Bijlage 4 - Het advies van de bezwaarschriftencommissie van 1 juli 2024 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Kenmerk: 2024/743005 Advies van de commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften Bezwaarden Datum bestreden besluit Datum bezwaarschrift Inhoud bestreden besluit
: en : 16 februari 2024 : 19 februari 2024 : het afwijzen van een verzoek om opheffing van geheimhouding op grond van de Gemeentewet
De samenstelling van de commissie is: Voorzitter : mevrouw mr. S.A. van Dijk Commissieleden : mevrouw B.C. Stuifbergen mevrouw mr. drs. ing. J.H.L.M. de Dood De commissie wordt ambtelijk ondersteund door de secretaris, de heer mr. T.F. Baars. I. Feiten en omstandigheden Bij brief van 15 oktober 2022 hebben bezwaarden de raad verzocht om de geheimhouding van delen van een rapport van 22 oktober 2018 dat GvB Integrity Services B.V. heeft opgesteld naar aanleiding van een integriteitsmelding rond de herinrichting van de Dreef (hierna: integriteitsrapport), te heroverwegen. Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Tegen dit besluit hebben bezwaarden op 19 februari 2024 bezwaar gemaakt. Op 18 juni 2024 heeft het college een verweerschrift ingediend. II. Juridisch kader De artikelen waarnaar in dit advies wordt verwezen zijn als bijlage bij het advies gevoegd. III. Hoorzitting De commissie heeft op 19 juni 2024 een hoorzitting gehouden waarvoor bezwaarden en het college zijn uitgenodigd. Aan de hoorzitting hebben deelgenomen: • , mede namens ; • (behandelend ambtenaar), namens het college. Tijdens de hoorzitting is – zakelijk weergegeven – het volgende gezegd:
geeft aan dat hij heeft verzocht om opheffing van de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport van 22 oktober 2018. Het gaat hem om tien specifieke punten. Aanleiding voor het verzoek was een uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2022 over zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van 22 december 2018. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de Wob niet van toepassing is op passages uit het integriteitsrapport die door de raad geheim zijn gehouden.
2024/743005 2 vraagt zich af waarom het college een besluit heeft genomen op zijn verzoek om opheffing van geheimhouding. Zijns inziens had het besluit door de raad moeten worden genomen. voert aan dat, anders dan toen de geheimhouding werd opgelegd, inmiddels de Wet open overheid (hierna: Woo) geldt. Uit artikel 5.3 van de Woo volgt dat een bestuursorgaan, wanneer het een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar afwijst, moet motiveren waarom het belang om de informatie niet openbaar te maken ondanks het tijdsverloop zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarheid. stelt dat deze omstandigheid op zichzelf reeds voldoende reden zou moeten zijn om het verzoek om opheffing van geheimhouding inhoudelijk te beoordelen. Verder voert , onder verwijzing naar artikel 5.5 van de Woo, aan dat de geheimhouding op delen van het integriteitsrapport die betreffen zou moeten worden opgeheven. hecht geen belang aan het geheimhouden van informatie die op hem betrekking heeft, maar dringt aan op volledige transparantie. Behandelend ambtenaar De behandelend ambtenaar stelt dat het college bevoegd is om namens de raad te besluiten op Wooverzoeken.
Verder geeft de behandelend ambtenaar aan dat aanvankelijk geheimhouding was opgelegd ten aanzien van het volledige integriteitsrapport, maar dat later is besloten de geheimhouding op te heffen voor de delen van het integriteitsrapport die niet zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen. Tot slot voert de behandelend ambtenaar aan dat de raad periodiek beoordeelt of de geheimhouding kan worden opgeheven. Commissielid mevrouw De Dood Mevrouw De Dood vraagt of het college ook bevoegd is om namens de raad te besluiten op verzoeken om opheffing van geheimhouding. Behandelend ambtenaar De behandelend ambtenaar antwoordt ontkennend. Zij stelt dat het college wel bevoegd is om de raad te vertegenwoordigen tijdens bezwaar- en beroepsprocedures. Commissielid mevrouw De Dood Mevrouw De Dood vraagt de behandelend ambtenaar waarom het college heeft besloten om het verzoek van bezwaarden af te wijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Behandelend ambtenaar De behandelend ambtenaar stelt dat het Wob-verzoek van van 22 december 2018 mede betrekking had op het integriteitsrapport. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de raad de opgelegde geheimhouding reeds heroverwogen. Om die reden moet het verzoek van bezwaarden van 15 oktober 2022 volgens het college worden aangemerkt als een herhaald verzoek.
