Bijlage A6a PlanMER Warmteprogramma gemeente Haarlem
Tekst van het document
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
84
Projectgerelateerd
Alternatief 1: Grootschalig middentemperatuur warmtenet Aanleg
Bij geothermie kan voorafgaand aan de aanlegfase een seismisch bodemonderzoek worden uitgevoerd, waarbij geluidsgolven worden gebruikt om de ondergrond in kaart te brengen. Dit onderzoek veroorzaakt lichte trillingen in de bodem, die in de omgeving soms voelbaar zijn. De kans op schade of ernstige overlast is echter zeer klein. Ook is het niet aannemelijk dat aardwarmtewinning op een later moment tot bodembevingen leidt. Tijdens de aanlegfase worden de geothermieputten geboord en de installatie opgebouwd. Deze werkzaamheden, evenals het bijbehorende verkeer, kunnen tijdelijk trillinghinder veroorzaken voor omwonenden. De hinder is beperkt in duur (enkele weken) en locatie, waarbij uit wordt gegaan van uitvoering van één geothermieproject binnen de gemeente tegelijkertijd. Bij de aanleg van aquathermie-installaties en collectieve warmtepompen worden diverse machines ingezet en moet materieel naar en van de locatie worden vervoerd. Vooral het (zware) transport over ongelijke ondergrond kan trillingen veroorzaken in de omgeving. Om de verschillende alternatieven goed te kunnen beoordelen op mogelijke trillinghinder tijdens de aanlegfase, is gekeken naar het type materieel en transport dat nodig is.
Zoals beschreven in hoofdstuk 6 vereist de aanleg van een grootschalig warmtenet het gebruik van machines voor het plaatsen van transport- en distributieleidingen en bijbehorende installaties. Hiervoor moeten straten worden opengebroken, wat gepaard gaat met het gebruik van zwaar materieel en transportbewegingen. Na afronding van de werkzaamheden wordt vaak een trilplaat gebruikt om de straat weer egaal te maken. Door deze werkzaamheden en het bijbehorende transport wordt enige trillinghinder verwacht tijdens de aanleg van het warmtenet en de bouw van de installaties. De installaties worden geconcentreerd op enkele strategische locaties binnen de gemeente Haarlem, waardoor de hinder gebonden is aan specifieke locaties. Alternatief 1 wordt daarom als licht negatief beoordeeld.
Gebruik
Tijdens de gebruiksfase van de geothermie-installatie is geen trillinghinder te verwachten. Ook het risico op aardbevingen als gevolg van geothermie is verwaarloosbaar. Voor alternatief 1 worden in de gebruiksfase geen effecten op trillinghinder verwacht.
Alternatief 2: Decentraal middentemperatuur warmtenet Aanleg
De aanleg van een decentraal MT warmtenet omvat grotendeels dezelfde werkzaamheden als bij alternatief 1. Daarnaast zijn extra machines en transportbewegingen nodig voor de realisatie van een collectieve warmtepomp en een WKO/OBES-bronlocatie. Bij de aanleg van een OBES-bron worden boringen uitgevoerd. Wanneer deze boringen plaatsvinden in de directe nabijheid van gebouwen of constructies, moet rekening worden gehouden met mogelijke negatieve effecten op bijvoorbeeld funderingen.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
85
Projectgerelateerd
Deze effecten kunnen ontstaan door grondontspanning tijdens het boorproces en bij het plaatsen van een mantelbuis. Omdat de installaties zich in de buurt zelf bevinden, is de impact van trillingen door werkzaamheden en verkeer sterker merkbaar op buurtniveau. Daarom wordt alternatief 2 beoordeeld als licht negatief. Gebruik
Tijdens de gebruiksfase worden bij alternatief 2 geen effecten op trillinghinder verwacht.
Alternatief 3 – Zeer laagtemperatuur warmtenet Aanleg
Ook bij alternatief 3 zijn machines en transportmiddelen nodig voor de aanleg van leidingen en WKO/OBES-bronlocaties. De boringen die bij een OBES-installatie plaatsvinden kunnen trillinghinder veroorzaken. De installaties voor pieklast zorgen in dit alternatief niet voor trillingen, omdat de temperatuur van het water pas in de woning zelf wordt verhoogd. Een belangrijk verschil met alternatief 2 is dat er bij alternatief 3 aanzienlijk meer transformatorhuisjes nodig zijn. Dit leidt tot extra graaf- en bouwwerkzaamheden, evenals meer bouwverkeer. Deze activiteiten kunnen lokaal trillinghinder veroorzaken, waardoor alternatief 3 als licht negatief wordt beoordeeld.
Gebruik
Tijdens de gebruiksfase worden bij alternatief 3 geen effecten op trillinghinder verwacht.
Alternatief 4 – Individuele luchtwarmtepompen Aanleg
Voor de aanleg van individuele luchtwarmtepompen is slechts beperkte inzet van machines en zwaar transport nodig. Installateurs gebruiken voornamelijk werkbusjes om de woningen te bereiken. Wel moeten er, net als bij andere alternatieven, een aanzienlijk aantal transformatorhuisjes worden gebouwd. Dit brengt graafwerkzaamheden en transport met zich mee, maar deze activiteiten zijn relatief kleinschalig. Hierdoor is het risico op trillinghinder tijdens de aanlegfase beperkt, en wordt alternatief 4 als neutraal beoordeeld.
Gebruik
Tijdens de gebruiksfase kunnen luchtwarmtepompen trillingen veroorzaken door de werking van de compressor en ventilator. Deze trillingen kunnen leiden tot geluidsoverlast en in sommige gevallen schade aan de installatie of het gebouw. Door de warmtepomp op een stabiele ondergrond te plaatsen en trillingsdempers toe te passen, kunnen deze effecten worden voorkomen of verminderd. In de praktijk komt het echter voor dat installaties niet correct worden gemonteerd of zonder dempers worden geplaatst, wat kan leiden tot matige overlast. Daarom wordt alternatief 4 in de gebruiksfase als licht negatief beoordeeld.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
86
Projectgerelateerd
Alternatief 5 – Individuele bodemwarmtepomp Aanleg
Bij de aanleg van individuele bodemwarmtepompen moet bij elke woning een bodemlus worden geboord. Dit vereist per woning een booropstelling, die per vrachtwagen wordt aangevoerd, evenals een voertuig om de afgegraven grond af te voeren. De mechanische boringen kunnen tijdelijk trillinghinder veroorzaken. Daarnaast moeten ook bij dit alternatief meerdere transformatorhuisjes worden gebouwd, waarvoor eveneens machines en transport nodig zijn. Door deze werkzaamheden wordt het risico op trillinghinder tijdens de aanlegfase als licht negatief beoordeeld voor alternatief 5.
Gebruik
Tijdens de gebruiksfase worden bij alternatief 5 geen effecten op trillinghinder verwacht.
Conclusie generieke effectbeoordeling trillingen De bovenstaande beschrijving van effecten resulteert in de volgende effectbeoordeling. Tabel 8-6: Generieke effectbeoordeling geluidhinder en trillingen
Fase
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Alternatief 4
Alternatief 5
Aanlegfase
0/-
0/-
0/-
0
0/-
Gebruiksfase
0
0
0
0/-
0
Effectbeoordeling trillingen per wijktype Er is geen effectbeoordeling op wijktypeniveau mogelijk, omdat er geen onderscheidende kenmerken op het niveau van wijktypen beschikbaar is om de generieke effectbeoordeling te specificeren. Locatie specifieke aandachtspunten en warmtebronnen Er zijn geen specifieke lokale aandachtspunten.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
87
Projectgerelateerd
8.2
Straling
In deze paragraaf zijn de milieueffecten met betrekking tot het thema straling beschreven. Dit thema is voornamelijk relevant voor de benodigde netverzwaring om de warmtetransitie mogelijk te maken. Hierin wordt stilgestaan bij elektromagnetische straling. Tabel 8-7: Beoordelingskader Straling
Thema
Aspect
Indicator
Straling
Elektromagnetische straling
Toename van laagfrequente geluid en elektromagnetische straling
8.2.1
Beleidskader straling
Tabel 8-8: Beleidskader straling
Kader
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Nationaal beleid
Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen (2023)
8.2.2
Het voorzorgbeleid is erop gericht om langdurige blootstelling aan magneetvelden van elektriciteitsinfrastructuur – zoals hoogspanningslijnen – zoveel mogelijk te voorkomen, zowel voor volwassenen als voor kinderen. Op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn er richtafstanden vastgesteld tussen hoogspanningslijnen en gevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. Ook zijn er bronmaatregelen voorgeschreven bij de aanleg van nieuwe elektriciteitsinfrastructuur. Doel van deze maatregelen is om in gebieden waar kinderen langdurig verblijven, de gemiddelde magneetveldsterkte niet hoger dan 0,4 microtesla per jaar te laten zijn
Elektromagnetische straling
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen Elektromagnetische straling is overal om ons heen aanwezig. Hoogspanningslijnen vormen één van de bronnen van deze straling. Hoewel de Nederlandse wet geen directe grens stelt aan de sterkte van magneetvelden, adviseert de Europese Unie een blootstellingslimiet van 100 microtesla. In de praktijk blijven de magneetvelden rondom transformatorhuisjes en elektriciteitskabels volgens onderzoek in Nederland ruim onder deze grens. Er is geen informatie over hoeveelheden elektromagnetische straling in Haarlem beschikbaar.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
88
Projectgerelateerd
Autonome ontwikkelingen Door toename van gebruik van elektriciteit neemt ook de vraag naar transformatorhuisjes en hoogspanningslijnen toe. Het is echter onduidelijk of dit leidt tot meer elektromagnetische straling. De invloed van elektromagnetische velden op de gezondheid is complex en wordt nog steeds onderzocht. Sommige studies suggereren dat langdurige blootstelling aan magneetvelden boven de 0,4 microtesla, zoals bij bovengrondse hoogspanningslijnen, mogelijk samenhangt met een verhoogd risico op gezondheidsproblemen zoals leukemie bij kinderen. Deze verbanden zijn echter niet eenduidig bewezen. Toch worden uit voorzorg enkele maatregelen aanbevolen, vooral als het om kinderen gaat. Binnen het warmteprogramma richt het onderzoek naar elektromagnetische velden zich uitsluitend op de extra transformatorhuisjes en ondergrondse kabels die nodig zijn voor de elektrificatie van de warmtevraag in de verschillende alternatieven. De sterkte van het magnetisch veld neemt af naarmate de afstand tot de bron – het transformatorhuisje of de kabel – groter wordt. Generieke effectbeoordeling elektromagnetische straling Ondergrondse elektriciteitskabels en transformatorhuisjes genereren laagfrequente elektrische en magnetische velden. Het elektrische veld wordt grotendeels tegengehouden door isolatiemateriaal rond de kabels, muren en andere obstakels.
Magnetische velden daarentegen kunnen wél door deze barrières heen dringen. De sterkte van zo’n magnetisch veld wordt uitgedrukt in microtesla en is afhankelijk van de hoeveelheid stroom: hoe hoger de stroom, hoe sterker het veld. Bij transformatorhuisjes is het magnetisch veld aan de kant waar de elektriciteit met lage spanning het huisje verlaat meestal het sterkst. Alternatief 1 – Grootschalig middentemperatuur warmtenet Aanleg
Voor alternatief 1 worden in de aanlegfase geen effecten met betrekking tot straling verwacht. Er zijn geen aanvullende werkzaamheden of installaties die leiden tot hinder. Daarom wordt deze fase als neutraal beoordeeld.
Gebruik
Het aantal benodigde transformatorhuisjes neemt in alternatief 1 nauwelijks toe ten opzichte van de referentiesituatie. Het grootschalige warmtenet wordt daarom ook in deze fase als neutraal beoordeeld.
Alternatief 2 – Decentrale middentemperatuur warmtenet Aanleg
Voor alternatief 2 worden in de aanlegfase geen effecten met betrekking tot straling verwacht. Er zijn geen aanvullende werkzaamheden of installaties die leiden tot hinder. Daarom wordt deze fase als neutraal beoordeeld.
Gebruik
De beoordeling voor alternatief 2 is gelijk aan die van alternatief 1.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
89
Projectgerelateerd
Alternatief 3 – Zeer laagtemperatuur warmtenet Aanleg
Voor alternatief 3 worden in de aanlegfase geen effecten met betrekking tot straling verwacht. Er zijn geen aanvullende werkzaamheden of installaties die leiden tot hinder. Daarom wordt deze fase als neutraal beoordeeld.
Gebruik
Bij alternatief 3 worden relatief veel extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels aangelegd. Dit vergroot de kans op mogelijke negatieve effecten door elektromagnetische velden. Netbeheerders hebben zich echter gecommitteerd aan het beleidsadvies over magneetvelden van het elektriciteitsnetwerk. Bij naleving van deze richtlijnen zijn er geen negatieve effecten van laagfrequente magneetvelden te verwachten. Het uitgangspunt is dat de richtlijnen bij de inpassing van transformatorhuisjes worden gevolgd. Daarom wordt alternatief 3 in de gebruiksfase als neutraal beoordeeld.
Alternatief 4 – Individuele luchtwarmtepompen Aanleg
Voor alternatief 4 worden in de aanlegfase geen effecten met betrekking tot straling verwacht. Er zijn geen aanvullende werkzaamheden of installaties die leiden tot hinder. Daarom wordt deze fase als neutraal beoordeeld.
Gebruik
In vergelijking met alternatief 3 zijn bij alternatief 4 meer transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig. Dit vergroot het risico op mogelijke hinder door elektromagnetische velden. Net als bij alternatief 3 geldt echter dat het uitgangspunt is dat de richtlijnen voor de inpassing van transformatorhuisjes worden nageleefd. Bij naleving van deze richtlijnen zijn geen negatieve effecten van laagfrequente magneetvelden te verwachten. Daarom wordt alternatief 4 in de gebruiksfase als neutraal beoordeeld.
Alternatief 5 – Individuele bodemwarmtepomp Aanleg
Voor alternatief 5 worden in de aanlegfase geen effecten met betrekking tot straling verwacht. Er zijn geen aanvullende werkzaamheden of installaties die leiden tot hinder. Daarom wordt deze fase als neutraal beoordeeld.
Gebruik
Bij alternatief 5 is, net als bij alternatief 4, een groot aantal extra transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig. Dit kan leiden tot een verhoogd risico op hinder door elektromagnetische velden. Toch geldt ook hier dat het uitgangspunt is dat de richtlijnen voor de inpassing van transformatorhuisjes worden nageleefd. Bij naleving van deze richtlijnen worden geen negatieve effecten verwacht. Daarom wordt alternatief 5 in de gebruiksfase als neutraal beoordeeld.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
90
Projectgerelateerd
Conclusie generieke effectbeoordeling elektromagnetische straling De bovenstaande beschrijving van effecten resulteert in de volgende effectbeoordeling. Tabel 8-9: Generieke effectbeoordeling elektromagnetische straling
Fase
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Alternatief 4
Alternatief 5
Aanlegfase
0
0
0
0
0
Gebruiksfase
0
0
0
0
0
Effectbeoordeling elektromagnetische straling per wijktype Netbeheerders hebben zich gecommitteerd aan het beleidsadvies over magneetvelden van het elektriciteitsnetwerk. Bij naleving van deze richtlijnen worden geen negatieve effecten van magneetvelden verwacht. In wijktypen met weinig openbare ruimte is het inpassen van transformatorhuisjes echter lastiger dan in buurten met meer beschikbare ruimte. Om dit effect mee te wegen, is het kenmerk ‘percentage openbare ruimte’ gebruikt. Wijktypen met een laag aandeel openbare ruimte hebben daardoor een verhoogd risico op invloed door elektromagnetische velden. Dit is weergegeven in Figuur 8-12.
Figuur 8-12:Risicodeling percentage openbare ruimte
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
91
Projectgerelateerd
Voor alternatieven waarbij veel transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig zijn, hebben de wijktypen bedrijven, historische binnenstad, hoogbouw, tuindorp, volkswijk en vooroorlogse woonwijk licht negatieve beoordeling gekregen. Deze buurten beschikken over relatief weinig openbare ruimte, wat het inpassen van transformatorhuisjes bemoeilijkt. Hierdoor neemt het risico op elektromagnetische velden toe. Conclusie effectbeoordeling elektromagnetische straling per wijktype De bovenstaande beschrijving van effecten resulteert in de opgenomen effectbeoordeling per wijktype in Tabel 8-10. Tabel 8-10: Effectbeoordeling elektromagnetische straling per wijktype
Wijktype Historische binnenstad
Fase
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Alternatief 4
Alternatief 5
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Volkswijk
Tuindorp
Vooroorlogse woonwijk
Naoorlogse woonwijk
Tuinstad laagbouw
Tuinstad hoogbouw
Hoogbouw
Bloemkoolwijk
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
92
Projectgerelateerd
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0/-
0/-
0/-
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Aanleg
0
0
0
0
0
Gebruik
0
0
0
0
0
Vinex-wijk
Villawijk
Vernieuwd
Bedrijven
Groen
Divers
Locatie specifieke aandachtspunten en warmtebronnen Het gemiddelde percentage openbare ruimte op buurtniveau wijkt in enkele gevallen af van het gemiddelde per wijktype. In bijlage 4 is te zien welke buurten afwijken van het gemiddelde per wijktype. Verder zijn er geen locatie specifieke omstandigheden binnen de gemeente Haarlem die aanleiding geven tot een aangepaste of genuanceerde beoordeling van de alternatieven.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
93
Projectgerelateerd
8.3
Bodem
In deze paragraaf zijn de milieueffecten met betrekking tot het thema bodem beschreven. Hierin wordt stilgestaan bij bodemkwaliteit. Tabel 8-11: Beoordelingskader Bodem
Thema
Bodem
8.3.1
Aspect
Indicator
Bodemkwaliteit (netwerklaag)
De impact die de aanleg of het gebruik van een alternatief op de biologische, chemische en fysische bodemkwaliteit in de netwerklaag heeft.
Beleidskader bodem
Tabel 8-12: Beleidskader bodem
Kader
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Nationaal beleid
Omgevingswet met onderliggende besluiten en regelingen
De Omgevingswet richt zich op het beschermen van de bodemkwaliteit, het voorkomen van verontreiniging en het bevorderen van duurzaam gebruik van de bodem. Via het Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit worden normen gegeven voor activiteiten in en gebruik van de bodem.
Handelingskader hergebruik PFAShoudende grond (december 2023)
Het handelingskader bevat de richtlijnen voor het hergebruik van PFAShoudende grond.
CROW 400
Richtlijn voor het veilig werken in verontreinigde grond.
Provinciaal beleid Provinciale omgevingsverordening
In de Provinciale omgevingsverordening staan de uitgangspunten voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit.
Gemeentelijk beleid Omgevingsplan
In het omgevingsplan staan lokale normen en regels voor grondverzet en bodemkwaliteit.
Nota bodembeheer
In de Nota bodembeheer staan lokale normen en regels voor grondverzet en bodemkwaliteit. Deze blijven gelden zolang ze nog niet zijn overgenomen in het omgevingsplan.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
94
Projectgerelateerd
Kader
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Beleidsregel PFAS
Gemeentelijke regels voor de omgang met PFAS-houdende grond.
Ecologisch beleidsplan
Gemeentelijke uitgangspunten voor ecologie
8.3.2
Bodemkwaliteit
Huidige situatie De ondergrond in Haarlem bestaat uit verschillende sedimenttypen, met zand in het westen en veen in het oosten van de gemeente. Gecombineerd met de waterstand bepalen deze sedimenttypen de fysische kwaliteit van de bodem. De gemeente Haarlem heeft de chemische bodemkwaliteit in kaart gebracht op de bodemkwaliteitskaart. Hierop is de kwaliteit van de bodem ingedeeld naar kwaliteitsklassen voor de bovenste halve meter (Figuur 8-14) en van 0,5-2,0 m (Figuur 8-15). De diepere ondergrond is minder door mensen beïnvloed, hoewel mobiele verontreinigingen wel naar deze lagen kunnen zakken. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat het historische stadscentrum een mindere bodemkwaliteit heeft dan wijken die recenter aangelegd zijn. Dit is gerelateerd aan de historische activiteiten die in het centrum hebben plaatsgevonden, toen wetgeving rondom bodemverontreiniging minder streng was dan de wetgeving nu. De bodemkwaliteitskaart geeft het uitgangspunt voor de bodemkwaliteit in de gemeente Haarlem. Wettelijk is bepaald dat het niet toegestaan is de bodemkwaliteit te verslechteren, dit is opgenomen in regels en afgedicht met de zorgplicht. Toch zijn in Haarlem locaties aanwezig waar een verspreidingsrisico geconstateerd is, dit zijn negen locaties. In zes gevallen is er sprake van monitoring of beheersing door sanering van het risico.
De overige drie spoedlocaties met een verspreidingsrisico vallen onder Sanering Eigen Beheer (SEB) waar de eigenaar verantwoordelijk is voor de verontreiniging en de daarbij horende sanering. Voor alle negen locaties geldt dat zij onder controle zijn door minimaal een goedgekeurd saneringsplan [Gemeente Haarlem, 2020a]. Ten aanzien van spoedlocaties met ecologische risico’s zijn er geen locaties in Haarlem bekend [Gemeente Haarlem, 2015a]. Autonome ontwikkeling Bij ontwikkelingen in de openbare ruimte is de kans groot dat grond met een mindere (chemische) kwaliteit wordt afgevoerd en dan grond met een betere kwaliteit op deze locaties wordt toegepast. Hiermee verbeterd de bodemkwaliteit ter plaatse. Autonoom is de verwachting dat het aantal spoedlocaties niet of nauwelijks zal toenemen en de al bestaande spoedlocaties met een verspreidingsrisico gesaneerd zullen zijn. Voor de achtergebleven restverontreinigingen die zijn blijven bestaan na sanering geldt dat deze zo efficiënt mogelijk moeten worden beheerd. Tijdens bouwwerkzaamheden kunnen nog niet geïdentificeerde verontreinigingen naar voren komen. Afhankelijk van de locatie en de werkzaamheden worden deze onder beheer geplaatst of gesaneerd, waarbij de (chemische) bodemkwaliteit ter plaatse zal verbeteren.
22 september 2025
BK8237-MI-RP-250906-1154
95