5. RV Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 (2022.0002273).pdf
Tekst van het document
1 (0
raadsvoorstel Onderwerp
Portefeuillehouders Steller Collegevergadering
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 drs. Jurgen Nobel, drs. Marja Ruigrok Caroline Baarse 15 november 2022
Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer
2022.0002273 1. Voorstel Collegebesluit(en) Het college heeft besloten om: 1. de Beleidsregels uitwegen vast te stellen en op 1 januari 2023 in werking te laten treden; 2. de Nadere regels welstandscommissie Haarlemmermeer 2019 (2019.0006120) in te trekken per 1 januari 2023. Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 vast te stellen en op 1 januari 2023 in werking te laten treden; 2. de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2019 (2019.0031932) in te trekken per 1 januari 2023. 2. Samenvatting Op 1 juli 2023 treedt de Omgevingswet in werking. Vooruitlopend hierop heeft de raad op 20 september 2018 de Verordening fysiek domein le tranche (2018.0030238) vastgesteld. Op 11 juni 2019 is de 2e tranche vastgesteld in de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2019 (2019.0031932). Het onderhavige voorstel betreft enkele wijzigingen op deze verordening, zodat de verordening beter aansluit bij de doelstellingen van de Omgevingswet. 3. Uitwerking 3.1 Wat willen we bereiken? Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet willen wij ervoor zorgen dat de verordening geactualiseerd wordt, zodat de verordening beter aansluit bij de doelstellingen van de Omgevingswet waardoor ook de overgang van de huidige regelgeving naar de Omgevingswet soepeler zal lopen.
3.2 Wat gaan we daarvoor doen? De verordening wordt geactualiseerd. De wijzigingen worden hieronder artikelsgewijs toegelicht.
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023
pagina 2
Artikel 1 Begripsbepalingen De definities voor bouwwerk, gebouw, weg en Activiteitenbesluit milieubeheer ontbraken in de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2019. Conform de modelverordening hebben wij deze definities toegevoegd. De definitie voor straatpeil hebben wij uit de verordening verwijderd. Dit betreft een stedenbouwkundige bepaling, welke niet thuishoort in de verordening. Daarnaast wordt dit begrip verder helemaal niet meer gebruikt in de verordening. De definitie van feestdag is uitgebreid met Goede Vrijdag en Kerstavond, omdat hiermee wordt aangesloten bij de Winkeltijdenwet. Zonder deze wijziging is het voor ondernemers niet mogelijk om op Goede Vrijdag en Kerstavond de winkel na 19.00 uur open te stellen, omdat het college alleen een ontheffing kan verlenen van deze tijd voor zover het feestdagen betreft. Door Goede Vrijdag en Kerstavond aan te merken als feestdag is deze omissie hersteld. Onder het kopje 'Buitenruimte' hebben wij de definities voor de begrippen openbaar groen, openbare parkeerplaats en uitweg toegevoegd. Deze begrippen worden gebruikt in de toepassing van de (herziene) weigeringsgronden en bleken in de praktijk tot discussie te leiden. Om hier duidelijkheid over te verschaffen hebben wij in het onderhavige voorstel de genoemde begrippen gedefinieerd.
Artikel 2.5 Commissie omgevingskwaliteit De bepalingen over de benoeming, samenstelling en taken van de adviescommissies in de Woningwet (Welstandscommissie) en de Erfgoedwet (Erfgoedcommissie) vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiermee komt ook de grondslag voor de welstands- en erfgoedcommissie te vervallen. Onder de Omgevingswet moet er één adviescommissie worden ingesteld. Hiervoor hebben wij een separaat raadsvoorstel opgesteld (Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Commissie omgevingskwaliteit Haarlemmermeer) dat u ter vaststelling zal worden aangeboden op het moment dat de (definitieve) datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend is. Vooruitlopend hierop hebben wij in dit voorstel de erfgoedcommissie en de welstandscommissie alvast samengevoegd in de commissie Omgevingskwaliteit. Hiervoor is artikel 2.5 aangepast. Hiermee zijn de aparte erfgoedcommissie en welstandscommissie komen te vervallen, evenals de daaraan gekoppelde Nadere regels welstandscommissie Haarlemmermeer 2019 (2019.0006120). Vanaf 1 januari 2022 vergaderen de Welstandscommissie en de Erfgoedcommissie al eens per twee weken gezamenlijk waarbij een lid of meerdere leden van de Erfgoedcommissie bij de vergadering of een deel daarvan aanschuiven als dat nodig is. Dit is efficiënt gebleken en verhoogt de doorloopsnelheid van aanvragen aanzienlijk.
