Bijlage memo inzake de Zonnevechter 19-5-2025
Tekst van het document
NOTITIE Aan Van Dossiernaam Onze ref. Datum
: : : : :
Gemeente Haarlem (Andrea en Rogier) Pieter Nabben en Esther Dubach Gemeente Haarlem / Zonnevechter D109405 19 mei 2025
Op verzoek van de gemeente reageren wij op de voorgelegde vragen als volgt. I.
Hoe kan de gemeente Haarlem achterhalen of de vermeende rechtsopvolgers daadwerkelijk (alle) rechtsopvolgers zijn van de persoonlijkheidsrechten van de kunstenaar?
Antwoord Uit het boedelregister blijkt dat er 5 erven zijn (zie bijlage 1). De persoonlijkheidsrechten vererven niet. Zij moeten bij testament worden gelegateerd. De mededeling van mevrouw mr. Taru Spronken volgend zijn alle 5 erven bij testament gerechtigd tot de persoonlijkheidsrechten. Mede gelet op haar achtergrond hoeft daar niet aan getwijfeld te worden. Wanneer de gerechtigden zich tegen een besluit van de gemeente willen verzetten, zullen zij desgevraagd moeten aantonen dat zij krachtens het testament gerechtigd zijn.
II.
Is het vereist dat de rechtsopvolgers toestemming geven voor de verplaatsing van het kunstwerk; en zo ja, moeten alle rechtsopvolgers toestemming geven?
Antwoord De wettelijke regeling gaat niet uit van toestemming, maar van de mogelijkheid om zich te verzetten. De gemeente dient dus het voornemen om te verplaatsen kenbaar te maken, en vervolgens de rechthebbenden te vragen of zij zich daartegen verzetten. Opvallend is dat in de Opinienota (kenmerk 22/1696502) onder punt 4 is vastgelegd dat de familie middels een brief op de hoogte is gebracht over de voorgenomen verplaatsing, terwijl mevrouw mr. Taru Spronken in haar mailbericht van 19 maart jl. schrijft dat de rechthebbenden over de voorgenomen verplaatsing niet zijn gehoord. Er lijkt dus een communicatieprobleem te ontstaan. Het voornemen dient opnieuw aan de
1
rechthebbenden te worden voorgelegd, met een volledige beschrijving van het plan en met en deugdelijke onderbouwing van de gronden voor de voorgenomen verplaatsing. In beginsel kan elke rechthebbende zich tegen verplaatsing verzetten, maar als de anderen geen bezwaren hebben, kan dat meewegen in de vraag of het verzet gegrond is. Als de gemeente – nadat de rechthebbenden zijn gehoord – besluit om de voorgenomen verplaatsing door te zetten, dient zij de rechthebbenden te wijzen op de wettelijke mogelijkheid om zich tegen de verplaatsing te verzetten. Zij kunnen in dat geval bij de voorzieningenrechter een voorziening vragen, gericht op een verbod om het werk te verplaatsen. In die procedure wordt het voornemen getoetst aan artikel 25 Auteurswet. III. Indien een aantal rechtsopvolgers geen toestemming geven (en de anderen wel), wat kan de gemeente Haarlem ondernemen om vervangende toestemming te verkrijgen? Antwoord Zie het antwoord op vraag II. Op basis van het bericht van mevrouw Taru Spronken zijn alle 5 erven gerechtigd tot de persoonlijkheidsrechten m.b.t. het kunstwerk. De gemeente zal dus aan alle vijf gerechtigden het voornemen kenbaar moeten maken om het werk te verplaatsen, waarbij een redelijke termijn kan worden gesteld waarbinnen zij zich daartegen kunnen verzetten. Het voornemen tot verplaatsing dient te worden beschreven en onderbouwd te worden.
We hebben contact gehad met boedelnotaris mr. Van Kan. Hij zegde toe om contact op te nemen met de twee erven met wie nog geen contact tot stand is gekomen.
IV. Mag de gemeente Haarlem het kunstwerk verplaatsen en in hoeverre handelt zij daarmee in strijd met persoonlijkheidsrechten en welke criteria spelen een (doorslaggevende) rol bij een eventuele belangenafweging? Antwoord Deze vraag lijkt ons de meest belangrijke. In 1990 is een procedure gevoerd over de vraag wat ‘het kunstwerk’ in dit geval is. De uitkomst daarvan is dat de rechter het beeld en de fonteinbak niet los van elkaar ziet en dat verwijdering van alleen de fonteinbak in beginsel een “aantasting” van het kunstwerk is. Die term is relevant omdat de rechthebbenden zich op grond van art. 25 lid 1 sub d Auteurswet kunnen verzetten tegen “aantasting”. Afgezien van de relatie met
2
de fonteinbak geldt ook meer in het algemeen dat verplaatsing van een kunstwerk (zonder fonteinbak) onder omstandigheden als “aantasting” kan worden aangemerkt. De rechter laat daar doorgaans een belangenafweging op los. Het is in beginsel aan de rechthebbenden om te stellen en te bewijzen dat de belangen van de gemeente bij verplaatsing ondergeschikt zijn aan die van de rechthebbenden bij handhaving van de bestaande locatie. In het onderhavige geval zullen de rechthebbenden vermoedelijk stellen dat het kunstwerk niet mag worden verplaatst omdat in de eerdere procedure (in 1990) door de rechter is overwogen dat de gemeente: ”wel degelijk de contractuele verplichting op zich heeft genomen tot plaatsing van de Zonnevechter in een fontein op de Grote Markt. Spronken heeft ook speciaal met het oog op die plaats, tegen de achtergrond van Vleeshal en Vishal ‘de Zonnevechter’ ontworpen en uitgevoerd”. Daar staat tegenover dat de fonteinbak niet werkt, dat herstel zeer kostbaar is, dat de bak onveilig is en dat het werk kwetsbaar is voor vandalisme en vervuiling. Plaatsing in het water (in de Singel, nabij Museum van de Geest) is in dat opzicht te verkiezen terwijl op die locatie het verband met water behouden blijft.
Afgezien daarvan is het gebruik van de Grote Markt als publieke ruimte veranderd (geïntensiveerd) zodat ok op die grond voor de gemeente wenselijk is dat het werk wordt verplaatst. Uit rechtspraak blijkt dat de rechter zal beoordelen of de gemeente zich voldoende heeft ingespannen om het werk te behouden en in werking te houden, of er een wanverhouding bestaat tussen herstel- en onderhoudskosten enerzijds en de voor het kunstwerk gemaakte realisatiekosten anderzijds. In de rechtspraak is in dat verband betekenis toegeschreven aan de door VNG uitgegeven “Handreiking beeldende kunst in de openbare ruimte” (onder meer in ECLI:NL:GHARL:2013:8518, rechtsoverweging 3.16). Ook speelt daarbij een rol of de gemeente heeft aangeboden het werk terug te geven aan de rechthebbenden en/of zij in de gelegenheid zijn gesteld om het werk op de bestande locatie goed te documenteren. Omstandigheden die in een voor de gemeente gunstige richting wijzen zijn onder meer: i. De fonteinbak is al geruime tijd defect en de kosten voor duurzaam herstel worden geraamd op € 177.000,- hetgeen mogelijk als onevenredig kan worden aangemerkt. ii.
Naast de kosten voor herstel zijn de jaarlijkse onderhoudskosten geraamd op nog eens € 12.000,- hetgeen dus een voortdurende last voor de gemeente is en ook dat kan mogelijk bijdragen aan de conclusie dat handhaving van het werk op de huidige locatie in redelijkheid niet van de gemeente kan worden gevraagd.
3
iii. Omdat beeld en fonteinbak kennelijk als onlosmakelijk geheel worden gezien, is voorts mogelijk relevant dat de fonteinbak lijdt onder vandalisme en vervuiling, op een belangrijke zichtlocatie van de gemeente. iv. Aan die conclusie kan voorts bijdragen dat zowel de trappen als de fonteinbak veiligheidsrisico’s meebrengen (die tot nu toe nog slechts hebben geleid tot kleine ongelukken), en er daarom planken over de bak gelegd moesten worden zodat handhaving van het werk op de huidige locatie ook afbreuk doet aan de uitstraling van het werk. v. Met genoemde factoren hangt samen dat de Grote Markt steeds intensiever wordt gebruikt en de gemeente de ruimte zoveel mogelijk vrij beschikbaar moet houden. Er lijken dus redelijke gronden aan te wijzen voor verplaatsing, mits de rechthebbenden voldoende gelegenheid wordt geboden om mee te denken over de inrichting op de nieuwe locatie (in de Singel, nabij Museum Van de Geest). Of een en ander voldoende is voor een positieve rechterlijke uitspraak blijft uiteraard onzeker.
V.
In hoeverre is de gemeente verplicht om een waterpartij of meer specifiek een fontein te plaatsen onder de Zonnevechter als deze op de Grote Markt blijft staan, aangezien dat de uitspraak van de rechter in 1991 was.
Antwoord Zie het antwoord op vraag IV. Een “droge opstelling” (dus zonder de fonteinbak) is volgens de rechter in beginsel een “aantasting” van het kunstwerk waartegen dus verzet mogelijk is. Destijds heeft echter geen afweging plaatsgevonden met de belangen die nu wèl een rol spelen (defecte fonteinbak, kostbaar herstel, onveiligheid, kwetsbaar voor vandalisme en vervuiling). In overleg met de gerechtigden kan uiteraard een afwijkende afspraak worden gemaakt, bijvoorbeeld dat de fonteinbak kan worden verwijderd.
Alternatief Aanvullend bespreken we nog kort een alternatief. Als handhaving van het werk op de huidige locatie voor de gemeente op redelijke gronden geen optie is, en verplaatsing niet kan rekenen op medewerking van de gerechtigden en ook de rechter verplaatsing zou verbieden, is vernietiging van het werk mogelijk een alternatief. Dat lijkt vreemd, maar vernietiging van het werk wordt in de regel gezien als minder bezwarend dan aantasting van het werk. De Hoge Raad overwoog
4
daarover dat: “(… ) de totale vernietiging van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van het werk in de zin van art. 25 lid 1, aanhef en onder d, Aw.”1 Daarmee is echter niet gezegd dat het de eigenaar steeds vrij staat om een aangekocht werk zomaar te vernietigen. In dezelfde uitspraak overwoog de Hoge Raad (in overweging 4.6) dat het vernietigen van een kunstwerk onder omstandigheden misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW kan opleveren. Met name als het om unieke werken gaat (zoals in het onderhavige geval), kan onder meer verlangd worden: “dat hij slechts dan tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk behoorlijk te doen documenteren, althans de maker de gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te stellen.” Of de gemeente de grenzen van artikel 3:13 BW overgaat, is een feitelijke beoordeling door de rechter en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De rechtspraak lijkt als uitgangspunt te nemen dat vernietiging is toegestaan en dat het aan de gerechtigden is om te stellen en te bewijzen dat de gemeente van haar bevoegdheid tot vernietiging misbruik maakt.
De hiervoor bij vraag IV genoemde omstandigheden (i) t/m (iv) kunnen bijdragen aan de conclusie dat vernietiging is toegestaan. Mogelijk speelt daarbij ook een rol dat een redelijk alternatief wordt geboden (verplaatsing in overleg). Als daar aan geen medewerking wordt verleend, is denkbaar dat vernietiging als aanvaardbaar alternatief wordt aangemerkt. Daartegenover staat dat het een werk betreft van een gerenommeerd kunstenaar en dat het een uniek exemplaar is. Ook hier geldt dan ook dat de uitkomst van een procedure onzeker blijft.
1 HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7830, in 4.5.
5