Omdat er geen sprake is van nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden, heeft het college het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.
2024/743005 3 Commissielid mevrouw De Dood Mevrouw De Dood vraagt waarom hij van mening is dat het verzoek ten onrechte is afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.
stelt dat er wel degelijk sprake is van nieuwe gebleken feiten en veranderde omstandigheden. Ter onderbouwing noemt hij allereerst de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2022 over zijn Wob-verzoek van 22 december 2018. Dit Wob-verzoek had niet alleen betrekking op het integriteitrapport, maar ook op andere documenten. betoogt dat uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat een deel van de gevraagde informatie ten onrechte niet openbaar is gemaakt. Zijns inziens geeft dit aanleiding om te denken dat ook delen van het integriteitsrapport ten onrechte geheim zijn gehouden. Daarnaast noemt de inwerkingtreding van de Woo. Verder acht van belang dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen over of bezwaar te maken tegen het besluit waarbij de geheimhouding is opgelegd en het besluit waarbij de geheimhouding gedeeltelijk is opgeheven. Hij vindt dat dit reden zou moeten zijn om een inhoudelijk besluit te nemen over zijn verzoek om opheffing van de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport. Hij stelt dat de raad om diezelfde reden ook een inhoudelijk besluit heeft genomen over een verzoek van om opheffing van de geheimhouding van een rapport dat PricewaterhouseCoopers Advisory B.V. heeft opgesteld naar aanleiding van vermoedens van onregelmatigheden bij de inkoop van informatietechnologie (hierna: PwC-rapport). Tot slot uit heeft laten wachten.
zijn ontevredenheid over het feit dat het besluit op zijn verzoek lang op zich
Commissielid mevrouw De Dood Mevrouw De Dood vraagt de behandelend ambtenaar om te reageren op hetgeen naar voren heeft gebracht over het PwC-rapport. Behandelend ambtenaar De behandelend ambtenaar geeft aan dat zij niet betrokken is geweest bij de besluitvorming omtrent het PwC-rapport en dat zij er dus niets over kan zeggen. Wel benadrukt zij dat elk verzoek om opheffing van geheimhouding apart wordt beoordeeld. Verder stelt de behandelend ambtenaar dat er altijd wordt getoetst aan de Gemeentewet, ook wanneer er geen zienswijzen worden ingediend. Tot slot wijst zij erop dat de agenda’s voor raadsvergaderingen altijd worden gepubliceerd. Commissielid mevrouw De Dood Mevrouw De Dood merkt op dat in de brief van 15 oktober 2022, naast het verzoek om opheffing van de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport, nog andere verzoeken staan. Het besluit van 16 februari 2024 heeft echter alleen betrekking op het verzoek om opheffing van geheimhouding. Zij vraagt of er nog een besluit zal worden genomen over de andere verzoeken. Behandelend ambtenaar De behandelend ambtenaar zegt dat zij het antwoord op deze vraag niet weet, maar dat zij eventueel navraag zou kunnen doen.
2024/743005 4
stelt dat de raad de brief van 15 oktober 2022 heeft overgedragen aan het college en dat het college er vervolgens niets mee heeft gedaan. herhaalt dat zijn verzoek om opheffing van de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport gaat over tien specifieke punten. Met betrekking tot deze punten wil hij graag een gemotiveerde reactie ontvangen. Hij vindt het flauw dat zijn verzoek is afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Verder voert aan dat het Wob-verzoek van 22 december 2018 betrekking had op het gehele integriteitsrapport, terwijl het onderhavige verzoek betrekking heeft op onderdelen van het rapport die volgens hem ten onrechte geheim zijn gehouden. Zijns inziens is het onderhavige verzoek dan ook geen herhaling van het eerdere verzoek. IV. Bezwaren, kort samengevat • Bezwaarden voeren aan dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze in te dienen over of bezwaar te maken tegen het besluit waarbij de geheimhouding is opgelegd en het besluit waarbij de geheimhouding gedeeltelijk is opgeheven. Dit zou volgens hen reden moeten zijn om de geheimhouding te heroverwegen. Zij stellen dat de raad om diezelfde reden ook de geheimhouding van het PwC-rapport heeft heroverwogen naar aanleiding van een verzoek van . • Bezwaarden stellen dat zij duidelijk hebben gemotiveerd op welke onderdelen de opgelegde geheimhouding geen stand zou mogen houden.
Om die reden verwachten zij ook een gemotiveerd antwoord. • Bezwaarden betogen dat de inwerkingtreding van de Woo moet worden aangemerkt als een omstandigheid die noopt tot heroverweging van de opgelegde geheimhouding. Zij verwijzen in het bijzonder naar artikel 5.3 en artikel 5.5 van de Woo. • Bezwaarden verzoeken om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). V. Overwegingen van de commissie 1. Bezwaarden hebben op 15 oktober 2022 een brief gestuurd aan de raad. De brief bevat verschillende verzoeken. Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college op één van deze verzoeken gereageerd. Het gaat om het verzoek uit paragraaf 7 bij punt 5. Dit verzoek luidt: ‘Wij vragen, in overeenstemming met de beroepspunten in het beroepsschrift (Bijlage 2, Paragraaf 3. Status van het onderzoeksrapport) de door u opgelegde geheimhouding te heroverwegen. Zijn die doorhalingen echt (volledig) nodig inzake de uitzonderingsbepalingen in WOB/WOO? En zo ja, kunt u die zo motiveren dat het voor ons begrijpelijk is waarom deze zaken niet openbaar gemaakt mogen worden.’ 2. Het college heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.
In het navolgende zal de commissie beoordelen of het college bevoegd was om een besluit te nemen op het bovenstaande
2024/743005 5 verzoek en of het college het verzoek terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De commissie zal niet ingaan op de overige verzoeken uit de brief van 15 oktober 2022, omdat deze buiten de reikwijdte van het bestreden besluit vallen. Is het bestreden besluit genomen door het daartoe bevoegde bestuursorgaan? 3. Voor de beantwoording van de vraag of het college bevoegd was om een besluit te nemen op het verzoek van 15 oktober 2022, is ten eerste van belang hoe het verzoek moet worden gekwalificeerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college het verzoek heeft aangemerkt als een Woo-verzoek. Naar het oordeel van de commissie betreft het, gelet op de bewoordingen van het verzoek, echter een verzoek om opheffing van de geheimhouding van delen van het integriteitsrapport van 22 oktober 2018. 4. Ten tweede is van belang uit welk besluit de verplichting tot geheimhouding voortvloeit. De commissie stelt vast dat het college op 8 januari 2019 heeft besloten om op grond van het destijds geldende artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding op te leggen ten aanzien van het volledige integriteitsrapport. Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de raad de geheimhouding bekrachtigd op grond van het destijds geldende artikel 25, derde lid, van de Gemeentewet.