Bovendien lopen de benoemingen van de leden van de erfgoedcommissie 1 januari 2023 af. Dat maakt 1 januari 2023 een goed moment om over te gaan tot het instellen van één adviescommissie. Dit geeft ons ook de kans om alvast proef te draaien met de nieuwe adviescommissie en kan waar nodig eventueel worden bijgestuurd voordat de wettelijke verplichting om onder de Omgevingswet één adviescommissie in te stellen, ingaat. De commissie Omgevingskwaliteit bestaat uit een voorzitter en vier leden. In de huidige situatie bestaat de welstandscommissie uit drie leden (in dienst bij Stichting Mooi Noord-Holland) en de erfgoedcommissie uit vijf (zelfstandige, losse) leden.
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023
pagina 3
In de nieuwe situatie willen wij de advisering in zijn geheel uitbesteden aan de Stichting Mooi Noord-Holland. Als alle leden van de commissie Omgevingskwaliteit bij de Stichting Mooi Noord-Holland in dienst zijn dan levert dit behalve een meer integrale advisering ook een kostenbesparing op. Dat laatste wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3 van dit voorstel. Het contract dat wij hebben met de Stichting Mooi Noord-Holland zal hiervoor moeten worden herzien, evenals de nadere regels. In de nieuwe overeenkomst zal in ieder geval worden opgenomen dat de Stichting ervoor moet zorgdragen dat de lokale kennis met betrekking tot erfgoed geborgd is. Artikel 2.6 Weigeringseronden De weigeringsgronden voor het maken en/of veranderen van een uitweg (lid 7 van dit artikel) waren in voorkomende gevallen te streng geformuleerd. Het recht om uit te wegen vanaf particulier terrein is opgenomen in artikel 14 Wegenwet. Wij mogen het recht om uit te wegen alleen beperken indien sprake is van dringende redenen van algemeen belang. In de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2019 was een limitatief imperatief stelsel opgenomen, waarbij geen nadere ruimte bestond voor een beoordeling per geval. Om deze reden bevat het onderhavige voorstel aangepaste weigeringsgronden voor het maken en/of veranderen van een uitweg.
Om een uniforme toepassing van deze weigeringsgronden te waarborgen, hebben wij de Beleidsregels uitwegen opgesteld, waarin een toelichting op deze weigeringsgronden is opgesteld. Artikel 6.3 Maken, veranderen van een uitweg Eerste lid, onder b Volgens artikel 2.2, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingswet kan de gemeenteraad een verordening vaststellen, waarin staat dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg, of voor het veranderen van het gebruik daarvan. In de modelverordening van de Algemene plaatselijke verordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is alleen een verbodsbepaling opgenomen voor het maken of veranderen van een uitweg. Het hebben van een uitweg of het veranderen van het gebruik van een uitweg wordt daarin niet genoemd. Een uitleg daarvoor wordt in de toelichting op de modelverordening niet gegeven. Maar het niet opnemen van een verbodsbepaling voor het hebben van een uitweg kan leiden tot ongewenste situaties. Wanneer iemand eigenaar is van een perceel met daarop een uitweg die zonder vergunning is gerealiseerd dan is daarvoor een vergunning nodig. Maar wanneer die uitweg niet door de huidige eigenaar, maar door één van zijn rechtsvoorgangers is gerealiseerd, dan kan de huidige eigenaar daarvoor in de huidige situatie niet verantwoordelijk worden gehouden.
