CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

getekende verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024

gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststelling Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 202423.484 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

• • •

binnen de redelijke termijn (een halfjaar) de noodzaak voor de maatwerkvoorziening alsnog vastgesteld kan worden; en deze als de goedkoopst adequate voorziening aangemerkt kan worden; en er sprake was van een (zeer) spoedeisende situatie (bijvoorbeeld doordat cliënt niet naar huis kon vanuit ziekenhuis of verpleeginrichting zonder woningaanpassingen), de aanvraag niet kan worden afgewezen.

Als onderzoek door het college door toedoen van de cliënt echter onmogelijk is, is dat voor risico van de cliënt. VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

40

onder i Een behandeling kan voorliggend zijn op een maatwerkvoorziening vanuit de wet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CR\/B:2019:558). Het gaat in dit lid om behandelingen die noodzakelijk zijn om de Wmo-voorziening op een doelmatige en doeltreffende manier te kunnen verstrekken (zie artikel 3.1, tweede lid van de wet). Daarbij speelt ook de medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie waarin een cliënt de keuze maakt om niet te starten met een behandeling. Dit lid is niet van toepassing in situaties waarin de cliënt wel meewerkt, maar het door bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te starten met de behandeling. Dan dient het college in het kader van maatwerk (tijdelijk) een andere oplossing te vinden ter ondersteuning van de cliënt.

onder j

In de wet is niet expliciet bepaald dat een cliënt geen recht heeft op een maatwerkvoorziening indien hij gedurende een bepaalde periode in het buitenland verblijft. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet (TK 2013/2014, 33 841, nr. 3 pag 118 en 150 (MvT Wmo 2015)) valt een dergelijk uitgangspunt ook niet af te leiden. Wel geldt hierbij de voorwaarde dat de cliënt ingezetene is van de gemeente die de maatwerkvoorziening verstrekt. Op grond van artikel 1.2.1 (aanhef) van de wet is het ingezetenschap een vereiste voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (zie ECLI:NL:RBDHA:2020:10229).

HOOFDSTUK 5 EEN PERSOONSGEBONDEN BUDGET (pgb)

Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb Lid 1

Artikel 2.3.6 van de wet regelt dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het pgb biedt cliënten de mogelijkheid naar eigen inzicht een maatwerkvoorziening in te zetten om daarmee de gestelde doelen/ resultaten te behalen. Het biedt de cliënt keuzevrijheid, wat bijdraagt aan de wens om cliënten die een voorziening nodig hebben meer regie over hun eigen leven te geven. Daarmee is niet gezegd dat er ook altijd recht bestaat op een pgb. In artikel 2.3.6 van de wet staan de voorwaarden opgenomen waar een cliënt aan dient te voldoen. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend worden in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Lid 2

De cliënt die een pgb voor diensten wenst, zal een pgb-plan moeten opstellen op basis van een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan. Het kan zijn dat de cliënt zelf al een pgb-plan opstelt om te motiveren waarom hij een pgb wenst. Deze informatie kan de cliënt in het format pgb-plan overnemen.

Het pgb-plan wordt door het college beoordeeld in verband met de aanspraak op een pgb en dient als hulpmiddel bij het toetsen van de pgb-vaardigheid. Dit gebeurt in het pgb-gesprek VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

41

gedurende het onderzoek na de melding. In het pgb-plan beschrijft de cliënt de motivatie waarom hij een pgb wenst, welke diensten hij met het pgb wil inkopen, hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd en welke resultaten daarmee worden bereikt. Het pgb-plan maakt uiteindelijk ook onderdeel uit van de beschikking.

Het college kan vooraf op basis van offertes de kwaliteit van hulpmiddelen, verplaatsingsvoorzieningen of woningaanpassingen genoegzaam vaststellen. De vereiste van het pgb-plan geldt hiervoor niet. Artikel 5.2 Rechten en plichten budgethouder

Lid 1

Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb is een all-in tarief. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens ziekte en vakantie, verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief. Het kan zijn dat er overige kosten worden gemaakt rondom de voorziening. In dit artikel is bepaald dat de hier genoemde kosten niet uit het pgb betaald kunnen worden. Lid 2 onder a

Hieronder vallen ook de tussenpersonen zoals pgb-bureaus en administratiekantoren. Lid 2 onder d

Cliënten mogen zelf bepalen hoe ze het uurtarief besteden via de zorgovereenkomst. Het kan dus wel aan feestdagenuitkeringen of reiskosten besteed worden, maar dan vanuit het pgb-uurtarief. Lid 2 onder f

Reiskosten die noodzakelijk zijn om tot inzet van de voorziening te komen zijn een onderdeel van het all-in pgb-tarief. Overige reiskosten kunnen nadrukkelijk niet uit het pgb worden betaald. Lid 5

Vertegen woordiger Een cliënt kan zich laten ondersteunen door een pgb-vertegenwoordiger als de cliënt zelf niet in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit vloeit voort uit artikel 2.3.6, tweede lid van de wet. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij ‘aan een persoonsgebonden budget verbonden taken’ gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen van en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen (Tweede kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33841, nr. 3, blz. 38). 'Op verantwoorde wijze uitvoeren’ betekent ook dat de cliënt in staat is toezicht te houden op de geleverde kwaliteit.

Onder een wettelijke vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor. Een cliënt kan ook iemand anders machtigen om op te treden als zijn pgbvertegenwoordiger. Gemeenten mogen kritisch naar de rol van de vertegenwoordiger kijken. De vertegenwoordiger moet het belang van de cliënt dienen, en geen andere belangen. Zie ook

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

42

ECLI:NL:CRVB:2019:2803. Om die reden kan de pgb-vertegenwoordiger niet tevens degene zijn die de ondersteuning levert.

Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren Een pgb kan ook worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.3.6 van de wet zijn vastgelegd. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend zijn in artikel 5.3 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Onder b en c

Budgethouders die te maken krijgen met surseance van betaling, faillissement of schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: Wsnp) moeten dat aan het college melden. Als de budgethouder jonger is dan 18 jaar dan gelden deze eisen voor de ouders of de voogd. De aanvraag voor een pgb door een persoon die in de Wsnp zit, zal door het college worden afgewezen. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan het college een pgb aan een minderjarige weigeren te verlenen indien op zijn ouders de Wsnp van toepassing is verklaard.

Onder d en e In een spoedeisende situatie of als een maatwerkvoorziening ambtshalve wordt verstrekt, is een pgb niet passend. Het college kan dan immers niet beoordelen of de cliënt voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.3.6 van de wet.

Onder h

Het is niet toegestaan een pgb buiten Nederland te besteden. Een uitzondering kan gemaakt worden voor een pgb voor begeleiding als voortzetting van de ondersteuning op vakantie vanuit het pgb door ouders of een persoon uit het sociaal netwerk noodzakelijk is. Er moet altijd eerst toestemming van het college worden gevraagd, alvorens het pgb in het buitenland ingezet kan worden. De kosten van de begeleiding moeten opgevangen worden binnen het verstrekte pgb. Artikel 5.4 De hoogte van het pgb In dit artikel zijn de kaders opgenomen waarmee de pgb-tarieven kunnen worden vastgesteld. Het college legt de pgb-tarieven vast in het lokale Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning. Lid 1 Dit artikel bepaalt de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet).

Tot maximaal de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

43

Het college is ook bevoegd een lager tarief te hanteren, mits dat tarief de cliënt maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de ondersteuning in natura verlenen. De hoogte van het budget voor diensten wordt gebaseerd op het tarief waarvoor het college (of - daar waar de gemeente lumpsum financiert en voor specifieke voorzieningen geen separate zin-tarieven kent - de gemeenten in de regio) de diensten heeft gecontracteerd. Bij de vaststelling van deze tarieven is rekening gehouden met alle vereisten uit de Algemene Maatregel van Bestuur en jurisprudentie. In alle gevallen geldt dat als de budgethouder met de zorgverlener een lager tarief overeenkomt, de hoogte van het pgb op basis van dat lagere tarief wordt vastgesteld. Lid 2

Het college kan de hoogte van het pgb ook vaststellen op basis van een offerte. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de voorziening bereikt moet worden. Hierbij wordt, conform de verordening, uitgegaan van de verschuldigde huurprijs die de gemeente kwijt zou zijn aan de gemeentelijk leverancier. Woningaanpassing

Bij een pgb voor een woningaanpassing gaat het om de kosten van de door het college goedgekeurde aanpassingen. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de woningaanpassingen bereikt moet worden. Woningaanpassingen kunnen trapliften zijn, maar ook bijvoorbeeld onder meer aanpassingen aan keukens, badkamers, toiletten en de aanpassing van drempels binnen de woning. De hoogte van een pgb ten behoeve van een woningaanpassing wordt vastgesteld aan de hand van het programma van eisen en de tarievenlijst overeengekomen met de door het college gecontracteerde aanbieders dan wel op basis van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een erkende aannemer. Bij de eenvoudige, veel voorkomende kleine woningaanpassingen wordt gebruik gemaakt van een standaard tarievenlijst.

Lid 5

Het pgb voor lokaal vervoer kan worden verstrekt als alternatief voor de natura-verstrekking van het collectief vervoer. De hoogte van het pgb voor lokaal vervoer staat vermeld in het gemeentelijk uitvoeringsbesluit Wmo. Het pgb biedt de mogelijkheid op jaarbasis 2.000 kilometer regionaal te reizen op basis van de onbelaste kilometervergoeding voor woon­ werkverkeer, zoals deze wordt gehanteerd door de Belastingdienst. Lid 6 en 7

De hoogte van een pgb voor hulp bij het huishouden die beroepsmatig wordt geboden wordt vastgesteld op maximaal 85% van het naturatarief. Aanvullende ondersteuning die beroepsmatig wordt geboden wordt vastgesteld op basis van maximaal 100% van de reële tarieven zoals die in de omliggende gemeenten worden gehanteerd voor vergelijkbare ondersteuning in natura. Dit tarief is afdoende omdat de met een pgb in te kopen ondersteuning over het algemeen goedkoper is dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten zijn. VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

44

Lid 10

Dit onderdeel benadrukt dat het tarief een all-in tarief is. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en ziekte, verzekeringen(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief. Het is dus niet mogelijk om voor deze kosten een aanvullend pgb te ontvangen. De in dit lid genoemde kostenposten zijn opgenomen in de uurtarieven waarop het pgb wordt gebaseerd. Ook overige kosten samenhangend met de ondersteuning moeten uit het pgb worden betaald. Artikel 5.5 Pqb Informele hulp Als de cliënt in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget, dan moet gekozen worden uit één van de volgende twee varianten:

• •

Ondersteuner uit het sociaal netwerk; Professionele ondersteuner.

Ondersteuner uit het sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 van de wet). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociaal netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is van een relevant diploma.

Deze persoon kan voor het beroepsmatige tarief in aanmerking komen, als in het pgb-plan aangetoond wordt dat de ondersteuning beroepsmatig wordt verleend en de ondersteuner voldoet aan de vereisten voor beroepsmatig (professionele) ondersteuners.

Professionele ondersteuner: Er is sprake van professionele ondersteuning als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden, de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming aansluiten bij de te leveren diensten voor het pgb en als de professionele ondersteuner in het bezit is van relevante diploma’s en voldoet aan de overige kwaliteitseisen.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN Inleiding

De gemeente heeft ervoor gekozen aan haar cliënten een eigen bijdrage te vragen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb. Deze mogelijkheid is opgenomen in de wet.

Voor een aantal voorzieningen geldt het abonnementstarief (ten tijde van de vaststelling van deze verordening bedraagt deze € 20,60 per maand). De maatwerkvoorzieningen opvang, beschermd wonen en het collectief vervoer zijn hiervan uitgezonderd. Voor deze voorzieningen vindt de berekening van de eigen bijdrage op andere wijze plaats.