Vervolgens heeft de raad de geheimhouding bij besluit van 4 november 2019 opgeheven voor de delen van het integriteitsrapport die niet zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 21 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1809, r.o. 5.1) blijkt dat, wanneer het college de geheimhouding heeft opgelegd en de raad de geheimhouding heeft bekrachtigd, de verplichting tot geheimhouding voortvloeit uit het besluit van de raad en alleen de raad de geheimhouding kan opheffen. 5. Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat niet het college, maar de raad bevoegd was om een besluit te nemen op het verzoek van 15 oktober 2022. Dit betekent dat aan het besluit van 16 februari 2024 een bevoegdheidsgebrek kleeft. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld een uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3681, r.o. 3.2) is het mogelijk om een bevoegdheidsgebrek in bezwaar te herstellen. Daartoe moet het bevoegde bestuursorgaan een besluit nemen op het ingediende bezwaar, waarin dit wordt meegenomen. Is het verzoek terecht afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb? 6.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb staat dat een aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Doet de aanvrager dat niet, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. 7. Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk waarom het college het verzoek van 15 oktober 2022 heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Om die reden is de commissie van oordeel dat aan het bestreden besluit tevens een motiveringsgebrek kleeft. Ook voor motiveringsgebreken geldt dat deze in bezwaar kunnen worden hersteld.
2024/743005 6 8. Uit hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, begrijpt de commissie dat het verzoek van 15 oktober 2022 naar het oordeel van het college moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag ten opzichte van een verzoek van van 22 december 2018. 9. Ter beantwoording van de vraag of het college het verzoek van 15 oktober 2022 terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb, zal de commissie hieronder eerst ingaan op het verzoek van 22 december 2018. Vervolgens zal de commissie beoordelen of het verzoek van 15 oktober 2022 een herhaalde aanvraag is. Daarna zal de commissie nagaan of er sprake is van een relevante wijziging van het recht en of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het verzoek van 22 december 2018 10. Bij brief van 22 december 2018 heeft ingediend. In de brief staat:
bij het college een verzoek op grond van de Wob
‘Gezien deze gang van zaken, eis ik van u, mij beroepende op de WOB inzage in de volgende documenten: het volledige onderzoek dossier naar “beïnvloeding herinrichting Dreef, waaronder expliciet, maar niet uitputtende: a. De onderzoeksopdracht die Intregrity Services, dan wel , heeft gekregen. b. De onderzoeksopdracht aan Governance & Integrity, dan wel , heeft gekregen. c. Alle documenten en overige stukken en vastleggingen die voornoemde partijen van of via de Gemeente Haarlem hebben verkregen. d. Elke vastgelegde terugkoppeling voornoemde partijen aan de gemeente hebben gegeven. e. De voorlopige, conceptuele en definitieve verslagenen en rapporten van voornoemde partijen. f. Alle correspondentie en verslagleggingen die met betrekking tot de mogelijke integriteitsschending(en) is gevoerd tussen het college van B&W - inclusief de gemeentesecretaris en zijn loco- met de integriteitsonderzoekers, de ambtelijke organisatie, adviseurs en niet in laatste plaats de ambtenaar in kwestie zelf. g. Alle overige correspondentie die door betrokken ambtenaar over deze kwestie binnen of naar het gemeentelijke domein is gevoerd. h. Alle correspondentie die is gevoerd over deze kwestie naar en van de direct leidinggevende van betrokken ambtenaar. i. Alles aan documenten wat verder nog in bezit is van het meldpunt van integriteit.’ 11.
De commissie stelt vast dat het integriteitsrapport van 22 oktober 2018 onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Verder stelt de commissie vast dat de geheimhouding van dit rapport pas is opgelegd na ontvangst van het Wob-verzoek.
2024/743005 7 12. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld een uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3140, r.o. 3.3) dat een verzoek om openbaarmaking van documenten waarvan geheimhouding is opgelegd, altijd tevens moet worden opgevat als verzoek om opheffing van die geheimhouding. De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of dat ook zo is wanneer de geheimhouding pas na ontvangst van het verzoek om openbaarmaking is opgelegd. De commissie beantwoordt deze vraag bevestigend. Anders zou een Wob-verzoek met een later opgelegde geheimhouding kunnen worden geblokkeerd. 13. De commissie merkt op dat het college het verzoek van van 22 december 2018 ook heeft opgevat als een verzoek om opheffing van de geheimhouding van het integriteitsrapport van 22 oktober 2018. Het college heeft het verzoek doorgezonden aan de raad. Naar aanleiding daarvan heeft de raad op 4 november 2019 besloten om de geheimhouding op te heffen voor de delen van het rapport die niet zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen. Is het verzoek van 15 oktober 2022 een herhaalde aanvraag? 14. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld een uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2803, r.o.
4.1) is er sprake van een herhaalde aanvraag wanneer het gaat om een gelijke aanvraag door dezelfde aanvrager aan hetzelfde bestuursorgaan dat eerder op dezelfde rechtsgrondslag een afwijzende beschikking heeft genomen. 15. De commissie is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een gelijke aanvraag, omdat het verzoek van 15 oktober 2022 strekt tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als het verzoek van 22 december 2018, namelijk het opheffen van de geheimhouding van (delen van) het integriteitsrapport van 22 oktober 2018. De omstandigheid dat het verzoek van 15 oktober 2022 betrekking heeft op delen van het integriteitsrapport, terwijl het verzoek van 22 december 2018 betrekking heeft op het volledige rapport, maakt naar het oordeel van de commissie niet dat geen sprake is van een gelijke aanvraag. Naar aanleiding van het verzoek van 22 december 2018 heeft de raad immers ook beoordeeld of de geheimhouding van de delen van het rapport waarop het verzoek van 15 oktober 2022 ziet, moet worden opgeheven. Daarnaast is de commissie van oordeel dat het gaat om dezelfde aanvrager, aangezien zowel het verzoek van 22 december 2018 als het verzoek van 15 oktober 2022 heeft ingediend. Dat hij het verzoek van 15 oktober 2022 samen met heeft ingediend, doet daar naar het oordeel van de commissie niet aan af.
Verder is de commissie van oordeel dat het gaat om hetzelfde bestuursorgaan en dezelfde rechtsgrondslag. Voor beide verzoeken geldt namelijk dat de raad het bevoegde bestuursorgaan is en dat de rechtsgrondslag wordt gevormd door de Gemeentewet. Is er sprake van een relevante wijziging van het recht? 16. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing is indien tussen beide aanvragen een relevante wijziging van het recht heeft plaatsgevonden (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 93-94).
2024/743005 8 17. De commissie stelt vast dat het recht tussen 22 december 2018 en 15 oktober 2022 is gewijzigd. Op 22 december 2018 kon geheimhouding ingevolge artikel 25 van de Gemeentewet worden opgelegd op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wob. Bij een verzoek om opheffing van geheimhouding moest destijds worden beoordeeld of zich nog een belang genoemd in artikel 10 van de Wob voordeed (zie een uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3991, r.o. 8.2). Op 15 oktober 2022 verwees artikel 25 van de Gemeentewet niet meer naar artikel 10 van de Wob, maar naar artikel 5.1 van de Woo. Bij een verzoek om opheffing van geheimhouding moest op dat moment dus worden beoordeeld of zich nog een belang genoemd in artikel 5.1 van de Woo voordeed. 18. De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de wijziging van het recht die tussen 22 december 2018 en 15 oktober 2022 heeft plaatsgevonden, relevant is voor de onderhavige zaak. Ter beantwoording van deze vraag zal de commissie eerst nagaan op grond van welk belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, de geheimhouding naar aanleiding van het verzoek van 22 december 2018 is gehandhaafd. Daarna zal de commissie nagaan of dit belang op 15 oktober 2022 nog reden kon zijn om de geheimhouding te handhaven. 19.
Bij besluit van 8 januari 2019 heeft het college de geheimhouding van het volledige integriteitsrapport opgelegd op grond van de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, te weten de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Het college heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘Opleggen van geheimhouding is allereerst noodzakelijk om de persoonlijke levenssfeer van degene tegen wie de melding zich richt te beschermen. Ook andere betrokkenen, waaronder personen die in het kader van het uitgevoerde onderzoek zijn gehoord, hebben er recht op niet herleidbaar in de openbaarheid te komen. Verder draagt het college de verantwoordelijkheid, vanuit de Wet Huis voor Klokkenluiders, voor een vertrouwelijke omgang met integriteitskwesties.’ 20. Toen de opgelegde geheimhouding naar aanleiding van het verzoek van 22 december 2018 moest worden heroverwogen, heeft het college aan de raad voorgesteld om de geheimhouding van het volledige integriteitsrapport te handhaven. In een raadsstuk dat is besproken tijdens de vergadering van de commissie Bestuur op 30 oktober 2019 staat: ‘Het college is van mening dat integriteitsdossiers in hun geheel geheim behoren te blijven.
Dat is nodig om zowel de melder als degene over wie de melding gaat te beschermen. Beiden moeten zich veilig voelen om alles op tafel te kunnen leggen. Voor beiden geldt dat het hun reputatie en hun positie kan schaden als hun naam bekend wordt. Die veiligheid waarborgen kan alleen als het hele dossier geheim blijft. Als een beoordeling wordt gemaakt per onderdeel en vervolgens een deel van het dossier toch openbaar wordt gemaakt, kan die zekerheid niet worden geboden. Ook speculaties over de aard van de melding, de melder, de betrokkene en de conclusies kunnen betrokkenen beschadigen. Bovendien is het buitengewoon moeilijk te
2024/743005 9 beoordelen welke delen van de tekst tot herkenning leiden. Dat hangt namelijk ook af van de kennis die de lezer heeft. Bij integriteitsmeldingen gaat het altijd om een ambtenaar, bestuurder of politicus en zijn er dus in elk geval in de gemeentelijke organisatie velen die de context kennen en al snel zullen kunnen afleiden of vermoeden over wie het gaat. Behalve dat dit de betrokkenen in het concrete dossier treft, kan het ook anderen ervan weerhouden om een melding te doen of informatie te delen met het Meldpunt Integriteit. Dat belemmert goed onderzoek en kan ertoe leiden dat zaken helemaal niet worden gemeld. In al die gevallen doet dit afbreuk aan het goed werkgeverschap dat het college wil tonen. Zowel de melder als degene over wie een melding gaat, mag verwachten dat er een degelijk onderzoek plaatsvindt. Vervolgens mogen zij ook verwachten dat hun werkgever uiterst zorgvuldig en discreet omgaat met dat onderzoek.‘ 21. De raad heeft vervolgens op 4 november 2019 besloten om, in afwijking van het voorstel van het college, de geheimhouding op te heffen voor de delen van het integriteitsrapport die zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen.
De commissie begrijpt hieruit dat de geheimhouding enkel nog is gebaseerd op het belang genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, te weten de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. 22. Omdat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ook in artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo wordt genoemd en dit belang op 15 oktober 2022 dus nog steeds reden kon zijn om de geheimhouding te handhaven, is de commissie van oordeel dat er geen sprake is van een relevante wijziging van het recht. Het recht is weliswaar gewijzigd, maar de strekking van het recht is hetzelfde gebleven. In de artikelen 5.3 en 5.5 van de Woo, waarop bezwaarden hebben gewezen, ziet de commissie geen reden om anders te oordelen. Uit hetgeen de commissie heeft overwogen onder 17 volgt immers dat deze artikelen geen rol spelen in het kader van geheimhouding op grond van de Gemeentewet. 23. Voor de volledigheid merkt de commissie op dat artikel 25 van de Gemeentewet inmiddels is komen te vervallen en dat het opleggen van geheimhouding nu is geregeld in artikel 87 van de Gemeentewet. Dit artikel verwijst eveneens naar artikel 5.1 van de Woo. Een verzoek om opheffing van geheimhouding moet thans dus nog op dezelfde manier worden beoordeeld als op 15 oktober 2022. Is er sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden? 24.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:663, r.o. 2.3). Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten
2024/743005 10 dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling van 13-05-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1503, r.o. 3.1). 25. Bezwaarden hebben aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 2022 als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid moet worden aangemerkt. Zij stellen dat uit deze uitspraak blijkt dat het college naar aanleiding van het Wob-verzoek van 22 december 2018 een deel van de gevraagde informatie ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. Volgens bezwaarden geeft dit aanleiding om te denken dat ook delen van het integriteitsrapport ten onrechte geheim zijn gehouden. Het is echter vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld een uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3387, r.o. 4.1) dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. 26. Daarnaast hebben bezwaarden aangevoerd dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze in te dienen over of bezwaar te maken tegen het besluit waarbij de geheimhouding is opgelegd en het besluit waarbij de geheimhouding gedeeltelijk is opgeheven. Volgens bezwaarden heeft de raad om diezelfde reden de geheimhouding van het PwC-rapport heroverwogen naar aanleiding van een verzoek van .
Bezwaarden stellen dat het voorgaande moet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De commissie volgt bezwaarden niet in hun stelling. Dat de raad zich opnieuw heeft gebogen over de geheimhouding van het PwC-rapport, kan op zichzelf immers niet afdoen aan het besluit van 4 november 2019 over het integriteitrapport. 27. Als bezwaarden een beroep hebben willen doen op het gelijkheidsbeginsel, dan is de commissie van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Van gelijke gevallen is geen sprake, aangezien de raad de geheimhouding van het PwC-rapport heeft heroverwogen naar aanleiding van een bezwaar en niet naar aanleiding van een herhaalde aanvraag. Conclusie 28. Alles overwegende is de commissie van oordeel dat het college niet bevoegd was om een besluit te nemen op het verzoek van 15 oktober 2022, maar dat het college het verzoek wel terecht heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Naar het oordeel van de commissie kan het bestreden besluit in stand worden gelaten, mits de raad een besluit neemt op het ingediende bezwaar. De commissie adviseert de raad om de motivering van het bestreden besluit aan te vullen met de overwegingen uit dit advies. 29.
Tot slot merkt de commissie op dat bezwaarden hebben verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Hieromtrent overweegt de commissie dat de aan artikel 6 van het EVRM ontleende veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie niet geldt in de aanvraagfase. Dit brengt mee dat de belanghebbende zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij door de onaanvaardbaar lange duur van de behandeling door het bestuursorgaan van zijn aanvraag daadwerkelijk zodanige schade heeft geleden (zie een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2014,
2024/743005 11 ECLI:NL:RVS:2014:2954, r.o. 7.1). Nu bezwaarden niet aan deze eis hebben voldaan, is de commissie van oordeel dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. VI. Advies De commissie adviseert de raad om: • het bestreden besluit in stand te laten; • de motivering van het bestreden besluit aan te vullen met de overwegingen uit dit advies; • het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM af te wijzen.
Haarlem, 1 juli 2024
De voorzitter, mevrouw mr. S.A. van Dijk
De secretaris, de heer mr. T.F. Baars
2024/743005 12 Bijlage 1 - Juridisch kader Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. (…) Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:6 1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. 2.
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Gemeentewet Artikel 25 (zoals dat gold op 22 december 2018) (…) 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 3. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. (…) Artikel 25 (zoals dat gold op 15 oktober 2022) (…) 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.
2024/743005 13 3. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. (…) Artikel 87 De raad, het college, de burgemeester en een commissie als bedoeld in hoofdstuk V kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust. Wet openbaarheid van bestuur Artikel 10 (zoals dat gold op 22 december 2018) 1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. 2.
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. 4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang. 5.
Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieuinformatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter. 6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieuinformatie.
2024/743005 14 7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage. c. Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu. Wet open overheid Artikel 5.1 (zoals dat gold op 15 oktober 2022 en nog steeds geldt) 1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt; e.
nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt. 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens; g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. 3.
Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. 4. Openbaarmaking kan tijdelijk achterwege blijven, indien het belang van de geadresseerde van de informatie om als eerste kennis te nemen van de informatie dit kennelijk vereist. Het bestuursorgaan doet mededeling aan de verzoeker van de termijn waarbinnen de openbaarmaking alsnog zal geschieden.
2024/743005 15 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden. 6. Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade. 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu.