Bijlage 2 brief Lingotto 22 juli 2025
Tekst van het document
Per e-mail: vanderpol@potjonker.nl & wolters@potjonker.nl Pot Jonker Advocaten T.a.v. de heer mr. O.L. van der Pol en mevrouw mr. E.C. Wolters Nieuwe Gracht 124 2011 NM HAARLEM
Amsterdam : Onze referentie : Uw referentie : Inzake : E-mail :
22 juli 2025 TCB/230209/2025/230209-527661126-269 D108640 Villa Egelantier B.V. / Gemeente Haarlem 230209 tim.boer@labre.nl
Geachte confrère, geachte collega, Uw brief d.d. 3 juli jl. ontving ik in goede orde. In reactie daarop bericht ik u als volgt: Kern van de zaak In uw 11 pagina’s tellende brief komen tal van zaken aan de orde die niet relevant zijn voor de beoordeling van de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van de Gemeente. Kern van de zaak is de vraag of de Gemeente bij brief d.d. 6 mei 2025 terecht is overgegaan tot ontbinding van de Koopovereenkomst, of niet. Centraal daarbij staat onder andere de vraag of sprake is van een goedgekeurd DO. In onze brief d.d. 12 juni 2025 hebben wij onder andere gemeld dat het DO in september 2023 is goedgekeurd. In uw reactie d.d. 3 juli 2025 negeert u dit volledig. Wel meldt u in randnummer 35 van uw brief dat het DO niet (“en al zeker niet tijdig”) zou zijn vastgesteld. Dat is feitelijk onjuist en kan ook gemakkelijk aangetoond worden. Ik verwijs u in dat verband naar onderstaande afbeelding van de website van de Gemeente Haarlem (https://haarlem.nl/ontwikkeling-egelantier)1, waarop duidelijk zichtbaar is dat het DO per september 2023 is goedgekeurd.
1
Cliënte heeft vastgesteld dat de bewuste afbeelding door de Gemeente inmiddels verwijderd is. Gelukkig was dit screenshot eerder al goed opgeslagen door haar.
Het is juist dat vervolgens is gesproken over aanpassing van het DO, maar feit is dat in september 2023 sprake was van een goedgekeurd DO. Die ‘milestone’ is derhalve behaald. Dat daarna gesproken is over aanpassing van het DO doet natuurlijk niets af aan de eerdere goedkeuring daarvan. Overigens is over de aanpassing van het DO (ook) consensus bereikt. Dat volgt (onder meer) uit het raadsvoorstel van het college d.d. 17 september 2024 en het daaropvolgende raadsbesluit d.d. 24 oktober 2024, waarbij aanpassing van het DO “middels een hotelkamer op de begane grond, plus 3 extra hotelkamers” (ook) door het college en de gemeenteraad is goedgekeurd. Dat het DO in september 2023 tijdig was goedgekeurd volgt uit het feit dat deze is goedgekeurd binnen de (aangepaste) planning, zie het door de Gemeente (!) opgestelde tijdschema dat als bijlage 3 bij mijn brief d.d. 12 juni 2025 is meegezonden. Rechtsgeldig beroep op artikel 17.4 en / of artikel 17.5? Nu sprake is van een tijdig goedgekeurd DO, komt de Gemeente dus sowieso geen beroep toe op artikel 17.4 sub a en / of artikel 17.5 sub a. Uw beroep op de ontbindende voorwaarde van artikel 17.4 sub b kan ik niet plaatsen.
Dit artikel vermeldt dat de Gemeente tot ontbinding kan overgaan indien: “niet uiterlijk twaalf maanden nadat het bestemmingsplan voor het Projectgebied is vastgesteld OF twaalf maanden na ondertekening van de Overeenkomst – uitgaande van de laatste datum van deze twee – een omgevingsvergunning is aangevraagd door de Koper” (onderstreping advocaat). 2/5
In onze brief d.d. 12 juni jl. meldde ik u al dat de Gemeente geen beroep op dit artikel toekomt, omdat het bestemmingsplan voor het Projectgebied nog niet is vastgesteld. Dat is dan dus “de laatste datum”, zoals genoemd in dit artikel 17.4 sub b. Met andere woorden, de termijn van 12 maanden die genoemd is in dit artikel is überhaupt nog niet gaan lopen en cliënte is dus ook niet te laat geweest met het aanvragen van een omgevingsvergunning. Blijft over de vraag of de Gemeente een beroep toekwam op artikel 17.5 sub b. Daarvan heb ik u al gemeld dat het niet aan cliënte te wijten is dat de wijziging van het bestemmingsplan nog niet is vastgesteld. Ik verwijs in dat kader nogmaals naar de e-mails van de Gemeente d.d. 17 november 2023 en 1 december 2023 waarin de Gemeente heel duidelijk heeft aangegeven dat zij de wijzigingsprocedure niet wenste te effectueren. Artikel 6:23 BW verhindert in dat geval wel degelijk dat de Gemeente een beroep zou toekomen op de ontbindende voorwaarde dat de wijziging van het bestemmingsplan niet tijdig zou zijn vastgesteld. Ook daar wordt in uw brief op geen enkele wijze op gereageerd. U stelt alleen: “Van enige verhindering van het vaststellen van de wijziging van het bestemmingsplan is geen sprake;” Dat dit onjuist is volgt dus uit de e-mails van de Gemeente d.d. 17 november 2023 en 1 december 2023.
Artikel 6:23 BW verhindert dus wel degelijk dat de Gemeente een beroep zou toekomen op artikel 17.5 sub b aangezien de Gemeente de effectuering van de procedure tot wijziging van het bestemmingsplan uitdrukkelijk tegen heeft gehouden. Nieuw beroep op vermeende nieuwe ontbindingsgrond Ik stel vast dat u in uw laatste brief in randnummer 37 een extra ontbindingsgrond toevoegt, te weten een vermeende “reguliere wettelijke bevoegdheid daartoe.” Ik kan me overigens niet aan de indruk onttrekken dat deze grond is toegevoegd omdat de Gemeente kennelijk toch ook zelf niet overtuigd is dat een beroep op de contractuele ontbindingsgronden (17.4 en 17.5) zal slagen. Wat daar ook van zij, ook uw beroep op artikel 6:265 BW gaat niet op, aangezien cliënte niet in verzuim is komen te verkeren. Ik licht dit als volgt toe: U duidt de brief van de Gemeente d.d.11 februari 2025 aan als een “ingebrekestelling”. Cliënte heeft die brief echter helemaal niet als zodanig opgevat, wat begrijpelijk is. Er staat namelijk nergens in die brief bij dat de brief heeft te gelden als een ingebrekestelling ex artikel 6:82 BW. Cliënte wordt in de brief ook niet gesommeerd c.q. aangemaand. Er is slechts sprake van een vriendelijk verzoek.
De Gemeente meldt in de brief: “In dat verband wil de gemeente aan Villa Egelantier verzoeken om:..” Verder geldt natuurlijk dat een wederpartij in een ingebrekestelling een redelijke termijn dient te worden gesteld voor het herstellen van een of meer bepaalbare tekortkomingen in de nakoming van een overeenkomst. De brief van de Gemeente d.d. 11 februari 2025 voldoet 3/5
niet aan deze criteria. Ook om die reden kan de brief d.d. 11 februari 2025 niet als een ingebrekestelling ex artikel 6:82 BW aangemerkt worden. Tenslotte geldt dat cliënte in haar reactie op de bewuste brief (zie de brief van cliënte d.d. 6 maart jl.) helemaal niet afwijzend heeft gereageerd. Zij heeft, conform verzoek, aangegeven dat zij nog wel degelijk een oplossing ziet voor het Project en daarvoor ook plannen aangedragen. De brief eindigt met de passage: “Graag vernemen wij op korte termijn of u instemt met het voorstel zodat we de wijzigingen kunnen vertekenen en het vergunningentraject kan starten.” Vervolgens was het de Gemeente die in haar reactie d.d. 2 april 2025 afwijzend heeft gereageerd op dit voorstel van cliënte. Dan kan natuurlijk onmogelijk de conclusie zijn dat cliënte in verzuim is komen te verkeren op basis waarvan de Gemeente rechtsgeldig tot ontbinding kon overgaan. Uit deze afwijzende reactie van de Gemeente op het nieuwe voorstel van cliënte wordt overigens ook duidelijk dat het kennelijk helemaal niet de bedoeling was dat cliënte het Project nog zou kunnen ontwikkelen, op welke wijze dan ook. De weg moest, zo is achteraf duidelijk geworden, immers vrij gemaakt worden voor het Frans Hals museum. Zie hetgeen ik daarover in mijn vorige brief heb vermeld.
Opvallend is dat u ook dit punt (cliënte is slachtoffer geworden van een ‘hoger politiek spel’) in uw brief volledig onbesproken laat. Vanzelfsprekend had de Gemeente er vervolgens alle belang bij om met zo min mogelijk kleerscheuren van cliënte af te komen. Cliënte zal dan ook niet ontkennen dat de Gemeente in het overleg van 8 april jl. getracht heeft het te leiden naar een ‘exitstrategie’, het liefst ‘zonder juristen’ en ‘zonder moddergooien.’ Daar had de Gemeente uiteraard alle belang bij. Cliënte is daar echter nooit mee akkoord gegaan. Cliënte neemt het de Gemeente zeer kwalijk dat zij vervolgens plotsklaps en zonder enige rechtsgrond tot ontbinding is overgegaan en cliënte zo welbewust voor een voldongen feit heeft willen plaatsen door de ontbinding direct wereldkundig te maken en aldus te trachten de weg vrij te maken voor het Frans Hals museum. Cliënte is eenmalig bereid om, conform uw voorstel, in overleg te treden met de Gemeente. Dit echter wel alleen indien er bij de Gemeente de bereidheid is om serieus in overleg te treden over een passende financiële vergoeding. Het heeft dus geen zin om te praten over voorstellen zoals vermeld in de brief d.d. 6 mei jl.
Als dat het uitgangspunt zou zijn dan kunnen we elkaar de moeite van een overleg besparen en zal ik cliënte adviseren leveringsbeslag te leggen op het gekochte en in rechte levering van het gekochte af te dwingen. Eén en ander op straffe van fikse dwangsommen voor het geval de Gemeente daar niet aan mocht voldoen. Indien er bij de Gemeente wel bereidheid is om op basis van reële uitgangspunten overleg te treden dan ontvang ik van u graag wat voorstellen voor data, tijdstippen en een locatie. Met
4/5
het oog op de zomervakantie stel ik dan voor dat er gekozen wordt voor een bijeenkomst in september a.s. Ik verneem graag. Ik ben zelf vanaf heden tot 12 augustus a.s. met vakantie. U kunt uw reactie sturen aan mr Pentinga. Met vriendelijke groet,
mr. T.C. Boer Advocaat
mr. S. Pentinga Advocaat
5/5