.31
255.7
B02
St11
-10.70
TW
1.17
0.39
198.9
B02
St12
-10.90
TW
1.46
0.76
91.4
B02
St13
-11.40
TW
1.09
0.40
171
B02
St14
-11.90
TW
2.01
1.69
18.6
B02
St15
-12.30
TW
1.87
1.51
23.7
Methods: Water Content - NEN EN ISO 17892-1
Undrained Shear Strength PP
TV
[kPa]
[kPa]
Remarks
Version 1.00.0008 Bulk Density - NEN EN ISO 17892-2
Key
TV/PP - NEN-EN-ISO 14688-2 + NEN 8991 »All of the above tests have accreditation from Dutch RvA Date Printed Figure Number Approved by:
Density tests Linear Measurement (lm) unless: fluid displacement (wd); fluid immersion (wi).
28-03-23
j.kortekaas
Page 5 of 6
ALGEMEEN
S:
Project
Sloop kelder onder Raadhuis Hoofddorp
Opdrachtnummer
6423-230173
Opdrachtgever
Gemeente Haarlemmermeer
Datum rapport
28-03-2023
te
HOOFDDORP
Vervaldatum
28-05-2023
Contactpersoon
Mevrouw M. Schoenmaker
Datum ontvangst monsters
14-03-2023
MONSTEROVERZICHT Volgnummer
Type materiaal/omschrijving
Aantal / hoeveelheid Monsternummer(s)
B01
Restant steekbus
14
St1 – St14
Zakjes
6
1–6
Restant steekbus
15
St1 – St15
Zakjes
6
1–6
B02
Bovenstaand is een overzicht gegeven van de monsters, die in het kader van onderhavig onderzoek zijn onderzocht en zich thans nog bevinden in het Laboratorium voor Infra- en Geotechniek. Met "vervaldatum" is de datum aangegeven waarna de monsters, bij geen tegenbericht uwerzijds, uit de monsteropslag zullen worden verwijderd en vernietigd. Wanneer u (een deel van) bovengenoemde monsters na de vervaldatum (eventueel onder geconditioneerde omstandigheden) tegen betaling wenst te laten bewaren, verzoeken wij u dit formulier uiterlijk 1 week vóór de vervaldatum aan ons te retourneren. Ondergetekende verzoekt de monsters te bewaren tot: Datum
Naam
Opgesteld door: JCW
6423-230173-17-C01-v1.0-20230328 | Monsteroverzicht |
Handtekening
Gecontroleerd door: JKK
Page 6 of 6
Gemeente Haarlemmermeer
Appendix B
Bijlage B Berekening negatieve kleef
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage B
Gemeente Haarlemmermeer
B.1
B.2
Uitgangspunten
Gehanteerde sondering :
DKM5
Paaltype:
Fundex met groutinjectie
Schachtdiameter :
Ø 540 mm
Berekening negatieve kleef De representatieve waarde van de maximale negatieve kleefbelasting op een alleenstaande paal volgens 7.3.2.2 NEN 9997-1 bedraagt: Fnk;rep =
(di Ko;1 tani 'v;gem;i)Os
waarin:
in dit geval:
di
=
dikte van de betreffende laag
zie tabel
Ko;i.tan i
=
product van de karakteristieke waarde van de neutrale gronddruk factor en de tangens van de wrijvingshoek tussen paal en grond voor de betreffende laag i
'v;gem;i Os
= =
0,25
karakteristieke waarde van de gemiddelde effectieve verticale spanning in de betreffende laag i
zie tabel
omtrek van de paalschacht
zie tabel
van / tot [m t.o.v. NAP]
dikte d
i;rep
'v;i;gem
Ko;i.tan i
Os
Fnk;rep,i
[m]
[kN/m3]
[kN/m2]
[-]
[m]
[kN]
1
-3,9 / -5,5
1,6
18
14,4
0,25
1,7
9,8
2
-5,5 / -5,8
0,3
16
31,2
0,25
1,7
4,0
3
-5,8 / -11,0
5,2
6
49,2
0,25
1,7
108,5
4
-11,0 / -11,5
0,5
2
65,3
0,25
1,7
13,8
Totaal
136,1
laag
De rekenwaarde van de maximale negatieve kleefbelasting op een alleenstaande paal bedraagt: Fnk;d