Door ook het hebben van een uitweg zonder omgevingsvergunning vergunningplichtig te stellen wordt dit hersteld en kunnen rechtsopvolgers ook worden aangesproken op uitwegen die zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Tweede lid, onder b In het verleden zijn meerdere uitwegen gerealiseerd zonder ontheffing of vergunning. Tot voor kort was de ambtelijke organisatie in de veronderstelling dat voor uitwegen die zijn gemaakt in de jaren '90 of eerder, geen ontheffing of vergunning nodig was. Dit is ook gedurende meerdere jaren aan onze inwoners verteld. Voor dit standpunt is echter geen juridische basis gevonden. Deze juridische basis wordt met het opnemen van deze bepaling alsnog geboden. De situaties van voor 1 januari 2000 bestaan al tientallen jaren en hebben voor zover bekend niet geleid tot situaties die de verkeersveiligheid in gevaar brengen. De openbare ruimte is in de meeste gevallen ook ingericht ten dienste van de uitwegen. De uitwegen gaan daarom niet ten koste van bestaand openbaar groen of van bestaande openbare parkeerplaatsen. Wij achten het gelet op het voorgaande niet opportuun om inwoners alsnog een vergunning te laten aanvragen voor
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023
pagina 4
situaties die voor 1 januari 2000 zijn ontstaan of om, indien zij daartoe niet genegen zijn, alsnog te handhaven tegen dergelijke uitwegen. Artikel 6.42 Kosten voor het overbrengen en bewaren van voertuigen De tarieven zijn geïndexeerd. Omdat de tarieven nooit eerder geïndexeerd zijn, hebben wij hierbij de indexering doorberekend vanaf 2015 tot 2022. 3.3 Wat mag het kosten? De aanpassing van artikel 2.6, zevende lid, van de Verordening vraagt een intensievere beoordeling van aanvragen om een vergunning op grond van artikel 6.3 van de Verordening dan voorheen. Naar verwachting kan deze beoordeling door de beschikbare ambtelijke capaciteit worden uitgevoerd. Wij zullen eind 2023 evalueren of dit inderdaad het geval is. Naar verwachting levert de samenvoeging van de welstands- en erfgoedcommissie tot één commissie een besparing op ten opzichte van de huidige situatie omdat: • binnen de huidige commissies dubbele taken zijn, zoals architectuur en bouwkunde, en door het samenvoegen van de huidige commissies een aantal taken kunnen worden samengevoegd en belegd bij één lid in plaats van bij meer leden. Er zijn dus drie (3) commissieleden minder nodig dan er in de huidige commissies zijn aangesteld; •
de kosten van advisering door de commissie omgevingskwaliteit (grotendeels) via leges bij de initiatiefnemer in rekening gebracht worden zoals nu alleen bij advisering door de welstandscommissie op bouwplannen het geval is, en niet bij de advisering van de erfgoedcommissie. De kosten voor de huidige welstandsadvisering zijn gebaseerd op de beoordeling van (bouw)plannen. Per soort plan brengt de Stichting MOOI een tarief in rekening. Deze kosten worden gedekt door de leges voor bouw in de legesverordening. De aanvrager van een bouwplan betaalt daarmee de kosten voor het behandelen van zijn plan door de welstandscommissie. De kosten van de erfgoedcommissie worden op dit moment niet gedekt door legesinkomsten, maar worden gedekt uit het in de programmabegroting beschikbare budget van beleidsdoel 'inwoners nemen deel aan een breed aanbod van culturele activiteiten en maken kennis met de culturele historie van Haarlemmermeer, waarvoor wij het cultureel erfgoed behouden' van het programma Maatschappelijke ontwikkeling, taakveld 5.5;
•
in de huidige situatie wordt de welstandscommissie ondersteund door een ambtelijke bouwplantoelichter en de erfgoedcommissie door een secretaris. Deze functies kunnen samengevoegd worden, wat in beginsel een besparing oplevert;
•
het inhuren van alle leden van de commissie omgevingskwaliteit bij de Stichting MOOI Noord-Holland betekent dat geen presentiegeld per lid meer hoeft te worden betaald omdat niet meer elke discipline (elk lid van de erfgoedcommissie heeft een eigen expertise) voor elk plan bij elke vergadering aanwezig hoeft te zijn. Dit is opgenomen, zoals hiervoor toegelicht, in het per (soort) bouwplan door de Stichting MOOI in rekening gebrachte tarief, dus dit staat los van het aantal leden dat bij de vergadering aanwezig is en welke expertise deze aanwezige leden hebben. De kosten van de advisering door de huidige erfgoedcommissie is op dit moment anders geregeld. De vijf leden ontvangen namelijk een vaste vergoeding per bijgewoonde vergadering. De jaarlijkse kosten zijn afhankelijk van het aantal vergaderingen en de aanwezigheid van de commissieleden bij de vergaderingen.
