Document 20210279017 2. Bijlage 1- Evaluatierapport AEF samenwerking SWT en CJG Inhoud document
Tekst van het document
ingekocht? Transitie en de ‘draagkracht’ Een verandering in organisatie is per definitie ingrijpend. In de afwegingen daarover spelen aspecten die specifiek betrekking hebben op de transitie en niet zozeer op de toekomstige situatie, zoals de punten die hiervoor aan de orde zijn geweest. In het bijzonder spelen daarin de ‘draagkracht’ voor de verandering en de financiële aspecten die samenhangen met deze transitie. Mogelijke aspecten voor de bredere afweging zijn:
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
49
- Zijn er transitiekosten verbonden aan het toewerken naar- en realiseren van de nieuwe
organisatie? Denk bijvoorbeeld aan de afbouw van nu bestaande organisatieonderdelen en nu bestaande functies, maar ook aan de extra expertise die eventueel nodig is om de nieuwe situatie te kunnen realiseren en de extra inzet die vanuit de bestaande organisaties nodig is om de transitie vorm te geven. - Wat is de impact van een nieuwe organisatorische vorm op het dagelijks werk van medewerkers en de collega’s waarmee zij dit werk doen? Zijn deze verschillen beperkt of zijn de verschillen aanzienlijk? In dat geval moet rekening worden gehouden met het ‘landen’ van nieuwe medewerkers in de nieuwe organisatie, de tijd en energie die dit eventueel vraagt en de eventuele impact daarvan op hun primaire taakuitvoering. - Welke veranderingen worden er op andere vlakken van medewerkers gevraagd en is er bij medewerkers draagkracht voor een organisatorische verandering?
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
50
11 Twee varianten voor de toekomst
De doorontwikkeling van de samenwerking tussen CJG en SWT is afhankelijk van de (politieke) keuzes die de gemeenten Haarlem en Zandvoort maken over de inzet van deze samenwerking. Op basis van de punten waarop de samenwerking inhoudelijk kan worden doorontwikkeld (hoofdstuk 8), de verschillende perspectieven die voor deze doorontwikkeling gekozen kunnen worden (hoofdstuk 9) en de uitwerking van de verschillende organisatorische vormen waarin de samenwerking doorontwikkeld kan worden (hoofdstuk 10) komt AEF tot twee (hoofd)varianten voor de toekomst. Welke variant het meest passend is, is afhankelijk van de politieke en beleidsmatige keuze die Haarlem en Zandvoort hierin maken. De eerste variant gaat uit van de huidige samenwerkingsopdracht, waarin casus-gerichte samenwerking centraal staat. De tweede variant gaat uit van een verbreding van de samenwerkingsopdracht naar niet-casusgebonden samenwerking op het vlak van preventie, outreachend werken en gezamenlijke netwerkvorming. In deze tweede variant is de verandering niet beperkt tot het verbreden van de samenwerkingsopdracht, maar moeten gelijktijdig een aantal andere veranderingen worden doorgevoerd om de verbrede samenwerkingsopdracht kans van slagen te laten hebben. Variant 1 In deze variant vindt de doorontwikkeling van de samenwerking vanuit een pragmatisch perspectief plaats.
De versterking van de samenwerking aangaande de casuïstiek wordt georganiseerd vanuit de CJG-teams en de SWT’s, waarin tenminste de positie van liaisons versterkt wordt of gekozen wordt voor plaatsing over en weer (een SWT-er in het CJG-team en een CJG-er in het SWT), zodat de verbeteragenda goed kan worden uitgevoerd (zie paragraaf 8.3). Hiermee wordt gekozen voor: - het uitbouwen van de bestaande samenwerkingsvorm - het optimaliseren van de organisatorische samenwerking vanuit de huidige organisatorische vorm (twee aparte teams) - en het optimaliseren van de samenwerking rondom meervoudige (complexe) problematiek door een wederzijdse inbedding. Deze variant is goed te verdedigen als de samenwerkingsopdracht van het CJG en de SWT’s de huidige scope behoudt. De geconstateerde verbeterpunten zijn, mede gegeven de samenwerkingsopdracht die het CJG en de SWT’s nu hebben, niet van dusdanige aard dat een structuurwijziging is vereist. De samenwerking die de afgelopen jaren tussen het CJG en de SWT’s biedt voldoende houvast voor verdere doorontwikkeling, zeker als de sturing op deze samenwerking zowel in de uitvoering als op strategisch niveau wordt verstevigd.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
51
Ook moeten er investeringen in de samenwerking in het perspectief van de omvang van de doelgroep geplaatst worden die baat heeft bij de samenwerking. Voorwaarde voor het versterken van de samenwerking in deze variant is het versterken van de sturing hierop. De sterkere sturing kan plaatsvinden door: - Een gelijkluidende opdracht aan het CJG en de SWT’s om de verbeterpunten in samenwerking te realiseren. - Een uitgebreider aanwijzen van liaisons (en deze rol ook doorontwikkelen) of het wederzijds plaatsen van professionals in elkaars teams die elkaar bij relevante casuïstiek moeten betrekken én een verantwoordelijkheid kunnen dragen voor specifiek verbeterpunt. - Inzetten op een gezamenlijke professionalisering van SWT- en CJG-professionals rondom o.a. complexe gezinsproblematiek en de intake. - Structureel overleg tussen de leidinggevenden van SWT’s en CJG, om vanuit de samenwerkingsopdracht SWT-CJG de ontwikkeling van de samenwerking te volgen en bij te sturen. - Blijven werken aan gezamenlijke huisvestingsvormen van SWT’s en CJG’s. Variant 2 In deze tweede variant staat het preventieperspectief centraal: de samenwerkingsopdracht wordt uitgebreid met een sterke niet-casusgebonden samenwerking: het gezamenlijk vorm geven aan outreachend en preventief werken.
De verwachting is dat dit gemakkelijker kan in een situatie waarin de teams deze outreachende en preventieve activiteiten onder één aansturing ontwikkelen, uitvoeren en doorontwikkelen (zie paragraaf 10.2). De keuze voor deze variant veronderstelt dat over de hele linie gekozen wordt voor een verstevigde inzet op gezamenlijke preventie. In deze variant moeten het CJG en het SWT in staat worden gesteld gezamenlijk (en met partners) preventieprogramma’s te ontwikkelen vanuit een gedeelde analyse van de wijken waarin zij werken en met een gedeelde ambitie. Dit vraagt om een nieuwe oriëntatie op de balans tussen het casusgericht werken (vergt nu veel capaciteit in beide teams) en de preventieve, niet-casusgebonden activiteiten. In deze variant wordt de sturing op samenwerking verzwaard. Dit betekent dat – naast de hierboven bij variant 1 genoemde acties - in ieder geval ook het volgende wordt gerealiseerd: - Een gelijkluidende opdracht aan het CJG en de SWT’s om een gezamenlijk preventieprogramma te realiseren. - Instelling van een gezamenlijk team onder een gezamenlijke (of: één) aansturing gericht op gezamenlijk outreachend werken, collectieve preventie of groepsgerichte preventieve activiteiten. - Inzetten op een gezamenlijke professionalisering van SWT- en CJG-professionals rondom outreachend werken, preventie en brede signalering.
- Bepalen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de leidinggevenden van de SWT’s en CJG voor het gezamenlijke team en het preventieprogramma. Daartoe functioneren de leidinggevenden gezamenlijk als een programmateam, waarbinnen teamleden specifieke (sturings)taken op zich kunnen nemen voor thema’s in het programma.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
52
Conclusie Vanuit de bestaande samenwerkingsopdracht van CJG en SWT is organisatorische integratie geen voorwaarde om de samenwerking op de gewenste manier te intensiveren. In het beleid, door nieuwe politieke keuzes en ook vanuit de praktijk kan in de toekomst wel aanleiding tot (gedeeltelijk) samenvoegen ontstaan. Bijvoorbeeld als ervoor wordt gekozen de samenwerkingsopdracht voor het SWT en het CJG uit te breiden met een gezamenlijke inzet op de niet-casusgebonden samenwerking. De afweging over een (gedeeltelijke) organisatorische integratie vereist dan een nieuwe, brede afweging (zie paragrafen 8.2 en 9.4), waarbij niet alleen gekeken wordt naar de meerwaarde die organisatorische integratie heeft voor bewoners, maar ook wordt meegewogen wat de implicaties zijn voor onder meer teamsamenstelling, werkgeverschap, leidinggevende structuur, verwerving en het al of niet afsplitsen van zwaardere hulp en ondersteuning in specifieke, daarop gerichte teams. Naar mening van AEF staan deze consequenties niet in verhouding tot de gewenste verbetering in de samenwerking rondom de huidige opdracht. Een verbeterde uitvoering van de huidige opdracht is goed mogelijk vanuit de huidige organisatorische situatie, mits de randvoorwaarden (zie de hierboven genoemde varianten) eenduidig en krachtig worden vervuld.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
53
Bijlage 1: Onderzoeksvragen
Vraag 1: Evalueer de huidige samenwerking tussen CJG en SWT’s Deel A: De opdracht en de doelgroep - Maak inzichtelijk welke opdrachten de SWT’s en het CJG hebben en waar deze opdrachten overlap vertonen. - Maak inzichtelijk welke samenwerkingsopdracht de SWT’s en CJG hebben en hoe deze opdracht door de SWT’s en het CJG geoperationaliseerd is. - Maak inzichtelijk binnen welke (aanstaande) wettelijke (en andere) kaders de SWT’s en het CJG opereren en waar deze kaders overlappen of aan elkaar raken. - Maak inzichtelijk welke doelgroep de SWT’s en het CJG hebben, wat ongeveer de omvang van deze doelgroep is en hoe de overlap tussen deze doelgroepen eruit ziet (omvang en aard). Deel B: Organisatie en samenwerkingspartners - Breng in beeld hoe de huidige organisatievorm van het CJG en de SWT’s is en kijk daarbij in elk geval naar: - Juridische status - Inrichting van de governance (opdrachtgeverschap, sturing) - Wijze van financiering. - Breng in beeld wat de samenwerkingspartners van het CJG en de SWT’s zijn en kijk daarbij naar: - Belang van de samenwerkingsrelatie - Beoogd resultaat of beoogde opbrengst van de samenwerkingsrelatie (ook: voor welke doelgroep).
Deel C: Samenwerking in de praktijk - Is de samenwerkingsopdracht helder voor professionals van de SWT’s en de CJG’s - Zijn zij bekend met de opdracht en de kaders? - Hoe interpreteren zij deze opdracht en hoe kijken zij naar hun eigen rol in de uitvoering van deze opdracht? - Hoe vinden zij dat het lukt invulling te geven aan de samenwerkingsopdracht? - Op welke wijze krijgt de samenwerking tussen CJG en SWT’s vorm in de praktijk van de 10 SWT’s en de 6 CJG-teams en kijk daarbij in ieder geval naar: - De (vormgeving van de) samenwerking in de verschillende fasen van het (hulpverlenings)proces, van vroegsignalering tot nazorg, en dus ook het maken van een (integraal) plan en de wijze waarop casus- of procesregie wordt ingericht - De samenwerking rondom huishoudens waarin sprake is van meervoudige problematiek - De samenwerking in de overgang van 18- naar 18+ en de overgang naar 23+
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
54
- Het delen van kennis en expertise - De organisatorische inrichting van de samenwerking.
- Hoe kijken klanten naar de rol van het CJG en het SWT als het gaat om: - Integraliteit van de dienstverlening - De afstemming tussen CJG en SWT’s. Deel D: Beeld van samenwerkingspartners - Breng in beeld hoe samenwerkingspartners van het CJG en de SWT’s de samenwerking tussen beide organisaties ervaren en kijk daarbij in ieder geval naar: - De samenwerking in de toeleiding en toegang (in het bijzonder bij huishoudens waarin meervoudige problematiek speelt die ook betrekking heeft op jeugdigen) - De helderheid van opdrachten en rollen, de positionering van SWT’s en CJG - De werkwijzen van het CJG en de SWT’s. Vraag 2: Adviseer over de toekomstige vormgeving van integrale ondersteuning en zorg - Maak inzichtelijk op welke vlakken een intensievere samenwerking tussen CJG en SWT’s leidt tot meerwaarde, op welke vlakken de samenwerkingsvorm indifferent is en op welke vlakken eventueel nadelige effecten kunnen optreden. - Maak inzichtelijk op welke wijze de integrale ondersteuning en zorg voor huishoudens met meervoudige problematiek verder versterkt kan worden.
Kijk hierbij in elk geval naar: - De wijze waarop in andere gemeenten wordt vormgegeven aan de integrale ondersteuning aan huishoudens met meervoudige problematiek en welke elementen een rol hebben gespeeld in de afweging die deze gemeenten hebben gemaakt - De verschillende organisatorische vormen die hiervoor denkbaar zijn.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
55
Bijlage 2: Stuurgroep
Stuurgroep Mevr. J. Angenent
Gemeente Haarlem - Afdeling Maatschappelijke Ondersteuning
Mevr. N. Barnhoorn
CJG Kennemerland
Mevr. M. Brouwer
CJG Kennemerland
Mevr. E. Dijkman
Gemeente Haarlem - Afdeling Jeugd
Mevr. N. Hagedoorn
Gemeente Haarlem - Directie Sociaal Domein
Mevr. S. Leensen
Gemeente Haarlem - Afdeling Maatschappelijke Ondersteuning
Mevr. I. Poorta
Gemeente Haarlem - Afdeling Jeugd
Mevr. A. van der Sluijs
Gemeente Haarlem - Afdeling Maatschappelijke Ondersteuning
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
56
Bijlage 3: Evaluatiekader
Thema
Onderwerp
Kijken naar o.a.
De opdracht
Kaders
- Wettelijke kaders - Landelijke en lokale beleidsmatige kaders
Financiering
- Wijze van financiering - Lokaal/ regionaal opdrachtgeverschap
Integrale zorg/ ondersteuning (dienstverlening)
- Gedeelde doelgroep - Integraal plan - Regie(ondersteuning) - Mix van interventies: (informele) ondersteuning,
Individuele casuïstiek
hulp en zorg
Niet casusgebonden
Organisatie
Samenwerking
- Versterken/ ontlasten van elkaar - Outreachend werken (o.a. huisbezoeken)
Partners
- Welke partners zijn betrokken - Waar zit overlap
Vroegsignalering
- Gedeelde doelgroep - Relevante thema’s - Betrokken partners
Risicogestuurde preventie
- Gedeelde doelgroep - Relevante thema’s - Potentiële gezamenlijke activiteiten - Betrokken partners (in uitvoering en vindplaatsen)
Collectieve preventie
- Gedeelde doelgroep - Relevante thema’s - Potentiële gezamenlijke activiteiten - Betrokken partners (in uitvoering en vindplaatsen) - Juridische status huidige organisaties - Vormgeving werkgeverschap
Juridisch Uitvoering
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
- Aanwezige disciplines - Werkprocessen
57
- Vormgeving kennis- en expertisedeling en ontwikkeling
Financiën
Sturing intern
- Management - Staftaken
Locatie
- Huisvesting - Laagdrempeligheid/ benaderbaarheid
Uitvoering
- Kostenvoordelen (kwalitatief) - Kostennadelen (kwalitatief)
Overhead (incl. management)
- Kostenvoordelen (kwalitatief) - Kostennadelen (kwalitatief)
Governance en Opdrachtgeversturing extern schap Sturing extern
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
- Samenhang in opdrachten - Verantwoording over maatschappelijk resultaat - Inhoudelijk - Financieel
58
Bijlage 4: Onderzoeksmethodieken
Documentstudie en sessie De desk research had tot doel bij aanvang van de evaluatie een beeld te krijgen van: - De opdrachten zoals deze zijn belegd bij de SWT’s en het CJG - De wettelijke en beleidsmatige kaders waarbinnen de SWT’s en het CJG hun werk doen (evenals ontwikkelingen in wet- en regelgeving die aanstaande zijn) - De doelgroep van de SWT’s en de CJG-teams - De samenwerkingsopdracht - De huidige organisatievorm en juridische status van beide organisaties - De sturing en de governance - De (eigen en gezamenlijke) samenwerkingspartners van het CJG en de SWT’s. Op basis van het eerste beeld uit documenten zijn gesprekken gevoerd met een aantal vertegenwoordigers vanuit de gemeentelijke organisatie die vanuit hun functie een rol hebben of hadden in de opdrachtverlening aan de SWT’s en de sturing op de opdracht. Vervolgens is een sessie belegd over de onderwerpen die hierboven zijn genoemd. Zij vormen gezamenlijk het kader waarbinnen de SWT’s en het CJG vorm geven aan hun samenwerkingsopdracht en dus ook hun samenwerking in de praktijk. Bestuurlijke ronde In de loop van het onderzoek is met de drie betrokken wethouders (Jeugd en Wmo) uit Zandvoort en Haarlem gesproken. Zij hebben aandachtspunten meegegeven ten behoeve van de (uitvoering van de) evaluatie.
Evaluatiegesprekken met professionals In de ronde-tafel-interviews is gesproken met ongeveer 22 professionals uit de SWT’s en CJGteams uit Zandvoort en Haarlem. Er zijn 6 evaluatiegesprekken gevoerd met SWT-leden en CJG-coaches. Er is in het voeren van de gesprekken aangesloten bij de werkgebieden van de CJG-teams. In Haarlem zijn 4 CJG-teams en in Zandvoort is er één CJG-team. In het werkgebied van één CJG-team werken meerdere SWT’s, die een kleiner werkgebied hebben. In ieder evaluatiegesprek is gesproken met professionals uit het CJG-team en de SWT’s. Daarnaast is gesproken met het Stedelijk Team van het CJG. Dit team richt zich primair op jongeren en jongvolwassenen in Haarlem en werkt samen met alle SWT’s wanneer de betrokken jongeren en jongvolwassenen niet langer onder (verlengde) Jeugdwet vallen, maar onder de Wmo.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
59
CJG-team
SWT
Zandvoort
Zandvoort
Noord
Noord 1 Noord 2
Oost
Oost 1 Oost 2
Schalkwijk
Schalkwijk 1 Schalkwijk 2 Schalkwijk 3
Centrum Zuidwest
Centrum-Rozenprieel Zuidwest
Stedelijk team
Alle SWT’s in Haarlem
Interviews met samenwerkingspartners In deze interviews is gesproken met 8 partnerorganisaties. Hierbij is specifiek gezocht naar partners die vanuit hun eigen taak zicht hebben op de samenwerking tussen CJG en SWT. Het betreft partners die werken met gezinnen waarin sprake is van meervoudige (complexe) problematiek of partners die werken met jongeren of jongvolwassenen die de overstap van Jeugdwet naar Wmo maken. Zij hebben in deze casuïstiek (mogelijk) te maken met zowel het CJG als het SWT en hebben vanuit die positie (mogelijk) ook een beeld van de wijze waarop de samenwerking tussen beiden verloopt. (Verdiepings)sessies met CJG-managers en sociaal wijkteamleiders Er hebben twee (verdiepings)sessies met de sociaal wijkteamleiders en CJG-managers plaatsgevonden. Deze gesprekken richtten zich op de ervaringen van deze leidinggevenden met de samenwerking tussen CJG en SWT en de sturing op deze samenwerking, maar ook op de ontwikkelingen die daarin hebben plaatsgevonden de afgelopen jaren. Gesprekken cliënten Ook is met cliënten gesproken. Deze gesprekken waren aan het eind van de evaluatie gepland, zodat de gesprekken benut konden worden om de bevindingen uit andere gesprekken te toetsen. Interviews andere gemeenten In de gemeenten Gouda, Leiden, Zaanstad, Amersfoort en Groningen zijn sleutelfiguren in de ambtelijke c.q.
de uitvoeringsorganisatie geïnterviewd over de keuzes die deze gemeenten hebben gemaakt over de inrichting van de samenwerking tussen jeugd- en volwassenenteams en de ervaringen die daarmee zijn opgedaan. Impactsessies Tijdens deze impactsessies is verkend op welke manier de samenwerking verder (door)ontwikkeld moet worden om vorm te kunnen geven aan een verstrekte samenwerking in de toekomst. Hierbij zijn verschillende organisatorische modellen gebruikt. Tijdens de impactsessies is gekeken welke vorm van samenwerken nodig is om het potentieel van de samenwerking te verzilveren.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
60
Bijlage 4: Geïnterviewden
CJG-coaches en SWT-leden Mevr. R. Alouani
Mevr. A. Koomen
Mevr. Y. Tillema
Dhr. E. Buijs
Dhr. T. Reedijk
Mevr. R. Veldman
Mevr. N. Gerritsma
Mevr. J. Schreurs
Mevr. D. Verhoeven
Dhr. H. Hebly
Mevr. K. Seltenrijch
Dhr. A. de Wilde
Mevr. P. de Jong
Mevr. B. Spree
Dhr. C. Zwaan
Mevr. P. Kessels
Mevr. I. Swakman
Samenwerkingspartners De heer I. Angishan
VeiligThuis
Mevr. E. Corbiere
Nicolaasschool (Zandvoort)
Mevr. N. Gaffari
Praktijkondersteuner Jeugd, Huisartsenpraktijk
De heer J. van Hienen
Streetcornerwork
Mevr. S. Minderhout
GGD Kennemerland
Mevr. L. Pijnacker
De Jeugd- en Gezinsbeschermers
Mevr. I. de Ruiter
SIG
De heer Y. Saïd
VluchtelingenWerk
Mevr. J. Thomas
VeiligThuis
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
61
Bijlage 5: cijfers
CJG-team
Sociaal
Inwoner-
Aantal
Percentage
Percentage
Uitstroom
Uitstroom
Wijkteams
aantal
huishoudens
inwoners
huishoudens cliënten CJG
cliënten
65+
bij 20%
2020
SWT 2020
Overlap
laagste inkomens Centrum ZW
Centrum,
49404
27100
17
19,24
208
348
3
58372
26530
16
16,39
285
300
48
Zuidwest Noord
Noord-Noord, Noord-Zuid
Oost
Oost 1, Oost 2
20285
10150
18
27,2
152
391
16
Schalkwijk
Schalkwijk 1,
34465
15865
19
27,36
278
573
32
17.116
8456
26
Geen cijfers
96
203
13
Schalkwijk 2, Schalkwijk 3 Zandvoort
Zandvoort
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
62
Gemeenten en uitvoeringsorganisaties Mevr. T. van Altena
Gemeente Amersfoort
Dhr. G. Kuin
Gemeente Groningen
Mevr. D. Meij
Gemeente Gouda
Mevr. E. Vink
Gemeente Gouda
Mevr. J. Miltenburg
Gemeente Leiden
Mevr. M. van der Vlugt
Gemeente Leiden
Mevr. K. Maas
Gemeente Zaanstad
De namen van cliënten zijn uit privacyoverwegingen niet opgenomen.
HG9o/rapport 3.0 (definitief)
63