=
Fnk;rep . f;nk
=
136 kN
waarin:
f;nk
in dit geval: =
partiële factor voor de negatieve kleef (7.3.2.2(b) van NEN 9997-1)
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage B
1,0
Gemeente Haarlemmermeer
Appendix C
Bijlage C Berekening en toetsing rekenwaarde netto draagkracht
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage C | Pagina 0
Gemeente Haarlemmermeer
C.1
C.2
Uitgangspunten
Gehanteerde sondering :
DKM5
Paaltype:
Fundex met groutinjectie
Paalpuntniveau:
NAP -16,5 m
Schachtdiameter:
Ø 605 mm (gemiddelde buis en punt)
Puntafmeting:
Ø 670 mm
Maximale draagkracht van de paalpunt De maximale puntweerstand volgens 7.6.2.3(e) van NEN 9997-1 bedraagt: qb;max = =
½ . p . . s . ((qc;I;gem + qc;II;gem)/2 + qc;III;gem) 6,7 MPa (15 MPa, limietwaarde conform NEN 9997-1)
waarin: qc;I;gem
in dit geval: =
de gemiddelde waarde van de conusweerstanden over traject I (0,7 à 4 x Deq onder de punt)
qc;II;gem
=
15,4
MPa
11,2
MPa
over traject III (8 x Deq boven de punt)
8,0
MPa
de minimale waarde van de conusweerstanden over traject II (0,7 à 4 x Deq onder de punt)
qc;III;gem
=
de gemiddelde minimale waarde van de conusweerstanden
p
=
paalklassefactor (tabel 7.c, NEN 9997-1)
0,63
-
=
factor voor de paalvoetvorm
1,0
-
s
=
factor voor de vorm van de dwarsdoorsnede 1,0
-
van de paalvoet
De maximale draagkracht van de paalpunt volgens 7.6.2.3(c) van NEN 9997-1 bedraagt: Rb;cal;max;i
=
Apunt . qb;max;i
=
2.363 kN
waarin: Apunt
in dit geval: =
oppervlak van de paalvoet
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage C | Pagina 1
0,3526 m²
Gemeente Haarlemmermeer
C.3
Maximale paalschachtwrijving De maximale paalschachtwrijving volgens 7.6.2.3(c) van NEN 9997-1 bedraagt: qs;max
= =
s . qc;z;a 0,100 MPa
waarin:
s
in dit geval: =
factor voor de invloed van de uitvoering en het paaltype (tabel 7.c, NEN 9997-1)
qc;z;a
=
0,009 -
de gemiddelde waarde van de conusweerstanden over het traject waarover schachtwrijving wordt berekend
11,1
MPa
De maximale schachtwrijvingskracht volgens 7.6.2.3(c) van NEN 9997-1 bedraagt: Rs;cal;max;i
=
Os;L;gem . L . qs;max
=
943 kN
waarin:
C.4
in dit geval:
Os;L;gem
=
gemiddelde omtrek van de paalschacht
1,9
m
L
=
traject voor berekening schachtwrijving
4,98
m
Maximale draagkracht De maximale draagkracht van de paal volgens 7.6.2.3(c) van NEN 9997-1 bedraagt: Rc;cal
=
Rb;cal;max;i + Rs;cal;max;i
=
3.306 kN
De karakteristieke waarde van de maximale draagkracht van de paal volgens 7.6.2.3(5) van NEN 9997-1 bedraagt: Rc;k
=
R c;cal R c;cal gem min Min ; 3 4
=
2.378 kN
waarin:
in dit geval:
3
=
correlatiefactor volgens tabel A.10a van NEN 9997-1
1,39 -
4
=
correlatiefactor volgens tabel A.10a van NEN 9997-1
1,39 -
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage C | Pagina 2
Gemeente Haarlemmermeer
Voor de rekenwaarde van de maximale draagkracht van de paal kan volgens 7.6.2.3(3) en (4) van NEN 9997-1 worden aangehouden: Rc;d
=
Rc;k / R
=
1.982 kN
waarin: R
in dit geval: = =
b = s partiële factor volgens tabel A.6 t/m A.8 van NEN 9997-1
1,20
-
