CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Document 20210279017 2. Bijlage 1- Evaluatierapport AEF samenwerking SWT en CJG Inhoud document

commissie Samenleving 3 juni 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: AEF onderzoek samenwerking CJG- SWT20.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Evaluatie

Samenwerking Sociaal Wijkteams en het Centrum voor Jeugd en Gezin in Haarlem en Zandvoort

Datum 21 april 2021

Opdrachtgever Gemeenten Haarlem en Zandvoort

Contact Ineke Hoekstra, Pieterjan van Delden, Lisette Reuvers

Referentie HG90/rapport_3.0 (definitief)

Inhoud 1 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

De vraag ..................................................................................................................................... 5 Context en aanleiding .............................................................................................................. 5 Begeleiding van de evaluatie...................................................................................................6 Aanpak en methodologische verantwoording ......................................................................6 Leeswijzer .................................................................................................................................. 7

2 Samenvatting 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

30

Informatie en advies...............................................................................................................30 Preventie..................................................................................................................................30 Gezamenlijk profiel en netwerk in de wijk........................................................................... 31

7 Faciliteren van de samenwerking 7.1 7.2 7.3

22

Professionals weten elkaar te vinden................................................................................... 22 Teams betrekken elkaar in verschillende fasen.................................................................. 23 Diversiteit in werkwijzen........................................................................................................ 25 Casusoverleg ...........................................................................................................................26 Het plan en de regie(ondersteuning)....................................................................................26 Van de Jeugdwet naar de WMO.............................................................................................28

6 Niet-casusgebonden samenwerking 6.1 6.2 6.3

17

Wettelijke kaders .................................................................................................................... 17 Gemeentelijk beleid................................................................................................................ 18 De (samenwerkings)opdracht............................................................................................... 19 Organisatie en financiering....................................................................................................20

5 Casusgebonden samenwerking 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

14

De SWT’s, het CJG en de transformatie................................................................................ 14 Doelgroep ................................................................................................................................ 14 Wanneer is samenwerken nodig? ......................................................................................... 15

4 Wettelijke, beleidsmatige en organisatorische kaders 4.1 4.2 4.3 4.4

8

Bevindingen...............................................................................................................................8 Verbeterpunten.........................................................................................................................9 Organisatorische vorm van de samenwerking .....................................................................11 Perspectief op de samenwerking...........................................................................................11 Aanbevelingen ........................................................................................................................ 12

3 De transformatie en de doelgroep van het CJG en de SWT’s 3.1 3.2 3.3

5

33

Kennis van elkaars kennis en kunde..................................................................................... 33 Huisvesting .............................................................................................................................. 33 Sturing op de samenwerking.................................................................................................34

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

3

8 Bevindingen en verbeterpunten 8.1 8.2

Bevindingen............................................................................................................................. 35 Mogelijke verbeterpunten .....................................................................................................36

9 Ervaringen in andere steden en reflectie op ontwikkelingsperspectieven 9.1 9.2

39

Keuzes en ervaringen in andere steden ...............................................................................39 Kijken vanuit verschillende perspectieven .......................................................................... 41

10 Scenario’s op basis van de verbeteragenda 10.1 10.2 10.3 10.4

35

43

Verschillende mogelijke samenwerkingsvormen ...............................................................43 Samenwerkingsvormen en de verbeteragenda ................................................................. 44 Financiële effecten ................................................................................................................ 46 Andere afwegingen die relevant zijn ....................................................................................47

11Twee varianten voor de toekomst

51

Bijlage 1: Onderzoeksvragen

54

Bijlage 2: Stuurgroep

56

Bijlage 3: Evaluatiekader

57

Bijlage 4: Onderzoeksmethodieken

59

Bijlage 4: Geïnterviewden

61

Bijlage 5: cijfers

62

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

4

1 Inleiding

1.1 De vraag Op 17 september 2020 stemde de Haarlemse gemeenteraad in met een motie waarin het college is verzocht ‘te onderzoeken of de Sociaal Wijkteams en het CJG geïntegreerd kunnen worden’1. De gemeenten Haarlem en Zandvoort hebben AEF gevraagd ten behoeve hiervan een evaluatie naar de samenwerking tussen het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en de Sociaal Wijkteams (SWT’s) uit te voeren. De gemeenten Haarlem en Zandvoort hebben ons gevraagd in het bijzonder te kijken naar de samenwerking van het CJG en de SWT’s rondom huishoudens met meervoudige (complexe) problematiek en rondom de overgang van Jeugdwet naar Wmo bij jongvolwassenen. Daarnaast heeft u ons gevraagd scenario’s te maken voor de toekomstige vormgeving van de (organisatorische) samenwerking tussen CJG en SWT’s. Wij hebben gezamenlijk de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1 Evalueer de huidige samenwerking tussen CJG en SWT en kijk daarbij naar: - De opdracht en de doelgroep - De organisatie en de samenwerkingspartners - De samenwerking in de praktijk - Het beeld dat samenwerkingspartners hebben van de samenwerking tussen CJG en SWT.

2 Adviseer over de toekomstige vormgeving van integrale ondersteuning en zorg en kijk naar: - De vlakken waarop intensievere samenwerking meerwaarde oplevert en op welke vlakken eventueel nadelige effecten - Op welke wijze integrale ondersteuning en zorg verder versterkt kan worden en welke organisatievormen hiervoor denkbaar zijn. Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksvragen, zie bijlage 1.

1.2 Context en aanleiding Context en korte historie Het CJG en de SWT’s zijn in verschillende perioden ontstaan. De ontwikkeling van het CJG in Haarlem is gestart in 2006, aanvankelijk als netwerkorganisatie waarin door professionals uit verschillende organisatie geparticipeerd werd. In aanloop naar de decentralisatie van de jeugdzorg heeft het CJG zich doorontwikkeld en zich voorbereid op de nieuwe rol en taken die 1 Motie van lid Cimen (D66), lid Klazes (GroenLinks)

2020.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

en lid El Aichi (CDA), d.d. 17 september

5

het CJG kreeg met het van kracht worden van de Jeugdwet 2015. De verantwoordelijkheid voor de toegang (voorheen: indicatiestelling) tot niet-vrij toegankelijke jeugdhulp werd bij gemeenten belegd. De gemeenten Haarlem en Zandvoort hebben deze taak bij het CJG Kennemerland belegd. Medewerkers van Bureau Jeugdzorg, dat deze taak eerder had, zijn per 2015 overgenomen en in dienst gekomen bij het CJG Kennemerland, dat in 2015 is opgericht. De SWT’s zijn in 2013 gestart met de eerste pilots in een aantal wijken in Haarlem. De SWT’s zijn, ook nu nog steeds, een netwerkorganisatie. Dit betekent dat de professionals in de SWT’s afkomstig zijn van verschillende organisaties en deelnemen in de teams. Het CJG is in de pilotperiode van de SWT’s één van de netwerkpartners in het SWT geweest. Deze situatie is niet bestendigd toen er, na de eerste pilots van SWT’s in Haarlem een stedelijk dekkend netwerk van SWT’s kwam. In 2017 is er ook in de gemeente Zandvoort een SWT ingericht.

1.3 Begeleiding van de evaluatie De begeleiding van de evaluatie is belegd bij de stuurgroep CJG-SWT (zie bijlage 2). Deze stuurgroep is in 2018 gestart in het kader van het project Samenwerking CJG-SWT. De stuurgroep is voor de begeleiding van deze evaluatie aangevuld met de directeur Maatschappelijke Ontwikkeling. De stuurgroep heeft op de volgende momenten een rol gespeeld: - Vaststellen van de aanpak en het evaluatiekader - Bespreken van het concept-rapport en het vaststellen van definitieve rapport. Gedurende de uitvoering van het onderzoek is contact onderhouden met de beleidsadviseurs Jeugd en Wmo, een CJG-manager en de projectleider SWT’s. Zij hebben een rol vervuld in: - Het toetsen van- en reflecteren op de (tussen)resultaten van het onderzoek - De weging van mogelijke organisatievormen.

