Bijlage a Regels en toelichting
Tekst van het document
4.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 4.27 Archeologie 3
1.
Bij de aanduiding archeologie 3 dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 250 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen. 2.
Indien uit een waardestellend archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord door het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kunnen aan deze vergunning de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de bodemverstorende activiteiten door een archeologisch deskundige.
3.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 4.28 Archeologie 4
1.
Bij de aanduiding archeologie 4 dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen.
2.
Indien uit een waardestellend archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord door het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kunnen aan deze vergunning de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de bodemverstorende activiteiten door een archeologisch deskundige.
3.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 4.29 Archeologie 5a
1.
Bij de aanduiding archeologie 5a dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen.
2.
Indien uit een waardestellend archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord door het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kunnen aan deze vergunning de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de bodemverstorende activiteiten door een archeologisch deskundige.
3.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 4.30 Archeologie 5b
1.
Bij de aanduiding archeologie 5b dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2.500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 1,5 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen.
2.
Indien uit een waardestellend archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord door het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kunnen aan deze vergunning de volgende voorschriften worden verbonden: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de bodemverstorende activiteiten door een archeologisch deskundige.
3.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van een bestaand bouwwerk waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige
archeologische resten aanwezig zijn. Toepassing van de bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
Artikel 4.31 Afwijken van regels voor archeologische waarden
1.
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid van de artikelen 4.24, 4.25, 4.26, 4.27, 4.28, 4.29 en 4.30 met inachtneming van de voor de betrokken locatie geldende (bouw)regels.
2.
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van: a. nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of als er, mede naar het oordeel van het bevoegd gezag, geen archeologische waarden te verwachten zijn; b. andere informatie heeft aangetoond dat door bodemverstoringen op de betrokken locatie geen archeologische waarden verstoord zullen worden.
Artikel 4.32 Uitvoeren van een werk geen gebouw zijnde voor archeologische waarden
1.
Voor de volgende werken of werkzaamheden is een aanlegvergunning vereist: a. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; b. bodem verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; d. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; f. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, voor zover de bodemverstorende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg daarvan een oppervlak hebben van 25 m² of meer; g. diepploegen; h. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.
2.
Geen aanlegvergunning is vereist voor werken of werkzaamheden die: a. de oppervlakte- en de dieptemaat niet overschrijden, behorende bij een van de ter plaatse geldende archeologische aanduidingen; b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend zoals bedoeld in artikel 4.31; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
3.
Een aanlegvergunning wordt in ieder geval verleend, indien de aanvrager aan de hand van een waardestellend archeologisch rapport aantoont dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de aanwezige archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
4.
Ter bescherming van betrokken archeologische waarden kunnen aan de aanlegvergunning voorschriften worden verbonden gericht op: a. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. het doen van opgravingen; c. begeleiding van de bodemverstorende activiteiten door een archeologisch deskundige.
Artikel 4.33
1.
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 4.53, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4.4 Bouwregels voor cultureel erfgoed
Artikel 4.34
1.
Aanvullende bouwregels rijksbeschermd stadsgezicht, monument en beeldbepalend bouwwerk
In aanvulling en met voorrang op de bouwregels van afdeling 3.2 zijn de bouwregels van afdeling 4.4 van toepassing op een locatie met de aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht, monument (aanvullende bouwregels) of beeldbepalend bouwwerk.
2.
bouwvlak/voorgevelrooilijn/gevelindeling a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. er moet aangesloten worden op de naastgelegen gebouwen; c. gebouwen mogen niet worden samengevoegd; d. voorgevels mogen uitsluitend in de voorgevelrooilijn worden opgericht; e. bij bouwwerken met de aanduiding monument (aanvullende bouwregels) of de aanduiding beeldbepalend bouwwerk (aanvullende bouwregels) dient de bestaande gevelindeling, voor zover gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied, gehandhaafd te blijven; f. bij bouwwerken met de aanduiding bestaande goothoogte dient de bestaande goothoogte behouden te blijven; g. bij bouwwerken met de aanduiding bestaande bouwhoogte dient de bestaande bouwhoogte behouden te blijven;
h. bij bouwwerken met de aanduiding beeldbepalend bouwwerk (aanvullende bouwregels) geldt dat bij verbouwing dient te worden uitgegaan van een restauratieve aanpak van de straatgevels en de kap. Oorspronkelijke gevelelementen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld. Hierbij is gebruik van niet-authentieke materialen toegestaan, mits deze visueel volledig overeenkomen met de oorspronkelijke vorm, kleur en detaillering.
3.
kap/nokrichting/vorm a. bij de aanduidingen monument (aanvullende bouwregels) en beeldbepalend bouwwerk (aanvullende bouwregels) dient de bestaande nokrichting, dakkapel, kap of dakvorm gehandhaafd te blijven; b. onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid en artikel 3.23 eerste lid mag het gebouw boven de goothoogte uitsluitend worden afgedekt met een kap waarvan: 1. de maximum hoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de (maximum) goothoogte; 2. de dakhelling niet minder bedraagt dan 45 en niet meer dan 70 graden. Bij een samengestelde kap dient de dakhelling van de bovenste dakvlakken minimaal 20 graden te bedragen.
Artikel 4.35 Inperkingen artikel 3.12 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 3.12 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 3.12, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 3.12 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 4.36 Inperkingen artikel 3.20 vanwege cultureel erfgoed Artikel 3.20 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of
b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 4.37
Collectoren voor warmteopwekking of panelen voor elektriciteitsopwekking op schuine daken uit het zicht binnen rijksbeschermd stadsgezicht
Het college verleent een omgevingsvergunning voor het plaatsen van collectoren voor warmteopwekking of panelen voor elektriciteitsopwekking, op schuine daken uit het zicht in rijksbeschermd stadsgezicht indien aan de volgende criteria wordt voldaan. De collectoren of panelen: a. op het dakvlak: 1. liggen boven de bestaande dakpannen, onder een gelijke hoek als het dakvlak; 2. liggen in een rechthoekige vlak; 3. liggen ten minste twee dakpannen onder de nok; 4. liggen ten minste twee dakpannen boven de dakvoet; 5. houden ten minste één dakpan afstand tot hoekkepers. b. mogen op dakkapellen en aan- en bijgebouw worden geplaatst, indien deze niet zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied; c. hebben een kleur die is aangepast op de kleur van de dakbedekking; d. vormen met de installatie één geheel dan wel dat de installatie binnen het gebouw is geplaatst; e. worden niet geplaatst op een monument; f. worden niet geplaatst op delen van het dak met een bijzondere dakvorm; g. worden niet geplaatst op bijzondere of kwetsbare dakbedekking; h. mogen geen vacuümbuiscollectoren zijn.
Artikel 4.38
Collectoren voor warmteopwekking of panelen voor elektriciteitsopwekking op platte daken binnen rijksbeschermd stadsgezicht
Voor het plaatsen van collectoren voor warmteopwekking of panelen voor elektriciteitsopwekking is op platte daken in rijksbeschermd stadsgezicht geen omgevingsvergunning nodig, indien aan de volgende criteria wordt voldaan. De collectoren of panelen: a. zijn niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied. De afstand tot de dakrand is minimaal gelijk aan de hoogte die de panelen of collectoren uitsteken boven het dak; b. mogen op dakkapellen en aan- en bijgebouw worden geplaatst, indien deze niet zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied; c. worden in een rustig patroon geplaatst en zijn evenwijdig aan de dakrand, nok of gootlijst geplaatst; d. hebben een egale kleur; e. worden niet geplaatst op een monument; f. worden niet geplaatst op delen van het dak met een bijzondere dakvorm; g. worden niet geplaatst op bijzondere of kwetsbare dakbedekking.
Afdeling 4.5 Sloopregels
Artikel 4.39 Sloopvergunning binnen beschermd stads- of dorpsgezicht
1.
Het is verboden een hoofdgebouw in het rijksbeschermd stadsgezicht te slopen zonder omgevingsvergunning.
2.
De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het college niet aannemelijk is gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk zal worden gebouwd.
Artikel 4.40 Sloopvergunning beeldbepalend bouwwerk
1.
Het is verboden bouwwerken met de aanduiding beeldbepalend bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning.
2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien de straatgevel en dakvorm naar het origineel worden teruggebouwd, waarbij oorspronkelijke gevelelementen zoveel als mogelijk hergebruikt en teruggeplaatst dienen te worden. Het college is bevoegd een latere aanpassing aan het pand als authentiek dan wel waardevol te beschouwen.
Artikel 4.41 Sloopvergunning bij bouwhistorische waarden
1.
In aanvulling en met voorrang op de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan gelden voor gronden met de aanduiding bouwhistorische waarden de volgende bepalingen: a. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, dan wel de bouwkundige onderdelen geheel of gedeeltelijk te verwijderen of te veranderen; b. de onder a bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien mede uit een bouwhistorisch onderzoek blijkt dat de bouwhistorische waarden van het bouwwerk niet op een onaanvaardbare wijze worden verstoord; c. alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a winnen burgemeester en wethouders advies in bij de Adviescommissie Omgevingskwaliteit omtrent de mogelijke verstoring van bouwhistorische waarden. Het inwinnen van advies blijft achterwege als evident is dat er geen sprake is van aantasting van bouwhistorische waarden; d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op verbouwingswerkzaamheden die het normale onderhoud betreffen en voortvloeien uit het gebruik overeenkomstig de bestemming.
2.
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid onder a kunnen burgemeester en wethouders de volgende maatwerkvoorschriften verbinden: a. de verplichting tot het documenteren van het pand of de bouwkundige onderdelen die geheel of gedeeltelijk worden gesloopt, verwijderd of veranderd. Deze bouwhistorische documentatie dient te worden uitgevoerd op basis van de Richtlijn Bouwhistorisch Onderzoek (RCE2009) dan wel op basis van een specifiek programma van eisen. Het bevoegd gezag dient de bouwhistorische rapportage goed te keuren, voordat aangevangen kan worden met de uitvoering van de omgevingsvergunning.
Afdeling 4.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor cultureel erfgoed
Artikel 4.42 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 4.43
1.
Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.42, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen: 1. de exacte locatie; 2. de omvang; en 3. de diepte ten opzichte van het maaiveld;
d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 1. een bestek met bijbehorende tekeningen; of 2. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Artikel 4.44 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 4.43 Tekeningen als bedoeld in artikel 4.43 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening.
Artikel 4.45 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument
1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.42, worden, voor zover het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Artikel 4.46 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument
1.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.42, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een gemeentelijk monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 2. foto’s van de bestaande toestand; en 3. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen: 1. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Artikel 4.47
1.
Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.42, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen: 1. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; 3. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: I. plattegronden; II. doorsneden; III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 5. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c.
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie,
interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Artikel 4.48
Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.42 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een gemeentelijk monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 4.49 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 4.45 tot en met 4.47
1.
Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4.45 tot en met 4.47 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
2.
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
3.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
4.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
Artikel 4.50 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument De artikelen 4.42 tot en met 4.49 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
Artikel 4.51
1.
Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
2.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 4.52
1.
Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
2.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 4.53 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
1.
Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.
Hoofdstuk 5 Regels voor gebruik en bouwen in de openbare ruimte
Afdeling 5.1 Inleidende regels
Artikel 5.1 Normadressaat
1.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Haarlem, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2.
Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert.
Afdeling 5.2 Groen
Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.2 Toepassingsbereik Paragraaf 5.2 is van toepassing op locaties met de aanduiding groen.
Artikel 5.3 Groen Locaties met de aanduiding groen zijn bedoeld voor: a. openbare groenvoorzieningen; b. voet- en fietspaden; c. waterlopen, waterpartijen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, waterberging, bergbezinkbassins, reclame-uitingen, warmte- koudeopslag, warmte- koudetransport.
Paragraaf 5.2.2 Bouwregels
Artikel 5.4 Bouwregels groen Met uitzondering van vergunningsvrij bouwen zijn bouwwerken op een locatie met de aanduiding groen niet toegestaan.
Afdeling 5.3 Water
Paragraaf 5.3.1 Algemene regels
Artikel 5.5 Toepassingsbereik Paragraaf 5.3 is van toepassing op locaties met de aanduiding water.
Artikel 5.6 Water Locaties met de aanduiding water zijn bedoeld voor: a. waterberging, waterbeheer, waterhuishouding; b. waterlopen en waterpartijen; c. waterstaatkundige voorzieningen zoals: bruggen, brugwachtershuisjes, taluds, oevers, sluizen, stuwen, dammen, kademuren, duikers, gemalen en overige kunstwerken; d. groenvoorzieningen.
Paragraaf 5.3.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties
Artikel 5.7 Historisch woonschip
1.
Bij de aanduiding ligplaats historisch woonschip is een historisch woonschip toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang of bed & breakfast.
2.
In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 geldt als een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken deze te gebruiken of laten te gebruiken: a. als ligplaats voor een hotel- en horecaschip; b. als jachthaven; c. als ligplaats voor een bunkerschip; d. als ligplaats voor een woonschip niet zijnde een historisch woonschip.
Artikel 5.8 Rondvaartbotenbedrijf Bij de aanduiding rondvaartbotenbedrijf is een rondvaartbotenbedrijf toegestaan: a. met maximaal drie boten en één wachtlokaal en;
b. waarbij aan gasten die in het bezit zijn van een kaartje en die wachten op de eerstvolgende rondvaart, alcoholvrije dranken en etenswaren mogen worden verstrekt tijdens de openingstijden van het rondvaartbedrijf.
Artikel 5.9 Tuincentrum Bij de aanduiding tuincentrum is een tuincentrum toegestaan.
Artikel 5.10 Woonschip
1.
Bij de aanduiding ligplaats woonschip is een woonschip toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang of bed & breakfast.
2.
In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 geldt als een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken deze te gebruiken of laten te gebruiken: a. als ligplaats voor een hotel- en horecaschip; b. als jachthaven; c. als ligplaats voor een bunkerschip.
Paragraaf 5.3.3 Bouwregels
Artikel 5.11 Bouwregels water Bij de aanduiding water mogen 'andere bouwwerken' worden opgericht onder de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van gemalen mag niet meer dan 3 meter bedragen en de oppervlakte mag niet meer dan 15 m2 bedragen; b. de bouwhoogte van meerpalen mag maximaal 4 meter bedragen; c. de bouwhoogte van bruggen mag maximaal 12 meter bedragen; d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer dan 1 meter bedragen; e. de lengte van een steiger, gemeten langs de oeverlijn, mag niet meer dan 5 meter bedragen; f. de breedte van een steiger, gemeten haaks op de oeverlijn, mag niet meer dan 1/10e van de breedte van het oppervlaktewater bedragen; g. de oppervlakte van een steiger mag maximaal: 1. 2,5 m2 bedragen indien gesitueerd in oppervlaktewater met een breedte tussen de 3 en 10 meter; 2. 5 m2 bedragen indien gesitueerd in oppervlaktewater met een breedte tussen de 10 en 20 meter; 3. 10 m2 bedragen indien gesitueerd in oppervlaktewater met een breedte tussen de 20 en 50 meter; 4. 15m2 bedragen indien gesitueerd in oppervlaktewater breder dan 50 meter; h. de oppervlakte per overig andere bouwwerk mag, behalve voor bruggen, niet meer dan 10 m2 bedragen.
Artikel 5.12 Bouwregels steiger Bij de aanduiding steiger is een steiger toegestaan. De bestaande maatvoering is de maximale maatvoering.
Artikel 5.13 Bouwregels historisch woonschip De volgende maximale maatvoering voor een historisch woonschip is van toepassing: a. de lengte bedraagt niet meer dan 18,5 meter; b. de breedte bedraagt niet meer dan 7 meter gemeten haaks op de oeverlijn, inclusief gangboorden en dakoverstekken; c. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 meter gemeten boven het peil.
Artikel 5.14 Bouwregels woonschip De volgende maximale maatvoering voor een woonschip met de aanduiding woonschepenligplaats 1, woonschepenligplaats 2, woonschepenligplaats 3 of woonschepenligplaats 4 is van toepassing:
Lengte
Breedte (m) gemeten vanaf de
Hoogte (m) gemeten vanaf
(m)
oeverlijn
het peil
16,5
4,5
4
Woonschepenligplaats 2
16,5
7
4
Woonschepenligplaats 3
18,5
4,5
4
Woonschepenligplaats 4
18,5
7
4
Aanduiding Woonschepenligplaats 1
Afdeling 5.4 Verkeer
Paragraaf 5.4.1 Algemene regels
Artikel 5.15 Toepassingsbereik Afdeling 5.4 is van toepassing op locaties met de aanduiding verkeer.
Artikel 5.16 Verkeer Locaties met de aanduiding verkeer zijn bedoeld voor: a. straten en wegen; b. voet- en fietspaden;
c. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, speel- en sportvoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, waterberging, bergbezinkbassins, reclame-uitingen, warmte- koudeopslag, warmte- koudetransport, overhangende balkons, (ondergrondse) nutsvoorzieningen, kiosken, terrassen, standplaatsen.
Paragraaf 5.4.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties
Artikel 5.17 Busstation Bij de aanduiding busstation is een halte met opstelplaatsen voor een busstation toegestaan.
Artikel 5.18 Evenement t/m categorie 3
1.
Bij de aanduiding evenementen t/m categorie 3 zijn een evenement categorie 1, een evenement categorie 2 en evenement categorie 3 toegestaan.
2.
Het maximum aantal dagen per jaar voor een evenement categorie 1 is onbeperkt.
3.
Het maximum aantal dagen per jaar voor een evenement categorie 2 is 53 dagen.
4.
Het maximum aantal dagen per jaar voor een evenement categorie 3 is 10 dagen.
5.
Het maximum aantal dagen genoemd in het derde en vierde lid mag in totaal worden uitgebreid met 2 dagen.
6.
De dagen benodigd voor op- en afbouw worden niet meegerekend.
Artikel 5.19 In- en uitrit parkeergarage Bij de aanduiding in- en uitrit parkeergarage is een in- en uitrit voor een parkeergarage toegestaan.
Artikel 5.20 Kiosk - bloemist Bij de aanduiding kiosk - bloemist is een bloemist toegestaan.
Artikel 5.21 Terrastuin Bij de aanduiding terrastuin is een terrastuin toegestaan.
Artikel 5.22 Kiosk - viskraam Bij de aanduiding kiosk - vishandel is een viskraam toegestaan.
Paragraaf 5.4.3 Bouwregels
Artikel 5.23 Bouwregels verkeer
Met uitzondering van vergunningsvrij bouwen zijn bouwwerken op een locatie met de aanduiding verkeer niet toegestaan tenzij anders vermeld.
Artikel 5.24 Bouwregels busstation
1.
De maximale hoogte van kunstobjecten mag maximaal 5 m bedragen.
2.
De maximale bouwhoogte van overige 'overige andere bouwwerken' mag niet meer dan 3 m bedragen.
Artikel 5.25 Bouwregels kiosk
1.
De bouwhoogte van een kiosk mag maximaal 3 meter zijn.
2.
De oppervlakte van een kiosk mag maximaal 10 m2 zijn.
Afdeling 5.5 Verkeer - Railverkeer
Paragraaf 5.5.1 Algemene regels
Artikel 5.26 Toepassingsbereik Paragraaf 5.5.1 is van toepassing op locaties met de aanduiding railverkeer.
Artikel 5.27 Toegestane activiteiten algemeen
1.
Locaties met de aanduiding railverkeer mogen worden gebruikt voor: a. railverkeer; b. stationsvoorzieningen - waaronder kleinschalige horeca categorie 1 en horeca categorie 2, detailhandel, dienstverlening - en halteplaatsen; c. geluidswerende voorzieningen; d. (ondergrondse) nutsvoorzieningen, (ondergrondse) kabels- en leidingstroken; e. terrassen, standplaatsen, uitstallingen en kiosken; f. ongelijkvloerse kruisingen ten behoeve van wegen, straten, voet- en fietspaden en water; g. brug, onderdoorgang; h. gebouwen voor spoorwegdoeleinden.