Voor de UGT geldt volgens 7.6.2.1(1) van NEN 9997-1: Fc;d < Rc;d Voor de UGT type B kan het zakkingscriterium dat in 2.4.9(b) van NEN 9997-1 is gegeven, worden vervangen door: Fc;d + Fnk;d < Rc;d waarin:
in dit geval:
Fc;d
=
rekenwaarde van de belasting in kN
Fnk;d
=
rekenwaarde van de negatieve kleefbelasting
136
Rc;d
=
rekenwaarde van de maximale draagkracht van de paal
1.982 kN
kN
Voor de meeste paaltypen, zoals grondverdringende palen en avegaarpalen met relatief kleine diameter, is de UGT type B maatgevend, zodat hiermee ook de andere grenstoestanden worden ondervangen. Bovenstaande formule kan worden bewerkt tot de volgende voorwaarde: Fc;d < Rc;net;d waarin: Rc;net;d
in dit geval: =
Rc;d - Fnk;d
=
de rekenwaarde van de netto draagkracht van de paal, rekening houdend met de negatieve kleefbelasting
1.846 kN
Indien aan de bovenstaande voorwaarde wordt voldaan, dan bezwijkt de grond rondom de paal niet. De vervormingen van de paalkop zullen hierbij ook beperkt zijn.
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage C | Pagina 3
Gemeente Haarlemmermeer
Appendix D
Bijlage D Uitvoeringsaspecten
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage D
Gemeente Haarlemmermeer
D.1
Uitvoering schroefpalen met verloren punt – Stalen buispalen met schroefpunt
6423-243289-64-R01 | 29 november 2023 | Nieuwbouw gemeentehuis aan het Raadhuisplein te Hoofddorp Bijlage D
Standaard bijlage
Uitvoering schroefpalen met verloren punt / stalen buispalen met schroefpunt Algemene richtlijnen Voor algemene richtlijnen betreffende de installatie van grondverdringende, al dan niet in de grond gevormde schroefpalen met tijdelijke of permanente casing wordt verwezen naar NEN-EN 12699:2015 en - Uitvoering van bijzonder geotechnisch werk - Verdringingspalen. Toezicht op de realisatie van de palen dient plaats te vinden op basis van CURAanbeveling 114 Toezicht op de realisatie van paalfunderingen. In het bijzonder dient op de volgende aspecten te worden gelet.
Installatievolgorde De eerste paal dient zo dicht mogelijk bij een sondering te worden geïnstalleerd. Het waargenomen installatiegedrag kan, in combinatie met het sondeerbeeld, een indicatie geven voor de tussen de sonderingen te installeren palen. Het beïnvloeden van een onvoldoende verharde paalschacht door het inboren van een naastliggende paal, kan in de praktijk over het algemeen worden vermeden door een hart-op-hart afstand van minimaal 4 maal de paalvoetdiameter (D) aan te houden. Indien desondanks blijkt dat door het boren van een volgende paal, het specieniveau van de nog niet verharde paal wijzigt (nazakking of oppersing), dan dient een andere werkvolgorde te worden gekozen, waarbij een grotere tussenafstand of een verhardingstijd langer dan 20 uur dient te worden aangehouden, mede afhankelijk van de toegepaste hulpstoffen. Aan de paal waar nazakking of oppersing is geconstateerd, dient bij de kwaliteitscontrole bijzondere aandacht te worden besteed. In dit geval dient de afstand te worden vergroot tot minimaal 6D, volgens NEN-EN 12699:2015 en - art. 8.7.1.4.
Installatieproces Het boormoment en de pull-down kracht op de stalen boorbuis dienen te worden afgestemd op de penetratiesnelheid. De capaciteit van de boormotor dient daarom te zijn gerelateerd aan de bodemopbouw en de paaldiameter, zodat ontspanning door grondtransport tot een minimum wordt beperkt. Ontspanning in de ondergrond dient te worden voorkomen, aangezien dit nadelig is voor het draagvermogen van de palen. Dit geldt eveneens voor belendende funderingen. Zodra de boorpunt met boorbuis op diepte is, dient de boormotor gestopt te worden. Alvorens de paal wordt gestort dient te worden gecontroleerd of de buis droog is en vrij van grond. Vervolgens kan de wapening worden aangebracht en de buis worden volgestort met specie. Bij afkeuring van de geboorde buis dient deze te worden getrokken, waarbij ter voorkoming van MB06 Uitvoering schroefpalen met verloren punt/stalen buispalen met schroefpunt | 23 augustus 2022 Pagina 1 van 4
Standaard bijlage
verstoring van de draagkrachtige laag eerst een vulling is aangebracht bestaande uit specie of een mengsel van grof zand (ter plaatse van de draagkrachtige zandlaag). Ter plaatse van de slappe lagen daarboven dient het gat te worden opgevuld met een niet waterdoorlatend materiaal, zoals klei. Het inboren van de nieuwe paal dient te geschieden naast de afgekeurde paal. Bij palen met een tijdelijke casing wordt de buis na het afstorten van de paal met oscillerende (heen en weer) bewegingen uit de grond getrokken. De wapeningskorf mag tijdens het trekken van de voerbuis niet mee omhoog komen. Deze palen dienen te worden afgestort tot aan het werkniveau. Palen met een permanente casing of een geprefabriceerde betonnen kern kunnen eventueel wel op een dieper niveau worden afgewerkt. Indien de stijghoogte in de draagkrachtige zandlaag hoger ligt dan het werkniveau, dan dient het mogelijke effect van dit hoogteverschil op de uitvoeringswijze te worden beschouwd. Bij schroefpalen met verloren punt (met of zonder groutinjectie) is sprake van een in de grond gevormde paalschacht. Hierbij fungeert de grond als 'bekisting' voor de verse betonmortel. De grond dient hierbij gedurende de verharding van de betonmortel voldoende steundruk te leveren, zodat een paalschacht van voldoende kwaliteit en de juiste afmeting ontstaat.
Bij een (te) lage steundruk door de omliggende grond of een te hoge betondruk zal in relatief slappe grondlagen een verdikking van de paalschacht ontstaan, wat tot extra betonverbruik zal leiden. Een (beperkte) verdikking is over het algemeen geen probleem, mits deze direct of kort na het maken van de paalschacht optreedt. Andersom moet de betondruk voldoende hoog zijn om te voorkomen dat een insnoering van de paalschacht optreedt. Tijdens het aanbrengen van de palen ontstaan wateroverspanningen. Die spanningen treden vooral op in de Holocene klei- en veenlagen, maar kunnen ook in de (losgepakte) zandafzettingen ontstaan. De samenstelling en consistentie van de betonmortel dienen zodanig te zijn dat voldoende weerstand tegen de optredende wateroverspanningen aanwezig is. Bij onvoldoende weerstand zal overspannen grondwater via de verse paalschacht afstromen, waarbij uitspoeling van de betonmortel zal optreden. Bleeding treedt op bij onvoldoende weerstand tegen uittreding van water met fijne delen door wateroverspanningen in opgesloten zandlagen en door uittreding van water dat niet benodigd is voor de verharding van beton. In geval van optreden van bleeding is het aan te bevelen om het gehalte aan fijne delen in het beton te verhogen door het cementgehalte te verhogen.
Indien deze maatregel onvoldoende effect heeft, dient de waterspanning in de (tussen)zandlagen door bemaling te worden verlaagd. De palen waarbij bleeding is opgetreden dienen te worden gecontroleerd door afhakken tot aan het einde van de erosiekanaaltjes. Met akoestisch doormeten zijn de gevolgen van bleedingverschijnselen niet te controleren. Bij de toepassing van een tijdelijke casing bestaat altijd een risico op een paalschacht van onvoldoende kwaliteit. Wij raden aan om de beoogde paalleverancier bovengenoemde MB06 Uitvoering schroefpalen met verloren punt/stalen buispalen met schroefpunt | 23 augustus 2022 Pagina 2 van 4
Standaard bijlage
uitvoeringstechnische risico’s voor hun paaltype specifiek voor de bodem in dit project te laten beoordelen. In geval van twijfel wordt geadviseerd om over te gaan op de toepassing van combipalen. Hierbij wordt een geprefabriceerde kern in de paalschacht toegepast, waardoor 100% zekerheid over de kwaliteit en de constructieve sterkte van de paalschacht aanwezig is.
Ontgravingen Bij eventuele ontgravingen na het installeren van de palen dient zorgvuldig te worden gewerkt om paalbeschadiging te voorkomen.
Groutinjectie Voor paalinstallatie in vaste zandlagen kan tijdens het inboren van de buis groutinjectie worden toegepast. Daarbij wordt gedurende het inboren van de paal via een aan de boorpunt bevestigde injectiebuis steeds water gepompt om de werking van de injectievoorziening te verzekeren en om de weerstand tijdens het boren te verminderen. Tijdens het boren in de laag waaraan de paal zijn draagkracht ontleent, wordt via de genoemde injectiebuis een watercementmengsel (grout) door de paalpunt naar buiten gepompt totdat het vereiste paalpuntniveau is bereikt. Door de schroevende beweging wordt het watercementmengsel gemengd met het omringende zand, waardoor een groutschil rondom de paalschacht ontstaat.
Controle Een controle op de paalweerstand kan worden verkregen door registratie van het boormoment (of oliedruk van hydraulisch systeem) met de diepte. Dit profiel dient in overeenstemming met het sondeerbeeld te zijn. De hoeveelheid gebruikte mortel/betonspecie en/of, indien van toepassing, grout dient te worden geregistreerd, en geverifieerd aan de hand van de afmetingen van de buis en de paalpunt. De kwaliteit van de palen dient te worden gecontroleerd met behulp van akoestische metingen en bij palen zonder permanente boorbuis zo nodig in combinatie met het ontgraven van het bovenste deel van de paalschacht. Eventuele discontinuïteiten in de betondoorsnede kunnen hiermee worden vastgesteld. Het aantal door te meten palen wordt mede bepaald door eventuele onregelmatigheden tijdens de uitvoering. Bij twijfel omtrent de kwaliteit, c.q. het draagvermogen, dient contact te worden opgenomen met de constructeur en de geotechnisch adviseur. In onderling overleg kan dan tot een of meer van de volgende maatregelen worden besloten: ◼
Het uitvoeren van controlesonderingen, om te onderzoeken of sprake is van een afwijkende bodemopbouw;
◼
Het uitvoeren van een dynamische en / of statische proefbelasting om het werkelijke draagvermogen van de paal vast te stellen.
MB06 Uitvoering schroefpalen met verloren punt/stalen buispalen met schroefpunt | 23 augustus 2022 Pagina 3 van 4
Standaard bijlage
Gezien de vele factoren die het installatieproces kunnen beïnvloeden, is deskundig toezicht een vereiste. Van iedere paal dienen alle van belang zijnde gegevens te worden geregistreerd. Dit betreft niet alleen het uiteindelijke paalpuntniveau, doch ook zaken als het toegepaste boormoment, de betonaanvoer, eventuele onregelmatigheden tijdens het boorproces, de installatievolgorde, het tijdstip, de paallengte, het maaiveld- resp. werkniveau, een eventuele bemaling en andere relevante gegevens.
MB06 Uitvoering schroefpalen met verloren punt/stalen buispalen met schroefpunt | 23 augustus 2022 Pagina 4 van 4