1.4 Aanpak en methodologische verantwoording 1.4.1 Evaluatiekader Ten behoeve van de uitvoering van de evaluatie heeft AEF de onderzoeksvragen vertaald naar een evaluatiekader (zie bijlage 3). Het evaluatiekader bestaat uit drie delen. In het eerste deel van het evaluatiekader staat de opdracht centraal. Aan de hand hiervan is gekeken welke opdracht er ligt voor de SWT’s en het CJG, welke wettelijke en beleidsmatige kaders van toepassing zijn en hoe het opdrachtgeverschap en de financiering zijn ingericht. Deze zaken zorgen in belangrijke mate voor de context van waaruit de SWT’s en het CJG invulling geven aan hun taken en hun samenwerkingsopdracht. In het middenstuk van het evaluatiekader staat de samenwerking van het CJG en de SWT’s rondom individuele casuïstiek en ook in bredere zin (niet- casusgebonden) centraal. In het laatste deel van het evaluatiekader staat ‘het kijken naar de toekomst’ centraal. Op welke punten is sterkere samenwerking wenselijk en welke impact heeft het als de samenwerking op een andere manier wordt vormgegeven?

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

6

Dit evaluatiekader is vastgesteld in de stuurgroep. Het evaluatiekader vormde de basis onder de uitwerking van de verschillende werkvormen.

1.4.2 Methodieken Er zijn in het kader van deze evaluatie verschillende methoden ingezet. Deze methoden vulden elkaar aan. Het gaat om documentstudie, evaluatiegespreken met professionals, interviews met samenwerkingspartners, gesprekken met cliënten en impactsessies. Door de opeenvolging van de verschillende gesprekken was het mogelijk de opbrengsten uit eerdere gesprekken te toetsen in de gesprekken daarna en bovendien te verdiepen. Alle gesprekken waren semigestructureerd. Op basis van het evaluatiekader is voorafgaand van alle gesprekken bepaald welke thema’s in welke gesprekken aan de orde zouden moeten komen. Alle gesprekspartners hebben hierover ter voorbereiding ook een mail ontvangen. Zie bijlage 4 voor een overzicht van de gebruikte methodieken. Een overzicht van geïnterviewde personen is opgenomen als bijlage 5.

1.5 Leeswijzer Dit rapport is als volgt opgebouwd. Het rapport begint met een samenvatting in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 gaat in op de transformatie en de doelgroep. Hoofdstuk 4 op de context waarbinnen het CJG en het SWT invulling geven aan de samenwerkingsopdracht die zij hebben. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 komen de bevindingen uit de evaluatie aan de orde. Hoofdstuk 8 vat de belangrijkste conclusies samen en noemt de verbeterpunten voor de verdere ontwikkeling van de samenwerking (op inhoud). Hoofdstuk 9 geeft een weergave van ervaringen in andere steden en reikt een aantal perspectieven aan aan de hand waarvan deze samenwerking vorm kan krijgen. Op basis daarvan schetsen we in hoofdstuk 10 een aantal mogelijke organisatievormen waarin de samenwerking verder vorm kan krijgen en worden, tot slot, in hoofdstuk 11 twee mogelijke varianten voor de organisatorische vormgeving van de samenwerking gepresenteerd. Als bijlagen zijn opgenomen: de onderzoeksvragen, de samenstelling van de stuurgroep, het evaluatiekader en een overzicht van geïnterviewden.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

7

2 Samenvatting

In dit samenvattende hoofdstuk worden de bevindingen en de verbeterpunten gepresenteerd. De bevindingen zijn gebaseerd op de inhoudelijke evaluatie van de samenwerking die in hoofstukken 5 tot en met 7 van dit rapport aan de orde komen. Daarnaast gaan we in op hoe de samenwerking tussen CJG en SWT op organisatorisch niveau moet worden gericht om de verbeterpunten op te pakken. Het advies hierover is gebaseerd op gesprekken met andere steden. Uit deze gesprekken zijn perspectieven afgeleid die behulpzaam zijn bij de afweging over de organisatorische vormgeving van de samenwerking.

2.1 Bevindingen AEF komt tot onderstaande samenvattende bevindingen over de samenwerking tussen het CJG en de SWT’s. De bevindingen hebben dus geen betrekking op de brede taakuitvoering of het totale takenpakket van CJG en de SWT’s. Het CJG en de SWT’s werken ieder vanuit eigen wettelijke kaders en een eigen opdracht (en het daarbij behorende mandaat). Zij bedienen verschillende doelgroepen, die voor een beperkt deel overlappen. Het CJG en het SWT vinden elkaar in casuïstiek waarin dat noodzakelijk is Professionals van de SWT’s en de CJG-teams vinden elkaar bij gebleken noodzaak, namelijk als er sprake is van complexe, meervoudige problematiek waarin samenwerking noodzakelijk is. Zij betrekken elkaar direct vanaf het begin als al gelijk duidelijk is (of wordt) dat er een brede ondersteuningsbehoefte is, of in de loop van het traject, omdat later blijkt dat er ook op andere vlakken problemen zijn. Er zit potentie in samenwerking in casuïstiek met meervoudige problematiek: instrumenten die professionals gebruiken ondersteunen de samenwerking nu onvoldoende Rondom casuïstiek waarin meervoudige problematiek speelt (of gaat spelen) kan de samenwerking verstevigd worden: daar zit onbenut potentieel. Het gaat het om casuïstiek waarbij één van de teams betrokken is en mogelijk ook het andere team kan bijdragen vanuit haar expertise.

Deze samenwerking wordt nu onvoldoende ondersteund door het instrumentarium dat professionals gebruiken. Dit instrumentarium betreft in elk geval de intake, de verwijsindex en de casusoverleggen. Teams weten onvoldoende van elkaar hoe de intake eruit ziet en de intakes bevatten geen signalen voor het inschakelen van elkaar. De verwijsindex wordt nu door de SWT’s nog onvoldoende benut om de samenwerking in meervoudige problematiek te ondersteunen. Datzelfde geldt voor de casusoverleggen of casusbesprekingen, die nog niet in alle wijken structureel vorm hebben gekregen en in diverse vormen plaatsvinden. Hierdoor is de

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

8

samenwerking tussen de teams teveel afhankelijk van individuele professionals en de samenwerkingsrelatie die zij onderling hebben. Ook de gezamenlijke afweging over het beleggen van (regie)ondersteuning is nog onvoldoende geborgd. De SWT’s worden onderbenut in de overgang van 23- naar 23+ In de overgang van Jeugdwet naar Wmo draagt het CJG zorg voor continuïteit van (de benodigde) zorg of ondersteuning. Hiervoor schakelt het CJG primair met de Wmoconsulenten van de afdeling Maatschappelijke ondersteuning van de gemeente. De toegevoegde waarde van het collectief aanbod in de wijk en de lichte ondersteuning die door de SWT’s kan worden geboden, wordt nog onvoldoende benut. Niet-casusgebonden samenwerking krijgt niet structureel vorm Het CJG en de SWT’s werken voornamelijk samen rondom casuïstiek. Aan preventieve en outreachende activiteiten geven het CJG en SWT vooral vorm vanuit hun eigen opdracht. Zij zijn niet voldoende op de hoogte van elkaars preventieve en collectieve activiteiten. Wel zijn er voorbeelden van niet-casusgebonden samenwerking in wijken of projecten, maar dit is niet structureel. Vooral voor statushouders en voor kwetsbare jongeren die binnenkort volwassen worden, kan gezamenlijk outreachend werken en gezamenlijk preventief aanbod van toegevoegde waarde zijn.

