CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening houdende wijziging Reintegratieverordening Participatiewet IOAW, IOAZ Haarlem 2017 - getekende verordening

gemeenteraad 17 juni 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Wijzigingsverordening Re-integratieverordening Participatiewet IOAW, IOAZ Haarlem 20263.315 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening van de raad van gemeente Haarlem houdende wijziging van de Reintegratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ Haarlem 2017 De raad van de gemeente Haarlem gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 mei 2026, 2026/215870. gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhefen ondera, c, d en e en tweede lid en lob, vijfde lid en zevende lid, van de Participatiewet; gezien het advies van de commissie samenleving; overwegende dat per 1 januari 2026 landelijk wijzigingen zijn doorgevoerd in de Participatiewet omtrent de Wet van school naar duurzaam werk;

B E S L U l T: vast te stellen de Wijzigingsverordening Re-integratieverordening Participatiewet IOAW, IOAZ Haarlem 2026 Artikel l De Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ Haarlem 201 7 wordt als volgt gewijzigd: A. ln artike1 1 wordt in de definitie van doelgroep na artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, ingevoegd: of artikel 7a eerste lid,.

B. ln artikel3, eerstelid,worden, ondervervangingvan de punt aan hetslotvan onderdeeledoor een puntkomma, een onderdeeltoegevoegd, luidende: f. het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een schoo1 als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeftverstrekt.

c. ln artikel 7 vervalt het derde 1id.

D. Artikel 10 komt te luiden aLs volgt: Artikel 10 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan met toepassingvan artikel 7a, derde lid, van de wet, een persoon zonder startkwalificatie, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, ondersteuning bieden voor zover die ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.

E. ln artikel 11, tweede lid, wordt bepalingen van Hoofdstuk 3A vervangen door paragrafen 3A.2 en 3A.3.

F. ln artikel 12a, zesde Lid, wordt bepalingen van Hoofdstuk 3A vervangen door paragrafen 3A.2 en 3A.3.

G. Artikel 12C, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden als volgt: a. de persoon behoort tot de doelgroep en: 1O. is minimaal zestien jaar oud; of

2°. heeft VSO/PRO-onderwijs genoten;

H. Artikel 13A wordt als volgt gewijzigd: 1. ln het opschrift van artikel 13A wordt visuele of motorische handicap vervang door motorische beperking. 2. ln het artikel vervalt visuele of

Na artikel 13C wordt een hoofdstuk ingevoegd luidende:

Hoofdstuk 3B. Specifieke bepaLingen van schoot naar duurzaam werk Artikel 13D. Verzoeken van schoten en onderwijsinstelLingen 1. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een verzoek om een voorziening gedaan door het bevoegd gezag van een inste11ing als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. 2. A1s de beslissing op het verzoek geen beschikking, als bedoetd in de Algemene wet bestuursrecht, inhoudt, bes1ist het college binnen zes weken op het verzoek, en deelt deze beslissing mee aan het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en aan de persoon op wie het verzoek betrekking heeft.

Artikel 11 Dit besluit treedt in werking op de dag na die van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

ArtikeL 111

Deze verordening wordt aangehaald ats de Wijzigingsverordening Re-integratieverordening Participatiewet IOAW, IOAZ Haarlem 2026.

te Haarlem op l7juni 2026, r1

,rrr7ittrr

TOELICHTING wijzigingsbesluit Wijzigingsverordening Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ Haarlem 2026: wijzigingen in de (artikeLsgewijze) toeLichting

Gewijzigde toelichting Algemeen Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doe1groepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. lmmers, re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 1O van de Participatiewet bepaa1t dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het cotlege noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.

Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen ¡n deze verordening: -persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeela, entweede lid, onderdee1a en e, en 10, eerste lid,van de Participatiewet); -scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 1Oa, vijfde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste 1id, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); -de premie, bedoe1d in artikel lOa, zesde lid, van de Participatiewet (artiket 8a, eerste 1id, onderdeel d, en tweede 1id, onderdeet b, van de Participatiewet); -participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 1Ob van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en lob, zevende lid, van de Participatiewet); -loonkostensubsidie, als bedoeld in artiket 1Od, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); -proefplaats (artikel 8a, tweede tid, onderdeel d, van de Participatiewet); -vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); -intermediaire activiteit, als bedoeld in

artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een motorische beperking (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, onder 2 van de Participatiewet); -meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede 1id, onderdeel f, van de Participatiewet);

De regels dienen aandachtte besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naarwerk (artikel8a, eerste lid, onderdeela en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet).

Gewijzigde toelichting onder Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging Breed offensief Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid onder de noemer Breed offensief maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deelwas daar een wetswijziging voor nodig. ln de wet Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)is hetjuridisch raamwerkrondom deze maatregelen neergelegd. Hetdoelvan de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en va11en onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De bij verordeningte regelen uitwerkingvan deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet, is neergelegd in hoofdstuk 3A. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidetijk geborgd.

Aanpassingen naar aanteiding van Wet van school naar duurzaam werk Met de Wet van school naar duurzaam werk wil de regering de kansengelijkheid vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgangvan school naar werk en bij het behouden van werk. De doelgroep bestaat uit personen van wie het colLege oordeelt dat het volgen van uit s Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is (artikel 7a, eerste Lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Daarnaast bestaat de doelgroep uit personen voor wie de ondersteuning wordt verzocht door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, een schoolvoor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wetvoortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Ten stotte bestaat de doelgroep ook uit personen die initieeL onderwijs volgen als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs (artikeL 7a, eerste Lid, onderdeel c, van de Participatiewet). HBO- en WO-studenten, dus. Op grond van artikel 8a van de Participatiewet stellen gemeenten bij verordening regels vast met betrekking tot het ondersteunen van en het bieden van voorzieningen aan deze nieuwe doelgroep.

Deze verordening voorziet dan ook in regels en ondersteuningsmogelijkheden om jongeren tot 27jaar meer preventieve en passende ondersteuningte bieden en om deze jongeren beterte begeleiden bij de overgangvan schoolnaarwerkén bij het behoudenvan werk. Dit betekent dat de gemeente niet alteen reageert op problemen, maar ook actief zorgt voor begeleiding en ondersteuning die voorkomt datjongeren uitvallen op de arbeidsmarkt.

Naast de ondersteuning op basis van deze verordening wordt op grond van (nieuw) artikel 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs binnen elke arbeidsmarktregio een regionaal programma ontwikkeld. ln dit programma werken onderwijsinstellingen, gemeenten en andere relevante regionale partijen samen aan een gezamenlijke aanpak voor jongeren van 1 2 tot 27 jaar. Deze aanpak richt zich op het voorkomen van voortijdig schootverlaten én het bevorderen van een duurzame overgang naar werk. De maatregelen in het kader van dit programma zijn aanvullend op de voorzieningen en ondersteuning die op grond van deze verordening in het kader van artiket 7a van de wet aan jongeren worden aangeboden.

Aanvu(lende toelichting artikel 1 onder Doelgroep A1s gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, vormen de personen jonger dan 27 jaar, bedoeld in artikel 7a, eerste tid, van de Participatiewet ook onderdeel van de doe1groep.

Gewijzigde toelichting artikeL 3 onder Weigeringsgronden Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in wetke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artike1en in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het college kan een jongere at tijdens de schoolperiode ondersteuning bieden gericht op werk. Dit kan op verzoekvan een school uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een mbo-instelling of op verzoek van een student uit het hoger of wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onder b, van de wet). De schoo1 stelt voor iedere jongere uit het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel een overgangsdocument op. Wanneer de school het college vervolgens om ondersteuningvan dejongere verzoekt, dan verstrekt de school daarbij het overgangsdocument van de jongere met de daarvoor relevante informatie. Ontbreekt het document, dan kan het college dit ook als reden aanvoeren om een voorziening te weigeren (onderdeelf). Ook za1 het college bij de beoordelingvan het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.

Het betreft hier een kan-bepaling, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewet het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk.

Gewijzigde toelichting artikel 7 Artikel 7. scholing

Startkwa!ificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-dipLoma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee (artikeL 1, onder f, van de LeerpLichtwet 1 969). scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de reintegratie.

scholingin combinatie metparticipatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwaLificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geLdt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het colLege hoeft aan een persoon alleen geen schoLing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces. Dit volgt uit artiket lüa, vijfde lid, van de Participatiewet. Zie artikel 8 over de voorziening participatieplaatsen.

Gewijzigde toelichting artikel 8 Artikel 8. Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet en het eerste lid van artikel 8). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.

Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collegas zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichze1f een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duurvan de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artiket lüa van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel lOa, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. A1s de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden.

Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel

lüa, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel lOa, tiende tid, van de Participatiewet). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 1Oa, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artike1 31, tweede lid, onderdee1j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risicos van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken 11 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 1 2). Er is gekozen voor een premie van telkens € 200 per zes maanden.

Gewijzigde toeLichting artiket 10 ArtikeL 10. Ondersteuning bij teer-werktraject De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren die dreigen uit te vallen uit school, maar midde1s een leerwerktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning bij het leer-werktraject te bieden wanneer die ondersteuning nodig is om het traject succesvolte volgen. Deze ondersteuning kan verschillende vormen aannemen, zoa1s persoonlijke bege1eiding en coaching, praktische ondersteuning op de werkvloer, hulp bij het plannen en organiseren van schoo1- en werkactiviteiten, of aanvu11ende scholing en trainingen die aansluiten bij het leer-werktraject. Het doel is om jongeren te helpen hun traject te voltooien en hun kansen op een succesvolle uitstroom met een startkwalificatie naar de arbeidsmarkt te vergroten.

Gewijzigde toetichting artiket 11 Artiket 11. Persoontijke ondersteuning bij werk De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt de paragrafen 3A.2 en 3A.3. Deze bepa1ing verwijst daarom naar deze paragrafen, waarbij ook wordt verwezen naar de uit artikel 3 voortvloeiende algemene voorwaarden die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen.

Gewijzigde toelichting artikel 12C Artiket 12C. Voorwaarden toekenning persoontijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel

vormt daarmee een aanvulLing op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerkingte komen vooreen re-integratievoorziening. Dezevoorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede Lid, onderdeet a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep en minimaal 16 jaar oud is, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij ervoor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van beLang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f).

De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de maatschappelijke baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g).

Gewijzigde toeLichting Artikel 13A ArtikeL 13A. Specifieke voorwaarden noodzakeLijke intermediaire activiteit bij motorische beperking Artikel 8a, tweede lid, onderdeelf, onder 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het gevaL er sprake is van een motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische Lichaamsfunctie noodzake1ijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. We1 gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 12C.

ToeLichting bij nieuw artikeL 13D ArtikeL 13D Verzoeken van schoLen en onderwijsinsteltingen Dit artikel regelt de procedure rondom verzoeken die worden ingediend door het bevoegd gezag van scholen of onderwijsinstellingen om ondersteuning door het college in het kader van artikel 7a van de wet. Op grond van het eerste lid moet het college de ontvangst van het verzoek binnen een bepaalde termijn bevestigen.

ln het tweede lid wordt bepaald binnen welke termijn het college moet beslissen op een verzoek en hierover moet communiceren aan zowel het bevoegd gezag als de betrokken persoon, voor het geval de beslissing niet kwalificeert als een beschikking in de zin van de A1gemene wet bestuursrecht. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om een ¡nformatieverzoek of wanneer het ondersteuning betreft die door het college vrij toegankelijk geboden wordt en waarvoor dus geen beschikking nodig ¡s om er gebruik van te mogen maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17109499/1