2021.0001380 b15 leidraad groene bouwstenen.pdf
Tekst van het document
DECEMBER 2020
PARK21 LEIDRAAD GROENE BOUWSTENEN
COLOFON Titel Opdrachtgever Status Datum Projectnummer Studiebureau Auteur
PARK21 Leidraad groene bouwstenen Gemeente Haarlemmermeer Eindconcept December 2020 2020-033 Buiting Advies BV Ralph de Jong, Ronald Buiting
leidraad groene bouwstenen
PARK21
PARK21 LEIDRAAD GROENE BOUWSTENEN
leidraad groene bouwstenen
PARK21
leidraad groene bouwstenen
PARK21
INHOUD 1
INLEIDING
5
2
LEIDRAAD
7
3
GROENE BOUWSTENEN VAN PARK21
11
4 4.1 4.2 4.3 4.4
GROEIPLAATSONDERZOEK Bodem en reliëf Ontwateringstoestand Wind Bestaande kwaliteiten
17 17 18 19 19
5 5.1 5.2
GROEIPLAATSINRICHTING EN -VOORBEREIDING 21 Geschikt maken van de groeiplaats 21 Verhogen van het maaiveld 23
6 6.1 6.2 6.3
NATUUURLIJKE REFERENTIE Voordelen Natuurlijke referenties voor PARK21 Kanttekeningen
25 25 26 29
7 ONTWERP VAN BOS EN STRUWEEL 7.1 Natuurlijke referentie als ontwerptool 7.2 Plantverbanden 7.3 Bos ontwerpen met beplantingsgroepen 7.4 Ontwerpen van mantel en struweel 7.4.1 Ontwerpen van mantels 7.4.2 Ontwerpen van struweel
33 33 35 39 46 46 49
8 8.1 8.2 8.3
51 51 54 55
ONTWERP VAN LIJNVORMIGE BEPLANTING Ontwerpen van een laan Ontwerpen van een bomenrij of singel Ontwerpen van een haag
leidraad groene bouwstenen
9 9.1 9.2 9.4
ONTWERP VAN OVERIGE BEPLANTING Ontwerpen van solitaire bomen en clumps Ontwerpen van boomweiden Ontwerpen van erfbeplanting
57 57 58 58
10 ONTWERP VAN KORTE VEGETATIES 10.1 Ontwerpen van zoomvegetatie 10.2 Ontwerpen van kruidenrijk gras 10.3 Ontwerpen van recreatief gras
61 61 62 63
11 ONTWERP VAN NATTE BOUWSTENEN 11.1 Ontwerpen van oppervlaktewater 11.2 Ontwerpen van moeras
63 63 63
12
AANLEGSTRATEGIE
67
13
INSTANDHOUDINGSTERMIJN
73
14
BEHEERPLAN
75
15
TOEZICHT EN MONITORING
77
BIJLAGEN Bijlage 1 Groene bouwstenen toegelicht Bijlage 2 Passende boom- en struiksoorten
PARK21
leidraad groene bouwstenen
4
PARK21
1
INLEIDING
EEN BIJZONDER PARK MET LAGEN EN SFEREN PARK21 is opgebouwd uit drie lagen: de polderlaag, de parklaag en de leisurelaag. De lagen lopen elk dwars door het park, vullen elkaar aan, maar verschillen ook heel duidelijk. De polderlaag, het polderlandschap, verankert het park in de cultuurhistorie. De polderlaag transformeert van traditioneel agrarisch naar verbrede stadslandbouw. Het gebied wordt toegankelijker en aantrekkelijker met activiteiten voor bezoekers. Stadslandbouw richt zich op beleving en gebruik. Uitgangspunt is de inzet van huidige agrariërs en het voortzetten en vernieuwen van de agrarische polderhistorie. De parklaag zorgt voor samenhang in PARK21 en functioneert als kapstok voor alle andere initiatieven. Het is een openbaar toegankelijke groenstructuur. Hier ligt het recreatieve netwerk van wandel-, fiets-, skate- en ruiterpaden en hier is ruimte voor sport, spel en voorzieningen. De parklaag is ook de natuurlaag. Bomen, bosjes en waterpartijen garanderen een grote variatie aan planten en dieren. De parklaag is in de eerste plaats bedoeld voor inwoners van Haarlemmermeer en de regio. De leisurelaag biedt (commerciële) voorzieningen en (inter-)nationale topattracties die drager(s) voor het gebied kunnen worden, iconen voor het park. Deze voorzieningen worden landschappelijk ingepast in de groene omgeving.
GEEN EINDBEELD, MAAR ONTWIKKELING PARK21 is een nieuwe opgave die vraagt om een inventieve toepassing van de bestaande instrumenten en de ontwikkeling van nieuwe. Publiek-private samenwerking krijgt vorm, zowel voor de inrichting als voor het toekomstig beheer. Dat bepaalt de ontwikkelstrategie van PARK21. Deze volgt twee sporen: het ontwikkelen van een publieke, openbaar toegankelijke groene ruggengraat en het ontwikkelen van private (commerciële) functies in of aan deze groene ruggengraat. Door deze twee ontwikkelingen te combineren, werken publieke investeringen en publieke inzet als hefboom om private initiatieven aan te trekken. Zo ontstaat een park dat veel meer is dan de som der delen. We kunnen nieuwe kansen benutten, zowel publiek (subsidies, betrokkenheid) als privaat. DE ROL VAN GROEN Het groen draagt in belangrijke mate bij aan de herkenbaarheid van en samenhang tussen alle deelgebieden en ontwikkelingen in PARK21 en is bepalend voor de identiteit, zowel van de deelgebieden als van het park als geheel. Het groen is ook dé drager van de ecologische functie en van veel van de recreatieve mogelijkheden in PARK21. Om deze reden is het van groot belang dat alle onderdelen van de groene ruimte zorgvuldig worden ingepast, ontworpen, aangelegd én beheerd. Deze leidraad borgt de samenhang en herkenbaarheid van het groen in PARK21.
Met kaders, regels, aanbevelingen en voorbeelden wordt richting gegeven aan ontwerp, aanleg en beheer van groene elementen die samen de groene ruimte van PARK21 zullen vormen. De leidraad vormt daarmee uit uitwerking van het Masterplan1 en de beeldkwaliteitsplannen voor de openbare ruimte2 en voor de polderlaag3 van PARK21. Het verdient sterke aanbeveling om, voordat met deze leidraad aan de slag wordt gegaan, kennis te nemen van deze plannen.
1
Masterplan PARK21, juni 2011, opgesteld door Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw, in opdracht van gemeente Haarlemmermeer. 2 Beeldkwaliteit openbare ruimte PARK21, september 2013, opgesteld door Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw, in opdracht van gemeente Haarlemmermeer. 3 Beelkwaliteit polderlaag PARK21, december 2014, opgesteld door Vista Landschapsarchitectuur en Stedenbouw, in opdracht van gemeente Haarlemmermeer.
leidraad groene bouwstenen
5
PARK21
leidraad groene bouwstenen
6
PARK21
2
LEIDRAAD
PARK21 komt tot stand door grote maar vaak ook kleinschalige ontwikkelingen. Ontwikkelingen die worden geïnitieerd door private en publieke partijen of een combinatie daarvan. Het gaat bijvoorbeeld om de inpassing van een sportvoorziening, ecologische groenzone of een wandelpark, het uitrollen van een vernieuwde agrarische bedrijfsvorm of terreinaanpassingen ter implementatie van het verbeterd droogmakerijsysteem (VDS). Al deze ontwikkelingen hebben een gemeenschappelijk doel: de totstandkoming van één samenhangend multifunctioneel landschap als bedoeld in het Masterplan, waarin alle puzzelstukjes elkaar aanvullen en versterken. Tegelijkertijd is er in elk deelgebied vanzelfsprekend ruimte voor lokale doelen, randvoorwaarden en voorkeuren van de ontwerper. Om te voorkomen dat deze lokale verschillen ten koste gaan van de onderlinge samenhang van deelgebieden, worden alle groene bouwstenen van PARK21 ontworpen, ingericht en beheerd volgens dezelfde richtlijnen, beschreven in deze leidraad. Deze leidraad omvat in totaal 10 stappen. Onderstaand worden de stappen kort benoemd. In de navolgende hoofdstukken worden de afzonderlijke stappen toegelicht.
STAP 1 LOCATIE Breng voordat met de planvorming wordt gestart de ligging en contour van het plangebied duidelijk in beeld. Bepaal zo nauwkeurig mogelijk de ruimte die daarbinnen beschikbaar is voor groene en blauwe landschapselementen. Zorg in deze stap tevens voor een goed beeld van de omgeving van het plangebied, met speciale aandacht voor reeds aanwezige beplanting, watergangen en andere groene en blauwe landschapselementen. STAP 2 POLDER-, PARK- OF LEISURELAAG In PARK21 worden drie lagen onderscheiden: de polderlaag, parklaag en leisurelaag. Groene en blauwe landschapselementen komen in elke laag voor, maar niet op dezelfde manier of in dezelfde vorm. Stel voorafgaand aan het ontwerpproces vast van welke laag of lagen het in te richten plangebied deel uitmaakt. De betreffende laag bepaalt, samen met de te vervullen functies, een belangrijk deel van het programma van eisen voor het ontwerp. STAP 3 FUNCTIE Bepaal welke functie(s) de groene en blauwe landschapselementen in het plangebied moeten vervullen. Denk hierbij aan recreatieve of ecologische functies, maar ook aan leveren van bijvoorbeeld hout of streekproducten. Beschrijf zowel de functies die specifiek voor het plangebied van belang zijn als de wijze waarop kan worden bijgedragen aan de functies die PARK21 als geheel vervult.
STAP 4 GROENE BOUWSTENEN Groene en blauwe landschapselementen worden in deze leidraad samengevat onder de noemer ‘groene bouwstenen’. Het zijn de puzzelstukjes die in elkaar grijpen en een samenhangende groenstructuur vormen. Bepaal op basis van de eerste drie stappen met welke groene bouwstenen de identiteit van het deelgebied, de laag en de functies het best tot hun recht komen en hoe het deelgebied daarmee het beste kan worden gemonteerd aan de directe omgeving. De groene bouwstenen worden in hoofdstuk 3 besproken en in bijlage 1 nader toegelicht.
leidraad groene bouwstenen
7
PARK21
STAP 5 GROEIPLAATSONDERZOEK EN -INRICHTING De fysische kenmerken van een terrein beïnvloeden de wijze waarop groene bouwstenen ingericht kunnen of zelfs moeten worden. Bepaal van het deelgebied de belangrijkste groeiplaatskenmerken, zoals bodem, ontwateringstoestand, invloed van de wind, maar ook bestaande ecologische en landschappelijke kwaliteiten. In hoofdstuk 4 wordt hiervoor meer handvat gegeven. Ontwikkelingen in PARK21 kunnen gepaard gaan met aanpassing van de groeiplaats, zoals maaiveldverhoging of verlaging of verandering van de ontwateringstoestand. Meer hierover is beschreven in hoofdstuk 5. Het onderzoek richt zich vanzelfsprekend op de groeiplaatseigenschappen in de nieuwe situatie. STAP 6 NATUURLIJKE REFERENTIE Ook zonder tussenkomst van de mens blijft een terrein zich ontwikkelen. Op de meeste plekken resulteert deze ontwikkeling vroeg of laat in bos. Het type bos dat ontstaat is sterk afhankelijk van de groeiplaatseigenschappen. Het bostype dat op een specifieke groeiplaats zal ontstaan noemen we de natuurlijke referentie voor die plek. Dis type is het best aangepast aan de eigenschappen en dynamiek van de groeiplaats en voldoende veerkrachtig om geleidelijke veranderingen, bijvoorbeeld in het klimaat, op te vangen.
De natuurlijke referentie geeft ons informatie over passende boom- en struiksoorten, structuur en schaal van beplanting die de identiteit van een plek versterkt. Bepaal op basis van de groeiplaatseigenschappen wat de natuurlijke referentie is voor het plangebied. In hoofdstuk 6 zijn de natuurlijke referenties voor PARK21 beschreven. STAP 7 ONTWERP Nadat het programma van eisen en de groeiplaatseigenschappen in beeld zijn, en bepaald is aan welke natuurlijke referentie de groene bouwstenen worden gespiegeld, is het tijd voor elk van de groene bouwstenen een ontwerp te maken. In hoofdstuk 7 tot en met 11 worden ontwerptools beschreven voor respectievelijk bos en struweel, lijnvormige beplanting, overige beplanting, korte vegetaties en zogenoemde natte bouwstenen. Houdt bij het ontwerp rekening met de montage van groene bouwstenen aan eventueel bestaande landschapselementen in of rond het plangebied. STAP 8 AANLEGSTRATEGIE Stel voor elk van de groene bouwstenen, maar ook voor het plangebied als geheel een plan van aanpak op voor de concrete inrichting. Denk hierbij aan een goede planning en fasering, in te zetten materieel in relatie tot de draagkracht van de ondergrond, te gebruiken plantmateriaal en nazorg van inrichtingsmaatregelen. In hoofdstuk 12 worden hiervoor handvatten gegeven. STAP 9 BEHEERPLAN Bedenk voor welke termijn een landschapselement wordt aangelegd.
Voor veel groene bouwstenen geldt dat zij in beginsel worden aangelegd met het doel ze voor onbepaalde tijd te behouden als onderdeel van PARK21. In bepaalde gevallen kan in overleg met de gemeente worden besloten dat de inrichting van een plangebied of een deel daarvan van tijdelijke aard is. Zowel in de fase direct na aanleg als later, wanneer een bouwsteen verder tot ontwikkeling is gekomen, is in meer of minder mate beheer nodig. Stel hiervoor bij voorkeur vóór inrichting van het plangebied een beheerplan op waarin doelen voor de lange en korte termijn worden beschreven en maatregelen worden benoemd die in de komende tien jaar uitgevoerd moeten worden. Een toelichting op instandhouding en beheer wordt gegeven in respectievelijk hoofdstuk 13 en 14. STAP 10 MONITORING Bepaal als laatste stap in de planvorming hoe de ontwikkeling van het plangebied gevolgd wordt en wie daarvoor verantwoordelijk is. Daarbij zijn belangrijk de mate waarin de bouwstenen (blijven) passen in de laag waarvan ze deel uitmaken, de mate waarin functies worden vervuld en of de inrichting op duurzame wijze verder ontwikkeld of in stand gehouden kan worden. Op basis van de monitoring kan worden besloten of en waar bijsturing in het beheer of aanvullende inrichtingsmaatregelen noodzakelijk zijn (zie ook hoofdstuk 15).
leidraad groene bouwstenen
8
PARK21
TOELICHTING OP DE LEIDRAAD
DEEL I: BOUWSTENEN KIEZEN
leidraad groene bouwstenen
9
PARK21
leidraad groene bouwstenen
10
PARK21
3
GROENE BOUWSTENEN VAN PARK21
In de eerste stappen van deze leidraad is een verkenning uitgevoerd van een aantal belangrijke factoren waarmee bij het ontwerp van een deelgebied van PARK21 rekening moet worden gehouden. Met de kennis die daarbij is opgedaan moeten de volgende vragen beantwoord kunnen worden:
▪ Hoe past het in te richten gebied in het totaalconcept van PARK21 en welke bijdrage levert het aan het geheel? ▪ In welke laag of lagen van PARK21 ligt het plangebied; polder, park of leisure? ▪ Ligt het in te richten gebied in of tegen de overgang tussen twee lagen, moet het ontwerp bijdragen aan het accentueren van de overgang en welke voorschriften zijn daarvoor in de bovenliggende beeldkwaliteitsplannen opgenomen? ▪ Welke hoofdfuncties vervult het in te richten gebied? Beperkt het groen zich tot de aankleding daarvan of is het juist een belangrijke drager van ecologie, recreatie, productie en/of landschap? ▪ Welke nevenfuncties kan het groen in het deelgebied vervullen en hoe draagt dit bij aan de ambities voor PARK21 als geheel?
Om concrete handvatten te bieden aan ontwerp, inrichting en beheer van PARK21, benoemen we de verschillende groene componenten die daarin worden ingepast: de groene bouwstenen. Dit leidt ons tot de volgende vraag: ▪ Met welke groene bouwstenen wordt optimaal invulling gegeven aan het programma van eisen voor het in te richten deelgebied van PARK21?
Onderstaand worden de groene bouwstenen benoemd die samen invulling geven aan de groene ruimte van PARK21. Een uitgebreidere beschrijving hiervan is in bijlage 1 van deze leidraad opgenomen. Deze opsomming van groene bouwstenen is niet limitatief. In de praktijk zijn tussenvormen van bouwstenen en geleidelijke overgangen tussen twee of meer bouwstenen vanzelfsprekend mogelijk en ook wenselijk. Ook varianten op de genoemde bouwstenen worden op voorhand niet uitgesloten. Er is ruimte voor innovatie en creativiteit, zolang dit bijdraagt aan de ruimtelijke en functionele samenhang in het parkgebied.
leidraad groene bouwstenen
11
PARK21
BOS Bos is een vlaktegewijze begroeiing waarin hoge bomen beeldbepalend zijn. Onder de bomen groeien struiken en typische bosplanten. Bij voldoende ruimte wordt bos geflankeerd door een mantel- en zoomvegetatie, die zorgen voor een geleidelijke overgang tussen bos en het omringende landschap. Bij grotere bossen is gelegenheid voor het creëren van interne open plekken, boskamers of parkkamers, waarin ruimte is voor het inpassen van recreatieve functies. VOEDSELBOS Een voedselbos is een specifieke vorm van landbouw. Bomen, struiken, planten en tal van andere organismen vormen hierin samen een duurzaam systeem gericht op de productie van voedsel. De vorm waarin de productiefunctie wordt gegoten maakt dat voedselbossen ook uitermate geschikt zijn voor educatieve en zelfs recreatieve doeleinden. STRUWEEL & MANTEL In struweel zijn struiken aspectbepalend. Bomen zijn afwezig of komen incidenteel voor. Struweel komt voor als zelfstandige eenheid, maar ook als stroken direct grenzend aan bos. In het laatste geval spreken we van een mantelvegetatie of kortweg mantel. Door het vele zonlicht dat op de struiklaag valt, bloeien de struiken vaak uitbundig. Dit maakt struweel waardevol voor insecten, vogels en zoogdieren én voor de beleving van recreanten. BOOMWEIDE In een boomweide staan bomen op ruime afstand van elkaar in een korte vegetatie van recreatief- of kruidenrijk gras.
Boomweiden lenen zich goed als lig- of speelweiden en worden, vooral als hierin fruit- of notenbomen staan, vaak erg gewaardeerd. ERFBEPLANTING Erfbeplanting markeert de erven aan de polderlinten. Deze bouwsteen is een verzamelbegrip voor verschillende groenelementen die samen zorgen voor een duidelijke inpassing van en scheiding tussen het erf en de agrarische percelen daaromheen.
leidraad groene bouwstenen
12
PARK21
LAAN Een laan is een formele lijnvormige beplanting van één of meer rijen bomen. Zowel beplanting aan één zijde van de weg als aan beide zijden worden in Haarlemmermeer als laan beschouwd. De bomen zijn zo veel mogelijk van gelijke soort, leeftijd en groeivorm. Ze staan op onderling gelijke afstanden aan de weg en worden op gelijke wijze beheerd. Voor parklinten geldt dat lanen bestaan uit populieren. Andere lanen juist uit andere boomsoorten. BOMENRIJ & SINGEL Bomenrijen en singels zijn informele lijnvormige beplanting van bomen die losjes verdeeld zijn over de oppervlakte. Bij bomenrijen bestaat de ondergroei uit grassen en kruiden, bij singels staat onder de bomen een dichte begroeiing van struiken. Singels en bomenrijen zijn bij voorkeur aangesloten op andere beplantingen en dragen zodoende bij aan het aaneenrijgen van groene bouwstenen in PARK21. SOLITAIRE BOOM & CLUMP Een solitaire boom staat vrij in het landschap. Wanneer enkele bomen samen in vrije stand uitgroeien en één kroon vormen, spreken we van een clump. Dit zijn relatief kleine bouwstenen maar kunnen door hun vrije stand uitgroeien tot imposante landmarks. HAAG Hagen kennen we in verschillende vormen die hoofdzakelijk bepaald wordt door het beheer. Worden hagen niet beheerd, dan groeien zij uit tot massieve groene linten in het landschap.
Worden hagen jaarlijks geschoren, dan ontstaat een meer gedrongen beplanting waarin de struiken sterk met elkaar verweven zijn en zo een dichte ondoordringbare barrière vormen. Tussen de twee typen zijn tal van tussenvormen mogelijk, die worden bepaald door de wijze van aanleg en de beheerfrequentie. ZOOM Zomen, extensief beheerde vegetatie van kruiden en grassen, staan op de grens van opgaande begroeiing en korte vegetaties. Bij bos is de zoomvegetatie een belangrijk onderdeel van de bosrandzone, maar ook bij struwelen, singels, bomenrijen en clumps zijn zomen waardevolle toevoegingen.
leidraad groene bouwstenen
13
PARK21
KRUIDENRIJK GRAS Kruidenrijk gras is een extensief beheerde vegetatie van grassen en kruiden die door afgepast beheer kans krijgen tot bloei en zaadzetting te komen. Deze bouwsteen is zowel ecologisch als visueel waardevol. Kruidenrijk grasland past bijvoorbeeld in wegbermen, boomweiden, lanen, tussen parkeerstroken en in taluds. Maar ook extensief beheerde weilanden kunnen onder deze noemer vallen. RECREATIEF GRAS Deze bouwsteen omvat speelweiden, ligweiden en bijvoorbeeld hondenlosloopgebieden, maar ook bermen. Recreatief gras is bestand tegen intensieve betreding en geschikt voor sport- en speldoeleinden. Ook kan recreatief gras worden uitgebreid met, al dan niet verwilderende bloembollen. Recreatief gras is goed te combineren met bijvoorbeeld solitaire bomen of boomweiden waar schaduw in warme dagen verkoeling kan bieden. OPPERVLAKTEWATER De groene bouwsteen oppervlaktewater omvat alle watergangen en waterpartijen die permanent of ten minste het grootste deel van het jaar waterhoudend zijn. Dit varieert van kavel- en erfsloten en tochten tot grotere plassen. In de polderlaag omvat dit type vooral het oorspronkelijke netwerk van watergangen, bedoeld voor het beheersen van de grondwaterstand. Elders in PARK21 gaat het vooral om nieuw toe te voegen oppervlaktewater.
Ook deze elementen hebben een functie in (onder andere) de waterhuishouding, maar wijken qua vormgeving en ligging af van het regelmatige ontwerp in de polder. MOERAS Moerassen zijn natte terreineenheden met jaarrond een hoge grondwaterstand, soms zelfs boven het maaiveld. In de vegetatie is riet meestal dominant aanwezig, maar ook andere drijvende en ondergedoken moerasplanten komen voor. In moeras heeft het maaibeheer tot doel een soortenrijke moerasvegetatie in stand te houden. Wordt riet gemaaid met een productie oogmerk, dan spreken we van rietland. Deze bouwsteen past goed in laaggelegen delen van het landschap.
leidraad groene bouwstenen
14
PARK21
TOELICHTING OP DE LEIDRAAD
DEEL II ONTWERPEN EN AANLEGGEN
leidraad groene bouwstenen
15
PARK21
kalkrijke poldervaaggrond lichte klei gwt VI
kalkrijke poldervaaggrond zware klei gwt VI
kalkrijke poldervaaggrond lichte klei gwt VII
kalkarme nesvaaggrond lichte klei gwt IV
kalkarme poldervaaggrond lichte klei gwt VI
kalkarme poldervaaggrond lichte klei gwt IV
kalkrijke poldervaaggrond lichte zavel gwt VII
kalkrijke poldervaaggrond zware zavel gwt VII
kalkarme poldervaaggrond zware klei gwt VI
kalkarme nesvaaggrond zware klei gwt IV
tochteerdgrond lichte klei gwt III
kalkrijke poldervaaggrond lichte klei GWT VII
kalkarme nesvaaggrond lichte klei gwt VII
kalkrijke poldervaaggrond zware zavel gwt VII
kalkrijke leek-/ woudeerdgrond lichte klei gwt VI
kalkarme poldervaaggrond lichte zavel gwt VII
tochteerdgrond zware klei gwt III* (plaatselijk katteklei)
kalkarme poldervaaggrond zware zavel gwt VI
kalkarme leek-/ woudeerdgrond lichte klei gwt VI (plaatselijk katteklei)
kalkrijke poldervaaggrond zware klei gwt VI
kalkarme poldervaaggrond lichte klei gwt VI
Afbeelding 1, uitsnede uit de bodemkaart met weergave van de bodemtypen binnen de contour van PARK21. leidraad groene bouwstenen
16
PARK21
4
GROEIPLAATSONDERZOEK
Een toekomstbestendig PARK21 wordt opgebouwd uit groene bouwstenen die duurzaam in stand gehouden kunnen worden. Met andere woorden: de gekozen bouwsteen past op de betreffende locatie en het groen kan daar gezond oud worden. Om dit te realiseren moeten de eigenschappen van het in te richten deelgebied goed in beeld zijn gebracht en de concrete invulling van de groene bouwstenen daarop worden afgestemd. Onderstaand worden de thema’s besproken die in dat kader ten minste moeten worden onderzocht voorafgaand aan verdere planvorming.
4.1
BODEM EN RELIEF
Binnen de contour van PARK21 varieert de bodem van lichte zavel tot zware klei en van kalkarm tot kalkrijk. Op de bodemkaart (zie afbeelding 1) kan worden afgelezen welke bodemtypen voorkomen in het in te richten deelgebied van PARK21. De bodemkaart geeft een globale begrenzing van de bodemtypen. De veldopname voor de bodemkaart is uitgevoerd middels steekproeven tussen 1960 en 1995. Lokaal kunnen daardoor afwijkingen voorkomen in de begrenzing tussen twee bodemtypen. Ook is niet uit te sluiten dat de situatie door bijvoorbeeld grondwerkzaamheden of ingrijpende verandering in bodemgebruik of peilbeheer is veranderd. Het verdient daarom altijd aanbeveling om ter plaatse van de aan te leggen groene bouwstenen aanvullend onderzoek te doen. Enkele boringen met een grondboor geven vaak al veel informatie. Binnen de contouren van PARK21 is het landschap overwegend vlak. Reliëf vinden we nagenoeg uitsluitend in de oevers van sloten en wegbermen. Vooral in de randzones van de polderlaag, die middels maaiveldverhoging boven het bestaande maaiveld zal worden uitgetild, wordt reliëf aan het plangebied toegevoegd. Dit heeft mogelijk effect op de bezonning van het maaiveld en de grondwaterhuishouding en daarmee op bijvoorbeeld de soortensamenstelling van korte vegetaties.
Wordt als onderdeel van de inrichtingsplannen maaiveldverhoging of -verlaging voorzien, dan moet zo goed mogelijk worden ingeschat wat de kenmerken van bodem en reliëf zijn van de nieuwe situatie. Het is dan ook van belang voldoende aandacht te besteden aan het materiaal waarmee het maaiveld mogelijk wordt opgehoogd. Zie hiervoor ook het volgende hoofdstuk.
leidraad groene bouwstenen
17
PARK21
4.2
ONTWATERINGSTOESTAND
De grondwaterstand is van invloed op de natuurlijke vegetatie en de mogelijkheden voor beplanting. Beplanting waarvan de wortels jaarrond door grondwater gevoed worden, ontwikkelt zich anders dan beplanting die in een deel van het groeiseizoen afhankelijk is van hemelwater. Hetzelfde geldt voor beplanting op een groeiplaats waar het grondwater in het groeiseizoen zich op minder dan 40 centimeter onder maaiveld bevindt (zie ook hoofdstuk 6 over de natuurlijke referentie voor PARK21). Daarnaast is de ontwateringstoestand van een terrein van invloed op de toegankelijkheid. Niet alleen voor recreanten, maar ook voor beheermaterieel.
TABEL 1, OVERZICHT GRONDWATERTRAPPEN Grondwater- Gem. hoogste Gem. laagste trap grondwaterstand grondwaterstand (cm-mv) (cm-mv) I <20 <50 II <40 50-80 II* 25-40 50-80 III <40 80-120 III* 25-40 80-120
Grondwatertrap IV V VI VII VIII
Gem. hoogste grondwaterstand (cm-mv) >40 <40 40-80 >80 >140
Gem. laagste grondwaterstand (cm-mv) 80-120 >120 >120 >120 >120
In afbeelding 1 is per bodemeenheid de grondwatertrap weergegeven. Een verklaring van de grondwatertrappen is weergegeven in tabel 1. Het grondwater wordt in de droogmakerij Haarlemmermeer kunstmatig op peil gehouden door water uit of naar de polderboezem te malen. Daarbij komt dat in PARK21 een nieuw peilbeheer wordt ingevoerd: het Verbeterd Droogmakerij Systeem (VDS). Dit omvat een flexibel grondwaterpeil. Het grondwaterpeil heeft een bovengrens gelijk aan het zomer- en winterpeil van de polderboezem, respectievelijk NAP-5,87 en NAP-6,02 maar kan binnen een vastgestelde bandbreedte fluctueren. De bandbreedte bedraagt in de zomer 50cm en in de winter 25cm. Dit houdt in dat de waarden die bij de betreffende grondwatertrappen horen alleen als indicatief kunnen worden beschouwd. Een vast onderdeel van het groeiplaatsonderzoek is daarom altijd het bepalen van de grondwaterhuishouding specifiek voor het in te richten deelgebied, rekening houdend met eventuele maaiveldverhoging of -verlaging.
leidraad groene bouwstenen
18
PARK21
4.3
WIND
In een open landschap is wind altijd een factor waarmee rekening moet worden gehouden. In PARK21 is dit niet anders. De wind waait hier vaak, langdurig en vooral krachtig. Windgevoelige beplanting is daarom niet geschikt voor PARK21. Hiermee moet rekening worden gehouden bij zowel de soortenkeuze, het plantverband, de plantwijze als bij de kwaliteit van het plantmateriaal. Ook voor geschikte beplanting is het goed rekening te houden met het feit dat bomen en struiken de eerste periode na aanleg vooral zullen investeren in stevige wortels alvorens de bovengrondse delen zich verder zullen ontwikkelen. Andersom kan beplanting worden ingezet om windluwte te creëren. Windsingels, struwelen of bos rond parkkamers en andere voorzieningen kunnen het verblijf in PARK21 aanzienlijk veraangenamen.
4.4
BESTAANDE KWALITEITEN
In ons land is vrijwel elke vierkante meter al lange tijd ingericht, gecultiveerd en gebruikt. Dat betekent dat we bij inrichting van een deelgebied nooit van doen hebben met een blanco canvas. Dat betekent ook dat in het betreffende gebied mogelijk al landschappelijke, esthetische of ecologische kwaliteiten zijn ontwikkeld die het waard zijn behouden te worden. Voorafgaand aan ontwerp en inrichting van een gebied is het daarom van belang deze aspecten goed te onderzoeken. Zo wordt voorkomen dat met goede bedoelingen bestaande kwaliteiten verloren gaan.
leidraad groene bouwstenen
19
PARK21
leidraad groene bouwstenen
20
PARK21
5
GROEIPLAATSINRICHTING EN -VOORBEREIDING
Verreweg het grootste deel van PARK21 is of was recentelijk in gebruik als agrarische productiegrond. De groeiplaatseigenschappen zijn voor dat doel geoptimaliseerd. Veel groene bouwstenen stellen echter andere eisen aan de groeiplaats. Dat geldt zeker voor bouwstenen waarin beplanting van bomen en struiken of soortenrijke vegetaties van grassen en kruiden de hoofdrol spelen. Behalve de bodemgesteldheid en ontwatering zijn hier ook bodemleven, waaronder bodemfauna en schimmels, en een evenwicht in de nutriëntenhuishouding belangrijke thema’s. Vooral de laatste twee zijn niet maakbaar, maar moeten worden ontwikkeld. En dat kost tijd. Wel kunnen we bij inrichting van een gebied maatregelen treffen die het ontwikkelen van een evenwichtige groeiplaats bespoedigen. Bij de inrichting van veel deelgebieden van PARK21 is (gedeeltelijke) aanpassing van het maaiveld aan de orde, volgend uit het Masterplan en de beeldkwaliteitsplannen. Waar het maaiveld wordt verlaagd of opgehoogd, wordt in feite een nieuwe groeiplaats gecreëerd. Meer nog dan bij groene bouwstenen die in het bestaande maaiveld worden aangelegd, geldt hier dat de groeiplaats zorgvuldig moet worden geprepareerd.
5.1
GESCHIKT MAKEN VAN DE GROEIPLAATS
Voordat kan worden geplant, gezaaid of via (begeleid) spontane ontwikkeling een beplanting of vegetatie wordt ontwikkeld, moet de groeiplaats worden voorbereid. De voorbereiding van een groeiplaats omvat ten minste het volgende: ▪ Zodra een terrein beschikbaar komt voor inrichting, wordt elke vorm van bemesting en gebruik van chemicaliën daar gestaakt; ▪ Indien aanwezig worden alle kunststof drainagebuizen en andere ondergrondse voorzieningen uit het terrein verwijderd. Eventuele oude drainagemiddelen van aardenwerk kunnen desgewenst in de bodem achterblijven, indien verwacht wordt dat deze tijdens de werkzaamheden bijdragen aan de ontwatering en daarmee aan het voorkomen van verslemping en verdichting van de groeiplaats. Ondergrondse infrastructuur, zoals kabels en leidingen, die niet verwijderd of verplaatst kan worden, wordt behouden en in het ontwerp ingepast; ▪ Waar sprake is van een sterk bemeste groeiplaats wordt overwogen om de groeiplaats voorafgaand aan verdere inrichting nog een seizoen in te zetten voor het verbouwen van een veeleisend gewas. Dit, in combinatie met het staken van bemesting, zorgt voor het versneld afvoeren van het nutriëntenoverschot; ▪ Storende bodemlagen, ontstaan door voormalig grondgebruik of betreding, worden doorbroken. Hieronder verstaan we bijvoorbeeld een ploegzool of een verslempte of door berijding verdichte bovenlaag.
In te zetten materiaal hiervoor wordt afgestemd op de mate en diepte van de verdichting en wordt op basis van bodemonderzoek in situ bepaald. Ondoorlatende bodemlagen die deel uitmaken van het oorspronkelijke bodemprofiel worden in beginsel met rust gelaten. Hier wordt de beplantingskeuze dan op aangepast; ▪ Ook aanwezige vegetatie kan de slagingskans van beplanting of gras-kruidenvegetaties beperken. Zo kan een dichte grasmat de aanplant van bomen en struiken belemmeren of voor een sterke onkruiddruk zorgen in de eerste jaren na aanleg. Bij ontwikkeling van zoomvegetatie of kruidenrijk grasland kan een bestaande graszode de vestiging van gewenste soorten ernstig bemoeilijkt. Spitten of frezen van de zode kan in dat geval noodzakelijk zijn. Bij groene bouwstenen waar de ecologische functie een belangrijke rol speelt, wordt afplaggen en afvoeren van de grasmat of zelfs van de volledige teeltlaag overwogen.
leidraad groene bouwstenen
21
PARK21
Per situatie wordt bepaald of met bovenbeschreven maatregelen de groeiplaats voldoet aan de minimale vereisten die de gewenste situatie daaraan stelt. Indien dit niet het geval is of daarover twijfel bestaat, worden aanvullende maatregelen getroffen. Hiermee neemt de slagingskans van beplanting of soortenrijke vegetaties aanzienlijk toe. De volgende maatregelen kunnen worden ingezet: ▪ Met het opbrengen van compost (bijvoorbeeld blad- of heidecompost) wordt het aandeel organische stof in de bodem verhoogd en de bodemstructuur verbeterd. Dit heeft een positief effect op onder meer het bodemleven, maar ook op het vermogen van de bodem om in droge perioden vocht vast te houden; ▪ Door gedurende twee of drie groeiseizoenen groenbemesters te verbouwen en onder te werken wordt het aandeel organische stof in de bodem verhoogd. Daarmee wordt de bodemstructuur verbeterd en nemen de doorwortelbaarheid en het vermogen om in drogere perioden vocht vast te houden toe. De groenbemesters worden zorgvuldig, onder droge omstandigheden en niet te vroeg voor de winter ondergewerkt. Soorten als lupine en klaver (diepwortelend) zijn hiervoor geschikt, bij voorkeur wordt een mengsel van meerdere soorten gebruikt; ▪ Een gezond bodemleven is van belang voor een goede bodemstructuur en de omzetting van organisch materiaal in voor planten opneembare nutriënten.
In nieuw opgebrachte grond, zeker wanneer deze grond van enige diepte onder maaiveld is ontgraven, is bodemfauna vaak niet of weinig aanwezig. Ter bevordering van de groeiplaatsontwikkeling kunnen regenwormen worden ingebracht (geënt); ▪ Veel bomen en struiken zijn voor de opname van nutriënten afhankelijk van mycorrhizaschimmels, die een symbiose aangaan met de wortels. Bomen investeren in de schimmels door afgifte van koolstof en profiteren doordat de schimmeldraden nutriënten uit de bodem doorgeven aan de bomen. Daarnaast hebben mycorrhizaschimmels een ziektewerende functie en geven ze meer resistentie tegen zware metalen en verzilting. Doordat mycorrhizaschimmels niet goed kunnen overleven zonder bomen, zijn deze in nieuwe plantplaatsen veelal afwezig. Bomen en struiken worden tijdens het planten voorzien van een passende mix van schimmels. Bovengenoemde maatregelen zijn ook van toepassing op locaties waar maaiveldverlaging wordt uitgevoerd. Bij verlagen van het maaiveld wordt immers de bovenste laag verwijderd, terwijl juist vooral daarin de meeste organische stof en bodemflora- en fauna aanwezig is.
leidraad groene bouwstenen
22
PARK21
5.2
VERHOGEN VAN HET MAAIVELD
Waar maaiveldverhoging plaatsvindt wordt een nieuwe groeiplaats gecreëerd, met een nieuwe combinatie van bodem en ontwateringstoestand. Is daarbij onvoldoende oog voor de eisen die beplanting en vegetaties stellen aan hun groeiplaats, dan kunnen -onbedoeld- ernstige beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van groene bouwstenen. Aan het ophogen van het bestaande maaiveld wordt om die reden een aantal strikte voorwaarden verbonden: ▪ Het bestaande maaiveld wordt opgehoogd en gelandscaped. De hoogte is afhankelijk van het ontwerp en de beschikbaarheid van grond; ▪ Voor het ophogen van terreindelen wordt uitsluitend materiaal gebruikt van AW-kwaliteit; ▪ Voor het ophogen van terreindelen wordt bij voorkeur materiaal gebruikt dat vrijkomt bij grondwerkzaamheden binnen de grenzen van PARK21; ▪ Ophogen van het terrein gebeurt in beginsel met materiaal dat vergelijkbaar is met het reeds aanwezige bodemmateriaal.
Mits goed onderzocht en onderbouwd kan echter worden besloten om afwijkende bodemmateriaal te gebruiken waarmee de nieuwe groeiplaats beter aansluit bij de eisen die de gewenste groene bouwstenen daaraan stellen; ▪ Te licht bodemmateriaal (zand) wordt als gebiedsvreemd beschouwd en daarom niet toegepast in PARK21; ▪ Ophogen van het terrein gebeurt uitsluitend met materiaal dat gegarandeerd voldoet aan de eisen ten aanzien van verontreiniging én gegarandeerd vrij is van delen van Aziatische duizendknoop en andere moeilijk te bestrijden plantensoorten. Bij ophogen van het bestaande maaiveld is het verder van belang dat de volgende stappen worden doorlopen: ▪ Voorafgaand aan de grondwerkzaamheden wordt de bestaande teeltlaag van de op te hogen terreindelen afgegraven en in depot gezet.
De periode waarin dit materiaal in depot wordt gezet, wordt zo kort mogelijk gehouden om uitdroging, verstikking, broei of andere ongewenste processen te voorkomen; ▪ Het blootgelegde bodemmateriaal wordt voorafgaand aan het ophogen gespit of geploegd zodat een goede aansluiting tussen het bestaande en nieuw op te brengen bodemateriaal ontstaat, zonder storende laag; ▪ Het opgebrachte bodemmateriaal wordt vervolgens afgedekt met de eerder in depot gezette teeltlaag; ▪ Waar de groene bouwstenen bos, struweel, zoom of kruidenrijk gras worden aangelegd, of in het grondwerk natuurvriendelijke oevers worden aangelegd, wordt het nieuwe maaiveld aangelegd met microreliëf van +/- 10cm; ▪ Bij het ophogen van het terrein wordt materieel gebruikt met een zo laag mogelijke bodemdruk zodat bodemverdichting wordt voorkomen. Om diezelfde reden worden de grondwerkzaamheden achteruit uitgevoerd, zodat niet met materieel over het net opgebrachte materiaal gereden hoeft te worden; ▪ Na de grondwerkzaamheden worden, waar de groene bouwstenen bos, struweel, zoom of kruidenrijk gras worden aangelegd, aanvullende maatregelen getroffen zoals het opbrengen van compost of inzaaien van groenbemesters, beschreven in de voorgaande paragraaf. Daarna kan tot verdere inrichting van het terrein worden overgegaan.
leidraad groene bouwstenen
23
PARK21
leidraad groene bouwstenen
24
PARK21
6
NATUURLIJKE REFERENTIE
We nemen een theoretische situatie waarin het huidige grondgebruik in PARK21 stopt en de menselijke invloed tot een minimum wordt teruggebracht. In deze situatie ontwikkelt de vegetatie zich via diverse successiestadia totdat een min of meer stabiele begroeiing is bereikt. In Nederland resulteert deze ontwikkeling vrijwel overal in bos. Hoe dit bos eruitziet, is erg afhankelijk van lokale omstandigheden. Vooral bodem en grondwater spelen daarbij een grote rol. Vanzelfsprekend is een dergelijke situatie, vrij van menselijke invloed, net zomin mogelijk als wenselijk in PARK21. Hoewel ecologische kwaliteit en natuurlijkheid hierin belangrijke thema’s zijn, is PARK21 geen natuurgebied, maar een park. Een park waarin agrarisch grondgebruik duurzaam ingepast blijft en waarin tal van recreatieve functies worden ondergebracht. En een park waarin wordt gestuurd op die kwaliteiten die aansluiten bij onze ideeën over schoonheid. Daarbij komt dat de natuurlijke successie vele honderden jaren in beslag kan nemen, wat niet aansluit bij de ambities voor PARK21. En toch is het eindpunt van deze successie een belangrijke leidraad voor PARK21. Het staat model voor de groene bouwstenen waarmee PARK21 wordt opgebouwd. Naar dit model, dat we de natuurlijke referentie noemen, worden de bouwstenen vormgegeven, variërend van een realistische weergave tot een heel abstracte interpretatie daarvan.
Waarom en waarin dit resulteert, wordt in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
VOORDELEN
De natuurlijke referentie in Haarlemmermeer is een bos dat het gevolg is van een lange strijd tussen verschillende plant-, struik- en boomsoorten. De soorten die als winnaar uit de strijd komen zijn die soorten die het best zijn aangepast aan de groeiplaatseigenschappen en beschikken over de beste overlevingsstrategie voor dit gebied. Samen vormen ze een ecologisch evenwicht dat zichzelf langdurig, zo niet onbeperkt in stand kan houden. Het biedt veel voordelen om bij ontwerp en inrichting van groene bouwstenen zo veel mogelijk kenmerken van de natuurlijke referentie over te nemen: ▪ Boom- en struiksoorten die passen bij de natuurlijke referentie zijn aangepast aan de groeiplaats en kunnen in PARK21 gezond oud worden; ▪ Groene bouwstenen aangelegd met de opbouw en structuur van de natuurlijke referentie, vragen op termijn nauwelijks sturing om verdwijnen of juist dominantie van soorten te voorkomen.
De beheerlast wordt daarmee beperkt; ▪ Anders dan bij meer conventionele aanlegmethoden, biedt beplanting ontworpen naar de natuurlijke referentie al op korte termijn een natuurlijke en ‘volwassen’ aanblik; ▪ Groene bouwstenen met duidelijke kenmerken van de natuurlijke referentie dragen optimaal bij aan het leefgebied van plant- en diersoorten die van nature in de omgeving voorkomen; ▪ Veel boom- en struiksoorten die passen in de natuurlijke referentie, komen ook voor in landschappelijke beplantingen in het omringende landschap. Door deze soorten in PARK21 veelvuldig te laten terugkomen, wordt PARK21 geen eiland, maar een integraal onderdeel van de Haarlemmermeer.
leidraad groene bouwstenen
25
PARK21
6.2
NATURLIJKE REFERENTIES VOOR PARK21
In het grootste deel van PARK21 ontwikkelt zich van nature bos dat kan worden gerekend tot droog of elzenrijk essen-iepenbos. Op lichtere bodems, onder nattere omstandigheden of op plekken met een humeuze bovenlaag, kunnen ook ander bostypen (ook wel bosgemeenschappen genoemd) ontstaan, zoals het abelen-iepenbos, elzenbroekbos of schietwilgenbos. In de praktijk zijn de grenzen tussen verschillende bostypen niet zo scherp en is er sprake van een geleidelijke overgang. Voor de groene bouwstenen van PARK21 geldt dan ook dat zij nooit volledig voldoen aan de beschrijving van één bostype, maar dat zij afhankelijk van de locatie vooral - maar niet alleen kenmerken van het ene of van het andere bostype zullen hebben. Per bostype wordt onderstaand een korte toelichting gegeven. Daarbij wordt ook kort ingegaan op de verschillen in groeiplaats (bodem en grondwater). DROOG ESSEN-IEPENBOS Groeiplaats Al dan niet kalkhoudende kleigronden en zavelgronden met een pH van rond de 6. Droog essen-iepenbos staat op vochtige tot natte groeiplaatsen die niet onder directe invloed van grondwater staan. De grondwaterstand is in het groeiseizoen steeds dieper dan 40cm onder maaiveld. Kenmerk
Droog Essen-iepenbos is een weelderig, soortenrijk bostype. De boom-, struik- en kruidlaag zijn goed ontwikkeld. De boomsoorten gewone es en gladde iep zijn sterk vertegenwoordigd. Daarnaast komen boomsoorten voor als zomereik, zoete kers, zwarte els, zomerlinde, schietwilg, Spaanse aak en kraakwilg. Ook gewone esdoorn kan in dit bostype voorkomen. Beuk is matig geschikt, maar kan zich hier handhaven mits de wortelzone jaarrond vrij van grondwater blijft. Door ziekte is het aandeel van gladde iep (iepziekte) en gewone es (essentaksterfte) in dergelijke bossen sterk afgenomen. In die situatie ontstaat een bos met een open boomlaag en daardoor een zeer goed ontwikkelde struiklaag. Hierin komen soorten voor als gewone vogelkers, eenstijlige meidoorn, gewone vlier, hazelaar, wilde kardinaalsmuts en aalbes.
ELZENRIJK ESSEN-IEPENBOS Groeiplaats Al dan niet kalkhoudende kleigronden en zavelgronden. De pH ligt rond de 6, maar kan bij stagnerend water lager of door bemesting ook wat hoger liggen. Elzenrijk essen-iepenbos staat op vochtige tot natte groeiplaatsen die onder directe invloed van grondwater staan. De grondwaterstand is in het groeiseizoen 10 tot 40 cm onder het maaiveld. Kenmerk
Elzenrijk Essen-iepenbos heeft kenmerken van droog essen-iepenbos, maar het aandeel van vochtindicatoren als es en els zijn door grondwaterinvloeden veel sterker vertegenwoordigd. Ook schietwilg is in dit bostype duidelijk aanwezig. Zomereik kan zich in dit bostype handhaven wanneer deze wordt aangeplant, maar verjongt hier slecht, wat aangeeft dat het voor deze soort geen natuurlijke groeiplaats is.
leidraad groene bouwstenen
26
PARK21
ELZENBROEKBOS Groeiplaats Elzenbroekbos komt van nature voor op veengrond, maar kan ook voorkomen op zeer natte klei; een situatie die bij maaiveldverlaging in PARK21 kan voorkomen. Dit bostype is daarom, en ter vergroting van de variatie, aan de natuurlijke referenties toegevoegd. De pH van de bodem ligt veelal tussen de 4,5 en 5,6. Elzenbroekbos staat doorgaans op plekken met stagnerend grondwater. Het grondwaterpeil is nooit dieper dan 40cm onder maaiveld en kan in de winter ook boven het maaiveld staan. Kenmerk
Onder invloed van wind kan elzenbroekbos een relatief open karakter hebben, met open plekken waarin een dichte kruidlaag ontstaat die snel dichtgroeien met boomen struikvormers voorkomt. De boomlaag bevat vrijwel alleen zwarte elzen. Op venige plekken kan sporadisch een zachte berk voorkomen, maar PARK21 is daarvoor vermoedelijk geen natuurlijke groeiplaats. In de struiklaag staan vooral de soorten zwarte bes, grauwe wilg (evenals bastaarden van grauwe en geoorde wilg), gemengd met Gelderse roos, sporkehout en framboos. Braam kan als storingssoort echter een dominante positie innemen.
SCHIETWILGENBOS Groeiplaats De bodem is variabel en kan bestaan uit klei, een (door overstroming veroorzaakte) gelaagde opbouw van organisch materiaal of zelfs meer zandig materiaal. Schietwilgenbos groeit op permanent vochtige en periodiek overstroomde locaties, zoals het rivierengebied (overstroming een tot twee maal per jaar) of zoetwatergetijdengebied (overstroming dagelijks). Kenmerk
Schietwilgenbos komt van nature eigenlijk niet voor dit gebied. Een groot deel van de boom- en struiksoorten die in dit bostype voorkomen, gedijen echter wel goed op deze groeiplaats. Ter verhoging van de variatie binnen PARK21 kunnen groene bouwstenen met kenmerken van het schietwilgenbos een toegevoegde waarde bieden. Vanwege het grote aandeel wilg en de waarde die de vroeg bloeiende soorten hebben voor bijvoorbeeld wilde bijen, is dit bostype ook van ecologische waarde. In de boomlaag van het schietwilgenbos groeit hoofdzakelijk schietwilg, aangevuld met kraakwilg en bastaarden daartussen. Sporadisch kan zwarte populier en zwarte els voorkomen. In de struiklaag groeien vooral wilgensoorten als amandelwilg, katwilg, bittere wilg en grauwe wilg.
leidraad groene bouwstenen
27
PARK21
ABELEN-IEPENBOS Groeiplaats Min of meer kalkrijke bodem met zand of lichte zavel met een pH van 5,5 tot 8. Abelen-iepenbos vinden we op plekken waar het grondwaterpeil in de zomer kan wegzakken tot meer den 120 centimeter onder maaiveld. In de winter zorgen hoge grondwaterstanden of zelfs tijdelijke overstroming ervoor dat het basengehalte op peil blijft zodat verzuring wordt voorkomen. Kenmerk
Dit bostype is vooral kenmerkend voor het rivierengebied. Maar ook in PARK21 komen plekken voor met lichtere bodems. Met de invoering van het VDS en plaatselijke ophoging van het maaiveld kunnen geschikte omstandigheden ontstaan voor dit bostype. Op groeiplaatsen waar het grondwater in de zomer minder ver wegzakt en daarmee meer vochtig blijven, ligt de ontwikkeling van Essen-iepenbos meer voor de hand. Het abelen-iepenbos heeft van nature een vrij open structuur waardoor zich een weelderige onderbegroeiing van struiken en kruiden kan ontwikkelen. Soorten als gladde iep, gewone es, gewone esdoorn en zomereik zijn goed vertegenwoordigd, aangevuld met zwarte els en soms met beuk. Grauwe abeel komt in dit bostype vooral voor op verstoorde plekken. Witte abeel (net als grauwe abeel ingeburgerd, maar niet inheems) is door de mens soms aan dit bostype toegevoegd. Als gevolg van iepziekte en essentaksterfte is de rol van gladde iep en gewone es geminimaliseerd in dit bostype, waardoor het aandeel van de andere soorten verhoudingsgewijs toeneemt tot een nieuw evenwicht is bereikt. In de struiklaag vinden we soorten als gewone vogelkers, aalbes, gewone vlier, wilde kardinaalsmuts en een flink aandeel eenstijlige meidoorn.
STINZENVARIANT Van onder meer het essen-iepenbos en het abelen-iepenbos komen zogenoemde stinzenvarianten voor. Dit zijn bossen waarvan de natuurlijke samenstelling is aangevuld met bomen, struiken en vooral kruiden die van oorsprong niet inheems zijn, maar inmiddels wel als ingeburgerd worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn witte paardenkastanje, sneeuwklokje, holwortel en Italiaanse aronskelk. Zeker daar waar de nadruk van groene bouwstenen ligt op de visuele kwaliteiten, kan worden overwogen dergelijke stinzensoorten aan de vegetatie toe te voegen. Ook hier geldt dat de plantensoorten die in dat kader worden gebruikt, goed zijn aangepast aan de groeiplaatseigenschappen van de specifieke locatie.
leidraad groene bouwstenen
28
PARK21
6.3
WELKE NATUURLIJKE REFERENTIE IS VAN TOEPASSING?
Welke natuurlijke referentie van toepassing is op een plangebied, hangt voor het grootste deel af van de bodem en grondwaterhuishouding. Als een groene bouwsteen wordt gerealiseerd op het huidige maaiveld, worden op basis van de bodem- en grondwatertrappenkaart (hoofdstuk 4) de groeiplaatseigenschappen afgelezen. Aan de hand van de beschrijving in voorgaande paragraaf kan daarbij de past passende natuurlijke referentie worden gekozen. Bij twijfel is het altijd raadzaam om de gegevens van de bodemkaart te staven aan de hand van enkele grondboringen in het plangebied. Afbeelding 2 geeft globaal aan welke natuurlijke referentie waar in PARK21 van toepassing is. Vooral voor de parklaag geldt dat groene bouwstenen vaak niet in het bestaande maaiveld worden aangelegd. Grote delen van PARK21 worden opgehoogd en plaatselijk verlaagd. Daardoor zal ook de afstand tussen het grondwaterpeil en het maaiveld veranderen. Afhankelijk van het materiaal waarmee wordt opgehoogd, kan ook het bodemtype in de wortelzone afwijken van de bodemkaart.
Afbeelding 2, globale begrenzing van natuurlijke referenties binnen de PARK21 op basis van de huidige groeiplaats. leidraad groene bouwstenen
29
PARK21
Op voorhand is niet voor heel PARK21 bekend waar en hoeveel het maaiveld zal worden verhoogd of verlaagd. Het bepalen van de best passende natuurlijke referentie in de doelsituatie is daarom onderdeel van het ontwerpproces en omvat de volgende stappen: ▪ Bepaal waar het plangebied wordt opgehoogd en tot welke hoogte ten opzichte van het bestaande maaiveld; ▪ Bepaal met welk materiaal wordt opgehoogd. Bij voorkeur is naast de aard van het materiaal, variërend van lichte zavel tot zware klei, ook de herkomst van het materiaal bekend. Is dit nog niet bekend, formuleer hiervoor dan duidelijke voorwaarden of wacht met het verdere maken van concrete inrichtingsplannen voor groene bouwstenen tot hierover duidelijkheid bestaat; ▪ Wordt het maaiveld verlaagd of wordt opgehoogd tot maximaal 1m boven maaiveld, schat dan aan de hand van de ontworpen maaiveldhoogten en de grondwaterpeilen die met de invoering van het VDS verwacht worden, zo goed mogelijk de grondwaterstand in ten opzichte van het nieuwe maaiveld. ▪ Bij het bovenstaande is het belangrijk te realiseren dat, zeker in terreindelen met weinig watergangen, de grondwaterstand kan afwijken van het polderpeil wanneer in natte periode hemelwater vertraagd wordt afgevoerd.
Het grondwater kan dan een bol of hol vlak vormen; ▪ Bepaal aan de hand van deze inschatting welke natuurlijke referentie het best past bij de nieuwe groeiplaats en maak op basis daarvan concrete inrichtingsplannen voor de groene bouwstenen. Tabel 2 laat zien hoe de natuurlijke referentie verschuift naar mate de afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil groter of kleiner wordt en naar mate wordt opgehoogd met lichter of zwaarder bodemmateriaal.
TABEL 2, BODEM, GRONDWATER EN NATUURLIJKE REFERENTIE Zand droog
lichte zavel
zware zavel
lichte klei
zware klei
abelen-iepenbos bodem: zand – lichte zavel grondwater zomer: tot meer dan 120cm-mv grondwater winter: liefst hoog
droog essen-iepenbos bodem: zavel-klei grondwater zomer: meer dan 40cm-mv grondwater winter: mogelijk hoger
elzenrijk essen-iepenbos bodem: zavel-klei grondwater zomer: 10 tot 40cm-mv grondwater winter: mogelijk hoger
schietwilgenbos bodem: zandig - klei grondwater zomer: permanent vochtig, mag periodiek boven maaiveld grondwater winter: hoog
elzenbroekbos bodem: klei grondwater zomer: minder dan 40cm-mv grondwater winter: soms boven maaiveld
zeer nat
leidraad groene bouwstenen
30
PARK21
Naar mate het maaiveld meer dan een meter wordt opgehoogd, zijn de groeiplaatsomstandigheden steeds moeilijker te voorspellen. Daarmee is ook een onderbouwde keuze voor de best passende natuurlijke referentie steeds moeilijker te maken. In dat geval wordt een andere aanpak gekozen: ▪ Neem in het ontwerp de groene bouwstenen als vlakken, stroken of lijnen op, maar stel het maken van concrete inrichtingsplannen uit; ▪ Bepaal ná inrichting van de groeiplaats hoe de grondwaterstand zich verhoudt ten opzichte van het nieuwe maaiveld. Om een goed beeld te krijgen wordt dit bij voorkeur gedaan gedurende een heel seizoen. Is sprake van een voorbouw met groenbemesters, dan is deze periode zeer geschikt voor dit onderzoek; ▪ Is in de periode van onderzoek sprake van extreme weersomstandigheden of wordt dermate ver opgehoogd dat nazakken van de bodem de situatie kan veranderen, dan is het raadzaam de onderzoeksperiode te verlengen; ▪ Is het maaiveld over grotere oppervlakte verhoogd, is bij ophoging gebruik gemaakt van verschillende materiaal of zijn hoogteverschillen of steile taluds gemaakt, dan worden de groeiplaatseigenschappen op alle noodzakelijke punten onderzocht; ▪ Bepaal aan de hand van deze waarnemingen welke natuurlijke referentie het best past bij de nieuwe groeiplaats en maak op basis daarvan concrete inrichtingsplannen voor de groene bouwstenen.
Het kan voorkomen dat de groeiplaatseigenschappen binnen een plangebied niet overal gelijk zijn. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als in een plangebied meerdere bodemtypen voorkomen, het plangebied deels wordt afgegraven of opgehoogd, of als opgehoogd wordt met verschillend bodemmateriaal. Het kan dan voorkomen dat verschillende natuurlijke referenties passen bij verschillende delen van het plangebied. Door deze verschillen in de inrichting te accentueren, kan de landschappelijke variatie worden versterkt.
leidraad groene bouwstenen
31
PARK21
leidraad groene bouwstenen
32
PARK21
7
ONTWERP VAN BOS EN STRUWEEL
De ambitie voor PARK21 is hoog, zowel op gebied van beeldkwaliteit en ecologische kwaliteit als van multifunctionaliteit. Tevens is een korte ontwikkeltijd wenselijk zodat bezoekers snel na inrichting van een deelgebied kunnen genieten van een kwalitatief hoogstaand park. Voor dit ambitieniveau volstaan conventionele bebossingsmethoden niet. Daarom is gekozen voor een uitgebalanceerde methodiek die de ontwerper in staat stelt de beplanting zorgvuldig vorm te geven. Ten opzichte van conventionele methoden vraagt deze aanpak in de ontwerpfase meer studie en voorbereiding. De resultaten zijn echter navenant: een beplanting die al binnen 10 jaar een hoge belevingswaarde heeft, een aanzienlijke bijdrage levert aan de ecologische waarde van PARK21 en in de toekomst een uitzonderlijk lage beheerinspanning vraagt.
7.1
NATUURLIJKE REFERENTIE ALS ONTWERPTOOL
In onze klimaatzone ontwikkelt natuurlijk bos zich als een mozaïek van kleine eenheden, ook wel ecoeenheden genoemd. Elke eenheid is een vrij homogene begroeiing met bomen van één soort van min of meer dezelfde leeftijd. Eco-eenheden verschillen onderling in grootte, ontwikkelingsfase en boomsoort. GROOTTE Eco-eenheden komen in een bosmozaïek voor met een doorsnede van 1x de boomhoogte, 2x de boomhoogte en 3x de boomhoogte, in een onderlinge verhouding van 3:6:1. Hierbij wordt uitgegaan van de hoogte van volwassen bomen, die afhankelijk is van de groeiplaatseigenschappen. De boomhoogte verschilt daardoor per bostype, en daarmee ook de grootte van de eco-eenheden. ONTWIKKELINGSFASE Eco-eenheden verkeren in een natuurlijk bosmozaïek in verschillende ontwikkelingsfasen: ▪ Innovatiefase: open ruimte zonder bomen en struiken of beginnend bos waarin jonge bomen en struiken elkaar nog niet raken. Een vegetatie van grassen en kruiden is beeldbepalend; ▪ Aggradatiefase: jong bos waarin bomen en struiken een dichte vegetatie vormen en waarin de nadruk ligt op hoogtegroei; ▪ Biostatische fase: volwassen bos waarin een boomlaag is ontwikkeld, met een ondergroei van jonge bomen, struiken en een kruidlaag. De onderlinge verhouding waarin de eco-eenheden over de ontwikkelingsfasen zijn verdeeld, varieert per bostype.
BOOMSOORTEN Elke beplantingsgroep bevat in de regel maar één boomsoort, maar welke boomsoort dat is verschilt per beplantingsgroep. Welke boomsoorten in welke hoeveelheden in een bos voorkomen verschilt per bosgemeenschap.
leidraad groene bouwstenen
33
PARK21
ECO-EENHEDEN ALS VOORBEELD Voor de aanleg van nieuw bos in PARK21 staat het mozaïek van eco-eenheden model. Het spreekt voor zich dat eenheden met volwassen bos niet kunnen worden geplant. Toch kunnen we het bosmozaïek nabootsen door bos in te planten met beplantingsgroepen die zoveel mogelijk aansluiten bij de kenmerken van eco-eenheden. Door groepen in te planten met grote verschillen in plantdichtheid, kunnen de ontwikkelingsfasen worden gesimuleerd. Dit wordt nader toegelicht in de volgende paragraaf. Deze methode maakt het mogelijk om nieuw bos en struweel zorgvuldig te ontwerpen. De verdeling van de verschillende beplantingsgroepen en de positionering ervan ten opzichte van wegen, paden, parkentrees en uitzichtpunten kan zó worden vormgegeven dat een bezoek aan PARK21 een ware belevenis wordt.
leidraad groene bouwstenen
34
PARK21
7.2
PLANTVERBANDEN
De onderlinge afstand en de onderlinge positionering van bomen en struiken in een beplanting noemen we het plantverband. Het plantverband heeft effect op de vorm en snelheid waarmee de bomen en struiken zullen groeien. Door van dit gegeven handig gebruik te maken kunnen we sturen in de ontwikkeling van de beplanting en zo het onderscheid versterken tussen de beplantingsgroepen die de verschillende eco-eenheden van een natuurlijk bos nabootsen. DICHTHEID PER ONTWIKKELINGSFASE Beplantingsgroepen die worden gerekend tot de innovatiefase worden niet ingeplant. Deze groepen vormen de open ruimten die van nature in bos voorkomen. Dit blijven open plekken, bijvoorbeeld begroeid met kruidenrijk gras of een ruigtevegetatie. In PARK21 is de beschikbare ruimte voor bosbeplanting soms beperkt. Om die reden kan ervoor worden gekozen de innovatiefase buiten beschouwing te laten en die rol te laten vervullen door de parkkamers. De parkkamers functioneren dan als, min of meer open, niet beboste oppervlakte in het park, zonder dat dit beperkingen oplegt aan de invulling van parkkamers als bedoeld in het parkconcept. Zo kan de ruimte die beschikbaar is voor bos optimaal worden benut voor de aggradatie- en biostatische fase. In beplantingsgroepen die de aggradatiefase in het bos invullen, worden bomen in grote dichtheden geplant.
Deze bomen zullen in onderlinge concurrentie opgroeien waarbij vooral in het begin een hoge schaduwdruk ontstaat. Om nog meer variatie te creëren, worden twee varianten toegepast. De biostatische fase, waarin volwassen bomen staan, kan niet worden aangeplant. Maar door beplantingsgroepen die deze fase nabootsen in lage dichtheden in te planten, groeien bomen en struiken ruim uit waardoor in deze eenheden snel kenmerken van de biostatische fase zullen ontstaan. Ook hier onderscheiden we twee varianten om de diversiteit in bos en struweel nog verder te vergroten. In tabel 3 zijn de dichtheden weergegeven die bij het planten van verschillende typen beplantingsgroepen worden gehanteerd.
TABEL 3, PLANTVERBAND PER ONTWIKKELINGSFASE Fase Dichtheid en plantmateriaal Innovatiefase geen bomen eventueel enkele solitair(en)
Plantverband niet van toepassing
Aggradatiefase variant 1
zeer dicht (10.000st/ha) bosplantsoen: minimaal 3jarig (1+2)
minimaal: 2 bomen in 1 plantgat maximaal: 2 x 2meter
Aggradatiefase variant 2
dicht (5.000st/ha) bosplantsoen, minimaal 3jarig (1+2)
minimaal: 1 x 1meter maximaal: 3 x 3meter
Biostatische fase variant 1
ruim (2.000 st/ha) <90% bosplantsoen, minimaal 3jarig (1+2) >10% veren of bomen
minimaal: 1,5 x 1,5meter maximaal: 4,5 x 4,5meter
Biostatische fase variant 2
bomen: zeer ruim (750st/ha) struiken: ruim (2.000st/ha in groepen) <50% bosplantsoen, minimaal 3jarig (1+2) >50% veren of bomen
minimaal: 3 x 3meter maximaal: 8 x 8meter
leidraad groene bouwstenen
35
PARK21
WILD HETEROGEEN PLANTVERBAND Traditioneel worden bomen in bos vaak aangeplant in rechte rijen. Hoewel dit een kostenefficiënte manier van planten is -dit kan immers machinaal gebeuren- ontstaat daarmee een erg kunstmatig beeld. Alleen door periodieke dunning gedurende vele decennia kan dergelijk bos geleidelijk worden omgevormd tot een meer natuurlijk beeld. Om dit te voorkomen worden bomen en struiken in PARK21 in een zogenoemd wild heterogeen plantverband geplant.
Afbeelding 3, voorbeeld van machinaal in rijen geplante essen (links) en robinia’s geplant in handkracht in een wild heterogeen plantverband (rechts). De essen zijn ca 10 jaar oud, de robinia’s circa 15 jaar.
In een wild heterogeen plantverband worden bomen of struiken in een onregelmatig patroon geplaatst waarbij de onderlinge afstand sterk varieert (zie afbeelding 4). Hierdoor ontstaan in de aanplant verschillen in dichtheid, wat een losser, natuurlijker beeld geeft. Deze methode vereist wel dat in handkracht wordt geplant. Groot voordeel daarvan is dat meer maatwerk kan worden geleverd en dat de zware grond van PARK21 niet met machines bereden hoeft te worden.