CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Warmteprogramma 2026-2030

gemeenteraad 18 december 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: Warmteprogramma 2026-2030 vaststellen17.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Iedereen in de buurt wordt geïnformeerd als het maken van het plan start en er komen verschillende mogelijkheden om te participeren, zodat het plan goed aansluit bij de behoeften van de wijk. De gemeente heeft in deze gebieden het voornemen tot aanwijzing conform de Wgiw. De gemeente gaat de haalbaarheid, betaalbaarheid, kosten-efficiëntie en de energie-infrastructuur voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid, met de bewoners, ondernemers en andere stakeholders onderzoeken en uitwerken in een gebiedsgericht Wijkwarmteplan. De hoogte van de warmtetarieven worden door de ACM gereguleerd, maar het Rijk en de gemeente zetten verschillende instrumenten om de kosten van het aansluiten concurrerend met een individuele warmtepomp te maken. Dit kunnen instrumenten zijn die de business case optimaliseren en zo de kosten voor de eindgebruikers verlagen. Voor de betaalbaarheid van het warmtenet is het ook belangrijk dat zo veel mogelijk bewoners en ondernemers meedoen; zo kan het warmtebedrijf de kosten over meer mensen verdelen en wordt het voor iedereen goedkoper. Woning-/gebouweigenaren mogen op eigen terrein ook zelf een andere voorziening kiezen om zonder fossiele brandstoffen te verwarmen. De gemeente helpt bewoners en ondernemers graag

26

bij het verduurzamen. Kijk op www.haarlem.nl/duurzaam voor meer informatie over ondersteuning van de gemeente bij het verduurzamen van woningen of ondernemingen. Midden-temperatuur warmtenet, Wijkwarmteplannen 6 jaar en later De gemeente wil in de toekomst een midden-temperatuur warmtenet in deze gebieden ontwikkelen. De gemeente gaat in deze gebieden de komende vijf jaar nog geen Wijkwarmteplan maken. In het volgende Warmteprogramma wordt aangegeven welke buurten dan aan de beurt zijn. Daarbij sluiten we zo veel mogelijk aan bij de planning van groot onderhoud of herinrichting van de openbare ruimte. Gebouweigenaren zijn niet verplicht om op het toekomstige warmtenet aan te sluiten. Zij mogen ook zelf een andere voorziening kiezen om zonder fossiele brandstoffen te verwarmen. De gemeente helpt bewoners en ondernemers graag bij het verduurzamen. Kijk op www.haarlem.nl/duurzaam voor meer informatie over ondersteuning van de gemeente bij het verduurzamen van woningen of ondernemingen. Zeer-lage-temperatuur warmtenetten In verschillende ontwikkelzones werkt de gemeente nu aan een herontwikkeling van het gebied. Dit wordt nu al uitgevoerd, of er worden plannen voor gemaakt. Dat betekent dat het gebied, voorzieningen, winkels, infrastructuur en misschien ook woningen worden vernieuwd en verbeterd en aangepast voor de toekomst.

Sommige bestaande gebouwen worden gesloopt en daarvoor komt nieuwbouw in de plaats. De herontwikkeling van het gebied, geeft de mogelijkheid om integraal na te denken over het toekomstige warmtesysteem voor delen of het gehele gebied. In deze gebieden zet de gemeente in op collectieve zeer-lage-temperatuur (ZLT-) warmtenetten. Met collectieve ZLT-warmtenetten kan de beschikbare capaciteit voor bodemwarmte beter worden verdeeld, houdt de gemeente regie op de inrichting van de bodem en openbare ruimte en wordt het elektriciteitsnet minder belast. Voor bestaande woningen die nog niet aardgasvrij zijn, kan het interessant zijn om aan te sluiten op het te ontwikkelen warmtesysteem. In andere gevallen is aansluiting op een langsgelegen midden-temperatuur warmtenet of een individuele of collectieve warmtepomp een passende voorziening. Woning-/pandeigenaren worden hier tijdig over geïnformeerd. Zeer-lage-temperatuur warmtenetten, programmering ontwikkelzones Voor de ontwikkeling van de zeer-lage-temperatuur warmtenetten in ontwikkelzones wordt aangesloten bij de planningen van de ontwikkelprojecten, zodat tijdig warmte en koude geleverd gaat worden. Gebied in onderzoek Voor het historische centrumgebied van Haarlem onderzoekt de gemeente nog welke aardgasvrije warmtevoorzieningen het beste passen.

Hierbij wordt gekeken naar de kenmerken van de gebouwen en het gebied, de ruimte die boven en onder de grond beschikbaar is, en de ruimte in en rondom de woningen. In het volgende Warmteprogramma (over 5 jaar) zal de gemeente meer vertellen over welke warmtevoorzieningen mogelijk zijn in het centrumgebied. In de TVW stond de inzet van groen gas hier nog als mogelijkheid, maar dat komt de komende jaren te beperkt beschikbaar in Nederland en wordt daardoor te duur voor huishoudens. De gemeente zet daarom de komende jaren niet in op de ontwikkeling van groen gas voor het verwarmen van woningen en bedrijven in dit gebied. Om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op de toekomstige warmtevoorziening kunnen ondernemers en instellingen energiebesparende maatregelen nemen en daarvoor gebruik maken van de adviezen van het Duurzaam Ondernemersloket en het Monumentenloket. Ook zijn subsidieregelingen voor duurzame opwek, laadpalen en energie-opslag beschikbaar.

27

4 Bestuurlijke keuzes en randvoorwaarden 4.1 Vaststellen van het Warmteprogramma Het vaststellen van het Warmteprogramma is voor de gemeente de eerste stap om buurten aardgasvrij te maken conform twee samenhangende wetten, namelijk de Omgevingswet en de Wet collectieve warmte (Wcw). Het proces staat afgebeeld in onderstaande figuur 4.1. Figuur 4.1: Te doorlopen proces voor het aardgasvrij maken van buurten

4.2 Warmtekavel en aanwijzing warmtebedrijf Met het vaststellen van dit Warmteprogramma maakt de gemeente stadsbreed twee bestuurlijke keuzes namelijk: • de gemeente stelt een voorgenomen warmtekavel vast (stap 3 in figuur 4.1) en; • de gemeente wijst een warmtebedrijf aan bij het warmtekavel (stap 4 in figuur 4.1). 4.2.1 Vaststelling voorgenomen Warmtekavel De gemeente geeft vanuit haar regierol in het Warmteprogramma de gebieden in de stad aan waar publieke warmtenetten worden ontwikkeld. De gemeente stelt op basis van de kansrijke ‘warmtenetgebieden’ één groot warmtekavel samen en stelt dat met het Warmteprogramma vast. Een warmtekavel is in de in voorbereiding zijnde Wet Collectieve Warmte (WCW) omschreven als 'een aaneengesloten gebied waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen'. Daarmee kan de gemeente bepalen of, waar en wanneer in haar gemeente wordt gekozen voor een

28

grootschalig warmtenet. Voor een warmtekavel moet onder de WCW een publiek warmtebedrijf worden aangewezen. Om de schaalvoordelen en optimale uitrolvolgorde te kunnen bereiken, wil de gemeente alle geschikte gebieden in de stad tot één warmtekavel bundelen. Eén groot warmtekavel (en dus één warmtebedrijf, zie ook de volgende paragraaf) heeft grote voordelen. Voor het Warmtebedrijf, voor de gemeente en voor de inwoners van Haarlem. Voordeel voor het warmtebedrijf, want het warmtebedrijf kan efficiënt werken: Het publieke warmtebedrijf: • Heeft schaalvoordeel bij het ontwikkelen van de kavel • Krijgt investeringszekerheid voor een langere termijn • Kan per gebied een kavelplan opstellen en zelf beoordelen welke ‘uitrolvolgorde’ economisch het meest gunstig is om op termijn het gehele warmtekavel aan te sluiten.” • Kan aansluiten bij de renovatieplannen van de woningcorporaties, de plannen van Liander (verzwaring elektranet) en groot onderhoud van de gemeente in het hele gebied • Kan per project (deelgebied) in het warmtenet gebied een businesscase opstellen Voordeel voor de gemeente en de klanten: Naast de voordelen voor het warmtebedrijf zet het college met het toewijzen van alle warmtenetaansluitingen aan één bedrijf in op het realiseren van maximale betaalbaarheid voor alle bewoners in de warmtekavel.

De voordelen zijn: • Eén partner om mee samen te werken, minder afstemming en betere sturing op uitvoering • Beste mogelijkheid om maximale betaalbaarheid te realiseren voor alle bewoners en ondernemers in de warmtekavel • Beperken van verschillen in tarieven in de stad • Grootschalige duurzame bronnen kunnen worden ontwikkeld: zo is bijvoorbeeld geothermie een zeer duurzame en goedkope bron bij een minimum van ca. 8.000 aansluitingen Het bedrijventerrein Waarderpolder heeft een aparte positie. Voor dit gebied heeft de gemeente een warmteconcessie aanbesteed. Het warmtebedrijf Polderwarmte heeft het recht verkregen om in de Waarderpolder een warmtenet aan te leggen en gedurende 30 jaar te exploiteren. Na deze periode vervalt het warmtenet aan de gemeente. 4.2.2 Aanwijzing warmtebedrijf Voor het ontwikkelen van het grote warmtekavel en het aansluiten van de gebouwen wordt één warmtebedrijf aangewezen. De gemeente wijst het voorgenomen Warmtekavel toe aan het, inmiddels opgerichte, Warmtebedrijf Haarlem. Het bedrijf is al actief in de ontwikkeling van het eerste cluster van het warmtenet in Meerwijk. Door te kiezen voor één warmtekavel met één warmtebedrijf is een grotere mate van sturing, een uniforme kavelbrede tarifering en een kostenverlagende efficiëntie mogelijk.

Een publiek warmtebedrijf waarin de gemeente 50% aandeel heeft, kan het beste inspelen op lokale wensen, omstandigheden en eisen. Warmtebedrijf Haarlem (WBHa) voldoet aan deze voorwaarden. Gemeente Haarlem en Firan zijn beide voor 50% aandeelhouder van het Warmtebedrijf Haarlem. Daarmee laten beide publieke partijen zien dat zij samen verantwoordelijkheid nemen voor de opgave. Firan brengt als dochter van Alliander uitgebreide kennis en ervaring in op het gebied van energie-infrastructuur, terwijl de gemeente vanuit haar regierol zorgt voor publieke sturing en borging van betaalbaarheid.

29

Bij de keuze voor een warmtebedrijf voor de stad speelde een aantal overwegingen. Zo is de mate van sturing die de gemeente heeft van belang. Door de grote aandeelhoudersrol in Warmtebedrijf Haarlem kan de gemeente beter sturen op informatievoorziening en draagvlak, ruimtelijke inpassing, tariefstelling en indexering, ontzorging, afstemming met groot onderhoud en de agenda van de corporaties. Ten slotte werkt het college al geruime tijd aan de ontwikkeling van het warmtenet in Meerwijk in Schalkwijk. Voor de uitrol van het warmtenet in heel Schalkwijk werd in 2018 al een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De besluitvorming rondom de oprichting van het Warmtenetwerkbedrijf Haarlem werd in 2020 en 2021 doorlopen. De oprichting vond in 2025 plaats. Vooruitlopend op de Wcw krijgt dit bedrijf de rol van netwerkbedrijf naar integraal warmtebedrijf en mag hierdoor warmte leveren. De statuten zijn hierop aangepast. Het college heeft hiervoor het voorstel 'Gewijzigde oprichting publiek Warmtebedrijf Haarlem (2024/1954586)' voor zienswijze aan de commissie bestuur gestuurd. Op dit moment laat de minister een verkenning uitvoeren naar de uitvoeringskracht van warmtebedrijven (Kamerbrief over verkenner warmtebedrijven | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl).

Het college volgt deze, en andere, landelijke ontwikkelingen nauwlettend en zal de uitkomsten ervan betrekken bij de uitvoering van het Warmteprogramma.

30

Figuur 4.2: De reeds vastgestelde geografische gebieden voor collectieve warmtevoorzieningen en het voorgenomen warmtekavel voor een publiek warmtenet. Het voorgenomen warmtekavel wordt toegewezen aan het Warmtebedrijf Haarlem om passende warmtenetten te ontwikkelen voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw (ontwikkelzones)

31

4.2.3 Wat betekent dit voor bewoners, ondernemers en professional partners Op de kaart in figuur 4.2 kan iedereen zien wat deze bestuurlijk keuzes voor hen betekenen. De categorieën die in de legenda van de kaarten staat zijn hierin als leidraad genomen, zodat iedereen in de stad kan kijken wat het voor hem/haar betekent om gebouweigenaar, ontwikkelaar of huurder te zijn in een geografisch gebied of voorgenomen warmtekavel. Reeds aangewezen geografische gebieden Deze gebieden zijn door de gemeente vastgesteld als ‘geografisch gebied’, zoals bedoeld in de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (gemeente Haarlem 2023). Zodra de Wcw van kracht is, gaat de gemeente deze gebieden vaststellen als Warmtekavel. Voor de Waarderpolder heeft de gemeente een warmteconcessie aanbesteed. Het warmtebedrijf Polderwarmte heeft het recht verkregen om in de Waarderpolder een warmtenet aan te leggen en gedurende 30 jaar te exploiteren. Na deze periode vervalt het warmtenet aan de gemeente. Ondernemers in de Waarderpolder krijgen een aanbod van het warmtebedrijf Polderwarmte. In dat aanbod staan onder andere het energietarief, de aansluitkosten en de planning voor de aanleg van het warmtenet. Voorgenomen Warmtekavel Warmtebedrijf Haarlem Nadat de Wcw van kracht is, gaat de gemeente dit gebied vaststellen als Warmtekavel.

Het al aangewezen geografische gebied voor het Warmtenet Meerwijk wordt mogelijk opgenomen in het voorgenomen Warmtekavel van Warmtebedrijf Haarlem. Het Warmtebedrijf Haarlem gaat in dit gebied onderzoeken waar en hoe precies een haalbaar en betaalbaar warmtenet aangelegd kan worden. Woning-/pandeigenaren in het voorgenomen Warmtekavel krijgen op termijn een aanbod van het Warmtebedrijf Haarlem. In dat aanbod staan onder andere het energietarief, de aansluitkosten en de planning voor de aanleg van het warmtenet. Het warmtebedrijf maakt bij keuze van de technieken onderscheid in temperaturen die nodig zijn voor bestaande bouw en voor nieuwbouw. In ontwikkelzones is hierbij ook de levering van koude belangrijk. In ontwikkelzones werkt de gemeente aan een herontwikkeling van het gebied. Dit wordt nu al uitgevoerd, of er worden plannen voor gemaakt. In een deel van de ontwikkelzones worden warmtevoorzieningen in de openbare ruimte verwacht. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden waar de capaciteit in de ondergrond voor de aanleg van WKO's beperkt is. Hierdoor moeten warmtesystemen voor verschillende ontwikkelaars integraal en netbewust worden ontwikkeld. Ontwikkelzones zijn opgenomen in het voorgenomen Warmtekavel en kunnen na de inwerkingtreding van de WcW worden vastgesteld als Warmtekavel.

Het Warmtebedrijf Haarlem mag hier passende en netbewuste warmte- en koude- voorzieningen ontwikkelen en exploiteren. Dat wordt per situatie samen met de ontwikkelende partijen beoordeeld. Ontwikkelzones binnen het Warmtekavel worden zo onderdeel van het publieke systeem. Bewoners en ondernemers in deze zones kunnen hierdoor rekenen op vergelijkbare ‘publieke’ voorwaarden voor hun warmte en hun tapwater, en de gemeente kan hierdoor beter sturen op de ruimtelijke inpassing.

32

4.3 Relatie met Omgevingsvisie, Omgevingsplan en PlanMER Relatie met de Omgevingsvisie en met de Omgevingswet In de Omgevingsvisie Haarlem 2045 staan de zes integrale Haarlemse opgaven, namelijk: 1. Versterken aantrekkelijke woon- én werkstad voor iedereen 2. Versterken sociaal weefsel 3. Klimaatbestendig Haarlem 4. Gezonde stad voor mens en dier 5. Energietransitie in Haarlem -> ruimte voor de energietransitie 6. Duurzaam bereikbare stad. De volgende stap is om de omgevingsvisie verder uit te werken in verschillende programma’s, gericht op de uitvoering van de visie. Het Warmteprogramma is het eerste onderdeel van het programma Ruimte voor de energietransitie. Zoals beschreven in de Omgevingsvisie gaat het in dit programma over ruimte voor besparing, opwekking, distributie en opslag van energie. In het Warmteprogramma betreft dit warmte en koude. Later worden onderdelen zoals duurzame opwekking van elektriciteit (met zon en wind) en distributie en opslag van elektriciteit toegevoegd. Een Warmteprogramma wordt, na inwerkingtreden van de Wgiw, een verplicht Omgevingsprogramma, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Relatie met het Omgevingsplan In dit Warmteprogramma geeft de gemeente aan het voornemen te hebben om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De gemeente werkt de haalbaarheid en betaalbaarheid hiervan uit in de Wijkwarmteplannen.

Echter, de Raad is altijd de sleutel tot het daadwerkelijk inzetten van de aanwijsbevoegdheid door het wijzigen van het Omgevingsplan. Door het opnemen van regels in het omgevingsplan wordt bepaalt wanneer en hoe de wijk van het aardgas afgaat en welk duurzaam alternatief voor aardgas wordt gekozen. Deze planregels zijn bindend voor bewoners, gebouweigenaren (van woningen en utiliteitsbouw) en bedrijven binnen het aangewezen gebied. Bij het wijzigen van het omgevingsplan, is beoogd dat de gemeente: • De gekozen warmtevoorziening onderbouwt en beschrijft aan welke eisen gebouwen moeten voldoen. • De redelijke termijn onderbouwt waarop de levering van aardgas beëindigd wordt. • De haalbaarheid van de energie-infrastructuur en van de gekozen aanpak onderbouwt, inclusief de werkbaarheid voor bewoners, ondernemers en gebouweigenaren gezien hun doenvermogen. • De kosteneffectiviteit van de maatregelen en de betaalbaarheid voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren onderbouwt. • Rekening houdt met de gevolgen voor de energie-infrastructuur, zoals benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet. • Beschrijft hoe ze invulling geeft aan de vergewisplicht: de plicht om zich ervan te verzekeren dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is binnen de gestelde termijn en gebouwen hierop of op een aardgasvrij alternatief zijn aangesloten.

Pas als alle seinen op groen staan, kan het Omgevingsplan gewijzigd worden. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad. Na de vaststelling van het Omgevingsplan start de termijn voor de uitvoering.

33

Milieueffectrapportage De gemeente Haarlem weegt voor alle buurten de mogelijke duurzame alternatieven voor de warmtevoorziening af en kiest een voorkeursvoorziening om iedere buurt aardgasvrij te maken. Technisch en financieel onderzoek is hiervoor de basis. Om ook de milieueffecten van de warmtevoorzieningen op de leefomgeving in beeld te brengen, is een planMER opgesteld. Informatie uit het planMER helpt om de mogelijke milieueffecten van de warmtetransitie in overzicht te brengen, waaronder de impact op luchtkwaliteit, geluid, bodem, water en biodiversiteit. Het planMER biedt inzicht in de milieueffecten van vijf warmtevoorzieningen die Haarlem voorziet in de stad. Het planMER biedt naast kosten en technische haalbaarheid extra beslisinformatie om mee te wegen in keuze voor een warmtevoorziening per buurt. Daarnaast zorgt een planMER voor transparantie in het besluitvormingsproces en biedt het de mogelijkheid voor bewoners en andere stakeholders om te reageren op voorgestelde keuze. Tot slot maakt het planMER de mogelijke risico’s en negatieve effecten inzichtelijk. Zo kunnen de risico’s en effecten beter beheerst en gemitigeerd worden, wat bijdraagt aan een duurzamere en verantwoorde uitvoering van het Warmteprogramma.

Naast dat dit planMER beslisinformatie levert voor het Warmteprogramma wordt hiermee ook voldaan aan de mer-plicht die geldt omdat er sprake is van kader stellende keuzes. Bij het maken van een ontwerpen voor de warmtevoorzieningen in Wijkwarmteplannen past de gemeente de maatregelen toe om de potentiële negatieve effecten van de gekozen voorziening zo klein mogelijk te houden (de zogenaamde mitigerende maatregelen). Waar verschillende (milieu)belangen elkaar in de weg staan, maakt de gemeente een transparante afweging van deze belangen. Op het moment dat de definitieve techniekkeuze verankerd wordt in het omgevingsplan (met de aanwijsbevoegdheid), moeten de gemaakte afwegingen en keuzes transparant en navolgbaar zijn. Bij de gebiedsgerichte aanpakken (Wijkwarmteplannen) haalt de gemeente de relevante aandachtspunten uit het plan-mer op en de daarbij horende mitigerende maatregelen. We nemen ook de positieve effecten op het milieu (zoals CO₂-besparing) mee in onze afwegingen.

4.4 Financieel kader: budget, investeringen, risico’s, rol rijksoverheid Collectieve warmtevoorzieningen in het algemeen, maar grootschalige warmtenetten in het bijzonder, lijken een toekomstbestendige aardgasvrije warmtevoorziening voor bewoners van Haarlem. De komst van de Wcw draagt bij aan een voorspelbaardere en gelijkmatigere prijsontwikkeling van warmtenetten en harmonisatie van tarieven voor eindgebruikers. Op dit moment kunnen warmtenetten zelden concurreren met fossiele warmtebronnen. Naar verwachting zullen de kosten van verwarmen met aardgas echter stijgen, omdat de energiebelasting op aardgas wordt verhoogd, aardgas onder het Europese emissiehandelssysteem wordt gebracht en de kosten van de bijmengverplichting van groen gas door gasproducenten worden doorberekend op afnemers. Daarnaast zullen de kosten van het aardgasnet over een steeds kleinere groep gebruikers worden afgewenteld met een prijsstijging tot gevolg. Kanttekening hierbij is dat de prijsontwikkelingen op de energiemarkt sterk afhankelijk zijn van de wereldmarkt en politieke keuzes.

34

De kosten van een individuele oplossing zoals een warmtepomp nemen (voor woningen met zonnepanelen) toe wanneer de salderingsregeling voor zonne-energie in 2027 is afgeschaft en als nettarieven gedifferentieerd worden naar gebruik of capaciteit, zoals wordt verwacht. Daarnaast kunnen stroomkosten fluctueren als gevolg van schommelingen in globale energieprijzen of, in het geval van dynamische energiecontracten, in periodes met een lage elektriciteitsproductie en een hoog aanbod (zoals op koude, donkere windstille winterdagen). Daarnaast zijn vaak relatief hoge investeringen nodig om woningen geschikt te maken voor een lage temperatuur oplossing. De kosten van het warmtenet blijven redelijk constant door een groot aandeel investeringskosten versus lage operationele kosten. Daarnaast zijn onder de Wcw de tarieven gemaximeerd. De Initiële hogere (aansluit)kosten kunnen worden verlaagd door o.a. voorinvesteringen door de gemeente, voorfinanciering van de aansluitbijdrage door de gemeente, het afdekken van risico's en de inzet van de aanwijsbevoegdheid onder de Wgiw. Op dit moment is de businesscase voor het aanleggen van warmtenetten zelden sluitend. Daarom zijn er extra instrumenten en subsidies vanuit het Rijk nodig om de eenmalige aansluitkosten voor gebouweigenaren betaalbaar te houden.

Hier voorziet de gemeente, net als vele andere gemeenten in Nederland, een belangrijke rol voor het Rijk. Benodigde rijksinstrumenten zijn o.a. de Warmtenetten InvesteringsSubsidie (WIS), de prijsgarantie voor eindgebruikers, de garantieregeling warmtenetten en de Subsidie Warmtenet Inpandige Kosten (SWIK). Deze instrumenten en subsidies worden momenteel door het Rijk ontwikkeld. De warmtetransitie vergt veel investeringen. Zo wordt er geïnvesteerd in het aanleggen en verbeteren van warmte- en elektriciteitsnetten. Ook is er geld nodig voor het isoleren van gebouwen en voor het bouwen van installaties die duurzame energie opwekken en opslaan. De kosten worden samen gedragen door overheid, ondernemers en woning-/gebouweigenaren (waaronder VvE's, corporaties en particuliere verhuurders). Warmte- en netwerkbedrijven investeren in de infrastructuur. Het aansluiten van duurzame warmtebronnen doet de gemeente samen met het publieke warmtebedrijf en Polderwarmte. Inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren hebben een belangrijke rol. Zij investeren in hun eigen woning of gebouw om deze geschikt te maken voor duurzame warmte. Voor de uitvoering van de warmtetransitie zijn verschillende financiële middelen nodig, namelijk. • voor de kapitaalbehoefte van het warmtebedrijf, denk hierbij aan een storting van het eigen vermogen of aantrekken van vreemd vermogen.

Voor warmtenet Meerwijk heeft de gemeente vanuit haar rol als aandeelhouder een storting gedaan bij de oprichting van het warmtebedrijf. Voor financiering van de projecten zal er eigen vermogen worden aangewend om vreemd vermogen aan te trekken, bijvoorbeeld bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Dit vreemd vermogen brengt rentelasten met zich mee. • Om een concurrerend aanbod aan te kunnen bieden aan huishoudens in het warmtekavel, voorzien wij de inzet van (landelijke) subsidies en het afdekken van risico’s. • Voor voorbereiding in de openbare ruimte, denk hierbij aan het verleggen van buizen, aankopen van grond of reserveren van ruimte in de ondergrond. Dit zijn investeringskosten. • Voor de ondersteuning van de bewoners en eigenaren om in de startwijken uit het warmteprogramma een goede start te maken. • Voor de benodigde capaciteit bij de gemeente voor beleid en planvorming. Voor het uitvoeren van de gemeentelijke plannen is geld nodig. Van de gemeente, maar ook van het rijk. Deze middelen zijn belangrijk om betaalbare voorzieningen mogelijk te maken en om onze uitvoeringskosten te dekken. De betaalbaarheid van de warmtenetten is op dit moment landelijk nog niet voldoende geregeld. In 2025 hebben we circa 5 miljoen euro ontvangen via de tijdelijke regeling Capaciteit Decentrale Overheden Klimaat en Energie (CDOKE). Een gedeelte van deze

35

middelen zijn beschikbaar voor de warmtetransitie. Het Rijk zal blijven bijdragen tot 20230. Voor een succesvolle uitvoering is het belangrijk dat er structureel geld beschikbaar komt en blijft. Een deel van de financiële middelen bestaat uit subsidie, waar ook op dit moment landelijke subsidieregeling voor zijn. We voorzien dat de gemeente zelf ook eigen middelen ter beschikking moet stellen. De benodigde kosten en waardeontwikkeling van de investering van de warmtenetten worden de komende periode in kaart gebracht, uitgaande van de eerste buurten uit het Warmteprogramma.

4.5 Governance en organisatie 4.5.1 Regie op betaalbaarheid met een eigen Haarlems warmtebedrijf In Haarlem wordt één Warmtebedrijf verantwoordelijk voor aanleg en beheer van warmtenetten: Warmtebedrijf Haarlem. Dit bedrijf is voor de helft eigendom van de gemeente en voor de helft van Firan (onderdeel van het publieke Alliander). Omdat de gemeente mede-eigenaar is, kan zij sturen op betaalbaarheid, samenwerking met partners in de stad en zorgvuldige uitvoering.

Voor het Warmtebedrijf Haarlem geldt de bovenstaande organisatiestructuur. Naast deze organisatiestructuur worden voor verschillende projecten ook projectstructuren ingericht waar alle projectpartners tijdens de ontwikkeling van een gebied in samenwerken. Die samenstelling kan variëren, afhankelijk van het gebied en de stakeholders in dat gebied.

36

Figuur 4.3: Processtappen in een warmtenetgebied

De rolverdeling tussen Warmtebedrijf Haarlem en de gemeente wordt hier uitgelegd aan de hand van het eerder beschreven processchema: Stap 1, 3 en 4: Vaststelling voorgenomen warmtekavel en aanwijzing warmtebedrijf door het college van Haarlem (collegebesluit Warmteprogramma). Stap 5: Globaal kavelplan en uitgewerkte kavelplannen opstellen: • Het warmtebedrijf maakt een globaal kavelplan. Hiervoor maakt het warmtebedrijf een globaal ontwerp voor het warmte-energiesysteem voor het hele gebied. • De AvA, waar de wethouder financiën namens het college onderdeel van uitmaakt, moet het globaal kavelplan wat het warmtebedrijf maakt goedkeuren (of niet) waarna het warmtebedrijf dit indient bij de gemeente Haarlem. • Vervolgens is het een collegebesluit om het kavelplan aan te nemen. Het inbrengend collegelid is de wethouder Klimaat en Energie. • Daarna gaat het warmtebedrijf voor elk Wijkwarmteplangebied een gedetailleerd kavelplan opstellen,. Een schetsontwerp wordt voor deelgebieden uitgewerkt naar voorlopig ontwerp (VO) en definitief ontwerp (DO). Een uitgewerkt kavelplan gaat over een geografisch gebied, maar hoeft niet alle woningen in dat gebied te omvatten. Het kan zijn dat het technisch of financieel niet haalbaar is om alle woningen een aanbod te doen. Voor die gebouwen is een individueel alternatief noodzakelijk en/of goedkoper.

Voor het uitgewerkte kavelplan geldt hetzelfde als voor het globale kavelplan; De AvA, waar de wethouder financiën namens het college onderdeel van uitmaakt, moet het kavelplan wat het warmtebedrijf maakt goedkeuren (of niet) waarna het warmtebedrijf dit indient bij de gemeente Haarlem. Vervolgens is het een collegebesluit om het uitgewerkte kavelplan aan te nemen. Het inbrengend collegelid is de wethouder Klimaat en Energie. Stap 6: Wijkwarmteplan maken door de gemeente. Parallel aan het maken van het kavelplan maakt de gemeente een wijkwarmteplan. Dat is een iteratief proces, waarbij aan de ene kant belangen en wensen van stakeholders worden meegenomen en aan de andere kant technische en financiële drempels meespelen bij het ontwerpen van de warmtebuizen en bronnen. Mogelijk zijn aanvullende subsidies of middelen van het Rijk nodig om een business case voor het kavelplan sluitend te maken. De gemeente is verantwoordelijk voor participatie en communicatie. Het

37

Wijkwarmteplan is een collegebesluit. Het inbrengend collegelid is de wethouder Klimaat en Energie. Stap 7: Wijziging Omgevingsplan. Het vastleggen van de definitieve warmtevoorzieningen en de redelijke termijn voor de uitvoering (inzet van de aanwijsbevoegdheid) in het Omgevingsplan. Dit is een besluit van de gemeenteraad. Het inbrengend collegelid is de wethouder Klimaat en Energie. Stap 8: Inventarisatie opt-out. Gebouweigenaren die een aardgasvrije, alternatieve warmtevoorziening willen kiezen (opt-out), moeten dit aangeven bij de gemeente. Stap 9: Investeringsplan, aanleg en exploitatie. Het warmtebedrijf stelt een investeringsplan op. Dat investeringsplan zal door de AvA, waar de wethouder financiën namens het college onderdeel van uitmaakt, goedgekeurd moeten worden. Daarna zal de gemeenteraad ook in moeten stemmen met de bijbehorende storting van eigen vermogen in het warmtebedrijf. Voor betaalbaarheid aanvullende subsidies of middelen van het Rijk nodig Bij het uitwerken van een Kavelplan kan het zijn dat het warmtebedrijf niet alle gebouwen economisch haalbaar én betaalbaar een aanbod kan doen. Gemeente en warmtebedrijf zullen dan aanvullende subsidies moeten aanvragen of aanvullende middelen van het Rijk nodig hebben. Lukt dat niet, dan kan de uitvoering gefaseerd worden.

4.5.2 Van doelgroepen ondersteunen naar gebiedsgericht samenwerken De gemeente ondersteunt bewoners en ondernemers al jaren met een groot aantal doelgroepgerichte aanpakken. Voor elke doelgroep is er wel een aanpak, zoals de VvE-aanpak, Lokale isolatieaanpak, aanpak energiearmoede, aanpak monumenten, etc. Gebiedsgerichte Wijkwarmteplannen maken en uitvoeren betekent een andere manier van werken. Gebiedsgericht i.p.v. stadsbrede doelgroep-aanpakken. Daarnaast gaan we van ondersteuning naar uitvoering. De gemeente gaat projectteams inrichten die, met participatie met de buurt en samenwerkingspartners, in een gebied het Wijkwarmteplan gaan maken en uitvoeren. Onze succesvolle doelgroep-aanpakken zijn de beproefde ingrediënten die de gemeente kan inzetten in Wijkwarmteplannen. In de gebieden die de komende 5 jaar nog niet aan de beurt zijn, blijven we de doelgroep-aanpakken aanbieden. We prioriteren de inzet op bovenstaand doelgroepenbeleid in de gebieden waar we de komende vijf jaar starten met het maken van Wijkwarmteplannen.

38

5. Uitvoering en samenwerking 5.1 Doelgroepgerichte ondersteuning die Haarlem nu al biedt Bewoners en ondernemers hoeven niet te wachten tot hun buurt aan de beurt is. De gemeente gaat door met stadsbrede doelgroepgerichte aanpakken, zoals: • Energiearmoede; • Buurtinitiatieven; • Woningcorporaties; • Vve's; • Lokaal isolatieprogramma (particuliere woningeigenaren); • Opwek (particuliere woningeigenaren); • Bedrijven (inclusief MKB); • Erfgoed; • Commerciële verhuurders; • Aanpak gemeentelijk vastgoed. Is een buurt voorlopig nog niet aan de beurt? Op www.haarlem.nl/duurzaam staat wat je nu al in huis kunt doen, zoals isoleren en energie besparen.

5.2 Wijkwarmteplannen maken Na vaststelling van het Warmteprogramma gaan we aan de slag met de uitvoering. In Haarlem starten we de komende vijf jaar in de aangewezen gebieden met Wijkwarmteplannen in: a) Gebieden die onderdeel zijn van het warmtekavel b) Gebieden met individuele of kleinschalige warmtevoorzieningen 5.2.1 Algemeen Haarlem werkt aan Wijkwarmteplannen volgens de leidraad van het Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW) en het Haarlems Beleidsproces. Wijkwarmteplannen bieden juridische en beleidsmatige onderbouwing voor het gebruik van instrumenten zoals de aanwijsbevoegdheid uit de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en het wijzigen van het omgevingsplan. Wijkwarmteplannen geven duidelijkheid over de te volgen route, de verwachte investeringen, de rolverdeling tussen partners en het handelingsperspectief voor bewoners. Ook worden koppelkansen geïnventariseerd en afgewogen, waaronder maatregelen voor verkoeling, de herinrichting van de openbare ruimte en sociale koppelkansen (bijvoorbeeld energiearmoede) en worden eventuele risico's in kaart gebracht (zoals soortenmanagementplannen en netcongestie). De gemeente stelt Wijkwarmteplannen op samen met belanghebbenden en inwoners van het gebied. Daarbij wordt aangesloten bij de bestaand Haarlems participatiebeleid en de participatieverordening.

Om voldoende duidelijkheid te bieden aan inwoners is de gemeente voornemens de aanwijsbevoegdheid conform de Wgiw in te zetten. De overstap moet haalbaar en betaalbaar zijn. Oftewel, iedereen moet in gebied moet mee kunnen doen met de overstap. Voor de uitvoering wordt een 'redelijke termijn gehanteerd'; die termijn is wettelijk minimaal acht jaar, maar kan ook

39

10 tot 15 jaar worden afhankelijk van de situatie in een buurt. In de Wijkwarmteplannen zelf wordt per gebied deze 'redelijke termijn' onderbouwd vastgesteld. Om zicht te houden op de voortgang van de doelen van de Wijkwarmteplannen zet de gemeente, indien noodzakelijk, gedurende de looptijd van het plan extra ondersteuning of stimulansen in. In bijlage B.3 is beschreven wat bewoners en ondernemers vanuit hun situatie in verschillende situaties op weg naar duurzame warmte kunnen verwachten. 5.2.2 Communicatie en participatie De overstap naar duurzame warmte is een traject dat ons als stad bindt: bewoners, ondernemers, woningcorporaties, bedrijven, buurtinitiatieven en de gemeente zetten samen stap voor stap de koers uit naar een aardgasvrij Haarlem. Geen enkele partij kan dit alleen; juist door samenwerking en betrokkenheid kunnen we vooruitgang boeken. Iedere kleine stap – van isoleren tot het ontwikkelen van een uitvoeringsplan – draagt bij aan het gezamenlijke doel van een toekomstbestendige, betaalbare en duurzame stad. Aanpak De gemeente communiceert open en transparant. We zijn eerlijk over de complexiteit van de warmtetransitie en benoemen ook wat nog onzeker is. Duidelijkheid staat voorop: wat bestuurlijk is vastgesteld en waarvoor middelen zijn geregeld, communiceren we expliciet. Tegelijk maken we helder welke onderwerpen nog nader onderzoek vragen.

Onze aanpak baseren we op kennis en feiten. We beschikken over waardevolle inzichten uit onderzoeken en uit onze eigen ervaringen in de gebieden. Deze kennis vormt de basis voor een strategie die aansluit bij wat bewoners daadwerkelijk bezighoudt. Zo zorgen we dat bewoners zich gehoord voelen, op het juiste moment geïnformeerd worden en ook willen en kunnen meedenken over het tot uitvoer brengen van de plannen. De website Haarlem Duurzaam wordt verder ontwikkeld tot hét online loket voor alle duurzaamheidsinformatie van de gemeente. Het platform fungeert als centrale landingsplek voor campagnes, biedt inzicht in gemeentelijke diensten en inspireert Haarlemmers om duurzame keuzes te maken. Een krachtig element van het platform is de integratie van online en offline communicatie. Via QR-codes en andere toepassingen worden bezoekers eenvoudig verwezen naar fysieke loketten en bijeenkomsten. Tegelijkertijd promoten deze fysieke kanalen het online platform. Deze wisselwerking vergroot de vindbaarheid en versterkt de impact van communicatie en dienstverlening. Het platform wordt ook nauw verbonden met het fysieke loket / experience center dat momenteel in ontwikkeling is, mede op advies van het Burgerberaad CO₂-reductie. Gebiedsgerichte communicatie en participatie Zodra een buurt start met een uitvoeringsplan, zetten we actieve communicatie en participatie in.

Inwoners, corporaties en ondernemers worden vroegtijdig betrokken, zodat wensen, vragen en zorgen meegenomen worden. Dit betekent dat we maatwerk per wijk leveren, de aanpak optimaal wordt afgestemd op het bewonersprofiel van de wijk, de aanpak inspeelt op zorgen en behoeften en garandeert dat bewoners tijdig en volledig worden geïnformeerd. Tegelijkertijd krijgen zij de gelegenheid om actief mee te denken over voorzieningen die passen bij hun wijk. Stadsbrede communicatie en vertrouwen Naast de gebiedsgerichte aanpak is er een stadsbrede communicatielijn. Campagnes richten zich op energie besparen en worden toegespitst op specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare Haarlemmers, huurders, ondernemers, VvE’s en bewoners van monumenten en erfgoed. We bouwen aan vertrouwen en zetten in op een langdurige relatie met de stad. Onderdeel hiervan is het

40

communiceren van voorbeelden van Haarlemmers die al succesvol zijn overgestapt op een duurzame energiebron. De transitie naar duurzame warmte is een proces van vele jaren; continuïteit en betrouwbaarheid in de communicatie zijn daarom essentieel. Handelingsperspectief voor bewoners Ook in buurten die voorlopig niet aan de beurt zijn, kunnen bewoners al stappen zetten. Energiebesparing (zowel isolatie van bouwdelen als gedragsverandering) en het benutten van beschikbare regelingen dragen altijd bij. Zo kan iedere Haarlemmer zich, op eigen tempo, voorbereiden op een aardgasvrij Haarlem. Kernpunten communicatie en participatie • Transparant en duidelijk: helder over besluiten, onzekerheden en keuzemogelijkheden. • Gebiedsgericht en op maat: strategie per wijk, gebaseerd op gebieds- en professionele kennis • Vroegtijdige betrokkenheid: bewoners, corporaties en ondernemers worden tijdig geïnformeerd en betrokken. • Lange uitvoeringstijd: iedere buurt krijgt minimaal acht jaar om te isoleren en over te stappen op een aardgasvrije warmtevoorziening. • Stadsbreed en langdurig: naast de wijkgerichte aanpak blijvende aandacht voor energiebesparing, voorbeelden geven van hoe andere bewoners al de stap hebben gemaakt naar aardgasvrij. Deze blijvende aandacht voor energiebesparing betreft zowel het stimuleren van fysieke isolatiemaatregelen alsook gedragsverandering.

5.2.3 Mitigerende maatregelen uit het plan-MER In het plan-MER (bijlage A.6) zijn diverse mitigerende maatregelen opgenomen om de mogelijke negatieve effecten van de verschillende warmtevoorzieningen te beperken. Deze maatregelen richten zich op het minimaliseren van milieubelasting, het beschermen van de leefomgeving en het waarborgen van ruimtelijke kwaliteit. In sommige gevallen zijn mitigerende maatregelen al verankerd in bestaand beleid (bijv. strikte eisen boormethodes). Het zal in de praktijk niet per definitie altijd mogelijk zijn om alle mitigerende maatregelen toe te passen. Wel kunnen we in de gebiedsgerichte Wijkwarmteplannen verder voortbouwen op de inzichten uit het plan-MER.

5.3 Gebiedsgerichte aanpakken binnen een warmtekavel of daarbuiten De gemeente maakt in de aanpak onderscheid tussen Wijkwarmteplannen maken binnen een Warmtekavel en gebieden waar individuele elektrische voorzieningen en kleinschalige warmtevoorzieningen zijn voorzien. Deze aanpakken worden hierna beschreven. 5.3.1 Wijkwarmteplannen maken in Warmtekavels Terwijl het warmtebedrijf kavelplannen voor de aangewezen buurten uitwerkt, gaat de gemeente parallel aan de slag met het opstellen van Wijkwarmteplannen. Voor elk Wijkwarmteplan maakt het warmtebedrijf een uitgewerkt kavelplan met ontwerpen, kostenramingen, een aanbod voor bewoners en ondernemers, aanpak voor interesseren en contracteren van bewoners en ondernemers, aanpak voor aanleg en exploitatie van de infrastructuur. De gemeente blijft eindverantwoordelijk en voert regie op het proces om te komen tot een Wijkwarmteplan. In de uitvoering ligt het initiatief deels bij het warmtebedrijf, maar de gemeente bewaakt de publiekrechtelijke kaders. Bewonersinitiatieven in deze gebieden kunnen optreden als facilitator of

41

verbinder tussen gemeente en bewoners en ondernemers. Participatie met bewoners bestaat in het Warmtekavel met name uit gesprekken over wat een warmtenet betekent voor woningen en bedrijven en energierekening en eventuele vragen en zorgen. Ook is betrokkenheid belangrijk voor het vormgeven van een ontzorgingsaanpak. Voor de betaalbaarheid van warmtenetten voor bewoners en ondernemers én voor de gemeente is het nodig om in het Warmtekavel de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Hiervoor is de minimale termijn acht jaar, maar er zal in praktijk bij het aansluiten van gebouwen gestuurd worden op termijnen die passen bij de projectmatige aanpak van het gebied. De overstap moet haalbaar en betaalbaar zijn, zowel van de kant van het warmtebedrijf (korte vollooptermijnen, mogelijkheid om iedereen aan te sluiten) als de inwoner (noodzakelijke woningaanpassing, aantrekkelijke tarieven voor warmte, etc.). De komende vijf jaar starten we in de volgende gebieden waar een grootschalig warmtenet is voorzien: Archimedesbuurt & Erasmusbuurt (Meerwijk), Geleerdenbuurt, Geneesherenbuurt & Professorenbuurt (Boerhaavewijk), Ellertsveld, Hondsbos-Dever, De Burgen en Saeftinge-Nemelaar (Molenwijk) In Meerwijk wordt een warmtenet ontwikkeld. In de eerste fase wordt het warmtenet aangelegd voor de appartementen van Elan en Ymere.

Het wordt een midden-temperatuur warmtenet met als bron warmte uit oppervlaktewater gecombineerd met een warmtestation in de buurt om de warmte op een temperatuur van minimaal 70 graden te brengen met grote warmtepompen. Het project in Meerwijk is al in een vergevorderd stadium. Beide corporaties zijn nu bezig met het ophalen van de instemming van hun huurders en als alles volgens planning blijft verlopen dan zal de uitvoering in 2026 gaan starten en kunnen de eerste woningen in 2027 aangesloten worden. Bij het maken van het Wijkwarmteplan Archimedesbuurt & Erasmusbuurt zal de gemeente met bewoners, ondernemers en andere stakeholders in gesprek gaan over het warmtenet en een ontzorgingsaanbod ontwikkelen om aan te kunnen sluiten op het warmtenet. Dat ontzorgingsaanbod bestaat uit een aanbod de woning aansluit-klaar te maken en om daadwerkelijk aan te sluiten op het warmtenet en de stap te maken naar koken op inductie. Voor Meerwijk is vanuit het Volkshuisvestingsfonds extra subsidie beschikbaar. Samen met subsidie voor isolatie uit het LAI, lijkt een betaalbare voorziening voor bewoners en ondernemers haalbaar. Ondertussen zal er ook gewerkt gaan worden aan de ontwikkeling van het volgende cluster in Schalkwijk.

In overleg met de woningcorporaties over de integrale programmering (omdat hun planning voor renovatie van hun woningen belangrijk is) lijkt een Wijkwarmteplan voor de buurten Geleerdenbuurt, Geneesherenbuurt & Professorenbuurt (Boerhaavewijk) het meest voor de hand liggend. Ook omdat hier de komende jaren groot onderhoud in de openbare ruimte gepland is. Zo zal het warmtenet in alle buurten stapsgewijs worden ontwikkeld. Rozenprieel Noord & Zuid (Haarlemmerhoutkwartier) In de Rozenprieel is een probleem met de afvoer van hemelwater, waardoor er bij stevige regenbuien kans op wateroverlast is. Er worden variantenstudies uitgevoerd om te bepalen op welke wijze dit verbeterd kan worden. Het aanleggen van bijvoorbeeld drainagegoten of hemelwaterafvoeren is een goede kans om gelijktijdig een warmtenet aan te leggen. In alle variantenstudies wordt de aanleg van een warmtenet steeds meegenomen. Waarderpolder Via een Europese aanbesteding heeft het warmtebedrijf Polderwarmte het recht verkregen om een warmtenet in de Waarderpolder aan te leggen en gedurende 30 jaar te exploiteren. De gemeente heeft met het warmtebedrijf en de Industriekring Haarlem, zijnde de vertegenwoordiging van de

42

ondernemers in de Waarderpolder, een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor de ontwikkelfase van het warmtenet. In 2026 zal dit leiden tot een concessieovereenkomst, waarna Polderwarmte zal starten met de realisatie van het warmtenet. Het wordt een midden-temperatuur warmtenet met de restwarmte van een datacenter als belangrijkste bron. Naar verwachting zal in 2027 de eerste warmte geleverd kunnen worden. De inschatting is dat rond 2035 het warmtenet in de gehele Waarderpolder is uitgerold. Op welke termijn de Waarderpolder geheel van het aardgas af kan is nog niet duidelijk. Het warmtenet zorgt ervoor dat de bedrijfsruimtes aardgasvrij verwarmd kunnen worden. Voor het gebruik van aardgas voor productieprocessen moet ook een alternatief zijn. De gemeente zal als onderdeel van het opstellen van een Wijkwarmteplan met het bedrijfsleven bepalen wanneer de aanwijsbevoegdheid kan worden ingezet, zodanig dat productieprocessen niet in gevaar komen. Zuiderpolder Noord & Zuiderpolder Zuid De openbare ruimte in de Zuiderpolder zal worden vernieuwd. Dit is een kans om gelijktijdig een warmtenet aan te leggen. Met alle verhuurders in de wijk is een intentieovereenkomst gesloten om de haalbaarheid van een warmtenet te onderzoeken.

De vervolgstap is, als partijen hierover overeenstemming bereiken, dat het warmtenet verder ontwikkeld wordt (ook voor de particuliere woningeigenaren) en de realisatie wordt afgestemd met de vernieuwing van de openbare ruimte. Voorlopige inschatting is dat in 2028 met de realisatie kan worden gestart. Het warmtenet zal een midden-temperatuur warmtenet worden. De warmtebron van het warmtenet staat nog niet vast. De nabijgelegen Ringvaart zou een goede warmtebron kunnen zijn. Noord: Nelson Mandelabuurt, De Goede Hoop (Transvaalwijk) & Nieuw-Guineabuurt (Indische wijk) Vanwege de beperkte ruimte in en om woningen, de hoge warmtevraagdichtheid en vanwege de gemiddeld lagere financiële draagkracht heeft de gemeente in deze buurten de voorkeur voor een midden-temperatuur warmtenet. In deze buurten is voor de komende jaren groot onderhoud aan de riolering gepland en/of wordt de openbare ruimte heringericht. Deze koppelkans is de aanleiding om in de komende 5 jaar aan de slag te gaan met Wijkwarmteplannen met deze buurten. Koninginnenbuurt (Haarlemmerhoutkwartier) Vanwege het grote aantal monumenten, beschermd stadsgezicht en vanwege de hoge warmtevraag (grote woningen/grote woonvolumes) zet de gemeente in op een middentemperatuur warmtenet. In de Koninginnebuurt is groot onderhoud aan de riolering gepland en wordt de openbare ruimte heringericht. Dat vindt plaats in twee fases.

De eerste fase is het project Groot onderhoud Koninginneweg, Noorder Emmakade en omgeving (KNEK). In dit project gaat de gemeente alvast ruimte in de ondergrond vrijmaken voor de aanleg van warmtebuizen over een paar jaar. In 2031 is gepland om de rest van de buurtaanpak Koninginnebuurt uit te voeren. Voor de Koninginnebuurt gaan we daarom een Wijkwarmteplan maken om zo samen met het aanpakken van de openbare ruimte ook een warmtenet in de straten te leggen. In de Koninginnebuurt is ook een bewonersinitiatief actief: De Groene Kroon. In de afgelopen jaren heeft de gemeente dit initiatief ondersteunt dat zich voornamelijk inzet voor betere isolatie van de woningen in de buurt, waaronder de monumentale woningen. Ook in het opstellen van het Wijkwarmteplan voor de Koningenbuurt wordt De Groene Kroon als partner betrokken. 5.3.2 Wijkwarmteplannen maken in volledig elektrische gebieden Haarlem kent ook veel wijken waarbij individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen de voorkeur genieten. Denk hierbij aan systemen met (een combinatie van) lucht-water warmtepompen, bodemwarmtepompen, zonneboilers en infraroodpanelen. In het

43

Wijkwarmteplan worden de technieken voor de buurt vastgesteld. De gemeente faciliteert, informeert en ontzorgt. De gemeente zet in op: • Bewonersactivering: via energieloketten, informatieavonden en buurtinitiatieven worden bewoners gestimuleerd om maatregelen te nemen en is er aandacht voor zorgen of wat mensen nodig hebben om tot actie over te gaan. Collectieve inkoopacties, VvE-begeleiding en subsidieregelingen ondersteunen dit proces. • Samenwerking met (markt-)partijen: de gemeente verbindt aanbieders van individuele voorzieningen, isolatie en financiering aan bewoners. Ook worden standaard maatregelpakketten ontwikkeld per woningtype, waarmee uitvoeringskosten dalen. Hiermee zet de gemeente in op ontzorging. De komende vijf jaar starten we in de volgende gebieden waar een individuele elektrische voorziening of kleinschalig warmtenet is voorzien: • Ramplaankwartier (Duinwijk) • De Krim (Te Zaanenkwartier), • Schoterveenpolder en Kweektuinbuurt (Ter Kleefkwartier) • Bloemenbuurt en Veldzigt (Duinwijk) • Zeeheldenbuurt, Natuurkundigenbuurt-West (Houtvaartkwartier) en Oosterduin (Duinwijk ) • Burgemeesterskwartier (Te Zaanenkwartier Ramplaankwartier (Duinwijk) In het Ramplaankwartier is al jarenlang een sterk bewonersinitiatief actief om de buurt aardgasvrij te maken.

Met steun van de rijks-subsidie Proeftuin Aardgasvrije Wijken is hier het concept van een zonnewarmtenet ontwikkeld. Ruim 200 huishoudens doen mee. Ook ondersteunen energie- en straatcoaches bewoners actief bij verduurzaming. De buurt heeft al een redelijk tot goed isolatieniveau en een groot deel van het corporatiebezit van Elan Wonen doet mee. Voor enkele gebouwen, zoals het zorgcentrum, is aansluiting minder geschikt. De gemeente en het bewonersinitiatief werken nauw samen aan het Wijkwarmteplan. Daarin worden de techniek, de bewonersondersteuning en de planning (verwachte start: 2026) verder uitgewerkt. De Krim (Te Zaanenkwartier) De Krim is een kleine buurt met voornamelijk particuliere woningen. Er is geen corporatiebezit en veel huizen hebben al een redelijk isolatieniveau. Dit maakt de buurt geschikt om relatief vroeg aan de slag te gaan. Volgens de planning van Liander kan de buurt vanaf 2028 gefaseerd overstappen op volledig elektrische voorzieningen. Tot die tijd ligt de focus op isolatie en voorbereiding. Ruim 35% van de adressen is onderdeel van een Vereniging van Eigenaren, waar nu al goed contact mee is en advies wordt gegeven op weg naar aardgasvrij. Het Wijkwarmteplan wordt samen met bewoners opgesteld en onderzoekt welke techniek het beste past, zoals individuele warmtepompen.

Schoterveenpolder en Kweektuinbuurt (Ter Kleefkwartier) Deze buurten bestaan vooral uit particuliere woningen en er is geen corporatiebezit. Veel bewoners hebben al stappen gezet in isolatie. Liander verwacht vanaf 2028 voldoende netcapaciteit voor een gefaseerde overstap naar elektrische warmtevoorzieningen. In de Kweektuinbuurt wordt ook gekeken naar koppelkansen met de ontwikkeling rondom de Haarlemsche Kweektuin. Mogelijk is hier een kleinschalig collectief systeem kansrijk. Het Wijkwarmteplan biedt bewoners duidelijkheid over de techniek, de fasering en de ondersteuning. De samenwerking met bewoners en lokale organisaties staat centraal.

44

Bloemenbuurt en Veldzigt (Duinwijk) De Bloemenbuurt en Veldzigt liggen naast elkaar en bestaan grotendeels uit particuliere woningen. Er is geen corporatiebezit. Daarmee richt de aanpak zich vooral op woningeigenaren. De Wijkwarmteplannen voor deze buurten worden in de komende vijf jaar gemaakt. Welke techniek het meest geschikt is, wordt samen met bewoners uitgewerkt. Een all-electric warmtevoorziening ligt voor de hand. Het Wijkwarmteplan geeft bewoners duidelijkheid over de techniek, de beschikbare ondersteuning en de fasering. Zeeheldenbuurt, Natuurkundigenbuurt-West (Houtvaartkwartier) en Oosterduin (Duinwijk) Deze drie buurten grenzen aan elkaar. De gemeente werkt hier samen met “DuurSaam Houtvaartkwartier”, een bewonersinitiatief dat zich richt op isolatie en energiezuinig wonen. Dat sluit goed aan bij de voorkeursvoorziening voor deze buurten: een aanpak voor individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen zodra het elektriciteitsnet dit toelaat. Liander verwacht vanaf 2028 voldoende capaciteit te hebben. Tot die tijd ligt de nadruk op isolatie. Corporatiebezit is hier beperkt, waardoor de aanpak zich vooral richt op particuliere eigenaren. In het Wijkwarmteplan worden de definitieve techniekkeuze, de ondersteuning voor bewoners en de fasering vastgelegd. De samenwerking met DuurSaam Houtvaartkwartier is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

Burgemeesterskwartier (Te Zaanenkwartier) Het Burgemeesterskwartier bestaat vooral uit particuliere woningen. Woningcorporatie Ymere heeft hier beperkt bezit (ongeveer 40 woningen). Veel woningen hebben al een redelijk isolatieniveau. Liander verwacht dat er vanaf 2028 voldoende netcapaciteit beschikbaar is. Tot die tijd ligt de nadruk op isolatie en het voorbereiden van woningen op volledig elektrische warmtevoorzieningen. In het Wijkwarmteplan wordt de aanpak samen met bewoners en eigenaren uitgewerkt, inclusief ondersteuning en koppelkansen met onderhoud of herinrichting van de openbare ruimte.

5.4 Samenwerking met woningcorporaties, marktpartijen en regionale samenwerking De warmtetransitie kan alleen slagen als we intensief samenwerken met onze partners. In Haarlem zijn woningcorporaties, Liander, marktpartijen al jaren belangrijke trekkers. Met Elan Wonen, Pré Wonen en Ymere maken we afspraken over het verduurzamen van hun bezit en stemmen we de programmering af op hun onderhouds- en renovatieagenda’s. Zo zorgen we dat grootschalige renovaties van de corporaties en de energietransitie hand in hand gaan. Liander speelt een cruciale rol, omdat netcapaciteit steeds vaker de randvoorwaarde vormt voor de uitvoerbaarheid. Samen met Liander stemmen we het tijdig verzwaren van het elektriciteitsnet af en benutten we natuurlijke momenten om nieuwe infrastructuur aan te leggen. Zo zorgen we ervoor dat de overstap naar warmtepompen en andere elektrische toepassingen, zoals voor warmtenetten in de gebouwde omgeving technisch haalbaar blijft. Daarnaast koppelen we de planning van warmtenetten aan de vervanging van gasleidingen, zodat onnodige investeringen in het gasnet worden voorkomen. Marktpartijen – zoals installateurs, bouwbedrijven en projectontwikkelaars – zijn onmisbaar bij de uitvoering. We benutten hun kennis voor efficiënte oplossingen, bijvoorbeeld bij collectieve inkoopacties of bij het opstellen van Wijkwarmteplannen.

45

We begrijpen dat bewoners en ondernemers vragen hebben over de vervanging van hun CV-ketel. Dit krijgt veel aandacht in de communicatie en in de aanpak voor Wijkwarmteplannen. Warmte-asa-service concepten worden onderzocht als tussentijdse oplossing. Daarnaast wisselen we kennis en ervaringen uit met andere gemeenten die net als Haarlem werken aan de warmtetransitie. Door te leren van elkaar kunnen we sneller, slimmer en betaalbaarder opschalen. We doen dit in de regionale samenwerking (RES, Regionale Structuur Warmte) en in landelijke netwerken via het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. Bij het opstellen van Wijkwarmteplannen in buurten rond de gemeentegrenzen zoekt de gemeente Haarlem de samenwerking op met omliggende gemeenten om te onderzoeken of het mogelijk is elkaars aardgasvrije aanpak te versterken.

5.5 Programmering openbare ruimte en koppeling met andere investeringen Samenhang met andere projecten in de openbare ruimte De aanleg van warmte-infrastructuur grijpt diep in op de stad. Door slim te programmeren en werkzaamheden te koppelen, benutten we de ruimte in de ondergrond en bovengrond zo goed mogelijk, beperken we overlast en besparen we kosten. Om desinvesteringen te voorkomen, ontwerpen we bij voorkeur integraal met andere projecten, maken we alvast ruimte voor een toekomstig warmtenet in de ondergrond als deze toch opengaat (daarbij overwegen we of het goedkoper is om warmtebuizen alvast in de ondergrond te leggen) of voeren we projecten integraal uit. Samenwerking met Liander en convenant integrale programmering Liander is een sleutelpartner. Netverzwaring en de aanleg van nieuwe infrastructuur zijn vaak randvoorwaardelijk voor de uitvoering. Daarom hebben de gemeente, Liander en de woningcorporaties het convenant Integrale programmering verduurzaming gebouwen en energieinfrastructuur 2025–2040 ondertekend (zie bijlage B.2). Dit convenant legt afspraken vast over het op elkaar afstemmen van werkzaamheden, zodat capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet. We stemmen de fasering van Wijkwarmteplannen af op de planning van Liander en reserveren waar nodig ruimte voor toekomstige buizen.

Zo voorkomen we dubbele kosten en benutten we kansen om projecten te combineren. Koppeling aan andere stedelijke opgaves De warmtetransitie koppelen we indien mogelijk ook aan andere stedelijke opgaven. In het traject om te komen tot een Wijkwarmteplan nemen we zo mogelijk ook koeling (actief of passief), meer groen, waterberging en duurzame mobiliteit mee. Zo versterken we tegelijkertijd klimaatadaptatie, leefbaarheid en werken we aan een toekomstbestendige gemeente.

46

6 Monitoring en evaluatie 6.1 Voortgang en resultaten van het Warmteprogramma Elke 5 jaar moeten gemeentes een nieuw Warmteprogramma vaststellen. Om het Warmteprogramma sturend én lerend te houden, volgen we de P&C-cyclus. Elk jaar rapporteren we op hoofdlijnen in het jaarverslag over de realisatie van de vijf verplichte kengetallen: • Resultaat/status • Aantal gebouwen aardgasvrij • Aantal gebouwen geïsoleerd • Definitieve infrastructuur ter vervanging aardgas • Totale kosten voor die infra (mln. €) (realisatie/doel) • Gemiddelde warmtebehoefte (kWh/m2) in 2026 en na realisatie We vergelijken de voortgang met de doelen van dit programma. Ook de effectiviteit van ondersteunings- en participatie-aanpak en eventuele overschrijdingen in tijd of budget worden geanalyseerd. Deze evaluatie vormt de basis voor bijsturing van planning, financiering en communicatie in de volgende programmaperiode en is tegelijk de formele input voor de verplichte rapportage onder de Omgevingswet. Zo borgen we transparantie richting raad, partners en bewoners én zorgen we dat nieuwe inzichten, zoals data over netcapaciteit of koeltevraag, tijdig in beleid en uitvoering landen. Aan de rapportage op hoofdlijnen in de P&C documenten ligt ook een monitorings- en evaluatieproces ten grondslag voor alle toekomstige Wijkwarmteplannen.

Dit is geen wettelijk verplichte rapportage en dient als bijsturing voor College en organisatie.

6.2 Monitoring om vast te stellen of in een gebied de aardgaslevering kan stoppen Wordt de aanwijsbevoegdheid ingezet? Dan heeft dat gevolgen voor bewoners, bedrijven en organisaties in het gebied waar de aanwijzing betrekking op heeft. Daarom stelt de Bgiw een aantal juridische en niet-juridische waarborgen in. Monitoring die erop gericht is om vast te stellen of in een gebied de aardgaslevering kan stoppen, heet in de wet ‘vergewissen’. Vergewisplicht: monitoring dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is en dat gebouwen hierop – of op een fossielvrij alternatief – zijn aangesloten voordat de levering van aardgas gestopt wordt.) Bij het gebruik van de aanwijsbevoegdheid is monitoring verplicht. Zo moet de gemeente er zeker van zijn dat het alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar is binnen de gestelde termijn en dat gebouwen tijdig hierop zijn aangesloten voordat de aardgaslevering wordt stopgezet. In de Handreiking Uitvoeringsplan van NPLW staat beschreven hoe de gemeente dat monitort en welke data hiervoor nodig is. Ook in de Bgiw komt een specificatie van de verplichte monitoring. De

47

gemeente gaat een monitoringsproces en klantvolgsysteem inrichten voor de vergewisplicht. Pas als alle seinen op groen staan, wordt de aardgaslevering gestopt.

6.3 Monitoring van milieueffecten Uit het PlanMER is op te maken dat er mogelijk milieueffecten optreden, zowel positieve als negatieve. In de PlanMER worden daarvoor mitigerende maatregelen voorgesteld om toe te passen bij de uitvoering. Met de betrokken instanties zal onderzocht worden welke milieueffecten met monitoring moeten worden bijgehouden om van te leren en om waar nodig bij te kunnen sturen.

48

Bijlagen De volgende bijlagen horen bij dit Warmteprogramma:

A) Feiten, analyserapporten en onderzoeksgegevens A.1 Doorkijk naar buurten die in het volgende Warmteprogramma waarschijnlijk aan de beurt zijn A.2 Informatie over de gebieden die de komende 5 jaar aan de beurt zijn A.3 Analyserapport Warmteprogramma; een technischeconomische analyse A.4 Rapport voorkeursoplossingen Warmteprogramma A.5 Nadere uitwerking bronnenstrategie voor Warmteprogramma Haarlem A.6 PlanMER Warmteprogramma gemeente Haarlem B) Participatie B.1 Participatieverantwoording B.2 Convenant Integrale programmering verduurzaming gebouwen en energie-infrastructuur 2025–2040 B.3 Klantreizen Warmteprogramma - Ervaringen van bewoners in verschillende situaties op weg naar duurzame warmte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16300995/2