2.
Bij de activiteit behorende bouwwerken, groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport.
Paragraaf 5.5.2 Bouwregels
Artikel 5.28 Bouwregels verkeer- en railverkeer
1.
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de regels van afdeling 3.2 en/of afdeling 4.3. In aanvulling hierop gelden de bouwregels van dit artikel.
2.
Gebouwen op de gronden gelegen onder de rijtuigkap behorende bij het Centraal Station (Stationsplein) a. er mogen uitsluitend twee gebouwen ten behoeve van horeca tot en met horeca categorie 2 worden gebouwd; b. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op de grond gelegen recht onder de rijtuigkap; c. de bouwhoogte van deze gebouwen mag niet meer dan 5,50 meter bedragen; d. de maximale oppervlakte van deze gebouwen mag tezamen maximaal 50% van de oppervlakte van de grond gelegen recht onder de rijtuigkap bedragen.
3.
Andere bouwwerken a. de maximale bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van verkeer en lichtmasten mag 12 meter bedragen; b. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer dan 6 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter; c. ondergrondse bergbezinkbassins en rioolgemalen mogen afgedekt worden met een verhoogd maaiveld van 0,5 meter.
Hoofdstuk 6 Regels voor milieubelastende activiteiten
Afdeling 6.1 Standaard milieuwaarden
Paragraaf 6.1.1 Algemeen
Artikel 6.1 Toepassingsbereik Afdeling 6.1 is van toepassing op activiteiten die volgens het omgevingsplan zijn toegestaan in het centrumgebied. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in afdeling 6.3 gelden de regels van afdeling 6.1 voor het centrumgebied.
Paragraaf 6.1.2 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen
Artikel 6.2 Standaardwaarde plaatsgebonden risico
1.
Een toegestane activiteit moet voldoen aan de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze waarde is 1:1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties.
2.
De standaardwaarde genoemd in het eerste lid is ook van toepassing op het toelaten van een risicoverhogend bouwwerk in de directe omgeving van een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a. tot en met d., van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Paragraaf 6.1.3 Luchtkwaliteit
Artikel 6.3 Stikstofdioxiden en stikstofoxiden
1.
Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 eerst lid Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor stikstofdioxide: a. 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
Artikel 6.4 Fijnstof
1.
Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor PM10: a. 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden en; b. 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
Artikel 6.5 Uitzondering Artikelen 6.3 en 6.4 zijn niet van toepassing op locaties zoals omschreven in artikel 5.52 Besluit kwaliteit leefomgeving en op activiteiten zoals omschreven in artikelen 5.53 en 5.54 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 6.1.4 Geluid door activiteiten
Artikel 6.6 Geluidswaarden voor geluidsgevoelige gebouwen
1.
Het toelaatbare geluid door een activiteit, anders dan wonen, op een geluidsgevoelig gebouw bedraagt maximaal:
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt als gevolg van een activiteit Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
07.00 -
19.00 -
23.00 -
19.00 uur
23.00 uur
07.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
--
70 dB(A)
70 dB(A)
--
65 dB(A)
65 dB(A)
Artikel 5.65 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving
2.
Het toelaatbare geluid in geluidsgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidsgevoelige ruimten bedraagt maximaal:
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
07.00 -
19.00 -
23.00 -
19.00 uur
23.00 uur
07.00 uur
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
--
55 dB(A)
55 dB(A)
--
45 dB(A)
45 dB(A)
Artikel 5.65 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving
3.
Bij de aanduiding ligplaats woonschip of ligplaats historisch woonschip is de waarde 5 dB(a) hoger dan de waarde genoemd in het eerste lid.
4.
De waarden in dit artikel zijn niet van toepassing op het geluid door een: a. activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit; b. horeca-activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit; c. bedrijfsactiviteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit.
Artikel 6.7 Waar waarden gelden De waarden voor geluid door een activiteit, als bedoeld in artikel 6.6 gelden: a. op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw, anders dan een (historisch) woonschip of woonwagen; b. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidsgevoelig gebouw; c. op de locatie voor het plaatsen van een woonschip, historisch woonschip of woonwagen; d. in een geluidsgevoelige ruimte.
Artikel 6.8 Uitzondering geluidsbronnen De waarden in artikel 6.6 zijn niet van toepassing op: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, gladheidsbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; c. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare ruimte worden verricht; d. geluid dat niet representatief is voor een activiteit; e. evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; f. festiviteiten die plaatsvinden op een locatie waar de activiteit wordt verricht, gedurende ten hoogste twaalf etmalen per jaar.
Paragraaf 6.1.5 Trillingen
Artikel 6.9 Toepassingsbereik
1.
Paragraaf 6.1.5 is van toepassing op: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of; b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
2.
In afwijking van het eerste lid is paragraaf 6.1.5 niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
3.
Met uitzondering van de artikelen 6.12 en 6.13 is in afwijking van het eerste lid paragraaf 6.1.5 niet van toepassing op: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en
b. evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen.
Artikel 6.10 Standaard waarden continue trillingen
1.
De waarden voor toegestane continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten bedragen maximaal de waarden genoemd onder A1 in onderstaande tabel.
Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillinggevoelige ruimten
Soort
2.
Standaardwaarde 07.00 – 23.00 uur
23.00 – 07.00 uur
A1 trillingssterkte Vmax
0,1
0,1
A2 trillingssterkte Vmax
0,4
0,2
A3 trillingssterkte Vper
0,05
0,05
In afwijking van het eerste lid gelden de waarden genoemd onder A2 en A3 als maximaal toegestane waarden indien niet voldaan kan worden aan de waarden genoemd onder A1.
Artikel 6.11 Standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen
1.
De waarden voor toegestane herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten bedragen maximaal de waarden genoemd onder A1 in onderstaande tabel.
Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten
Soort
2.
Standaardwaarde 07.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
A1 trillingssterkte Vmax
0,2
0,2
A2 trillingssterkte Vmax
0,8
0,4
A3 trillingssterkte Vper
0,1
0,1
In afwijking van het eerste lid gelden de waarden genoemd onder A2 en A3 als maximaal toegestane waarden indien niet voldaan kan worden aan de waarden genoemd onder A1.
Artikel 6.12 Functionele binding De waarden genoemd in artikelen 6.10 en 6.11 zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door die activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 6.13 Voormalige functionele binding De waarden genoemd in artikelen 6.10 en 6.11 zijn niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een voormalige functionele binding heeft met die activiteit en die: a. verricht wordt op een bedrijventerrein; of b. betrekking heeft op de horecasector.
Afdeling 6.2 Bodemenergiesystemen
Artikel 6.14 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken: a. in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan; of b. met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; b. de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; c. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; d. een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; e. informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en f. de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
3.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en b. er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie; en c. het bodemenergiesysteem op eigen perceel wordt geplaatst; en d. de verticale bodemlussen tot op een diepte van maximaal honderd meter minus maaiveld worden geplaatst.
Artikel 6.15 Aanwijzen interferentiegebied Ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie, kan het college een interferentiegebied aanwijzen.
Artikel 6.16 Aangewezen interferentiegebieden Als interferentiegebied voor gesloten bodemenergiesystemen worden aangewezen: a. interferentiezone Europaweg; b. interferentiezone Zuid-West; c. interferentiezone Schalkwijk.
Artikel 6.17 Overgangsbepaling Vergunningen die zijn verleend onder de werking van de Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem 2023 en die reeds van kracht waren op 1 januari 2024, worden aangemerkt als vergunningen krachtens dit omgevingsplan.
Afdeling 6.3 Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 6.3.1 Algemene bepalingen
Artikel 6.18 Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
4.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 6.3.6.
Artikel 6.19 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 6.20 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 6.21 Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.19, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 6.22 Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 6.21, 6.26 en 6.27 en de paragrafen 6.3.2 tot en met 6.3.25.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.26 en 6.27 en de paragrafen 6.3.2 tot en met 6.3.25.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.19.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.23 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en
d. de dagtekening.
Artikel 6.24 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 6.23, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 6.25
1.
Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 6.26 Informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Artikel 6.27 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en