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s aangewezen algemene voorzieningen Lid 1

Voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen (zowel in natura als in de vorm van een pgb) en de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen (huishoudelijke ondersteuning,

J

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

45

kortdurend verblijf en kortdurende dak- en thuislozenopvang) is de cliënt een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Als een cliënt een maatwerkvoorziening in natura heeft aangevraagd en deze is verstrekt door het college, maar de maatwerkvoorziening niet daadwerkelijk gebruikt wordt, moet ook een eigen bijdrage worden betaald. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt, wordt opgelegd en geïnd door het CAK volgens de regels van het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Lid 2

De gemeente wijst op grond van artikel 2.1.4 van de wet in de verordening de algemene voorzieningen aan waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Binnen de gemeente Haarlem geldt dit voor de algemene voorzieningen huishoudelijke ondersteuning, kortdurend verblijf, kortdurende dak- en thuislozenopvang en noodopvang. Bij deze voorzieningen is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie, zodat is aangesloten bij het bepaalde in artikel 2.1.4, derde lid van de wet. De eigen bijdrage voor huishoudelijke ondersteuning valt onder het abonnementstarief. Voor de overige algemene voorzieningen wordt in de verordening de hoogte van de bijdrage bepaald. Artikel 6.3 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieninq

Lid 2 In lid 5 wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.8, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor het collectief vervoer. De gemeenteraad kan voor een voorziening voor vervoer de hoogte van de bijdrage in de verordening bepalen, in een dergelijk geval geldt niet het abonnementstarief. Lid 3 Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een cliënt die jonger is dan 18 jaar mag het college geen bijdrage in de kosten opleggen. Er is een uitzondering vooreen woningaanpassing die tot waardevermeerdering van een woning leidt. De bijdrage in de kosten is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. De kosten worden aan het adres van de wettelijke ouder(s) of verzorger(s) doorberekend.

Lid 5 Alleen het innen van de eigen bijdrage is neergelegd bij de instelling die het verblijf verzorgt.

Artikel 6.4 Berekening bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen of pgb Lid 1

De hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald op grond van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daaruit volgt dat de hoogte van de eigen bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten of de aangewezen algemene voorziening (de huishoudelijke ondersteuning, kortdurend verblijf en kortdurende dak- en thuislozenopvang) tezamen gelijk is aan het geldende abonnementstarief. Als een cliënt meerdere van deze voorzieningen gebruikt is de totale eigen bijdrage niet hoger dan € 20,60 per maand (tarief ten tijde van vaststelling van de verordening). Deze kan wijzigen als gevolg van aanpassing van de wet of hierop gebaseerde regelgeving).

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

46

Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs van een voorziening is van belang omdat de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening nooit hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening (zie artikel 2.1.4, zesde lid en artikel 2.1,4a zesde lid van de wet). De gemeente is om deze reden verplicht de wijze van berekening van de kostprijs in de verordening vast te leggen.

De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen, maatschappelijke opvang, opvang slachtoffers huiselijk geweld en het collectief vervoer zijn uitgezonderd van het abonnementstarief en vallen ook niet onder de artikelen 2.1.4, zesde lid en 2.1.4a, zesde lid van de wet. De hoogte van de eigen bijdrage voor deze voorzieningen komt op andere wijze tot stand. Artikel 2.1,4a, 7e lid van de wet geeft aan dat voor de bijdragen voor beschermd wonen en opvang regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Lid 7

Er is bij een traplift gekozen voor een gemiddelde prijs per verstrekking omdat er in de praktijk een aanzienlijk verschil is in de kostprijzen van een traplift. De kostprijs is afhankelijk van het aanbod. Soms kan een tweedehands traplift worden gebruikt en soms is alleen een nieuwe traplift geschikt als passende maatwerkvoorziening. Om het voordeel van herverstrekking aan alle cliënten aan wie een traplift wordt verstrekt ten goede te laten komen, wordt uitgegaan van een gemiddelde prijs. Voor wat betreft de eigen bijdrage leidt het hanteren van een gemiddelde prijs in geen geval tot nadeel voor de cliënt. De kostprijzen van trapliften, ook bij herverstrekking, zijn zo hoog dat deze het abonnementstarief overstijgen. De cliënt is aan eigen bijdrage voor een traplift, ook in combinatie met andere maatwerkvoorzieningen, maximaal het abonnementstarief verschuldigd.

Lid 9 Voor berekening van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening opvang slachtoffers huiselijk geweld wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnormen onder toepassing van artikel 3.20 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Hierin is bepaald dat bij berekening van de hoogte van de eigen bijdrage rekening gehouden dient te worden met de zak- en kleedgeldnorm die jaarlijks wordt vastgesteld en het verschil tussen de zorgtoeslag en de standaardpremie zorgverzekering. Aanvullend houden we rekening met geld voor voeding.

Er kunnen zich situaties voordoen waarin de betaling van de eigen bijdrage voor opvang slachtoffers huiselijk geweld problemen geeft. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin sprake is van dubbele woonlasten. Het college kan op grond van artikel 3.8, derde lid onder g en h van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 besluiten per periode geen eigen bijdrage te vragen. Het gaat dan om situaties waarbij het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt of de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.

Artikel 6.5 Compensatie gebruikskosten De compensatie voor de kosten van het gebruik van een algemene voorziening is nooit meer dan een kostendekkende -dus niet commerciële- bijdrage. Het gaat hier om een

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

47

kostenbijdrage die wordt betaald aan de aanbieder van de voorzienig, en niet om de eigen bijdrage zoals geregeld in artikel 6.1 en 6.2.

Instellingen hebben er belang bij de toegang tot hun voorzieningen en activiteiten zo laagdrempelig mogelijk te houden. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de kosten die zij in rekening brengen voor deelname aan hun activiteiten. Deze deelnemersbijdragen zijn kostendekkend en betreffen normale ‘gebruikskosten’ (kopje koffie, drankje, gebruik van biljart, materiaalkosten etc.).

HOOFDSTUK 7 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst gemaakt worden via de contracten en afspraken met aanbieders. De wet maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in dit artikel uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek (art. 2.5.1. van de wet) en de mogelijkheid om toezicht te laten uitvoeren door de daarvoor aangewezen toezichthouder (art. 6.1.) dragen eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Lid 7

Aanbieders kunnen snel constateren of en hoe de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt wijzigt. Daarom is in dit lid geregeld dat het college met aanbieders afspraken maakt over deze signaleringsfunctie. Na het signaal van de aanbieder kan het college met de cliënt in contact treden en wordt -zo nodig- een (nieuwe) melding van de cliënt ingenomen.

De verplichting voor het college om periodiek heronderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is verstrekt, is neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. Artikel 7.2 Inkoop en aanbesteding

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Met de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Reële prijs Wmo 2015’ is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een nieuw artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel definieert de kostprijselementen van een reële prijs en regelt de plaats van een reële prijs in de VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

48

aanbestedingsprocedure. Het artikel heeft tot doel dat een gemeente een reële prijs vaststelt voor een Wmo-dienst. De AMvB bevat geen landelijke kwantitatieve normering van de verschillende kostprijselementen en stelt geen vaste minimumprijs of een prijs die voor alle gemeenten gelijk moet zijn vast. De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Het college is niet verplicht aan iedere aanbieder de specifieke kostprijs die de aanbieder zelf hanteert te betalen. Uitvoering

Het college moet tot een reële prijs komen in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid die de aanbieder aanbiedt. Dit vraagt om een zorgvuldig proces vanuit de gemeente en openheid vanuit de aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst. Het college kan de aanbieders vragen om in hun offertes/ bestek toe te lichten hoe zij invulling geven aan kwaliteits-, deskundigheids-, en continuïteitseisen en normering van de kostprijselementen door de aanbieder. Verantwoordelijkheid aanbieders Van aanbieders wordt verwacht dat zij op een reële wijze inschrijven voor de opdracht, daarbij een reële kostprijs hanteren waarmee ze kwalitatief goede hulp of voorzieningen kunnen bieden en handelen in de lijn van goed werkgeverschap en de geldende wet- en regelgeving.

Artikel 7.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel regelt dat er door het college wordt voorzien in een regeling voor het doen van meldingen en dat de door het college aangestelde toezichthoudend ambtenaar (artikel 6.1 van de wet) deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 7.4 Klachtenregeling Lid 1

Dit lid is opgenomen om een meer volledig beeld te schetsen van de mogelijkheden om een klacht in te dienen. Deze bepaling staat al in de wet. Lid 2 In dit lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Gekozen is om voor alle aangeboden voorzieningen de klachtenregeling bij de aanbieder verplicht te stellen. De gemeente laat de aanbieders vrij hoe de regeling vorm te geven. In de Memorie van Toelichting staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Dat kan dan bijvoorbeeld gaan over de deskundigheid van een medewerker, een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder.