Sturing op de samenwerking kan verstevigd De overlap in doelgroep tussen het CJG en de SWT’s is beperkt. Dit betekent dat het extra aandacht vergt om de samenwerking te realiseren in gevallen waarin dat van toegevoegde waarde is. De sturing hierop kan steviger. Er liggen samenwerkingsafspraken die worden gedeeld met de teams, maar het vraagt meer operationele sturing en ‘vinger aan de pols’ om ervoor te zorgen dat de samenwerkingsafspraken ‘landen’ in de praktijk, breed gekend worden door de teams en zich vertalen in goede samenwerking.

2.2 Verbeterpunten Op basis van de bevindingen zijn de volgende verbeterpunten geformuleerd. Die staan los van de organisatorische vorm waarin deze verbeteringen worden doorgevoerd. De ontwikkelpunten hebben betrekking op de samenwerking tussen het CJG en de SWT’s en niet over de brede taakuitvoering of het totale takenpakket van CJG en de SWT’s. De punten 1 t/m 5 gaan over de casusgebonden samenwerking. De punten 6 t/m 8 gaan over de nietcasusgebonden samenwerking. Met niet-casusgebonden samenwerking wordt de samenwerking tussen CJG en SWT bedoeld op vlakken waarin het niet gaat om individuele casuïstiek (zoals preventief werken). Stem de intakes van het CJG en SWT nader op elkaar af, waarbij het bevorderli jk is voor de samenwerking als: - Is afgestemd op welke wijze bepaalde problematiek in de intake wordt uitgevraagd en professionals dat van elkaar weten - De intake signalen bevat die professionals ondersteunen in hun afweging een CJG-coach of SWT-medewerker te betrekken. Zorg voor consequent gebruik van de verwijsindex door de SWT’s, conform eerder gemaakte afspraken, zodat: - Bij CJG-coaches bekend raakt als een SWT-medewerker al betrokken is (of betrokken raakt) en/of bij SWT-medewerkers inzichtelijk is als een CJG-coach al bij het gezin betrokken is, zodat de samenwerking hierdoor ondersteund wordt.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

9

Kijk hoe de warme overdracht van jongvolwassenen van het Stedelijk Team naar het SWT versterkt kan worden, zodat: - In aanvulling op zorgcontinuïteit in maatwerkvoorzieningen ook de inzet van het collectief aanbod in de wijk of lichte ondersteuning door het SWT wordt afgewogen. Versterk de samenwerking in meervoudige problematiek door professionals, door op team- en organisatieniveau heldere afspraken te maken over hoe: - Consultatie- en advies onderling vormgegeven wordt (wanneer kunnen de teams elkaar betrekken, welke ruimte is er om een beroep op elkaar te doen) - Op casusniveau afspraken worden gemaakt over de taakverdeling en deze afspraken ook worden vastgelegd - CJG-coaches en SWT-medewerkers elkaar inschakelen als de ondersteuningsbehoefte verandert. Verhelder de afspraken over hoe het CJG en het SWT gezamenlijk afwegen en vastleggen wie de regie(ondersteuning) doet als: - CJG-coaches en SWT-medewerkers vanaf het begin gezamenlijk betrokken zijn bij een casus - Een CJG-coach of SWT-medewerker later aanhaakt in een casus. Versterk de samenwerking in outreachende en preventieve activiteiten die gericht zijn op de doelgroepen waarvoor samenwerking nodig is en in ieder geval: - Kwetsbare jongeren of jongeren uit kwetsbare gezinnen die volwassen worden - Statushouders - Gezinnen die te maken hebben met armoede.

Kijk hoe gezamenlijke netwerkontwikkeling in de wijk vorm kan worden gegeven: - Kijk naar harmonisatie in de samenwerkingsafspraken met o.a. huisartsen en wijkagenten, zodat het CJG en de SWT’s in deze samenwerking een herkenbare samenwerkingspartner zijn - Kijk naar informele vormen om als CJG en SWT gezamenlijk zichtbaar te worden bij partners in de wijk, bijvoorbeeld door themabijeenkomsten. Verken de mogelijkheden voor meer (structurele) gezamenlijke scholing en professionalisering, zodat: - Er een gezamenlijk referentiekader wordt opgebouwd - Bredere netwerken van professionals ontstaan.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

10

2.3 Organisatorische vorm van de samenwerking De genoemde verbeterpunten kunnen in verschillende organisatorische (samenwerkings)vormen worden opgepakt. Deze vormen variëren van een apart CJG-team en SWT tot aan een volledig geïntegreerd 0-100 team. Naast de vormen die hieronder zijn opgenomen, zijn ook nog weer tussenvormen denkbaar.

De huidige vormgeving van de samenwerking houdt het midden tussen ‘aparte teams’ en ‘aparte teams met vaste liaisons’. In de huidige situatie zijn er voor sommige thema’s vaste contactpersonen (‘liaisons’). De verbeterpunten die in de vorige paragraaf zijn genoemd, kunnen in de ene organisatorische constructie beter worden gerealiseerd dan in de andere. Over het algemeen geldt dat voor het kunnen realiseren van de gewenste verbeteringen in ieder geval met vaste liaisons gewerkt moet gaan worden (of in sommige gevallen met het plaatsen van professionals in de teams over en weer). Voor de niet-casusgebonden samenwerking geldt dat het in één team vormgeven aan activiteiten het meest voor de hand ligt. Welke organisatorische vorm het beste past naar de toekomst toe, hangt af van het perspectief dat de gemeente Haarlem en Zandvoort leidend laten zijn in hun keuze. Deze keuze is breder dan het kunnen realiseren van een betere samenwerking tussen CJG en SWT.

2.4 Perspectief op de samenwerking Intensievere samenwerking heeft (in ieder geval) tot doel integrale hulp en ondersteuning te kunnen realiseren van huishoudens die te maken hebben met meervoudige en/of complexe problematiek. De vraag is hoe deze meerwaarde het beste kan worden gerealiseerd. Hierin hanteren gemeenten2 verschillende perspectieven. - Het pragmatisch perspectief. Gemeenten die dit perspectief gebruiken, kijken naar de actuele praktische knelpunten en opgaven. Zij gaan daarmee vanuit de bestaande situatie en praktijk mee aan de slag. Het accent ligt op de optimalisatie van samenwerking rondom casuïstiek. Betere samenwerking kan vanuit dit perspectief worden bereikt binnen de bestaande organisatiestructuren. - Het preventieperspectief. Preventie zit in de kern van de Jeugdwet en de Wmo, maar is niet vanzelf verankerd in de samenwerking tussen jeugd- en volwassenteams. Gemeenten die (onder andere) op deze manier kijken, kijken hoe zij de (integrale) ondersteuning en hulp kunnen combineren in gezamenlijke preventieve activiteiten. Het gaat hier om het 2

Gemeenten waarmee gesproken is in het kader van dit onderzoek.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

11

neerzetten van een brede samenwerkingsopdracht, die ondersteund wordt vanuit integraliteit in opdrachtgeverschap, financiering en sturing. - Het structuurperspectief. Gemeenten die dit perspectief gebruiken, kijken naar samenwerking vanuit de werkstroom en de werkprocessen: het clusteren van bepaalde activiteiten en het samenbrengen van professionals of teams voor het uitvoeren daarvan. Het gaat in de kern het om het faciliteren van samenwerking, bijvoorbeeld door een verwijsindex, informatiedeling en dossierbeheer. - Het perspectief van professionalisering. Gemeenten die op deze manier kijken, zien gezamenlijke professionalisering als ‘drager’ van de samenwerking. Professionals die elkaar kennen, leren elkaars taal spreken en krijgen een steeds beter beeld van elkaar en elkaars expertise. Vernieuwing, en dus ook samenwerking, wordt aangejaagd door professionals, ‘van onderop’. - Het perspectief van verandering. Deze gemeenten zien de intensivering van de samenwerking als een verandering die bestaande patronen doorbreekt. Dit daagt uit tot het creëren van nieuwe verhoudingen, teams, werkwijzen, taken en functies. Deze verandering brengt vernieuwing, maar ook het risico op discontinuïteit of veranderen zonder helder perspectief.

