CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke reactie SP, OPH en JH

commissie Bestuur 20 maart 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: 17:20 uur Wijziging referendumverordening gemeente Haarlem 2022 (JW)854 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

REACTIE SP, OPH en JH op WIJZIGING REFERENDUMVERORDENING Fracties

SP, OPH, JH

Opstellers

Ruud Kuin, Geert-Jan Procee, Moussa Aynan

Onderwerp

Inbreng t.b.v. wijziging referendumverordening

Datum

09-03-2025

Initiatief referendum, artikel 2 lid 1: -Wat ons betreft is het niet nodig dat de raad het initiatief kan nemen tot een referendum. Het is een belangrijk middel van de burger, en de raad heeft haar eigen middelen. De laatste drie woorden (en de raad) van dit artikel kunnen wat ons betreft dan ook worden geschrapt.

Inleidend verzoek, artikel 5 lid 1: -Wij stellen voor het aantal ondersteuningsverklaringen voor een inleidend verzoek hetzelfde te houden als in de oorspronkelijke verordening (400). In de regel zit er namelijk weinig tijd tussen de openbaarmaking van een ontwerpbesluit en de vaststelling in de raad. Het is aannemelijk dat de burgers na de eerste behandeling in de commissie scherp krijgen wat het ontwerpbesluit behelst en pas daarna beslissen of ze een inleidend verzoek willen gaan doen. Dan is de tijd voor het inleidend verzoek maximaal drie weken. Een verhoging van het aantal handtekening voor het definitieve verzoek (artikel 6 lid 1) vinden wij ook redelijk omdat er dan voldoende tijd is (6 weken plus de weken daarvoor) om te laten zien dat het onderwerp breed leeft. Pas daarna wordt het referendum definitief en worden er kosten gemaakt. Omwille van de eenvoud stellen wij voor tenminste 500 handtekeningen voor het inleidend verzoek te hanteren en 5000 handtekeningen voor het definitief verzoek.

Afwijzingsgronden artikel 5 lid 6 en artikel 2 lid 2: -Wij stellen voor in de toelichting expliciet op te nemen dat een inleidend verzoek alleen getoetst wordt aan de in artikel 2 lid 2 genoemde afwijzingsgronden.

-Wij steunen de voorgestelde lijn om aan artikel 2 lid 2 inhoudelijk niets te wijzigen, en ‘slechts’ een toelichting toe te voegen. Het is juist belangrijk dat er geen interpretatieruimte voor de raad en (dus) onduidelijkheid voor de burgers bestaat. De burgers moeten de mogelijkheid (blijven) houden om in principe elk ontwerpbesluit onderwerp van een referendum te maken, ook als over een onderwerp eerder een referendum is gehouden. De burgers bepalen, ook door het aantal handtekeningen, of ze een ontwerpbesluit belangrijk genoeg vinden of niet.

Vraagstelling artikel 9: -In de regel is een meerderheid van de raad voorstander van het ontwerpbesluit. Dat ontwerpbesluit wordt namelijk pas na amendering mogelijk onderwerp van een referendum. In dat licht moet niet deze meerderheid in de raad, maar de onafhankelijke referendumcommissie een stevigere rol hebben bij de vraagstelling. Daarom vinden wij het belangrijk om nadrukkelijk vast te (blijven) leggen dat ‘op voordracht van de referendumcommissie’ de vraagstelling voor het referendum wordt vastgesteld. Dat is ‘zwaarder’ dan de verwijzing naar de algemene bepaling in artikel 4 dat ze gevraagd en ongevraagd advies kunnen geven. -Wij zijn geen voorstander van ‘meerkeuzevragen’, omdat het inderdaad onduidelijker wordt wat de raad met de uitslag doet.

Termijn artikel 9: -Wij vinden het essentieel dat er voldoende tijd is voor meningsvorming. De in het oorspronkelijke artikel 9 lid 1 genoemde minimale termijn van 12 weken, tussen het besluit tot een referendum en het referendum zelf, willen wij daarom graag handhaven. -Wij zijn het ermee eens dat het referendum niet maanden later moet plaatsvinden. De verkorting van de maximale termijn van 6 naar 4 maanden (artikel 8 lid 2) kunnen wij dan ook steunen, maar wel in combinatie met de minimale termijn van 12 weken.

Termijn en Procedure voorbereiding, artikel 15 lid 2a (in relatie met artikel 9) -In dit artikel wordt een minimale termijn van 44 dagen genoemd. Deze tijd is minimaal nodig om vast te stellen wie er kiesgerechtigd is. In het antwoord op onze technische vraag hierover, werd het volgende antwoord gegeven:

Deze termijn heeft geen betrekking op de termijn tussen besluit en dag van stemming, maar heeft daar wel gevolgen voor binnen de bepalingen van de te wijzigen Referendumverordening. In de tijdelijk buiten werking gestelde Referendumverordening stond een termijn van 12 weken tussen het vaststellen van de vraagstelling en de stemming. In de Wijzigingsverordening is deze termijn niet opgenomen. Daarmee wordt de termijn tussen het ijkmoment en de stemming de kortst mogelijke, in de verordening genoemde, termijn.

Het antwoord betekent dus dat er binnen (minimaal) zes weken een referendum kan worden georganiseerd. Dat is een te korte termijn voor goede informatievoorziening en meningsvorming. Wat ons betreft kan deze bepaling ongewijzigd blijven, indien de 12 weken termijn weer wordt opgenomen bij artikel 9. Als dat niet gebeurt, stellen wij voor in dit artikel het aantal dagen te verhogen van 44 naar 84.

Subsidiecriteria, artikel 11 lid 7: -In dit artikel wordt bepaald dat het college de punten voor subsidieverlening toekent. Het college is echter als initiatiefnemer van het ontwerpbesluit ‘partij’, en mag daarom zelfs niet de schijn tegen zich hebben partijdig te zijn. Daarom stellen wij voor i.p.v. het college de referendumcommissie de punten toe te laten kennen.

Opkomstdrempel, artikel 14: -De burgemeester gaf goede argumenten om de opkomstdrempel te handhaven. Daarmee wordt namelijk voor iedereen duidelijk wanneer het als zwaarwegend advies geldt en wanneer niet. We zijn dan ook voor handhaving van de opkomstdrempel van 30%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15263713/2