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

49

de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Lid 3

In het derde lid is aangegeven hoe het college de uitvoering van de klachtregeling door aanbieders controleert. HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 8.1 Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of pgb en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

Ter uitvoering van artikel 2.1.3 lid 4 van de wet worden in deze verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het college heeft het recht om de inzet van een maatwerkvoorziening in natura of van een pgb te controleren. Het is aan het college om te bepalen op welke wijze de verantwoording en controle wordt ingericht.

Voorlichting van inwoners over de gevolgen van misbruik van de gemeentelijke ondersteuning in het kader van deze verordening, is een instrument om misbruik te beperken. Te denken valt aan voorlichting over handhavingsacties en de uitkomsten daarvan, de inzet van de sociale recherche en evaluatiemomenten voor verstrekte maatwerkvoorzieningen. Het college kan daarnaast investeren aan de voorkant door een goede voorlichting over de gewenste maatwerkvoorziening of het pgb. Zie hiervoor artikel 2.1, vierde lid van de verordening. Van belang is dat er een grondige toets plaatsvindt aan de voorkant. In het geval van pgb zal de nieuwe werkwijze van het toetsen van de pgb-vaardigheid bijdragen aan een rechtmatig en doelmatig gebruik van de maatwerkvoorziening. Lid 1 onder h

De besteding van het pgb kan door het college worden gecontroleerd. Bij de controle beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen en wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten. Dit is maatwerk: bij de ene cliënt kan dit halfjaarlijks zijn en bij de andere cliënt één maal in de vijfjaar of zelfs helemaal niet. Artikel 8.2 Intrekken, schorsen, herzien of niet verstrekken van een maatwerkvoorziening, ten behoeve van bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

Dit artikel ligt in het verlengde van artikel 8.1. In dit artikel zijn een aantal situaties opgenomen waarbij het college de maatwerkvoorziening of het pgb kan herzien of beëindigen, om te voorkomen dat hier misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt gemaakt. Deze bevoegdheid komt naast de bevoegdheid die het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet heeft. Artikel 8.3 Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

50

Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden. Artikel 8.4 Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2b, zesde lid onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Voor de termijn van dertien weken is gekozen op verzoek van de SVB: een landelijk uniforme regeling komt de praktische uitvoerbaarheid ten goede.

HOOFDSTUK 9 MANTELZORGONDERSTEUNING EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

Artikel 9.1 Mantelzorgondersteuning

Het college heeft aandacht voor de situatie van de mantelzorger en ziet het belang van goede ondersteuning van de mantelzorger. Er zijn daarom voorzieningen gericht op de mantelzorger. Ook worden afspraken gemaakt met aanbieders van maatwerkvoorzieningen om de positie van de mantelzorger te versterken. Artikel 9.4 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Inwoners met een inkomen tot het niveau van de Haarlem Pas komen in aanmerking voor de gemeentelijke zorgpolis, op grond waarvan onder bepaalde voorwaarden de eigen bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning vergoed kan worden. HOOFDSTUK 10 INSPRAAK EN EVALUATIE Artikel 10.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In de gemeente Haarlem is de inspraak zoals bedoeld in artikel 2.1.3 derde lid van de wet en artikel 10.1 van deze Verordening, geregeld via de Participatieraad Gemeente Haarlem. Zie ook de Verordening Participatieraad gemeente Haarlem.

Artikel 10.2 Medezeggenschap bij aanbieders

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin staat dat de gemeente in ieder geval moet bepalen ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten is vereist. Er is voor gekozen alle voorzieningen onder deze regeling te brengen. HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

51

Artikel 11.1 Hardheidsclausule Er kunnen omstandigheden zijn die vragen om afwijking van een bepaling in de verordening. Te verwachten is dat een beroep op de hardheidsclausule sporadisch zal voorkomen. Er vindt immers -op basis van artikel 2.3.2 van de wet standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden, en waarbij maatwerk wordt geleverd. De hardheidsclausule wordt in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie.

Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. De cliënt dient te onderbouwen dat zijn situatie zo bijzonder is, dat een beroep op de hardheidsclausule is gerechtvaardigd. Artikel 11.2 Indexering

Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. De daarbij te hanteren index kan per voorziening door het college worden bepaald.

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14426841/1