2.5 Aanbevelingen Op basis van de verbeterpunten waarop de samenwerking inhoudelijk moet worden doorontwikkeld, de verschillende perspectieven die voor deze doorontwikkeling gekozen kunnen worden en de verschillende organisatorische vormen waarin de samenwerking doorontwikkeld kan worden komt AEF tot twee (hoofd)varianten voor de toekomst. Welke variant het meest passend is, is in de eerste plaats afhankelijk van de politieke en beleidsmatige keuze die Haarlem en Zandvoort hierin maken. Variant 1 Doorontwikkeling van de samenwerking wordt vormgeven vanuit de huidige organisatorische situatie. De versterking van de samenwerking rondom de casuïstiek wordt georganiseerd vanuit de CJG-teams en de SWT’s waarin tenminste de positie van liaisons versterkt wordt of gekozen wordt voor plaatsing over en weer. Deze variant is goed te verdedigen als de samenwerkingsopdracht van het CJG en de SWT’s de huidige scope behoudt. De geconstateerde verbeterpunten zijn, mede gegeven de samenwerkingsopdracht die het CJG en de SWT’s nu hebben, niet van dusdanige aard dat een (gedeeltelijke) organisatorische integratie is vereist. Deze variant vraagt om vervulling van de volgende randvoorwaarden: - Een gelijkluidende opdracht aan beide organisaties ten aanzien van de samenwerking en de daarin gewenste verbeteringen.

- Een uitgebreider aanwijzen van liaisons of het wederzijds plaatsen van professionals in elkaars teams. - Inzetten op een gezamenlijke professionalisering. - Gezamenlijke sturing op de samenwerking en de samenwerkingsopdracht. - Blijven werken aan gezamenlijke huisvestingsvormen. Variant 2 Doorontwikkeling van de samenwerking vormgeven in een situatie waarin gekozen wordt voor (gedeeltelijke) organisatorische integratie. Dit kan aan de orde zijn als de samenwerkingsopdracht wordt uitgebreid met een sterke niet-casusgebonden

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

12

samenwerking: het gezamenlijk vorm geven aan outreachend en preventief werken. De keuze voor deze variant veronderstelt dat niet alleen op het niveau van de opdracht, maar ook ten aanzien van randvoorwaarden (zoals financiering en aansturing) wordt gekozen voor de inzet op gezamenlijke preventie. Dit vraagt tevens om een nieuwe oriëntatie op de balans tussen het casusgericht werken en de preventieve, niet-casusgebonden activiteiten. Deze variant vraagt (in aanvulling op de randvoorwaarden die onder variant 1 genoemd zijn) om: - Een gelijkluidende opdracht aan beide organisaties om een gezamenlijk preventieprogramma te realiseren. - Instelling van een gezamenlijk team onder een gezamenlijke (of: één) aansturing gericht op gezamenlijk outreachend werken, groepsgerichte preventieve activiteiten. - Inzetten op een gezamenlijke professionalisering. - Bepalen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de leidinggevenden van de SWT’s en CJG voor het gezamenlijke team en het preventieprogramma. Conclusie Vanuit de bestaande samenwerkingsopdracht van CJG en SWT, die zich richt op de casusgebonden samenwerking, is organisatorische integratie geen voorwaarde om de samenwerking op de gewenste manier te intensiveren. In het beleid, door nieuwe politieke keuzes en ook vanuit de praktijk kan in de toekomst wel aanleiding ontstaan tot (gedeeltelijke) organisatorische integratie ontstaan.

Bijvoorbeeld als de wens is de samenwerkingsopdracht aan het CJG en de SWT’s uit te breiden met niet-casusgebonden samenwerking. Deze keuze vraagt om een hernieuwde, brede afweging, waarbij naar meer elementen gekeken moet worden dan de inhoudelijke opdracht aan het CJG en de SWT’s.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

13

3 De transformatie en de doelgroep van het CJG en de SWT’s

3.1 De SWT’s, het CJG en de transformatie Het CJG en de SWT’s werken ‘in de wijk’ en geven vanuit een aantal gedeelde uitgangspunten vorm aan hun werk. Deze uitgangspunten sluiten aan bij de transformatie die de gemeenten Haarlem en Zandvoort in het sociaal domein vormgeven: - Het bieden van ondersteuning, hulp en zorg dicht bij de burgers, waar het kan in de wijk. - Ondersteuning, hulp en zorg is licht waar het kan en zwaar waar nodig. Het gaat om het tijdig bieden van passende zorg om escalatie en een later beroep op kostbare hulp zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is oog voor een doelmatige inzet. - Domeinoverstijgend en domeinverbindend werken, zodat een integrale aanpak mogelijk wordt. Dit gebeurt volgens de principes van één gezin, één (gedragen) plan, één regisseur. - Werken vanuit de eigen kracht van jeugdigen, volwassenen, gezinnen, huishoudens én hun netwerk (al dan niet in de buurt). - Verbinden met partners in de wijk en het realiseren van verbindingen tussen partners in de wijk en de stad. Naast deze ‘richtingaanwijzers’ voor de manier van werken, wordt de wijze waarop de samenwerking tussen CJG en SWT vorm krijgt ook bepaald door eigen kaders.

Het gaat om de wettelijke en beleidsmatige kaders waarbinnen beide organisaties hun werk doen, als ook om de wijze waarop beide organisaties zijn gepositioneerd, de juridische vorm die daarvoor is gekozen, de wijze van financiering en de governance (zie hoofdstuk 4). Deze kaders bepalen de context en de ruimte die er is om de samenwerking vorm te geven en tegelijkertijd leiden zij soms tot dilemma’s in de samenwerking. Eerst staan we stil bij de doelgroep(en) van het CJG en SWT: de jeugdigen en gezinnen waarvoor het CJG werkt en de kwetsbare bewoners en gezinnen waar het SWT zich op richt.

3.2 Doelgroep Doelgroep en overlap Het CJG en het SWT hebben verschillende doelgroepen, die deels overlapt. Het CJG richt zich op jeugdigen en gezinnen met ondersteuningsvragen op het vlak van opgroeien en opvoeden. Het gaat daarbij om jeugdigen tot (maximaal) hun 23e jaar. In 2020 bereikte het CJG 1672 cliënten in Haarlem en 181 cliënten in Zandvoort. Het SWT richt zich op kwetsbare bewoners in de wijk: volwassenen en ouderen, alleenstaanden, huishoudens zonder kinderen, maar ook gezinnen met kinderen. Het gaat om

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

14

bewoners met vragen over o.a. schulden, medische of psychische problematiek, werk en inkomen en maatschappelijke ondersteuning. In 2020 boden de SWT's ondersteuning in 2298 trajecten in Haarlem en 333 in Zandvoort. De doelgroep van het CJG en SWT overlapt voor een deel. Het gaat om gezinnen met meervoudige en/of complexe casuïstiek en om jongvolwassenen tussen 1823 jaar die door het CJG ondersteund werden in het kader van de Jeugdwet en vanwege hun leeftijd worden overgedragen aan het SWT. Deze samenloopzaken worden niet apart geregistreerd. Op basis van een analyse die door het CJG en SWT is uitgevoerd over 2019, zijn circa 100 samenloopzaken geconstateerd: gezinnen waarin zowel het CJG als het SWT ondersteuning hebben geboden. Dat is in circa 10% van de casuïstiek van het CJG en ruim 5% van de casuïstiek van het SWT. Eind 2020 begon het CJG met het registreren van de samenwerkingspartners die van belang zijn in een casus. Het SWT is één van deze partners. Op basis van een multiplicatie van deze cijfers, zou er op basis van deze registratie voor 2020 sprake zijn geweest van een ongeveer even groot aantal samenloopzaken (circa 110) als in 2019. Deze cijfers hebben overigens betrekking op gezinnen met meervoudige en/of complexe problematiek. Het aantal jongeren dat is overgedragen van het CJG aan de SWT’s, vanwege de overgang van Jeugdwet naar Wmo, wordt niet geregistreerd.