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023
pagina 5
Wat zijn de financiële risico's? Onze gemeente loopt geen vermeldenswaardige risico's bij de uitvoering van dit voorstel. 3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk? De raad is verantwoordelijk voor het stellen van kaders en daarmee voor het vaststellen van de verordening. De uitvoering van de verordening en het toezicht op de naleving van de in de verordening opgenomen bepalingen behoren tot de verantwoordelijkheid van het college. De portefeuillehouder Ruimtelijke ontwikkeling is binnen het college het eerste aanspreekpunt. 3.5 Welke overige relevante informatie is beschikbaar? De Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 treedt per 1 januari 2023 in werking door publicatie in het elektronisch gemeenteblad op www.overheid.nl. In de InforMeer zal aandacht besteed worden aan de vaststelling van de verordening. Tegen de verordening zelf kan geen bezwaar dan wel beroep worden aangetekend. Rechtsmiddelen staan pas open bij afzonderlijke besluiten. 3.6 Wanneer en hoe zal de raad over de voortgang worden geïnformeerd? De verordening is opgesteld met de bedoeling de daarin opgenomen bepalingen over te zetten in het omgevingsplan voor de gehele gemeente dat op basis van de Omgevingswet moet worden opgesteld. Dit proces moet uiterlijk 31 december 2029 voltooid zijn. Tot die tijd toetsen wij de verordening doorlopend op effectiviteit, actualiteit en dereguleringsmogelijkheden.
Als de actuele ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zullen wij de raad een aangepaste versie van de verordening ter besluitvorming voorleggen. 4. Ondertekening
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023 De raad van de gemeente Haarlemmermeer; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 november 2022, kenmerk 2022.0002273 Gelet op: - de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; - artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; - artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet; - artikel 12 en 15 van de Monumentenwet BES - Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken; - Artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - artikel 2 van de Woningwet; - artikel 3 van de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet; - artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet Overwegende dat: de Omgevingswet in werking treedt op 1 juli 2023; het doel van de Omgevingswet is: 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit'; dit wordt vertaald in twee maatschappelijke doelen: 1. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; 2.
de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen; deze verordening bijdraagt aan deze maatschappelijke doelen door het stellen van regels voor een doelmatig beheer en gebruik van de openbare ruimte, het beperken van hinder en overlast voor een veilige leefomgeving en het beperken van hinder en overlast voor een gezonde leefomgeving; uiterlijk schoon en een kwalitatief goede omgevingskwaliteit met deze verordening wordt nagestreefd. besluit vast te stellen de: Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2023
HOOFDSTUK 1 GEZAMENLIJKE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Algemeen - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; laad-, sleep- en bewaartarief: kosten die worden berekend vanaf het moment dat een medewerker van het wegsleepbedrijf bezig is met het daadwerkelijk wegslepen van het voertuig. motorrijtuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingswet; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld in deze begripsbepalingen; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of een persoonlijk recht; uitrijtarief: kosten die in rekening worden gebracht op het moment dat de opdracht tot wegslepen wordt verstrekt en waarbij ook daadwerkelijk wordt uitgereden.
voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Erfgoed - gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; - gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; - gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; - gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; - minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht; - stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; Begraafplaatsen - algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen
begraven van lijken; - algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen; - asbus: een bus ter berging van as van een overledene; - begraafplaatsen: de begraafplaatsen: • Godsakker, gelegen aan de Kerkweg 26 te Spaarnwoude; • Wilgenhof, gelegen aan de Hoofdweg 395 te Hoofddorp; • Taxushof, gelegen aan de Rustoordstraat 17 te Nieuw-Vennep; • Lindenhof, gelegen aan de Papaverstraat 30 te Nieuw-Vennep;
-
-
-
-
• lepenhof, gelegen aan de Hoofdweg 776 te Hoofddorp; • Meerterpen, gelegen aan de Spieringweg 1021 te Zwaanshoek; beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats(en) of degene die hem vervangt; gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf of een algemeen urnengraf is verleend; graf: een zandgraf of keldergraf; grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, gedenkplaats of verstrooiingsplaats; grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; particulier graf dan wel eigen graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: 1. het doen begraven en begraven houden van lijken; 2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 3. het doen verstrooien van as. particulier urnengraf dan wel eigen urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: 1. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 2.
het doen verstrooien van as; particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen; verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid;
Kappen - boom: houtachtige, overblijvende gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; - dunning: kappen, dat uitsluitend als voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; - gemeentelijke boom: een boom die op grond staat in eigendom van de gemeente; - hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; - houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal; - knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; - monumentale boom en waardevolle toekomstboom: een boom die als zodanig is aangewezen op de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde bomenlijst met monumentale en waardevolle toekomstbomen; - vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een boom of van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben; Buitenruimte - Activiteitenbesluit milieubeheer: het Activiteitenbesluit milieubeheer; - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - gevelreiniging: het met behulp van schoonmaakapparatuur verwijderen van aanslag, verf,
conserveerlagen of enig andere dergelijke stof van gevels, muren, daken, puien, bruggen, viaducten, pijlers of andere vergelijkbare oppervlakken;
-
-
-
-
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; openbaar groen: met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken, plantsoenen en speelveldjes, maar ook struiken, bermen en bomen die in eigendom zijn van de gemeente Haarlemmermeer; openbare parkeerplaats: plaats op de weg waar het op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv) is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op de rijbaan of de plaatsen die specifiek voor het parkeren bestemd zijn; standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: 1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; 2.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24; uitweg: een directe overgang voor motorvoertuigen vanaf een perceel op de openbare weg. Met uitweg wordt niet bedoeld het gedeelte van de ontsluiting die op grond ligt van de eigenaar van het perceel waartoe de ontsluiting dient. Met het begrip “uitweg” worden gelijkgesteld de begrippen “uitrit” en ”oprit”; verlichte handelsreclame: handelsreclame waarbij de lichtbron onderdeel uitmaakt van de constructie; vaartuig: alle drijvende objecten, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; woonschepen: elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie en/of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot woonverblijf van een of meer personen;
Winkeltijden - feestdag: Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, Kerstavond, eerste Kerstdag en tweede Kerstdag; - goederen: roerende lichamelijke zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen; - particulier: degene die een goed koopt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf; - winkel: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht; Kabels en leidingen - Kabels en leidingen: één of meer kabels en leidingen, daaronder in ieder geval begrepen dat wat onder kabels en leidingen wordt verstaan in artikel 1.1., onder z., van de Telecommunicatiewet, en daaronder mede begrepen lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; - leidingexploitant: degene onder wiens verantwoordelijkheid een kabel of leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen degene die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd; - openbare gronden: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken en wateren met
-
de daarbij behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn; werkzaamheden van niet-ingrijpende aard: werkzaamheden in openbare gronden met een sleuflengte van maximaal 10 meter.
HOOFDSTUK 2 PROCES Artikel 2.1 Indienen aanvraag 1. 2. 3.
