Brief burgemeester onrust in Haarlem
Tekst van het document
Zakboek Openbare orde en veiligheid
71
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/manifestaties: • Wetstekst • Rapport evaluatie Wet openbare manifestaties • Publicatie Demonstreren staat vrij • Jurisprudentie, verwijzingen en bronnen
Wet publieke gezondheid De Wet publieke gezondheid implementeert de Internationale gezondheidsregeling en bevat onder meer afspraken op het terrein van infectieziektebestrijding en quarantaine. Met de Wet publieke gezondheid blijft de gemeente verantwoordelijk voor de infectieziektebestrijding: • het college voor de algemene infectieziektebestrijding, • de burgemeester voor het nemen van maatregelen. Groepen A, B1, B2 en C In de Wet publieke gezondheid zijn ziekten ingedeeld in groepen A, B1, B2 en C. De voorzitter van de Veiligheidsregio geeft leiding aan de bestrijding van een epidemie van een A-ziekte, de burgemeester bij overige ziekten. De wet biedt mogelijkheden om mensen in quarantaine te plaatsen (artikelen 35-39), gebouwen te sluiten (artikel 47) of aan de andere kant aanvullende maatregelen te nemen. Voor ziekten op de zogenoemde A-lijst ligt de centrale regie bij de minister van Volksgezondheid. Daarbij worden maatregelen landelijk afgestemd en kan de minister regels stellen over de verdeling van profylaxe middelen en vaccins, voor zover dit nodig is ten behoeve van de bestrijding van de ziekte. Bij een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2 neemt de minister van Volksgezondheid de leiding, voor zover de burgemeester van een gemeente die het aangaat daartoe verzoekt.
De lijst A-ziekten bestaat uit MERS CoV, pokken, polio, SARS en virale hemorragische koorts (waaronder ebola).
72
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Zodra er sprake is van een infectieziektecrisis (een A-ziekte), houdt de minister van Volksgezondheid de leiding over de bestrijding. Dat betekent dat de minister het kader voor de bestrijding vaststelt en aanwijzingen geeft over het te voeren bestrijdingsbeleid. Het bestuur van de veiligheidsregio is daarbij het aanspreekpunt voor de minister van Volksgezondheid, zowel voor de voorbereiding, als voor de bestrijding. De GGD geeft op basis van de Wet publieke gezondheid een inhoudelijk advies aan de betreffende burgemeester (B1, B2, C ziekten) of aan de voorzitter van de veiligheidsregio (A-ziekten) over de te nemen maatregelen. De GHOR adviseert op basis van de Wet veiligheidsregio’s aan de burgemeester of de voorzitter van de veiligheidsregio over de coördinatie van de inzet van gezondheidszorg. Namens GHOR en GGD is de Directeur Publieke Gezondheid (DPG) het aanspreekpunt voor het bestuur.
Casus Sluiting sauna bij vermoeden legionellabesmetting Iedere besmetting met een risico voor de volksgezondheid biedt op basis van de Wet Publieke gezondheid voldoende grond voor optreden. Centraal element is daarbij artikel 47 Wet Publieke veiligheid. Bij verdenking kan de burgemeester monsters laten nemen. Bij geconstateerde besmettingen, inclusief de aanwezigheid van genoemde sectoren, is de burgemeester bevoegd om goederen te laten ontsmetten of te vernietigen en gebouwen te doen sluiten. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij sluiting van een sauna na constatering van legionellose (ook wel legionella genoemd), een van de bekende infectieziekten.
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/gezondheid: • Wetstekst • Verwijzingen en bronnen
Zakboek Openbare orde en veiligheid
73
Wet tijdelijk huisverbod De Wet Tijdelijk huisverbod geeft de burgemeester de bevoegdheid om een persoon van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat tijdelijk (in beginsel 10 dagen) de toegang tot zijn woning te ontzeggen. Tijdens deze periode mag de betreffende persoon geen contact opnemen met zijn huisgenoten. De periode wordt benut om andere maatregelen te nemen die (de dreiging van) huiselijk geweld kunnen wegnemen. De burgemeester legt het verbod op en kan het verbod verlengen tot maximaal vier weken. Het is een op zichzelf staande bevoegdheid, die ook kan worden toegepast in situaties van kindermishandeling. Het huisverbod kan ook worden ingezet ter voorkoming van strafbare feiten. Een herhaald huisverbod is niet uitgesloten, waarbij het niet nodig is dat er een bepaald tijdsbestek is gelegen tussen het (primaire) verlengde huisverbod en het tweede huisverbod. Wel moet er sprake zijn van nieuwe feiten. Op overtreding van het verbod staat maximaal twee jaar celstraf of een taakstraf. Aandachtspunten rond de inzet van het huisverbod: • Er is een belangrijke samenhang met het hulpverleningstraject in de periode dat het huisverbod geldt. Als tijdens de tien dagen geen hulpverlening op gang komt, kan aan een belangrijk doel van het huisverbod - namelijk het wegnemen van de dreiging van huiselijk geweld - geen invulling worden gegeven.
• Om te beoordelen of de burgemeester een huisverbod oplegt, beoordeelt de burgemeester de gevaarzetting aan de hand van het Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG). • De burgemeester kan de bevoegdheid tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod (deels) mandateren aan een hulpofficier van justitie. Het intrekken of verlengen van het verbod mag niet gemandateerd worden. • De burgemeester (en de politie) is bevoegd de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak nodig is. 74
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
• De burgemeester neemt contact op met Veilig Thuis/het Adviesen Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) als hij van plan is om een huisverbod op te leggen wegens (ernstig vermoeden van) kindermishandeling. • Nadat een huisverbod is opgelegd of verlengd, informeert de burgemeester onverwijld de uithuisgeplaatste, de huisgenoten, een door hem aangewezen hulpverlener en Veilig Thuis/AMHK. • De burgemeester draagt er zorg voor dat naleving van het huisverbod wordt gecontroleerd door de politie. • De burgemeester draagt zorg voor het regelen van bijstand door een raadsman voor de uithuisgeplaatste voor de duur van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening indien de uithuisgeplaatste daartoe de wens te kennen heeft gegeven. De bijstand moet binnen 24 uur zijn geregeld nadat de uithuisgeplaatste daartoe de wens te kennen heeft gegeven.
Casus Preventief huisverbod De burgemeester van Rotterdam legt een huisverbod op aan een man die al geruime tijd gewelddadig is naar zijn echtgenote. Op moment van het opleggen van het verbod, doet zich geen acuut geweldsincident voor. De burgemeester vreest echter dat het bekend worden van de aangevraagde echtscheiding door de echtgenote bij de man tot escalatie zal leiden. Daarom zet de burgemeester het huisverbod als preventief instrument in. Als er geen acuut incident is als aanleiding voor een huisverbod, dan verschuift het zwaartepunt in de beoordeling naar feiten en omstandigheden uit het verleden die duiden op gevaar voor de veiligheid, in combinatie met signalen uit het heden. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester op basis van signalen en informatie van de politie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstig vermoeden is voor dreigende escalatie en onveiligheid voor de achterblijfster.
Zakboek Openbare orde en veiligheid
75
Casus Herhaald huisverbod De burgemeester van Rotterdam heeft aan een man een huisverbod opgelegd en na de eerste termijn van 10 dagen verlengd tot de maximale termijn van vier weken. Op de laatste dag van de vier weken heeft de burgemeester op verzoek van Bureau Jeugdzorg een nieuw huisverbod opgelegd. De man had namelijk stelselmatig het huisverbod overtreden, waardoor de hulpverlening onvoldoende op gang kon komen. Ook had hij veelvuldig bedreigingen naar de achterblijvers geuit. Door de man zelf was de gewenste periode van rust niet ingetreden en heeft het (vermoeden) van ernstig en onmiddellijk gevaar zich voortgezet. De rechter stelt de burgemeester in het gelijk.
Casus Geplande screening tijdelijk huisverbod bij kindermishandeling Het huisverbod kan ook worden toegepast bij kindermishandeling. Veilig Thuis Zuid-Holland Zuid heeft hierop een methodiek ontwikkeld. Meldingen van kindermishandeling komen vaak niet bij de politie terecht, maar soms wel bij het AMHK en/of de hulpvelening. Deze kunnen een verzoek voor een geplande screening indienen. Een weegteam (verzoeker, de wijkagent, procescoördinator huiselijk geweld van Veilig Thuis, een jurist en eventueel andere partners) beoordeelt het verzoek en kan vervolgens aan de hulpofficier van justitie verzoeken om een reguliere screening aan de hand van het RiHG te doen om de gevaarzetting te beoordelen. Op deze wijze wordt getracht om het huisverbod vaker in te zetten bij kindermishandeling.
76
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/huisverbod: • Wetstekst • Handreiking Wet tijdelijk huisverbod en handreiking geplande screening bij kindermishandeling • OM-Aanwijzing huiselijk geweld en eergerelateerd geweld • Jurisprudentie, verwijzingen en bronnen
Zakboek Openbare orde en veiligheid
77
5
Politiewet 2012
In de Gemeentewet is opgenomen dat de burgemeester zich bedient van de politie in de handhaving van de openbare orde en in de hulpverlening. De politie beschikt over geweldsmiddelen om zo nodig af te dwingen dat men zich aan de regels houdt. De politie is daarmee een belangrijk - zo niet het belangrijkste instrument om de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde te vervullen. In de Politiewet 2012 zijn de taak en de organisatie van de Nationale politie bepaald. Tevens is in de wet omschreven op welke wijze de politie onder aansturing van bestuur en justitie staat.
Gezag (artikel 11 Politiewet 2012) Als de politie optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, dan staat zij onder gezag van de burgemeester. De burgemeester kan de politie de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van deze taken. Deze aanwijzingen kunnen zowel planmatig als ad hoc zijn en zowel de individuele ambtenaren van politie als de gehele politie betreffen. Het gezag van de burgemeester strekt zich uit over alle politiefunctionarissen als zij in de gemeente optreden ter handhaving van de openbare orde. Tevens heeft de burgemeester het gezag over de Koninklijke Marechaussee als deze in de gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde. Het gezag over de politie in de handhaving van de openbare orde omvat twee elementen: • de daadwerkelijke voorkoming en beëindiging van zich concreet voordoende of dreigende verstoringen van de openbare orde en • de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten, die vorm krijgt in de participatie van de politie in het preventieve veiligheidsbeleid. 78
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
De hulpverleningstaak van de politie is algemeen van aard, maar heeft uiteraard betrekking op het werkterrein van de politie. Het gaat erom burgers te helpen en te voorkomen dat zij slachtoffer van (verder) onrecht of ongeval worden.
Driehoeksoverleg (artikel 13 Politiewet 2012) De politie staat onder duaal gezag: voor de handhaving van de openbare orde en voor de hulpverlening ligt het gezag bij de burgemeester en voor de strafrechtelijke handhaving ligt het gezag bij de officier van justitie. De Politiewet 2012 verplicht de burgemeester en de officier van justitie periodiek overleg te voeren met het hoofd van het territoriale onderdeel van de regionale eenheid binnen welker grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt, zo nodig met de politiechef van een regionale eenheid. Dit is de lokale gezagsdriehoek die in de praktijk meestal de vorm krijgt op het niveau van de basiseenheid van de politie waarin de gezamenlijke burgemeesters met de officier en de districtsleiding overleggen. In de wet is echter expliciet opgenomen dat de burgemeester kan bepalen dat het driehoeksoverleg plaatsvindt op gemeentelijk niveau. Hoewel het niet in de wet is opgenomen, is de burgemeester meestal de voorzitter van het driehoeksoverleg. Formeel heeft het driehoeksoverleg geen eigen bevoegdheden; het is immers een overleg. In het overleg maken de betrokkenen afspraken over de taakuitvoering en de inzet van de politie. Dit gebeurt op basis van de doelen, die de gemeenteraad eens in de vier jaar voor de veiligheid in de gemeente heeft vastgesteld. Ook komt het beleid ten aanzien van de taakuitvoering ter tafel.
Het overleg beperkt zich niet tot de uitvoering van de politietaak; de burgemeester en de officier van justitie maken er afspraken over lokale prioriteiten en criminaliteitsbestrijding. Er kunnen bijvoorbeeld afspraken gemaakt worden over het dienstverleningsniveau van politie aan burgers, zoals aangiftemogelijkheden, (tijden van) bereikbaarheid en beschikbaarheid, samenwerking met Zakboek Openbare orde en veiligheid
79
toezichts- en handhavingsdiensten en private partijen en informatie-uitwisseling. In de praktijk vindt er ook vaak afstemming tussen de burgemeesters onderling plaats over hun inzet ter handhaving van de openbare orde en tussen bestuur en Openbaar Ministerie over de inzet van beide partijen. Voor de toepassing van een aantal bevoegdheden is de burgemeester verplicht tot samenwerking/samenloop met de officier van justitie. Het driehoeksoverleg is dan vaak het ontmoetingspunt.
Regionaal overleg De burgemeesters van de gemeenten in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert en de hoofdofficier van justitie, kunnen ten minste eenmaal per jaar over het beleid en de taakuitvoering van de politie overleg voeren. De wet geeft tevens de mogelijkheid dit overleg met een deel van de gemeenten binnen de regionale eenheid te voeren, namelijk de gemeenten waarvan de grenzen samenvallen met de indeling van de veiligheidsregio’s.
Regioburgemeesters In het stelsel van de nationale politie vervullen de regioburgemeesters een belangrijke schakelrol tussen de minister, de burgemeesters en de politie. De minister wijst in elke regionale eenheid een burgemeester aan als regioburgemeester. De burgemeesters in de regionale eenheid worden in de gelegenheid gesteld een gezamenlijke aanbeveling voor de aanwijzing te doen, waar de minister slechts op zwaarwegende gronden van kan afwijken. De regioburgemeester legt over de uitoefening van zijn taken verantwoording af aan de overige burgemeesters in het gebied van de regionale eenheid. De burgemeesters kunnen de minister gezamenlijk verzoeken de regioburgemeester van zijn functie te ontheffen. De regioburgemeesters en de hoofdofficier van justitie voeren minstens vier maal per jaar met de minister overleg over 80
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
de taakuitvoering door en het beheer over de politie. In dit zogenoemde Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (artikel 19-overleg) wordt o.a. gesproken over de inrichting van de politie, de landelijke beleidsdoelstellingen, de sterkteverdeling, ontwerpbegroting en -jaarrekening, benoemingen in de korpsleiding en mogelijke concept-wetswijzigingen en Algemene maatregelen van bestuur inzake de politie. Daarnaast overleggen de regioburgemeester en de hoofdofficier van justitie regelmatig met de politiechef van een regionale eenheid.
Beleid De minister stelt ten miste een maal per vier jaar, gehoord het College van PG’s en de regioburgemeesters, de landelijke beleidsprioriteiten in de taakuitvoering van de politie vast. De burgemeesters worden via de regioburgemeester betrokken in het proces van totstandkoming van de landelijke prioriteiten. Vervolgens zet de minister de landelijke doelstellingen om in doelstellingen per regionale eenheid. Ook deze specifieke regionale doelstellingen worden weer voorgelegd aan de regioburgemeester die - voordat hij de zienswijze van de regio aan de minister geeft - alle burgemeesters in de regio moet horen over de gemeentelijke veiligheidsdoelen. Binnen de regionale eenheid stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie - met inachtneming van de landelijke beleidsprioriteiten - ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan voor de regionale eenheid vast. Het beleidsplan omvat in ieder geval de verdeling van de beschikbare politiesterkte waaronder de beschikbare wijkagenten, over de onderdelen van de regionale eenheid. Wettelijk is voorgeschreven dat er ten minste 1 wijkagent werkzaam is per 5000 inwoners.
Het ligt voor de hand dat het regionale beleidsplan wordt opgesteld door de regioburgemeester en dat het plan gebaseerd wordt op de integrale veiligheidsplannen van de gemeenten, het beleid van het Openbaar Ministerie en de landelijke prioriteiten voor de politie. Tevens ligt het voor de Zakboek Openbare orde en veiligheid
81
hand dat ingegaan wordt op bovenlokale veiligheidsvraagstukken. Voorafgaand aan de vaststelling van het beleidsplan hoort iedere burgemeester de gemeenteraad van de betreffende gemeente over het ontwerpbeleidsplan. Jaarlijks stellen de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie een jaarverslag vast. Indien de burgemeesters en de hoofdofficier van justitie niet tot overeenstemming komen, dan stelt de regioburgemeester in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het beleidsplan respectievelijk het jaarverslag vast. Tegen het besluit tot vaststelling van het beleidsplan kan een burgemeester beroep instellen bij de minister. Deze beoordeelt of het beleidsplan op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de betreffende gemeente.
Beheer De verantwoordelijkheid voor het beheer over de politie ligt bij de minister van Veiligheid en Justitie. De minister van Veiligheid en Justitie stelt jaarlijks een landelijk beheersplan en een landelijk jaarverslag op voor de politie. Het beheersplan bevat onder meer de indeling van de regionale eenheden in districten en basisteams. In de Politiewet is een aantal waarborgen opgenomen, die de burgemeester mogelijkheden biedt om invloed op beheeraspecten van de politie te hebben: • de burgemeesters worden door de korpschef gehoord over de indeling van de regionale eenheid en de omvang van de onderdelen ervan; • de regioburgemeester hoort de burgemeesters in het gebied van de regionale eenheid voordat de regioburgemeester aan de minister adviseert over de benoeming, schorsing en ontslag van de politiechef van de regionale eenheid; • de aanwijzing van het hoofd van de basiseenheid geschiedt na verkregen instemming van de burgemeester en de officier van justitie; 82
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
• Indien het hoofd van een territoriaal onderdeel bij herhaling de afspraken over de inzet van de politie niet heeft uitgevoerd, kan de burgemeester of de officier van justitie de minister verzoeken betrokkene uit zijn functie te ontheffen.
Klachten De politie kent een landelijke klachtencommissie. Burgers kunnen klachten over gedragingen van politiemedewerkers indienen bij de politiechef van de (regionale) eenheid waar de gedraging heeft plaatsgevonden. De burgemeester van de betreffende gemeente ontvangt een afschrift van de klacht en wordt in de gelegenheid gesteld een advies over de klacht uit te brengen.
Bijstand Wanneer een eenheid van de politie voor de handhaving van de openbare orde bijstand van andere eenheden behoeft, dan richt de burgemeester een verzoek daartoe aan de korpschef van de nationale politie, nadat de regioburgemeester in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het verzoek te geven. Wanneer de korpschef het verzoek geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen, dan kan de burgemeester de minister verzoeken de korpschef op te dragen alsnog in de gevraagde bijstand te voorzien.
Verantwoordingsplicht De burgemeester legt over het door hem uitgeoefende gezag verantwoording af aan de gemeenteraad (artikel 15). Hij geeft de raad mondeling of schriftelijk alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/politiewet: • Wetstekst • Brochure ‘Volop lokale kansen in nieuw politiebestel’ • Verwijzingen en bronnen Zakboek Openbare orde en veiligheid
83
6
Wet veiligheidsregio's
De Wet veiligheidsregio’s geeft het kader voor de bevoegdheden bij rampen en crises, ook wanneer die meer dan één gemeente tegelijk treffen of die het belang van één gemeente overschrijden (en dus bovenlokaal zijn). Een ramp wordt in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s gedefinieerd als een gebeurtenis: • waardoor een ernstige verstoring van de fysieke veiligheid is of dreigt te ontstaan en • waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.
Bevoegdheden planvorming Burgemeesters wiens gemeenten deel uitmaken van een Veiligheidsregio, zijn lid van het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio. Het bestuur stelt minimaal eens per vier jaar een beleidsplan vast, waarin onder meer de beoogde operationele prestaties en oefeningen zijn vastgelegd. Ook stelt het bestuur een risicoprofiel vast, dat een overzicht geeft van de belangrijkste risico’s in het gebied. Ook wordt eenmaal per vier jaar een crisisplan vastgesteld, waarin de procedures, taken en bevoegdheden zijn vastgelegd.
Bevoegdheden lokale ramp In geval van brand, een lokale ramp, crisis of dreiging daarvan heeft de burgemeester een aantal bevoegdheden en taken: • De burgemeester heeft het gezag bij brand alsmede bij ongevallen anders dan bij brand voor zover de brandweer daarbij een taak heeft (artikel 4). • De burgemeester heeft het opperbevel in geval van een ramp of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan (artikel 5). • De burgemeester kan de leiding van het ambulancevervoer aanwijzingen geven ten behoeve van de openbare orde (artikel 6). 84
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
• De burgemeester is belast met de informatievoorziening tijdens de ramp of crisis (crisiscommunicatie) naar bevolking en hulpverleners (artikel 7). Het gezag bij brand en ongevallen anders dan bij brand (artikel 4) betreft de bevoegdheid van de burgemeester jegens de brandweer. De burgemeester kan op grond van het opperbevel van artikel 5 van de Wet veiligheidsregio’s géén rechtstreekse bevelen geven aan de bevolking. Daartoe dient hij bijvoorbeeld zijn noodbevoegdheden (artikelen 175 en 176 Gemeentewet) te hanteren. Artikel 6 van de Wet veiligheidsregio’s houdt in dat de burgemeester ook de zeggenschap heeft over de inzet van de ambulances. Indien het naar het oordeel van de burgemeester noodzakelijk is, kan hij aanwijzingen geven aan de Regionale Ambulancevoorziening in de regio (RAV) die in zijn gemeente verantwoordelijk is voor de ambulancezorg. Het is aan de burgemeester te bepalen of de openbare orde in het geding is en of er ingegrepen moet worden. Artikel 7 verplicht de burgemeester informatie aan de bevolking van zijn gemeente te verschaffen tijdens een (dreigende) crisis. De informatie heeft betrekking op zowel de achtergronden van de crisis als op de door burgers te volgen gedragslijn.
Daarnaast verplicht dit artikel de burgemeester om de personen die betrokken zijn bij de bestrijding of beheersing van de ramp of crisis te informeren over de risico’s voor de gezondheid en de te treffen voorzorgsmaatregelen en afstemming te zoeken met de informatievoorziening op Rijksniveau (artikel 7, lid 3). Dit artikel heeft geen betrekking op informatievoorziening over alle potentiële bedreigingen (risicocommunicatie). Dat is geregeld in artikelen 45 en 46 en is een taak voor het bestuur van de veiligheidsregio. De burgemeester wordt bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden ondersteund door een gemeentelijk beleidsteam, bestaande uit leidinggevenden van de brandweer, de GHOR, de politie en de bevolkingszorg. Zakboek Openbare orde en veiligheid
85
Bevoegdheden bovenlokale ramp Bij rampen en/of crises die de gemeentegrens overstijgen wordt opgeschaald tot regionaal niveau waar zich een regionaal beleidsteam (RBT) vormt. Het regionale beleidsteam bestaat uit de burgemeesters van de betrokken gemeenten, de hoofdofficier van justitie en de voorzitter(s) van betrokken waterschappen. Het RBT wordt voorgezeten door de voorzitter van de veiligheidsregio. De voorzittende burgemeester krijgt de bevoegdheden die bij een lokale crisis de burgemeester toekomen (artikel 39, lid 1), waaronder inbegrepen het noodbevel (artikel 175 Gemeentewet) en de noodverordening (artikel 176 Gemeentewet). Dit betekent dat bijvoorbeeld een noodverordening die in het kader van de gemeentegrensoverschrijdende crisis wordt afgekondigd, wordt ondertekend door de voorzitter van de veiligheidsregio. In tegenstelling tot een reguliere noodverordening hoeft deze niet door de gemeenteraad te worden bekrachtigd (artikel 39, lid 1 sub b). De burgemeesters van de bij de ramp betrokken gemeenten worden geraadpleegd bij de totstandkoming van besluiten. Een burgemeester kan in het regionaal beleidsteam schriftelijk bezwaar doen aantekenen, indien hij van mening is dat een voorgenomen besluit het belang van zijn gemeente onevenredig schaadt (artikel 39, lid 4).
De voorzitter van de veiligheidsregio brengt na afloop van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, in overeenstemming met de burgemeesters die deel uitmaakten van het regionaal beleidsteam, schriftelijk verslag uit aan de raden van de getroffen gemeenten over het verloop van de gebeurtenissen en de besluiten die hij heeft genomen.
Rol commissaris van de Koning De commissaris van de Koning ziet toe op de samenwerking in het regionaal beleidsteam en kan daartoe aanwijzingen geven (artikel 41, lid 1) volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie (artikel 41, lid 2). In geval van een ramp of crisis van bovenregionale betekenis, of van ernstige vrees voor het 86
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
ontstaan daarvan, kan de commissaris de voorzitter van de veiligheidsregio, zo mogelijk na overleg met hem, aanwijzingen geven over het inzake de rampenbestrijding of crisisbeheersing te voeren beleid (artikel 42).
Toegang rampterrein Op basis van artikel 62 zijn diverse professionals in de crisisbeheersing bevoegd elke plaats te betreden zijnde niet woningen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen daarbij andere personen en hulpmiddelen meenemen. Voor woningen geldt deze bevoegdheid alleen onmiddellijk gevaar voor de fysieke veiligheid. Bij brand, ernstig en onmiddellijk brandgevaar, rampen en crises is het de bovengenoemde functionarissen toegestaan woningen binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. Ook bij incidenten die een onmiddellijk gevaar voor de omgeving opleveren, kan aangewezen personeel de woningen binnentreden. Ook in situaties waarin een rampterrein met een noodverordening is afgebakend, kan onderzoekers van de Onderzoeksraad voor veiligheid de toegang niet worden geweigerd. Zij ontlenen die bevoegdheid aan artikel 36 Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid.
Binnentreden voor hulpverlening In de Algemene wet op het binnentreden worden voorwaarden gesteld aan het binnentreden van woningen. Deze voorwaarden zijn onverkort van kracht bij uitoefening van de bevoegdheden in de Wet veiligheidsregio’s. Een schriftelijke machtiging zoals vereist in artikel 2, lid 1 van de Algemene wet op het binnentreden is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden (Algemene wet op het binnentreden, art 2, lid 3). Bij niet-onmiddellijk gevaar kunnen de aangegeven functionarissen woningen slechts binnentreden met een schriftelijke machtiging die voldoet aan Zakboek Openbare orde en veiligheid
87
de voorwaarden zoals beschreven in de Algemene wet op het binnentreden.
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/ veiligheidsregios: • Wetstekst • Interviews met burgemeesters n.a.v. crises • Diverse handreikingen crisisbeheersing • Verwijzingen en bronnen
88
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Zakboek Openbare orde en veiligheid
89
7
Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
De APV is een belangrijke bron van openbare orde bevoegdheden. De gemeenteraad stelt de APV vast en belast de burgemeester daarin met een deel van de uitvoering. APV-bepalingen ter handhaving van de openbare orde zijn voorschriften die voor iedereen gelden en hebben betrekking op verschillende situaties. De meeste regels zijn directe gebod- en verbodsbepalingen, maar een aantal van de APV-bepalingen geeft de burgemeester bevoegdheden om in voorkomende gevallen in te kunnen zetten om de openbare orde te handhaven. In de model-APV van de VNG betreft dat samenscholing, hinderlijk gedrag, evenementen, openbare inrichtingen, Horeca, speelgelegenheden, gevaarlijke honden, open vuur stoken, gebiedsontzeggingen, en prostitutie.
Wanneer moet een bevoegdheid in de APV? De voorzieningenrechter in Alkmaar buigt zich over een aan een Texelaar opgelegd gebiedsverbod op basis van artikel 172 lid 3 Gemeentewet. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester voldoende tijd heeft gehad om via democratische weg de mogelijkheid van een gebiedsontzegging op te nemen in de APV. Sinds 2007 blijkt immers al de behoefte te bestaan om dit instrument op te nemen in de APV. De rechter betoogt dat lid 3 kan worden ingezet in een situatie waarin sprake is van een plotseling actueel opkomend of zich concreet voordoend gevaar voor de openbare orde dan wel in een situatie dat er van een concrete en actuele dreiging sprake is. In dit geval is artikel 172 lid 3 gebruikt ten behoeve van de reguliere handhaving. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zijn bevoegdheid oneigenlijk heeft gebruikt. Met andere woorden: als het probleem structureel is, dan moet een bepaling worden opgenomen in de APV.
90
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
In een Rotterdamse casus over gebiedsontzeggingen stelt de Hoge Raad het volgende: ‘(…) gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 172, derde lid, Gemeentewet, (…) het ervoor moet worden gehouden dat, zo in een gemeente een verordening geldt waarin is geregeld dat de burgemeester in het geval van overlast gevende verstoringen van de openbare orde aan de betrokkene een zogenoemde verblijfsontzegging kan opleggen, deze regeling dient te worden toegepast en artikel 172, derde lid, Gemeentewet dan niet (ook) een grondslag biedt voor het opleggen van een gebiedsontzegging ter zake van verstoringen van de openbare orde waarop de APV het oog heeft.’ Met andere woorden: als er een APV bepaling is, die toereikend is in een bepaald geval, dan kan de gemeente zich niet beroepen op andere wet- of regelgeving.
Casus Samenscholingsverbod vanwege overlast gevende groepen jongeren De burgemeester van Assen zet in de drie zomermaanden van 2016 een samenscholingsverbod in voor overlast gevende jongeren. De overlast bestaat o.a. uit geluidsoverlast, intimideren, het uitdagen van bewoners om de politie te bellen, obstructie van de openbare weg door groepsvorming, het schijnen met laserpennen in woningen, vervuiling en vernieling. Het aantal meldingen van overlast was voor de burgemeester al eerder aanleiding om de Stadhouderslaan aan te wijzen als gebied waarvoor gebiedsontzeggingen kunnen worden gegeven. Het samenscholingsverbod komt daar nog eens bij en geeft de politie extra mogelijkheden tot handhaving. De handhaving van het samenscholingsverbod beperkt zich tot groepen jongeren (4 of meer personen) die zich intimiderend en hinderlijk gedragen. De politie houdt bij de handhaving rekening met het intimiderende en hinderlijke karakter van de samenscholing.
Zakboek Openbare orde en veiligheid
91
Casus Verwijderingsbevel op basis van APV De burgemeester van Amsterdam geeft een man het bevel om zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden niet in dit gebied op te houden. Dit gebeurt omdat betrokkene in het gebied drugs te koop aanbiedt. In het beroep en hoger beroep oordelen de rechtbank en de Raad van State dat de burgemeester terecht het verwijderingsbevel geeft op basis van de APV en niet op basis van de lichte bevelsbevoegdheid (Gemeentewet, artikel 172 lid 3, zie blz. 19) of als maatregel bestrijding ernstige overlast (Gemeentewet, artikel 172a, zie blz. 38). Gelet op het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel is de toepassing van de APV op zijn plaats en niet genoemde bevoegdheden uit de Gemeentewet.
Casus Intrekken vergunning na onherroepelijke veroordeling De burgemeester van Groningen verleent in 2012 en 2014 exploitatievergunningen voor prostitutie-inrichtingen, ondanks het feit dat de exploitant eerder is veroordeeld vanwege betrokkenheid bij een geweldsincident in 2007. Deze veroordeling is echter pas in 2014 onherroepelijk geworden, waarna de burgemeester de vergunningen intrekt. Het onherroepelijk worden van de veroordeling is een verandering van omstandigheden die intrekking rechtvaardigt. De rechtbank en de Raad van State hechten geen betekenis aan het feit dat het delict al 7,5 jaar geleden is gepleegd en dat betrokkene in de tussentijd niet in aanraking is geweest met justitie. Volgens de APV wordt de vergunning niet verleend aan een exploitant of beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is en wanneer aan de exploitant of de beheerder die binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer. Met het onherroepelijk worden van de veroordeling doet zich een dwingende weigeringsgrond voor. 92
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/APV: • Bepalingen model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten • Verwijzingen en bronnen
Zakboek Openbare orde en veiligheid
93
8
Informatie-uitwisseling
Voor de uitoefening van zijn bevoegdheden moet de burgemeester een goede informatiepositie hebben. Hij moet kunnen beschikken over alle informatie die nodig is voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Tegelijkertijd is allerlei justitiële documentatie omkleed met waarborgen, zodat deze niet voor een ieder beschikbaar is. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft een Handleiding verwerking persoonsgegevens opgesteld. Deze handleiding bevat onder andere stroomschema’s, checklists en een toelichting op de wet. Voorts heeft het departement de Handreiking voor Versterking Informatiepositie Burgemeester - ‘Naar een gemeenschappelijk perspectief’ uitgebracht met mogelijkheden voor verstrekking van gegevens door Openbaar Ministerie en politie bij standaard veiligheidsproblemen, complexe veiligheidsproblemen en in crisissituaties.
Strafvorderlijke gegevens van het OM Het OM mag strafvorderlijke gegevens met de burgemeester delen indien het noodzakelijk is ten behoeve van de openbare orde handhaving en met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, zoals voorkomen van strafbare feiten. De grondslag voor het verstrekken van gegevens wordt gegeven in artikel 39 van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens (WJSG). De ruimte die de WJSG geeft is door het Parket-Generaal ingevuld in de Aanwijzing verstrekking strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen. De Aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. 94
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Meer specifiek staan hierin de gevallen beschreven waarin het OM informatie deelt met de burgemeester. Het gaat dan bijvoorbeeld om de volgende situaties: • het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, • het handhaven van de openbare orde en veiligheid, • het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing (bv bestuursdwang), • het beoordelen van de noodzaak tot het nemen van rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel. Het OM is niet verplicht om informatie te verstrekken aan de burgemeester. De afweging om al of niet te verstrekken maakt het OM. Daarbij spelen overwegingen van subsidiariteit, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Bij het verstrekken van de gegevens wordt in het algemeen in acht genomen dat deze niet herleidbaar zijn tot andere personen dan de betrokkenen. Te grote terughoudend in het delen van informatie belemmert een gezamenlijke en doeltreffende aanpak van de veiligheidsproblematiek. Daarnaast bestaat er op grond van de Wet Bibob de mogelijkheid voor de officier van justitie een bestuursorgaan te laten weten dat het wenselijk is om een Bibob-advies aan te vragen over een bepaald persoon of bepaalde onderneming. De officier van justitie mag deze tip alleen geven als hij over informatie beschikt dat die persoon of dat bedrijf betrokken is bij strafbare feiten.
Op zijn beurt mag het Landelijk Bureau Bibob de officier van justitie berichten over gegevens uit een advies over betrokkenheid bij strafbare feiten. Dat kan ook als de adviesaanvraag ingetrokken wordt, of als het advies strekt tot geen gevaar of mindere mate van gevaar.
Wet politiegegevens De Wet politiegegevens (Wpg) is de privacywet voor de uitvoering van de politietaak. Persoonsgegevens die door de politie verwerkt Zakboek Openbare orde en veiligheid
95
worden, betreffen vaak bijzondere gegevens. De Wpg geeft regels voor het beheer van deze gegevens door de politie. In deze wet is het van belang dat het doel waarvoor (politie) gegevens verwerkt duidelijk bepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd is. Voor de handhaving van de openbare orde is de burgemeesters afhankelijk van politiegegevens. Daarom is in de Wpg opgenomen dat deze aan de burgemeesters verstrekt worden voor zover zij deze nodig hebben in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie of in het kader van de handhaving van de openbare orde. De korpschef is verantwoordelijk voor het verstrekken van de politiegegevens. Het ligt dan ook voor de hand dat de burgemeesters met de chef van de territoriale eenheid van de politie afspraken maken over de wijze waarop de inzage in de politiegegevens wordt ingericht.
Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen (BIJ) Terugkeer van (zeden)delinquenten kan maatschappelijke onrust veroorzaken. Burgemeesters willen daarom tijdig geïnformeerd worden als een pleger van een gewelds- of zedendelict in de gemeente terugkeert. Om in deze informatiebehoefte te voorzien, kunnen gemeenten zich aansluiten bij het BIJ-traject (Bestuurlijke Informatie Justitiabelen-traject). Via BIJ worden burgemeesters van aangesloten gemeenten 60 dagen voordat een ernstig gewelds- of zedendelinquent terugkeert in de maatschappij, geïnformeerd. Het kan gaan om de definitieve terugkeer of om verlof. Vervolgens kan beoordeeld worden of er als gevolg van deze terugkeer verstoringen van de openbare orde kunnen ontstaan. De burgemeester beslist vervolgens of er maatregelen moeten worden getroffen om deze verstoringen te voorkomen. Dit dient niet alleen ter bescherming van de belangen van de samenleving en het slachtoffer, maar ook ter voorkoming van problemen voor de (ex-)justitiabele.
96
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
Op www.burgemeesters.nl/bevoegdheden/ infouitwisseling: • Wetsteksten • Handleiding verwerking persoonsgegevens • Handreiking voor Versterking Informatiepositie Burgemeester - ‘Naar een gemeenschappelijk perspectief’ • Afsprakenkader terugkeer van ex-gedetineerden • Bronnen en verwijzingen
Zakboek Openbare orde en veiligheid
97
9
Wetgeving in aantocht
De bevoegdheden van de burgemeester zijn geen statisch gegeven. De wetgever brengt met regelmaat verandering in de taken en bevoegdheden van de burgemeester. Op dit moment (december 2016) hebben de Tweede en Eerste Kamer diverse wetsvoorstellen in behandeling met nieuwe of gewijzigde bevoegdheden van de burgemeester. Hoewel het onduidelijk is hoe de parlementaire behandeling zal verlopen en of de voorstellen tot wetswijzigingen leiden, is in dit hoofdstuk een overzicht opgenomen van de voorstellen die in behandeling zijn bij het parlement. De wetgeving betreft: • Wetsvoorstel bestrijding woonoverlast • Uitbreiding sluitingsmogelijkheid Opiumwet • Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Voorts is er discussie over andere mogelijke bevoegdheden voor de burgemeester. Daarvan is onzeker of deze zullen leiden tot concrete wetsvoorstellen. Vanwege de onzekerheid daarover besteedt dit zakboek er geen aandacht aan. Wel kunt u op www.burgemeesters.nl/ bevoegdheden een actueel overzicht vinden van de wetgeving die in aantocht is.
Wetsvoorstel bestrijding woonoverlast De Tweede Kamer heeft een initiatiefvoorstel in behandeling, waarmee in de Gemeentewet een bevoegdheid voor de burgemeester wordt opgenomen tot het geven van een specifieke gedragsaanwijzing bij woonoverlast. Hiermee willen de initiatiefnemers het woongenot en gevoelens van veiligheid van slachtoffers van woonoverlast vergroten. De burgemeester kan de overlastgever een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen 98
Nederlands Genootschap van Burgemeesters
moet doen of juist moet laten. De burgemeester kan pas een gedragsaanwijzing geven als een waarschuwing, mediation of buurtbemiddeling niet werken. Wanneer deze gerichte aanpak niet werkt, kan alsnog de woning gesloten worden.
Uitbreiding sluitingsmogelijkheid Opiumwet Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel ingediend om de sluitingsbevoegdheid uit te breiden voor strafbare voorbereidingshandelingen. De burgemeester kan dan op grond van artikel 13b van de Opiumwet tevens een woning of ander pand sluiten als daar alleen voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duidelijk bestemd zijn voor het bereiden of telen van drugs, zoals bepaalde apparatuur of chemicaliën.
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Al geruime tijd ligt bij de Tweede Kamer is een voorstel voor een nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg aanhangig die de huidige Wet bopz moet vervangen. Het wetsvoorstel is al diverse malen ingrijpend gewijzigd. De nieuwe wet moet gedwongen opname zoveel mogelijk voorkomen. Verplichte zorg kan straks ook buiten een instelling opgelegd worden. De IBS is in het wetsvoorstel vervangen door de crisismaatregel, waarbij de burgemeester ook kan instemmen met ambulante zorg of andere zorg buiten gedwongen opname. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel de observatiemaatregel waartoe de burgemeester kan besluiten. Dit besluit tot gedwongen opname is uitsluitend bedoeld om in een periode van maximaal 3 dagen onderzoek te laten verrichten naar de aard van de psychische stoornis en de vraag of die stoornis ernstig nadeel doet veroorzaken.
Zakboek Openbare orde en veiligheid
99
Bijlage Bevoegdheden in overige wetgeving
In dit Zakboek openbare orde en veiligheid zijn de voornaamste bevoegdheden van de burgemeester om de openbare orde en veiligheid te handhaven in het kort behandeld. Daarnaast zijn er nog enkele tientallen wetten waar burgemeester in specifieke omstandigheden bevoegdheden aan kan ontlenen. Vanwege het specifieke karakter van deze wetten en bevoegdheden zijn deze niet in dit zakboek behandeld. Een overzicht van wetten waarin de burgemeester als verantwoordelijk bestuursorgaan in wordt genoemd: • Algemene Wet op het binnentreden • Inkwartieringswet • Kernenergiewet • Oorlogswet voor Nederland • Distributiewet 1939 • Wegenverkeerswet 1994 • Wet bodembescherming • Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden • Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag • Wet inzake de luchtverontreiniging • Wet op de kansspelen • Wet op de openluchtrecreatie • Wet rampen en zware ongevallen • Wet verplaatsing bevolking • Zondagswet • Onteigeningswet • Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen • Pandhuiswet 1910 • Artikel 428 en 438 Wetboek van Strafrecht • Bodemproductiewet 1939 • Havenbeveiligingswet 100
Nederlands Genootschap van Burgemeesters