Dat geldt ook voor zaken waarover professionals elkaar consulteren, maar waarin nog geen sprake is van een formele casus. Dit betekent dat het aantal zaken waarin het SWT en CJG samenwerken of elkaar betrekt in de praktijk hoger ligt dan de genoemde aantallen. Hiermee wijkt Haarlem niet sterk af van vergelijkbare gemeenten die eveneens werken met aparte teams voor jeugd en Wmo 3. Het aantal zaken waarbij zowel het SWT en het CJG betrokken zijn verschilt per wijk. Die varieert voor zowel het CJG als het SWT van marginaal tot ruim 15% van het totaal aantal casussen in deze wijk. Het is niet gemakkelijk tot een harde onderbouwing van deze verschillen te komen, maar er zijn wel factoren te noemen die hierin een rol spelen. Om te beginnen is geen evenredige spreiding van de samenloopzaken te verwachten: de bevolkingsopbouw verschilt per wijk. Zo wonen in Centrum Zuidwest relatief veel oudere bewoners en zijn er relatief weinig gezinnen. Daarnaast zijn er tussen de wijken ook (forse) verschillen in inkomen. In wijken waar een relatief groot deel van de bewoners een laag inkomen heeft, zijn meer samenloopzaken te verwachten. Daarnaast kan een verschil in het aantal samenloopzaken ook iets zeggen over het functioneren van de samenwerking tussen het CJG-team en het SWT. Een cijfermatig overzicht per wijk is te vinden in bijlage 5.

3.3 Wanneer is samenwerken nodig? Bij de aantallen cliënten en bewoners die ondersteund worden, is het van belang een onderscheid te maken tussen enkelvoudige, meervoudige en complexe problematiek. Hierbij gaat het om de aard van de problematiek, niet zozeer om het aantal betrokken hulpverleners.

3

Zie ook www.mijngemeent e.n l.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

15

Zo kan het best zijn dat bij een cliënt met enkelvoudige problematiek twee of drie hulpverleners zijn betrokken. - Enkelvoudig: de cliënt of de bewoner heeft een ondersteuningsbehoefte op één levensdomein. - Meervoudig. De cliënt(en) of bewoner(s) heeft een ondersteuningsbehoefte op meerdere levensdomeinen en het verloop van de problematiek is relatief voorspelbaar. - Complex. De cliënt(en) of de bewoner(s) hebben een ondersteuningsbehoefte op meerdere levensdomeinen en het verloop van de problematiek is onvoorspelbaar. Hiermee wordt bedoeld dat de problematiek een grillig verloop kan hebben en in aansluiting daarop ook de ondersteunings- en zorgbehoefte (plots) kan veranderen. De ervaring van het CJG en de SWT’s is dat zij overwegend te maken hebben met meervoudige en complexe vragen. Meervoudige vragen die door de SWT’s worden opgepakt, hebben vaak alleen betrekking op volwassenen. Denk aan een combinatie van ondersteuningsbehoeften op het gebied van inkomen en geestelijke problematiek. In deze casuïstiek is een samenwerking met het CJG niet nodig. Datzelfde kan spelen bij jeugdigen die jeugdhulp nodig hebben. Deze vragen worden opgepakt door óf het CJG óf het SWT. Als meervoudige problematiek zowel de volwassenen als de kinderen in een huishouden raakt, is ondersteuning door zowel het SWT en het CJG nodig.

Als sprake is van een voorspelbare ondersteuningsbehoefte, kan worden volstaan met het elkaar op specifieke momenten betrekken, bijvoorbeeld bij het in beeld brengen van de ondersteuningsbehoefte, en kan op basis van het plan dat wordt gemaakt de ondersteuning in gang worden gezet. Professionals moeten elkaar weer opzoeken als daar aanleiding toe is, bijvoorbeeld omdat de ondersteuningsbehoefte verandert. Wanneer sprake is van meervoudige en ook complexe problematiek, is het van belang dat professionals nauw samenwerken. Vaak zijn in deze situatie ook specialistische zorgaanbieders betrokken. Het verloop van de problematiek is in deze casuïstiek onvoorspelbaar. Dat betekent dat de ondersteuningsbehoefte zomaar kan veranderen en soms (snelle) intensivering van ondersteuning nodig is. Dit kan alleen geboden worden als professionals ‘dichtbij’ zijn en onderling nauw samenwerken, zodat er korte lijnen zijn. De groep waarbij deze complexe problematiek speelt, is relatief klein (zie ook paragraaf 3.2) en is een daarmee een beperkt deel van de caseload van de SWT’s en de CJG-teams.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

16

4 Wettelijke, beleidsmatige en organisatorische kaders

4.1 Wettelijke kaders Het CJG voert haar taken uit binnen het kader van de Jeugdwet. De SWT’s voeren taken uit in het kader van de Wet maatschappelijke ontwikkeling (Wmo) en, voor een klein deel van haar taken, de Participatiewet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Zij werken met een doelgroep die vaak ook nog te maken heeft met andere wettelijke kaders, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Beide teams hebben in de uitvoering van hun taken te maken met de AVG die kaders meegeeft ten aanzien van o.a. het (onderling) delen van informatie over individuele bewoners. In de wettelijke kaders waarmee het CJG en de SWT’s te maken hebben is een aantal zaken geregeld die van invloed zijn op de uitvoering van de opdracht, het borgen van de kwaliteit en de context waarin professionals hun werk doen. Professionaliteit Professionals die bepaalde taken onder de Jeugdwet uitvoeren moeten ingeschreven staan in een beroepsregister, namelijk het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of het Beroepsregister individuele beroepen in de gezondheidszorg (BIG). De CJG-coaches uit de CJG-teams zijn geregistreerd in één van deze twee registers. Met de inschrijving in dit register geven professionals aan dat zij zich in hun handelen conformeren aan de professionele standaarden die gelden voor hun beroep.

Het gaat om vakinhoudelijke standaarden (‘Richtlijnen’) en beroepsethische standaarden (‘Beroepscode’). Zo is er ook een richtlijn Gezinnen met meervoudige en complexe problematiek, evenals een richtlijn Kindermishandeling4. Bovendien zijn zij, zoals dat heet, onderworpen aan tuchtrecht. Dit betekent dat zij in voorkomende gevallen uiteindelijk verantwoording moeten afleggen aan de tuchtrechter over hun professioneel handelen. Natuurlijk wordt ook medewerkers van SWT’s verwacht dat zij goede kwaliteit van zorg, ondersteuning of dienstverlening bieden, maar zij zijn niet gebonden aan wettelijke kaders op dit punt. Wel is een deel van de professionals (via hun moederorganisatie) openomen in een beroepsregister. Toezicht op kwaliteit

4

Zie ook: https://richtlijnenjeugdhu lp.nl. Hier zijn nog meer richtlijnen te vinden.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

17

Ook in de wijze waarop het toezicht op de uitvoering van de verschillende wetten is georganiseerd, zijn verschillen zichtbaar. Het toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp die in het kader van de Jeugdwet wordt geboden, is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Ook taken die door de CJG-teams worden uitgevoerd vallen onder het toezicht van de IGJ. De IGJ gebruikt het Toetsingskader wijkteams5 als basis om de kwaliteit en veiligheid te beoordelen. In het kader van de Wmo is geregeld dat de gemeente toezicht houdt op de kwaliteit van Wmo-maatwerkvoorzieningen en de wettelijke en gemeentelijke eisen die daaraan gesteld worden. Anders dan in de Jeugdwet is hiermee de landelijke toezichtstaak van de IGJ gedecentraliseerd naar gemeenten. Het toezicht heeft geen betrekking op de taken die door de gemeente zelf worden uitgevoerd. De Wmo schrijft voor dat het college van B & W een onafhankelijk toezichthouder aanstelt. De gemeente Haarlem heeft de directeur van de GGD Kennemerland aangewezen als toezichthouder.

4.2 Gemeentelijk beleid In aanvulling op de wettelijke kaders hebben de gemeenten Haarlem en Zandvoort beleid vastgesteld dat kaderstellend en/of richtinggevend werkt. Positionering Het CJG en SWT werken in de wijk. Zij werken samen met partners in de wijk, hebben een (meer of minder directe) rol in de toegang en vormen de verbinding met specialistische- of maatwerkaanbieders. De gemeente heeft ervoor gekozen de SWT’s nadrukkelijk aan de ‘voorkant’ te positioneren: nabij de burger, zichtbaar in de wijk, met een belangrijk accent op welzijn en intensief samenwerkend met partners in de sociale basis, zoals bewoners-initiatieven, vrijwilligersorganisaties, huisartsen, wijkagenten en woningbouwcorporaties, zodat kwetsbare bewoners worden bereikt en ‘gevonden’. De SWT’s zijn zichtbaar in de wijk, op plekken waar de potentiële doelgroep zich bevindt. Dat kan zijn in buurthuizen, maar ook op buitenlocaties. Het CJG is nadrukkelijk in verbinding met de specialistische zorg gepositioneerd, o.a. door de taak die het CJG heeft in de toegang. Dat is voor de SWT’s niet zo. Het CJG werkt in de wijk, vanuit eigen locaties en op vindplaatsen, vooral scholen en bij huisartsen. Inmiddels heeft circa 90% van alle huisartsen(praktijken) een POH-jeugd. Mandaat Het CJG is gemandateerd toe te leiden (indiceren) naar niet vrij toegankelijke jeugdhulp.

Vanuit haar positie in de eerste lijn kan het CJG doorgeleiden naar 2e lijns jeugdhulpaanbieders. Dit impliceert, zie ook hierboven, een andere relatie met de specialistische zorgaanbieders dan de SWT’s hebben met aanbieders van maatwerkvoorzieningen Wmo. Binnen de SWT’s hebben de Wmo casemanagers mandaat om 5

d.d. 24 mei 2017

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

18

te indiceren voor Wmo maatwerkvoorzieningen, de overige leden van de SWT’s niet. Zij kunnen wel toeleiden naar algemeen toegankelijke voorzieningen. Ten aanzien van geïndiceerde zorg hebben zij een adviserende rol, maar geen bevoegdheden. Het indiceren van Wmo-maatwerkvoorzieningen gebeurt door consulenten bij de gemeentelijke afdelingen op het stadhuis. Preventief en outreachend werken Zowel het CJG als de SWT’s hebben een opdracht als het gaat om het preventief en outreachend werken. Zij werken in de uitvoering van deze activiteiten vaak samen met partners. Bij de SWT’s ligt het accent van deze preventieopdracht op het collectiveren: het realiseren van groepsgewijze preventieve activiteiten voor kwetsbare groepen, meestal in samenwerking met partners in de wijk, maar ook het vroegtijdig signaleren van schulden en het bieden van informatie en advies. De ontwikkelingen die de afgelopen jaren zijn ingezet (beleidsmatig en in de verwervingsstrategie), maken dat het collectiveren steeds meer tot de kern van de SWT’s is verworden. Door het CJG wordt ook preventief groepsaanbod gerealiseerd voor zowel kinderen als ouders. Verhoudingsgewijs is dit een kleiner deel van het werk van het CJG, dat veel met individuele casuïstiek werkt.

4.3 De (samenwerkings)opdracht Het CJG en het SWT hebben ieder een eigen opdracht. Daarnaast hebben zij een opdracht in de uitvoering met elkaar samen te werken. Deze samenwerkingsopdracht is in een langer lopend traject dat is opgepakt en een aantal componenten kent. In de eerste plaats gaat het om samenwerking in de begeleiding en ondersteuning van cliënten. Dit is samenwerking op casusniveau. Daarbij zijn een aantal groepen expliciet benoemd: - Casuïstiek die via de overdrachtstafel Veilig Thuis naar het voorveld wordt overgedragen - Statushouders asiel - 23-/23+ - Multiprobleem huishoudens. Daarnaast gaan de samenwerkingsafspraken over niet-casusgeboden samenwerking. Het gaat dan om gezamenlijke principes van werken, zoals het hanteren van dezelfde principes over het Gedragen plan en de vormgeving van regie(ondersteuning). Daarnaast gaat de nietcasusgebonden samenwerking over gezamenlijke huisvesting en het gezamenlijk optrekken in externe communicatie6. De niet-casusgebonden samenwerking heeft geen betrekking op preventieve of outreachende activiteiten. Daartoe hebben het CJG en de SWT’s ieder een eigen opdracht.

6

Zie ook: Projectplan 2016.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

19

4.4 Organisatie en financiering Organisatie In 2014 is het CJG Kennemerland opgericht. Het CJG is een zelfstandige organisatie. Het CJG is een dochteronderneming van JGZ Kennemerland en werkt, naast de gemeenten Haarlem en Zandvoort, in opdracht van de gemeenten Heemskerk, Beverwijk, Velsen en Bloemendaal. Het CJG Kennemerland werkt dus in een bredere regio. Deze gemeenten treden allemaal afzonderlijk op als opdrachtgever: zij sluiten jaarlijks een prestatieovereenkomst af met het CJG. De gemeenten Haarlem en Zandvoort sluiten die gezamenlijk af. Juridisch gezien is het CJG een vennootschap (zonder winstoogmerk) met aandeelhouders. Op dit moment is JGZ Kennemerland de enige aandeelhouder. Circa 3/5 deel van de medewerkers van het CJG Kennemerland is werkzaam in of voor de gemeenten Haarlem en Zandvoort. Er zijn 5 CJG-teams in Haarlem (4 teams in de wijken en het stedelijk team) en één CJG-team in Zandvoort, waarin circa 65 fte direct personeel werkzaam is en circa 5 fte indirect. Er zijn 2 CJG-managers belast met de aansturing van de teams in Haarlem en Zandvoort. De SWT’s zijn een netwerkorganisatie die onder de verantwoordelijkheid en aansturing van de gemeente Haarlem valt. De gemeente Haarlem is opdrachtgever van de SWT’s.

In deze netwerkorganisatie wordt deelgenomen door de gemeentelijke afdelingen Wmo en Werk en Inkomen en het team Schulddienstverlening, Dock, Haarlem Effect, Zorgbalans, MEE & de Wering, Pluspunt, Leger des Heils en RIBW K/AM. Er zijn 9 SWT’s in Haarlem en één in Zandvoort. Deze teams worden aangestuurd door 3 teammanagers, die in dienst zijn bij de gemeente Haarlem. Dat geldt ook voor de projectleider SWT’s en een projectmedewerker. In de SWT’s is circa 57 fte werkzaam vanuit de verschillende netwerkpartners. Professionals werken in het SWT op basis van het 2-benenprincipe. Een deel van hen voert ook nog (een beperkt) aantal taken uit voor hun eigen organisatie. Financiering en sturing Zowel het CJG en de SWT’s worden gefinancierd via een subsidiesystematiek. Bij het CJG vormen de jaarlijkse prestatieafspraken de basis onder de subsidiebeschikking. Bij deze prestatieafspraken is een begroting toegevoegd die is gebaseerd op een toerekening van capaciteit aan activiteiten. In de prestatieafspraken zijn indicatoren opgenomen op basis waarvan gerapporteerd wordt. De definitieve vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van het jaarverslag, waarin het CJG verantwoording aflegt over het voorgaande jaar. De SWT’s zijn een netwerkorganisatie. Netwerkpartners leveren medewerkers voor de uitvoering van de opdracht in de SWT’s.

De kosten hiervoor lopen mee in de (brede) subsidie of financiering die deze netwerkpartners ontvangen. De inzet van personeel door de gemeentelijke netwerkpartners vindt plaats in natura. De SWT’s stellen jaarlijks een werk- en activiteitenplan op.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

20

De wettelijke en beleidsmatige kaders vormen, samen met de organisatorische positionering en de juridische vormgeving, de kaders waarbinnen het CJG en de SWT’s uitvoering geven aan hun samenwerkingsopdracht.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

21

5 Casusgebonden samenwerking

Het SWT en het CJG werken op verschillende manieren samen. Daarin onderscheiden we de casusgebonden samenwerking en niet-casusgebonden samenwerking.

De niet-casusgebonden samenwerking gaat bijvoorbeeld over gezamenlijke activiteiten op het vlak van professionalisering of preventie: er is geen specifieke casus, maar samenwerking is van toegevoegde waarde. Bij de casusgebonden samenwerking gaat het om casuïstiek waarbij het CJG en SWT beide betrokken zijn: gezinnen met meervoudige en/of complexe problematiek en jongvolwassenen die de overgang maken van ondersteuning vanuit de Jeugdwet naar ondersteuning vanuit Wmo. In de gesprekken met de professionals uit de SWT’s, de CJG-coaches uit de CJG-teams, hun gedeelde samenwerkingspartners en respectievelijke teamleiders en managers en met cliënten is nagegaan op welke manier de samenwerking in de praktijk vorm krijgt. In dit hoofdstuk gaan we eerst in op de casusgebonden samenwerking.

5.1 Professionals weten elkaar te vinden Het algemene beeld is dat de professionals van de SWT’s en de CJG-teams elkaar weten te vinden wanneer een casus hier om vraagt. Zij betrekken elkaar op verschillende manieren. De samenwerking tussen CJG en SWT kent in de praktijk verschillende vormen en gradaties: - Elkaar consulteren en adviseren, bijvoorbeeld als professionals contact zoeken met het collega-team omdat zij rondom bepaalde signalen of zaken die zij aantreffen behoefte hebben aan collegiaal advies. - Elkaar kort betrekken, bijvoorbeeld door gezamenlijk op huisbezoek te gaan of gezamenlijk een gesprek te voeren.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

22

- Elkaar inschakelen voor specifieke problematiek die wordt gesignaleerd, bijvoorbeeld

een gezin waarvan het kind bekend is bij het CJG, maar in de loop van de tijd blijkt dat ook één van de ouders een ondersteuningsbehoefte ontwikkelt. - Gezamenlijk optrekken in meervoudige, complexe problematiek waarin (vanaf het begin) duidelijk is dat zowel SWT als CJG een rol of verantwoordelijkheid hebben. De eerste twee vormen van samenwerken, het consulteren en adviseren en het elkaar kort betrekken, hebben een laagdrempelig karakter. Door laagdrempelig contact toetsen professionals of zij een goede inschatting maken en op de goede weg zitten, of dat het zinvol is collega’s uit het andere team intensiever te betrekken. Deze manier van samenwerken is niet terug te zien in de cijfers, omdat het slechts beperkt wordt geregistreerd. In een aantal wijken weten professionals elkaar relatief goed en gemakkelijk te vinden voor wederzijds consultatie en advies, maar dit gaat nog niet overal vanzelf. In Zandvoort zoeken professionals elkaar gemakkelijk op, mede ondersteund door de gezamenlijke huisvesting, maar tegelijkertijd zijn er verschillen in werkwijze tussen het SWT en het CJG.

5.2 Teams betrekken elkaar in verschillende fasen Als er binnen een gezin sprake is van meervoudige en/of complexe problemen, dan is het van belang dat het CJG het SWT actief betrekt, of vice versa. Dit gebeurt in de praktijk op verschillende momenten in het proces: - Het CJG schakelt het SWT in als blijkt dat er problemen spelen op levensdomeinen waarop het SWT van toegevoegde waarde is (of andersom). - De ondersteuning vanuit het SWT volgt de ondersteuning door het CJG op (of andersom). - Het CJG en SWT zijn vanaf het begin af aan gezamenlijk betrokken bij een casus. Het komt in de praktijk niet vaak voor dat het CJG en SWT vanaf het begin gezamenlijk betrokken zijn bij een casus. De intake gebeurt daarom vaak door het SWT óf het CJG. De praktijk is namelijk dat een gezin zich met een specifieke vraag bij het CJG of het SWT meldt. Door zowel het CJG als het SWT wordt in de intake een brede uitvraag op meerdere levensdomeinen gedaan. Beide teams werken daarbij op basis van de principes van het Gedragen plan. Een deel van de professionals uit de CJG-teams en de SWT’s is hierin ook geschoold. In Oost geven de professionals bijvoorbeeld aan soms een eerste huisbezoek samen te doen, en dat erg prettig te vinden, maar dat dit in veel gevallen niet nodig is.

Professionals uit beide teams hebben de instructie meteen bij de aanmelding aan de cliënt mede te delen dat het CJG en SWT met elkaar samenwerken om de juiste expertise te kunnen betrekken. Professionals geven echter aan dat dit onverlet laat dat in veel gevallen eerst een vertrouwensband moet worden opgebouwd voordat mensen problemen op andere levensdomeinen (durven) delen met een hulpverlener, omdat er soms sprake is van angst (bijvoorbeeld om uit de ouderlijke macht gezet te worden), schaamte of ‘hulpverlenermoeheid’. Dit betekent ook dat in veel gevallen in de loop van de tijd duidelijk wordt (of: kan worden) dat er meer problemen spelen. In deze gevallen kun je achteraf constateren dat er sprake was van ondersteuningsbehoeften op meerdere terreinen. In de praktijk blijkt het desondanks vaak niet mogelijk deze breedte al bij de aanmelding in beeld te brengen. Als professionals inschatten dat er ondersteuningsbehoeften zijn op een gebied waarop het CJG of SWT een meerwaarde kan leveren, dan schakelen zij met het andere team. Daarover

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

23

zijn geen vaste afspraken; professionals doen dit op basis van de eigen professionele inschatting, waarbij de casuïstiekbesprekingen van het eigen team een platform zijn om zaken te toetsen of andere perspectieven op te halen. Dat is anders in gevallen waarin vanaf het begin duidelijk is dat sprake is van meervoudige en/of complexe problematiek, zoals bij de dakloze gezinnen die in de Velserpoort worden opgevangen. In de Velserpoort wordt de intake door (o.a.) het CJG en SWT gezamenlijk gedaan. Daarover zijn professionals enthousiast, omdat duidelijk is dat zij beiden een betrokkenheid hebben bij de casus. Ook hebben CJG-coaches of SWT-leden af en toe te maken met nieuwe casuïstiek of casuïstiek die via de overdrachtstafel VeiligThuis naar het SWT’s en het CJG komt, waarin snel duidelijk wordt dat sprake is van meervoudige en/of complexe problematiek. Dit zijn de situaties waarover professionals aangeven dat zij de collega’s uit het andere team snel betrekken. De professionals maken gebruik van een verwijsindex, die hier ondersteunend aan werkt. Met name in de SWT’s wordt de verwijsindex nog niet consequent gevuld en geraadpleegd. ‘Voortborduren’ op elkaars werk Het beeld is dat wanneer teams elkaar later in het proces betrekken, zij ‘voortborduren’ op elkaars werk.

Als een gezin eerder bij het CJG bekend was en het SWT op een later moment aanhaakt, ‘voegt’ het SWT zich in het traject dat al loopt en levert daarin een specifieke toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld omdat er een traject voor schulddienstverlening in gang gezet moet worden of er actie moet worden ondernomen rondom een dreigende huisuitzetting. Het SWT start dan geen ‘eigen’ traject op waarin opnieuw een intake wordt opgestart of een nieuw plan wordt gemaakt. Wel blijft het SWT breed kijken en als het nodig is in afstemming met het gezin en het CJG kijken naar aanpassing of aanvulling van het plan. In situaties waarin een gezin al bekend is bij het SWT en het CJG haakt aan omdat er vragen spelen rondom opvoeden en opgroeien, doet het CJG een startgesprek/ intake, zodat daarmee ook een start voor de ondersteuning en begeleiding vanuit het CJG wordt gerealiseerd. Dit is omdat voor het CJG het vrijwillige karakter van de hulpverlening erg belangrijk is. Casus Het gezin bestaat uit een moeder met een niet-westerse emigratieachtergrond en een aantal kinderen. Het gezin is al lange tijd bekend bij het CJG en gaat door een lastige periode na de scheiding. De moeder krijgt al enige tijd opvoedingsondersteuning, ook in samenwerking met de school. Ze spreekt niet goed Nederlands.

Tijdens de opvoedingsondersteuning door het CJG kwamen ook meer praktische problemen naar boven over het omgaan met instanties en de financiën. Het CJG heeft daartoe het SWT ingeschakeld, zodat er ook op deze punten ondersteuning geboden kon worden. De opvoedhulp van het CJG en de praktische ondersteuning van het SWT worden apart aan de moeder aangeboden. Daar is zij ook tevreden over, want dat geeft haar meer grip op het leven en regie op haar situatie. Er is geen sprake van regie-ondersteuning omdat ze zelf vindt dat ze genoeg overzicht heeft. De hulpverleners van het CJG en het SWT hebben af en toe contact met elkaar wanneer de situatie daar om vraagt, maar verder niet. De moeder ziet ook geen noodzaak om het contact tussen CJG en SWT te intensiveren. Ze regelt zelf de afspraken met de twee hulpverleners en voelt zich zo goed geholpen.

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

24

Zowel het CJG als het SWT werken met de principes van het Gedragen Plan. De intake die het SWT of het CJG doet als basis voor dit plan, bestrijkt meerdere levensdomeinen. De intakes zijn als zodanig zijn niet op elkaar afgestemd. Hierbij kan gedacht worden aan afstemming over welke dingen worden uitgevraagd, hoe die worden uitgevraagd en wanneer de informatie van een gezin een signaal oplevert dat moet leiden tot contact met het collega-team.

5.3 Diversiteit in werkwijzen Er zijn geen brede werkafspraken op het niveau van de teams of de bredere organisatie over hoe en wanneer het CJG-team en het SWT samen moeten werken. Er liggen wél afspraken rondom welke doelgroepen samenwerking nodig is. Doordat er geen afspraken zijn over hoe en wanneer samenwerking nodig is, ontstaat diversiteit in werkwijzen. Het beeld is dat in gevallen waarin samenwerking noodzakelijk is, deze samenwerking ook tot stand komt. Dit is aan de orde wanneer sprake is van meervoudige en/of complexe problematiek. In dit kader zijn er bijvoorbeeld ook samenwerkingsafspraken gemaakt over casuïstiek waarin sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Deze casuïstiek wordt via de overdrachtstafel van VeiligThuis naar het CJG en/of SWT overgedragen. Over hoe dit verloopt zijn het CJG en het SWT, maar ook de samenwerkingspartners tevreden. In deze, relatief zware casuïstiek is voor professionals duidelijk dat de samenwerking moet worden gezocht en gaat dit ook goed op basis van de professionele contacten die er zijn. Als tijdens de intake of later in het proces blijkt dat er ook ondersteuningsbehoeften zijn waarvoor het andere team moet worden betrokken, wordt de verbinding met het andere team ook gelegd. Er is diversiteit tussen professionals, maar ook tussen en binnen wijken in hoe dit gebeurt.

In de praktijk die is ontstaan, zijn individuele professionals de ‘dragers’ van de samenwerking tussen CJG-team en SWT. Hierin spelen de persoonlijke relatie en eerdere samenwerking rondom andere casuïstiek een belangrijke rol. De professional die al betrokken is bij een gezin benadert rechtstreeks een bekende professional uit het ander team die hij kent en waarmee hij eerder prettig heeft samengewerkt. Als een CJG-professional bijvoorbeeld signaleert dat er schuldenproblematiek speelt binnen een gezin, betrekt hij een bekende SWT-professional met kennis over schulden. In sommige teams is deze werkwijze heel effectief en zijn professionals tevreden over de samenwerking die zij realiseren. Doordat de persoonlijke relatie een belangrijke rol speelt, komt de samenwerking tussen sommige SWT’s en CJGteams niet goed tot stand. Dit wordt versterkt door een het personeelsverloop, waardoor kennis die bij een aantal professionals aanwezig is, niet goed geborgd wordt. Overigens is er recent afgesproken dat nieuwe collega’s tijdens hun inwerkperiode ook ‘meelopen’ met het andere team, zodat zij in de praktijk kennismaken met elkaar en elkaars werk.

Met name als het gaat om de lichtere vormen van samenwerken, zoals consultatie en advies en het eenmalig samen optrekken tijdens een gesprek of huisbezoek, is het in een deel van de teams lastig om dit op basis van de bestaande afspraken en de persoonlijke relaties tot stand te brengen. Dit speelt bijvoorbeeld in situaties waarin er nog geen concrete vraag op het vlak van opvoeden of opgroeien is. CJG-coaches werken meer casusgericht, waarbij een concrete vraag op het vlak van opvoeden en opgroeien door een deel van de professionals als cruciaal wordt gezien om te kunnen starten. Als deze vraag er nog niet ligt, ervaart een deel van de

HG9o/rapport 3.0 (definitief)

25

CJG-professional niet de ruimte om aan te haken bij het SWT. In sommige wijken geven de professionals echter aan dat dit aan het veranderen is en dat het CJG steeds makkelijker meedenkt als er (nog) geen concrete opvoedingsvraag ligt, maar er bijvoorbeeld wel kinderen zijn in een gezin waar veel andere problemen spelen.

5.4 Casusoverleg Het CJG en SWT kennen ieder eigen casusoverleggen. Als er sprake is van casuïstiek waarbij beide teams betrokken zijn of waar elkaars expertise van belang is, heeft het meerwaarde als het CJG en het SWT elkaar treffen rondom deze casuïstiek (casusoverleggen). Soms gebeurt dit incidenteel, als er concrete casuïstiek is. In andere teams sluiten professionals juist structureel bij elkaar aan, ook als er geen concrete casuïstiek is. Het CJG-team in Noord sloot bijvoorbeeld eens per maand aan bij de casuïstiekbesprekingen van beide SWT's in Noord. In Oost was dit nog frequenter. Er zijn ook teams waar dit geen praktijk is. Door de COVID-19 maatregelen is het aanschuiven bij elkaars casusbesprekingen overigens lastiger geworden en vinden gezamenlijke besprekingen tijdelijk niet, of minder vaak, plaats. De vorm waarin aansluiting op elkaars casusoverleggen wordt gezocht, verschilt. Vanuit sommige teams sluit steeds dezelfde professional aan bij de casusbesprekingen, terwijl andere teams ervoor hebben gekozen steeds met beide teams bij elkaar te komen. Er zijn ook teams die de afvaardiging steeds afwisselen, zodat meer professionals de gelegenheid hebben om aan te sluiten bij casuïstiekbesprekingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12270685/1