Een aanvraag om vergunning of een melding kan langs elektronische weg worden ingediend via de website van de gemeente. Indien een aanvraag of melding niet langs elektronische weg kan worden ingediend, dient deze schriftelijk te worden gedaan. Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.pm en een melding als bedoeld in artikel 5.pm wordt een uitvoeringsplan gevoegd. Het uitvoeringsplan omvat in ieder geval: a. Een omschrijving van de kabels en leidingen die worden aangelegd, in stand gehouden of opgeruimd, alsmede een omschrijving van de voorzieningen die worden mede gebruikt of voor medegebruik worden aangelegd; b. De locatie van de werkzaamheden; c. Een omschrijving van de werkzaamheden die worden uitgevoerd; d. De contactgegevens van degene onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden worden verricht, inclusief een contactgegeven dat gedurende de uitvoering van de werkzaamheden de gehele dag bereikbaar zal zijn; e. Een opgave van het voorgenomen tijdvak waarbinnen de werkzaamheden zullen plaatsvinden en, indien van toepassing, een opgave van de fasering binnen dit tijdvak; f. Een aanduiding van de wijze waarop omwonenden en andere belanghebbenden vooraf in kennis worden gesteld van de werkzaamheden; en g.
Een omschrijving van de maatregelen die om reden van openbare orde, veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de bereikbaarheid van gronden en gebouwen, dan wel ondergrondse ordening zijn voorgenomen. h. Het uitvoeringsplan wordt voorzien van een tekening op een GBKN schaal 1:500 of 1:1000 waarop in ieder geval de aan te leggen, in stand te houden of te verwijderen kabels en leidingen, de daartoe te verrichten werkzaamheden en een of meer straatnamen staan aangeduid.
Artikel 2.2 Bevoegd orgaan Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd voor alle besluiten op grond van deze verordening, tenzij in een artikel een ander orgaan wordt genoemd. Artikel 2.3 Beslistermijn 1. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering van de vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in of op openbare gronden inzake de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en leidingen die niet vallen onder de reikwijdte van Hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet. Artikel 2.4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. De voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
3. Degene aan wie een vergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 4. In afwijking van het bepaalde ten aanzien van het verbod tot het bouwen op verontreinigde bodem en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het college van burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport of andere bij hem bekende onderzoeksresultaten, dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid van die Wet van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 5. Voor de vergunning als bedoeld in artikel 5.7 kunnen voorschriften en beperkingen slechts betrekking hebben op: a. de plaats van de werkzaamheden; b. het tijdstip van de werkzaamheden, met dien verstande dat het toegestane tijdstip van aanvang, behoudens zwaarwichtige redenen van publiek belang, niet later mag liggen dan 12 maanden na de datum van verlening van de vergunning; c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden; d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen; en e.
het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken. Artikel 2.5 Commissie omgevingskwaliteit 1. Er is een commissie omgevingskwaliteit die het college van burgemeester en wethouders: a. gevraagd adviseert over redelijke eisen van welstand; b. gevraagd of ongevraagd adviseert over onderwerpen die het gemeentelijk erfgoed aangaan of op dat erfgoed van invloed zijn. 2. De commissie omgevingskwaliteit bestaat uit tenminste een voorzitter en vier leden; 3. De commissie omgevingskwaliteit: a. adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen; b. adviseert in ieder geval bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen of veranderen van een rijks-, provinciaal of gemeentelijke monument; c. adviseert in ieder geval over het voornemen om toepassing te geven aan het aanwijzen als gemeentelijk monument. 4. De commissie omgevingskwaliteit baseert haar advies inzake redelijke eisen van welstand op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. 5. De commissie omgevingskwaliteit baseert haar advies inzake erfgoed op de Erfgoedvisie gemeente Haarlemmermeer 2020-2030 “Erfgoed omarmen en beleven”; 6. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen betreffende: a. de samenstelling van de commissie omgevingskwaliteit; b.
de vorm en wijze van advisering door de commissie omgevingskwaliteit; c. de termijn van advisering door de commissie omgevingskwaliteit; d. de openbaarheid van de vergadering van de commissie omgevingskwaliteit; e. de jaarlijkse verantwoording van de werkzaamheden van de commissie omgevingskwaliteit.
Artikel 2.6 Weigering Algemene weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. Een vergunning op grond van deze verordening kan worden geweigerd wanneer een of meer van de doelen genoemd in de aanhef van de verordening zich tegen verlening verzetten. Bijzondere weigeringsgronden Erfgoed 4. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.13 kan worden geweigerd indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. 5. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.15 kan worden geweigerd indien niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Voorwerpen op of aan een openbare plaats 6.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6.1 kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Maken, veranderen van een uitweg 7.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 kan alleen worden geweigerd als: a. door de uitweg een verkeersonveilige situatie ontstaat; b. de aanleg van de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, waar ter plaatse sprake is van parkeerdruk en niet elders in de straat ter vervanging een parkeerplaats kan worden gerealiseerd; c. het openbaar groen door de uitweg op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. het perceel al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van het openbaar groen of een openbare parkeerplaats.
Commerciële uitlaatactiviteiten 8.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6.6 kan worden geweigerd als het door het college van burgemeester en wethouders bepaalde maximum aantal vergunningen is verleend.
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 9.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6.14 kan worden geweigerd indien: a. natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; b. landschappelijke waarde van de houtopstand; c. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. waarde voor de recreatie en/of de leefbaarheid van de houtopstand zich daar tegen verzetten.
10. In afwijking van het bepaalde in lid 9 kan het college van burgemeester en wethouders de vergunning verlenen indien er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang. Omgevingsvergunning verlichte handelsreclame 11. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.20 kan worden geweigerd indien de verlichte handelsreclame: a. op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. onevenredige hinder veroorzaakt voor de omgeving; c. de veiligheid van het verkeer in gevaar brengt. 12. De weigeringsgrond van het elfde lid: - onder a. is niet van toepassing in geval tevens een omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit bouwen; - onder b. en c. is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 13. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.21 kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van natuur en landschap of de bescherming van een stadsgezicht. Standplaatsvergunning 14. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.31 kan worden geweigerd: a. indien de aangevraagde locatie en/of categorie niet als zodanig zijn aangewezen in het stippenplan waarin door het college locaties zijn vastgesteld voor standplaatsen, met uitzondering van de seizoensgebonden en maatschappelijke standplaatsen; b.
indien in geval van een seizoensgebonden of maatschappelijk standplaats reeds voor de aangevraagde locatie voor dezelfde periode een aanvraag is ingediend of een vergunning is verleend; c. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor
e. f.
het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; indien de aanvrager niet in het bezit is van een uittreksel Kamer van Koophandel waaruit de ambulante handel blijkt en van een geldig legitimatiebewijs; indien het maximum aantal toegestane standplaatsen voor de gevraagde locatie in het aanwijzingsbesluit reeds is verleend.
Crossterreinen 15. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.35 kan worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Winkeltijden 16. Een vergunning als bedoeld in artikel 6.45 kan worden geweigerd indien de woonsituatie of de leefsituatie, de veiligheid of de openbare orde in de omgeving van de winkel/standplaats op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling. Kabels en leidingen 17. Een vergunning als bedoeld in artikel 5.7 kan worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bereikbaarheid van gronden en gebouwen; c. de ondergrondse ordening. Artikel 2.7 Werking en geldingsduur vergunningen 1. De vergunning is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 3. De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen overtreft. 4.
Een vergunning als bedoeld in artikel 5.7 en 6.45 is overdraagbaar na verkregen toestemming. In geval van een voorgenomen overdracht doet de houder van de vergunning hiervan onmiddellijk digitaal of schriftelijk mededeling onder vermelding van de naam en het adres van de voorgestelde rechtverkrijgende. Artikel 2.8 Intrekken of wijzigen De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; c. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. e. f. g.
indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt; indien de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor het gebruik van de standplaats voldoet; het gebruik van de winkel of de uitoefening van een bedrijf anders dan in een winkel gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse;
HOOFDSTUK 3 ERFGOED § 1. Algemeen Artikel 3.1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college van burgemeester en wethouders houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. § 2. Aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen Artikel 3.2 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijke beschermde verzameling 1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten een cultuurgoed, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2.
Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als gemeentelijke beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijke beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor, vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de commissie Omgevingskwaliteit. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6.
Het college van burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijke beschermde verzameling 1. Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2 eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. 2. Op het bepaalde in het eerste lid is artikel 3.2 vierde lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijke beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijke beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 4. Het college van burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. § 3. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 3.4 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten; b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Artikel 3.5 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.4, eerste lid, wordt door het college van burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Artikel 3.6 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.5 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 3.8 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.
Het college van burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 3.9 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college van burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2.5 wordt in dat geval aan de commissie Omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.4. 3. Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 3.8 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 3.10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. § 4. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 3.11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 3.12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument, dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. Het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: I. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; II. doen van begravingen of asbijzettingen; of
3.
III. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid.
§ 5. Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel 3.13 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan vast als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 4. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 5. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- en dorpsgezichten dat via instructies of de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 3.14 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3.13, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. Beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. Beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.15 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2.
De artikelen 2.6 lid 4 en 5 en 2.8 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
HOOFDSTUK 4 BEGRAVEN Artikel 4.1 Openstelling begraafplaats(en) 1. De begraafplaatsen zijn voor een ieder dagelijks toegankelijk gedurende door het college van burgemeester en wethouders bij nadere regels vast te stellen tijden. 2. Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de toegangen tijdelijk door de beheerder worden gesloten. 3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden, anders dan voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as. Artikel 4.2 Plechtigheden 1. Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaats kunnen slechts plaatsvinden nadat deze ten minste zes werkdagen tevoren zijn gemeld aan de beheerder. 2. De datum en uur van een plechtigheid als bedoeld in het eerste lid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden, in overleg met de aanvrager, door de beheerder vastgesteld. 3. De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder. Artikel 4.3 Inrichting register 1. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de administratie van de begraafplaatsen. 2.
De administratie bevat een register van alle op de begraafplaatsen begraven lijken met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn, alsmede een register van bijgezette asbussen met de krachtens artikel 65, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging voorgeschreven gegevens. 3. De in de in het tweede lid bedoelde registers opgenomen gegevens zijn openbaar. 4. De administratie bevat een register van alle rechthebbenden en gebruikers van de graven, met hun namen en adressen en zo mogelijk aantekening van hun relatie tot de overledene. 5. De in het vierde lid bedoelde register opgenomen gegevens zijn niet openbaar. 6. De rechthebbenden en gebruikers zijn verplicht de wijziging van hun adres aan het college van burgemeester en wethouders door te geven. 7. Van de in het tweede lid bedoelde register kan een ieder, doch van het in het vierde lid bedoelde register kunnen alleen rechthebbenden en gebruikers of hun rechtsopvolgers, een uittreksel verkrijgen.
HOOFDSTUK 5 BODEM Bodemgesteldheid Artikel 5.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 5.2 Onderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave 2009, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie; b. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerend uitgave; 4.
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht artikelen 2 en 3 van bijlage II. 5. Het college van burgemeester en wethouders staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college van burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 6.
Het college van burgemeester en wethouders kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave niet rechtvaardigen. 7. Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, mag het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt maar voordat met de bouw wordt begonnen. Bodemvondsten Artikel 5.3 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij; a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is verleend;
b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of een vooronderzoek is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: I. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of II. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of III. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 8. Bij een opgravend onderzoek moet het daarvoor op te stellen Programma van Eisen altijd vooraf worden goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders. 9.
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Kabels en leidingen § 1. Algemene Bepalingen Artikel 5.4 Coördinatie van werkzaamheden 1. Het college is belast met de coördinatie van werkzaamheden in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen. 2. Hierbij worden mede betrokken andere werkzaamheden in of op openbare gronden. 3. Het college bevordert het medegebruik van voorzieningen, waarbij in ieder geval de technische mogelijkheden in acht worden genomen. Artikel 5.5 Nadere regels Het college stelt in ieder geval nadere regels vast met betrekking tot: a. De eisen aan de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen; b. Ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen; c. De omgang met kabels en leidingen in verontreinigde gronden, rond watergangen en stedelijk groen, en op verhardingen boven kabels en leidingen; d. Informatie-uitwisseling tussen de gemeente en netbeheerders. § 2. Werkzaamheden in zake kabels en leidingen, uitgezonderd kabels ten dienste van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk.