CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 (aangepaste) Verordening houdende wijziging van Reglement van Orde en Verordening op de raadscommissies

gemeenteraad 18 juli 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Raadsvoorstel Evaluatie vergadermodel14.197 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

7 alinea's met “ingekomen”: 11 37 38 39 40 41 42

Verordening van de raad van gemeente Haarlem houdende wijziging van het Reglement van Orde van de raad van Haarlem voor vergaderingen en werkzaamheden van de raad 2022 en van de Verordening op de raadscommissies gemeente Haarlem 2022 De raad van de gemeente Haarlem, Gelet op artikelen 16 en 82, eerste lid van de Gemeentewet; Gezien het besluit van het raad van <datum invullen>; B E S L U I T: vast te stellen de Verordening tot wijziging van het Reglement van Orde van de raad van Haarlem voor vergaderingen en werkzaamheden van de raad 2022 en van de Verordening op de raadscommissies gemeente Haarlem 2022

Artikel I Het Reglement van Orde van de raad van Haarlem voor vergaderingen en werkzaamheden van de raad 2022 wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 komt te luiden: bestaande tekst a. amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; b. college: het college van burgemeester en wethouders; c. griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; d. initiatiefvoorstel: een voorstel van een raadslid voor een verordening of een ander voorstel; e. interpellatie: vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda; f. motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; g. motie vreemd aan de orde van de dag: verklaring over een onderwerp, dat niet op de agenda van de raad staat, waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

nieuwe tekst Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; b. college: het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 34 van de Gemeentewet; c. commissielid: lid van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; d. griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; e. initiatiefvoorstel: een voorstel van een raadslid voor een verordening of een ander voorstel; f. interpellatie: vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda; g. interruptie: een onderbreking van de spreker, toegestaan door de voorzitter h. motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; 1

bestaande tekst h. subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft; i. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering; j. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens waarnemer zoals bedoeld in artikel 77 van de wet; k. wet: Gemeentewet.

Toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen In artikel 1 wordt een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zichzelf. Wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. De raad heeft evenwel de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. In Haarlem is hiervoor gekozen (zie artikel 3a, tweede lid). Aan de rol van waarnemer van de voorzitter wordt grote waarde toegekend en van de waarnemer wordt een bepaald profiel verlangd, mede nu de waarnemend voorzitter ook zitting heeft in het presidium. In de toelichting van

nieuwe tekst i. motie vreemd aan de orde van de dag: verklaring over een onderwerp, dat niet op de agenda van de raad staat, waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; j. presidium: het door de raad ingestelde orgaan dat de commissie-, raadsvergaderingen en andere raadsbijeenkomsten procesmatig voorbereidt. k. raadsvoorstel: een voorstel van het college aan de raad of van een raadscommissie aan de raad; l. subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft; m. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering; n. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens waarnemer zoals bedoeld in artikel 77 van de wet; o. wet: Gemeentewet. Toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen In artikel 1 wordt een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zichzelf. Wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester.

Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. De raad heeft evenwel de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. In Haarlem is hiervoor gekozen (zie artikel 3a, tweede lid). Aan de rol van waarnemer van de voorzitter wordt grote waarde toegekend en van de waarnemer wordt een bepaald profiel verlangd, mede nu de waarnemend voorzitter ook zitting heeft in het presidium. In de toelichting van artikel 3a zijn de eisen opgenomen die aan de waarnemend voorzitter worden gesteld. 2

bestaande tekst artikel 3a zijn de eisen opgenomen die aan de waarnemend voorzitter worden gesteld. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

nieuwe tekst De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Met het opnemen van de definitie van een interruptie in de begripsbepalingen wordt helderheid geboden over wat precies onder een interruptie wordt verstaan. Dit bevordert de juiste toepassing van de spreekregels met betrekking tot het interrumperen, zoals vastgelegd in artikel 14b vierde lid. Door het opnemen van een definitie van een raadsvoorstel wordt de staande praktijk vastgelegd dat ook een raadscommissie, zoals de Auditcommissie of het presidium, een voorstel aan de raad kan voorleggen. In artikel 30 wordt regels gesteld aan voorstellen van het college.

B. Artikel 2 komt te vervallen, omdat voor het presidium een eigen verordening van kracht is geworden. C. Artikel 7b Voorbereiding agenda komt te luiden: bestaande tekst N.V.T. NIEUW ARTIKEL

nieuwe tekst Artikel 7a Indeling agenda 1. De voorlopige agenda bevat: a. een onderscheid van agendapunten in hamerstukken, hamerstukken met stemverklaring en bespreekpunten. b. een opgave van bij de raad ingekomen stukken met daarbij een behandelvoorstel voor de te volgen procedure. Toelichting bij artikel 7a Indeling agenda Dit artikel regelt de indeling van de voorlopige agenda. In artikel 15a wordt uitgelegd wat de werkwijze is bij hamerstukken. In artikel 16 wordt dit uitgelegd voor hamerstukken met stemverklaring. In de verordening presidium gemeente Haarlem 2024 staat opgenomen dat het presidium de voorlopige agenda vaststelt. Tevens bevat de voorlopige agenda een overzicht van de bij de raad ingekomen stukken, inclusief een

3

bestaande tekst

nieuwe tekst behandelvoorstel voor de te volgen procedure. Dit artikel formaliseert de gangbare praktijk.

D. Artikel 14a, derde lid komt te luiden: bestaande tekst 5. Het presidium kan voorstellen om af te wijken van hetgeen in het vierde lid is bepaald.

nieuwe tekst 5. Het presidium of de voorzitter kan voorstellen om af te wijken van hetgeen in het vierde lid is bepaald.

E. Artikel 14b komt te luiden: bestaande tekst Artikel 14b Handhaving vergaderorde; schorsing 1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij: a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren; b. een raadslid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. 2. Indien een raadslid, een collegelid of de griffier zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een spreker herhaaldelijk interrumpeert dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de verstoorder van de vergaderorde hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

nieuwe tekst Artikel 14b Spreekregels, handhaving orde, en schorsing 1. Spreken gebeurt via de voorzitter en nadat de spreker van de voorzitter het woord heeft gekregen. 2. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij: a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren; b. een raadslid hem tijdens zijn termijn interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. 3. Interrupties zijn toegestaan tijdens de eerste en tweede termijn van de spreker die wordt geïnterrumpeerd. De voorzitter bepaalt of een interruptie wordt toegestaan en houdt daarbij rekening met een ordentelijk verloop en de orde van de vergadering. 4. Het plegen van een interruptie op een interruptie is niet toegestaan. De voorzitter kan besluiten hiervan af te wijken. 5. Op een voorstel van orde beslist de voorzitter, gehoord hebbende de vergadering. 6. Indien een raadslid, een collegelid of de griffier zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een spreker herhaaldelijk interrumpeert dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter 4

bestaande tekst

nieuwe tekst tot de orde geroepen. Indien de verstoorder van de vergaderorde hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 7. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten. Toelichting bij artikel Spreekregels, handhaving orde, en schorsing De spreekregels zoals beschreven in het eerste tot en met vijfde lid zijn staande praktijk en worden nu verankerd in deze verordening. Het is niet toegestaan om een interruptie te plegen nadat een spreker zijn termijn heeft afgerond. Een interruptie is niet bedoeld om de spreektermijn van een ander te verlengen of om uitspraken uit de eerste spreektermijn te herhalen. Het zesde en zevende lid zien op situaties dat de voorzitter in de vergadering moet ingrijpen, omdat behalve leden die het woord voeren, het ook nodig kan zijn wethouders of de griffier tot de orde te roepen. Indien zij geen gehoor geven, kan hun het woord worden ontzegd.

F. Artikel 16 komt te luiden: bestaande tekst Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder raadslid het recht zijn uit te brengen stem kort te motiveren.

nieuwe tekst Artikel 16 Hamerstukken met stemverklaring 1. Bij een stemverklaring maakt een raadslid in het kort duidelijk welke (doorslaggevende) overweging zijn voor- of tegenstem verklaart. 2. Een stemverklaring mag niet het karakter hebben van een termijn. 3. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint. Toelichting bij artikel 16 Hamerstukken met Toelichting bij artikel 16 Hamerstukken met stemverklaring stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn De definitie van een stemverklaring is door het (opmerking zonder inleiding) en mogen niet het presidium in september 2022 als spelregel karakter krijgen van een termijn. De geformuleerd. Deze is nu verankerd in de stemverklaringen worden gegeven vóór de 5

bestaande tekst hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

nieuwe tekst verordening. Dit artikel regelt de procedure voor het afleggen van stemverklaringen tijdens raadsvergaderingen. Een stemverklaring biedt raadsleden de gelegenheid om kort en bondig toe te lichten welke (doorslaggevende) overwegingen hebben geleid tot hun voor- of tegenstem over een bepaald voorstel. Het doel is om meer inzicht te bieden in de achtergronden achter individuele stemverklaringen en zo de transparantie van het besluitvormingsproces te vergroten. Het is echter van belang dat stemverklaringen niet worden uitgebreid tot volledige betogen of discussies.

G. Artikel 17, eerste lid en vierde lid komen te luiden: bestaande tekst nieuwe tekst 1. Nadat de beraadslaging over een voorstel is 1. Nadat de beraadslaging over een voorstel is gesloten, vraagt de voorzitter of zij gesloten, vraagt de voorzitter of zij een stemming verlangen. Is dit niet het geval stemming verlangen. Een stemming geschiedt dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel door middel van een elektronisch stemsysteem met algemene stemmen is aangenomen. of door handopsteken. Als er geen stemming is gewenst, dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen. 5. Heeft een raadslid zich bij het uitbrengen 5. Indien een raadslid zich bij het uitbrengen van van zijn stem vergist, dan kan hij deze zijn elektronische stem heeft vergist, kan hij vergissing nog herstellen voordat het deze vergissing herstellen totdat het laatste volgende raadslid gestemd heeft. Bemerkt raadslid heeft gestemd. Indien een raadslid zich het raadslid zijn vergissing pas later, dan bij het uitbrengen van zijn stem door kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de handopsteking vergist, kan hij deze vergissing stemming bekend heeft gemaakt wel herstellen totdat de voorzitter de stemmen aantekening vragen dat hij zich heeft heeft geteld.

Indien een raadslid zijn vergissing vergist; in de uitslag van de stemming op een later moment bemerkt, kan hij nadat de brengt dit echter geen verandering. voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit geen verandering. Toelichting bij artikel 17 Stemming; procedure Toelichting bij artikel 17 Stemming; procedure hoofdelijke stemming hoofdelijke stemming Indien een raadslid te kennen geeft een Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming te wensen, moet de stemming stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de heeft niet de bevoegdheid om van deze bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming,

6

bestaande tekst Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (eerste lid).

nieuwe tekst dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (eerste lid).

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

In het derde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. De volgorde van stemmen is aan het begin van de vergadering bepaald door middel van loting (zie artikel 11a); deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.

In het derde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. De volgorde van stemmen is aan het begin van de vergadering bepaald door middel van loting (zie artikel 11a); deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering. Er wordt gebruik gemaakt van een elektronisch stemsysteem waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt, doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen stemmen. De stemmingsuitslag is te lezen op schermen in de vergaderzaal, en wordt gekoppeld aan de agenda op de website. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet.

7

H. Artikel 21, derde, vierde en vijfde lid komt te luiden bestaande tekst 1. Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst die aan de raadsleden worden toegezonden en gelijktijdig met de vergaderstukken gepubliceerd. 2. Na de vaststelling van het verslag stelt de raad op voorstel van het presidium, of in geval van onverwijlde spoed de griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

Toelichting bij artikel 21 Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld kennisnemen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie of het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van het presidium, of in geval van onverwijlde spoed de griffier, de wijze van

nieuwe tekst 1. Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst die aan de voorlopige agenda is toegevoegd. 2. Elk raadslid kan een verzoek indienen om de afdoeningscategorie van een of meer stukken van de Lijst ingekomen stukken te wijzigen. 3. Het verzoek tot wijziging van de afdoeningscategorie moet uiterlijk 24 uur voor de vergadering bij de voorzitter via de griffier zijn ingediend. In geval het een verzoek tot agendering van een ingekomen stuk betreft, dient een agenderingsformulier te worden ingevuld. 4. Het agenderingsformulier wordt toegevoegd aan de agenda bij het agendapunt ‘Ingekomen stukken’. 5. Bij de behandeling van het agendapunt ‘Ingekomen stukken’ stelt de raad op voorstel van het presidium, of in geval van onverwijlde spoed de griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. De voorzitter betrekt daarbij of door de raad een verzoek tot wijziging van de afdoeningscategorie van een of meer stukken van de Lijst ingekomen stukken wordt ingewilligd. Toelichting bij artikel 21 Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld kennisnemen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie of het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken is niet toegestaan.

De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van het presidium, of in geval van onverwijlde spoed de griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast (derde lid). De regels zoals beschreven in lid twee tot en met vijf zijn staande praktijk en worden nu formeel verankerd in deze verordening. Het opnemen van de bepaling waarbij de raad beslist over het al dan niet inwilligen van een 8

bestaande tekst afdoening van de ingekomen stukken vast (tweede lid).

nieuwe tekst verzoek tot wijziging van de afdoeningscategorie van een of meer stukken van de Lijst ingekomen stukken formaliseert de gangbare praktijk. De regels voor het agenderen van een of meer ingekomen stukken worden hiermee vastgelegd.

I. Artikel 24 komt te luiden: bestaande tekst Toelichting bij artikel 24 Opheffing geheimhouding Artikel 24 ziet op de wettelijke mogelijkheid dat de raad de geheimhouding opheft van stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. In dat geval is ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

nieuwe tekst Toelichting bij artikel 24 Opheffing geheimhouding Artikel 24 ziet op de wettelijke mogelijkheid dat de raad de geheimhouding opheft van stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. In dat geval is ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende stukken dan “automatisch” openbaar zijn. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze stukken van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende documenten. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.

Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende stukken dan “automatisch” openbaar zijn. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is nog steeds op deze stukken van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Wob worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende documenten. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.

J.

De toelichting bij artikel 25 komt te luiden:

Bestaande tekst De in artikel 25 aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de wet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

Nieuwe tekst Acties van het publiek die het ordentelijk verloop van de vergadering kunnen verstoren, zoals verbale uitingen, spandoeken of andere stille vormen van meningsuiting of anderszins rumoer, zijn niet toegestaan. De in artikel 25 aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de wet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren 9

te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. K. Artikel 27, derde lid komt te luiden bestaande tekst 3. Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

Toelichting bij artikel 27 Amendementen Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 12). Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 27. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig

nieuwe tekst 3. Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan. Het dictum van het amendement wordt door indiener ter vergadering voorgelezen, tenzij de voorzitter bepaalt dat voor een ordentelijk verloop van de vergadering kan worden volstaan met het voorlezen van de strekking van het amendement. Indiener mag het dictum voorlezen of de strekking van het amendement mededelen ongeacht of spreker nog spreektijd heeft. Toelichting bij artikel 27 Amendementen Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 12).

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 27. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, 10

bestaande tekst de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).

nieuwe tekst tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109). Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid). Verder is staande praktijk dat het dictum moet worden voorgelezen, ongeacht of er nog spreektijd is, in deze verordening verankerd. Het dictum van het amendement wordt door indiener ter vergadering voorgelezen. Voor een ordentelijk verloop van de vergadering kan de voorzitter bepalen dat kan worden volstaan met het mededelen van de strekking van het amendement. Indiener mag het dictum voorlezen of de strekking van het amendement mededelen ongeacht of spreker nog spreektijd heeft.

L. Artikel 28 tweede tot en met achtste lid komt te luiden: bestaande tekst 2. Een motie moet, om in behandeling genomen te kunnen worden, schriftelijk bij de voorzitter ingediend worden.

nieuwe tekst 2. Een motie kan alleen in behandeling worden genomen als: a. deze schriftelijk bij de voorzitter, via de griffier, is ingediend; b. het dictum van de motie door de indiener ter vergadering wordt voorgelezen, tenzij de voorzitter bepaalt dat voor een ordentelijk verloop van de vergadering kan worden volstaan met het voorlezen van de strekking van de motie. Wanneer de indiener van een motie geen spreektijd heeft om het dictum van de motie voor te lezen, zal de voorzitter van de raad de motie voorlezen. Hierbij zal de naam of de namen van de indiener(s) van de betreffende motie worden vermeld.

11

bestaande tekst 3. Een motie over een niet op de agenda van de raad opgenomen onderwerp wordt uiterlijk op de dinsdag voorafgaand aan de raadsvergadering om 12 uur schriftelijk bij de voorzitter aangekondigd. 4. Een motie vreemd aan de orde van de dag moet om in behandeling genomen te worden schriftelijk en ondertekend, minimaal 24 uur voor de vergadering bij de voorzitter worden ingediend.

nieuwe tekst KOMT TE VERVALLEN

3. Een motie vreemd aan de orde van de dag kan alleen in behandeling worden genomen als: a. deze minimaal 48 uur voor de vergadering schriftelijk bij de voorzitter, via de griffier, wordt ingediend om op de voorlopige agenda te worden geplaatst; b. het dictum van de motie vreemd aan de orde van de dag ter vergadering door de indiener wordt voorgelezen, tenzij de voorzitter bepaalt dat voor een ordentelijk verloop van de vergadering kan worden volstaan met het voorlezen van de strekking van de motie vreemd aan de orde van de dag. Wanneer de indiener van een motie geen spreektijd heeft om het dictum van de motie voor te lezen, zal de voorzitter van de raad de motie voorlezen. Hierbij zal de naam of de namen van de indiener(s) van de betreffende motie worden vermeld. 4. Een motie vreemd aan de orde van de dag wordt alleen op de voorlopige agenda van de raad geplaatst indien deze voldoet aan de volgende criteria: a. het moet gaan om een spoedeisende, actuele kwestie, die niet kan worden uitgesteld tot behandeling in de raadscommissie; b. er is geen ander middel om het onderwerp van deze motie aan de orde te stellen.

5. Een motie vreemd aan de orde van de dag wordt alleen op de agenda van de raad geplaatst indien deze voldoet aan de volgende criteria: a. het moet gaan om een spoedeisende, actuele kwestie, die niet kan worden uitgesteld tot behandeling in de raadscommissie; b. er is geen ander middel om het onderwerp van de motie aan de orde te stellen. 6. De raad beslist op voorstel van de voorzitter 5. De raad beslist op voorstel van de voorzitter of bij aanvang van de vergadering, of en op een raadslid bij aanvang van de vergadering, of welke wijze in de vergadering, de motie en op welke wijze in de vergadering, de motie wordt behandeld. wordt behandeld. 7. De behandeling van een motie over een op 6. De behandeling van een motie over een op de de agenda vermeld onderwerp vindt agenda vermeld onderwerp vindt tegelijk met tegelijk met de beraadslaging over dat de beraadslaging over dat onderwerp plaats. onderwerp plaats. 8. De behandeling van een motie over een 7. De behandeling van een motie vreemd aan de niet op de agenda opgenomen onderwerp orde van de dag vindt plaats nadat alle op de

12

bestaande tekst vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld. 9. De hoofdindiener van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp krijgt bij het daartoe ingerichte agendapunt de gelegenheid de motie in de vergadering toe te lichten. Vervolgens krijgt het college de gelegenheid te reageren en/of te adviseren. De indiener kan hier desgewenst op reageren. Dit wordt gevolgd door het in stemming brengen van de motie. Toelichting bij artikel 28 Moties In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen.

Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (vijfde lid). Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (zesde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 29 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie

nieuwe tekst agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld. 8. De hoofdindiener van een motie vreemd aan de orde van de dag krijgt bij het daartoe ingerichte agendapunt de gelegenheid de motie in de vergadering toe te lichten. Vervolgens krijgt het college de gelegenheid te reageren en/of te adviseren. De hoofdindiener kan hier desgewenst op reageren. Dit wordt gevolgd door het in stemming brengen van de motie vreemd aan de orde van de dag. Toelichting bij artikel 28 Moties In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Als een motie (vreemd aan de orde van de dag) is ingediend, wordt deze aan de (voorlopige) agenda toegevoegd.

Wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (vijfde lid). Een besluit over een motie vreemd aan de orde van de dag vindt aan het einde van de vergadering plaats (zesde lid). Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele 13

bestaande tekst van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

nieuwe tekst raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

M. Artikel 29 komt te luiden: bestaande tekst 1. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel indienen. 2. Een initiatiefvoorstel wordt alleen in behandeling genomen, indien het schriftelijk bij de voorzitter is ingediend. 3. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de oproeping hiervoor reeds gepubliceerd is. 4. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld of het voorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie of voor advies naar het college dient te worden gezonden. In het laatste geval bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

nieuwe tekst 1. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel indienen. 2. Een initiatiefvoorstel wordt alleen in behandeling genomen, indien deze 7 dagen voor de raadsvergadering schriftelijk via de griffier bij de voorzitter is ingediend. 3. De voorzitter plaatst het voorstel op de voorlopige agenda van de vergadering. 4. Bij de behandeling geeft de voorzitter de indiener(s) kort gelegenheid het voorstel toe te lichten. 5. Na deze eerste, korte behandeling, oordeelt de raad of het initiatiefvoorstel dient te worden behandeld in een raadscommissie. 6. Het college is, ook wanneer het initiatiefvoorstel niet wordt behandeld in een raadscommissie, gedurende vier weken in de gelegenheid om zijn wensen en bedenkingen aan de raad kenbaar te maken. Het college kan besluiten hiervan af te zien. 7. De voorzitter van de commissie plaatst het initiatiefvoorstel op de agenda van de 14

bestaande tekst 5. Bij de behandeling geeft de voorzitter eerst de indiener(s) gelegenheid het voorstel toe te lichten. 6. Na deze eerste, korte behandeling, wordt het initiatiefvoorstel toegewezen aan een raadscommissie voor verdere behandeling. De behandeling in de raadscommissie vindt plaats tezamen met de wensen en bedenkingen van het college. 7. Het college kan binnen vier weken nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.

Toelichting bij artikel 29 Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

nieuwe tekst commissievergadering. Indien het college wensen en bedenkingen heeft gegeven, worden deze tezamen met het voorstel behandeld, tenzij het college kenbaar maakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel indien de in het vijfde lid vermelde termijn is verstreken. 8. Na behandeling in de raadscommissie dan wel indien de raad oordeelt dat behandeling in de raadscommissie niet zal plaatsvinden, wordt het initiatiefvoorstel ter besluitvorming aan de raad voorgelegd, met inachtneming van het zesde lid. 9. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld of het voorstel eerst dient te worden behandeld. Toelichting bij artikel 29 Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt.

Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.

Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel op de agenda plaatst, indien deze conform het tweede lid 7 dagen voor de raadsvergadering schriftelijk via de griffier bij de voorzitter is ingediend (tweede lid).

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief

Uit het aan de Gemeentewet toegevoegde vierde lid van artikel 147a ( inwerkingtreding 1 februari 2016) volgt dat de gemeenteraad geen besluit mag nemen over een initiatiefvoorstel dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. 15

bestaande tekst gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.

nieuwe tekst Uiteraard moet het college daarvoor een redelijke termijn krijgen. Het is in Haarlem gebruikelijk dat het college vier weken de tijd hiervoor krijgt (zesde lid). Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (tweede lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. In het tweede lid is een termijn gesteld van 4 weken om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet

16

bestaande tekst gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

nieuwe tekst

Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, derde lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het zevende lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht. Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat.

Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.

N. Artikel 34 tweede, vierde, tot en met achtste lid komt te luiden: 17

bestaande tekst 1. Voorafgaand aan elke raadsvergadering is er gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen, tenzij deze niet conform het bepaalde in het tweede lid zijn aangemeld. 2. Het raadslid dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt de vragen, onder aanduiding van het onderwerp, per e-mail aan. De aanmelding moet ten minste vierentwintig uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter worden gedaan. De griffier draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college dan wel de burgemeester worden gebracht. 4. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de collegeleden en voor de overige raadsleden. 5. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 6. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aan het college of de burgemeester aanvullende vragen te stellen. 7. Vervolgens kan de voorzitter aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 8. Tijdens de vragengelegenheid zijn interrupties niet toegestaan. 9.

Tijdens het vragenuur kan geen verlof worden gevraagd tot het houden van een interpellatie, noch kunnen moties worden ingediend. Toelichting bij artikel 34 Gelegenheid tot het stellen van vragen Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht. Hiervoor is een aparte gelegenheid gecreëerd. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In

nieuwe tekst 1. Voorafgaand aan elke raadsvergadering is er een vragenuur waar gelegenheid wordt gesteld tot het stellen van mondelinge vragen, tenzij deze niet conform het bepaalde in het tweede lid zijn aangemeld of het presidium besluit dat het vragenuur niet doorgaat. 2. Het raadslid of commissielid dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt de vraag of vragen, onder aanduiding van het onderwerp, per e-mail aan. De aanmelding moet ten minste vierentwintig uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter via de griffier worden gedaan. De griffier draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college dan wel de burgemeester worden gebracht en worden gepubliceerd op de website. 4. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 5. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller, desgewenst en afhankelijk van de beschikbare tijd, het woord om aan het college of de burgemeester aanvullende vragen te stellen. 6. Vervolgens kan de voorzitter aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 7. Tijdens de vragengelegenheid zijn interrupties niet toegestaan. 8.

Tijdens het vragenuur kan geen verlof worden gevraagd tot het houden van een interpellatie, noch kunnen moties worden ingediend.

Toelichting bij artikel 34 Gelegenheid tot het stellen van vragen Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht. Hiervoor is een aparte gelegenheid gecreëerd. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenuur 18

bestaande tekst het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college te bevragen. Het gaat om vragen die actuele onderwerpen betreffen en geen technisch karakter hebben. De toets wordt uitgevoerd door het Presidium, op voordracht van de griffier. Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur wordt voorafgaand aan de raadsvergadering gehouden, in principe van 18.30 tot 19.15 uur. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat de wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden.

nieuwe tekst krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college te bevragen. Het gaat om vragen die actuele onderwerpen betreffen en geen technisch karakter hebben. De toets wordt uitgevoerd door het presidium, op voordracht van de griffier. Het presidium kan tevens besluiten dat het vragenuur geen doorgang vindt, bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering waar de begroting wordt behandeld of bij een extra lange raadsvergadering. Het vragenuur wordt voorafgaand aan de raadsvergadering gehouden, in principe van 16.45 uur tot 17.15 uur. Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat de wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden.

O. Artikel 34a Inspreekuur burgers komt te luiden: bestaande tekst N.V.T. NIEUW ARTIKEL

nieuwe tekst Artikel 34a Inspreekuur burgers 1. Voorafgaand aan elke raadsvergadering kunnen burgers het woord voeren over onderwerpen die niet op de agenda staan van een raadscommissie. De behandeling van het “Inspreekuur voor burgers” is in beginsel gebonden aan een tijdslimiet van 60 minuten. 2. Een verzoek om in te spreken, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt alleen in behandeling genomen als dit uiterlijk 24 uur voor aanvang 19

van het Inspreekuur burgers bij de griffier is ingediend onder vermelding van zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren. 3. Het Inspreekuur burgers wordt voorgezeten door een lid van het presidium. 4. De voorzitter van het Inspreekuur burgers kan besluiten, na hiertoe overleg te hebben gevoerd met het presidium, dat een verzoek om in te spreken wordt afgewezen. 5. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking van die volgorde in het belang is van de orde van het Inspreekuur burgers. 6. De inspreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de aan het Inspreekuur burgers deelnemende raads- en commissieleden toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers aan het Inspreekuur burgers. 7. Op basis van de inbreng van de inspreker kan de voorzitter of een raads- of commissielid een voorstel doen om het onderwerp te agenderen bij een raadscommissie voor verdere behandeling. Toelichting bij artikel 34a Inspreekuur burgers Doorgaans vindt het Inspreekuur burgers plaats van 18.00 tot uiterlijk 19.00 uur voorafgaand aan de raadsvergadering. Bij het Inspreekuur burgers gaat het over onderwerpen die (nog) niet op de agenda van een raadscommissie staan.

Een inspreker kan het woord voeren op persoonlijke titel of namens een organisatie of anderen. Er is voor gekozen om een inspreker slechts éénmaal het woord te geven en geen discussie te laten plaatsvinden. Als richtlijn wordt 3 minuten spreektijd per burger aangehouden. Op voorstel van de voorzitter, die in eerste instantie voor een ordentelijk verloop van de vergadering moet zorgen en dus moet kunnen aanvoelen of een verkorting of verlenging van de spreektijd gewenst is, kan van deze richtlijn worden afgeweken. De voorzitter kan besluiten om een verzoek om in te spreken af te wijzen, nadat hij 20

hierover overleg heeft gevoerd met het presidium. Zo’n afwijzende beslissing kan worden genomen als het verzoek is om te spreken: - over een besluit waartegen een juridische procedure (civiele, bestuursrecht- en/of strafprocedure) bij de rechter openstaat of heeft opengestaan; - over zaken waar op dat moment een juridische procedure (civiele, bestuursrecht- en/of strafprocedure) tegen loopt; - over zaken waar de gemeente niet over gaat; – over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; - over een kwestie waarover een klacht ex artikel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend; - over een klacht ex artikel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht die op dat moment in behandeling is; over onderwerpen waar geheimhouding op rust; - over een onderwerp waar een inspreker al eerder over heeft ingesproken, en daaraan geen nieuwe feiten kunnen worden toegevoegd; en verder wanneer de commissievoorzitter dit geraden voorkomt in het voorkomende geval.

21

Artikel II De Verordening op de raadscommissies gemeente Haarlem 2022 wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 komt te luiden bestaande tekst Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - college: het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 34 van de Gemeentewet; - commissie: raadscommissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet; - commissiegriffier: griffier van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - commissielid: lid van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - commissievoorzitter: voorzitter van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; - presidium: raadspresidium; - wet: Gemeentewet.

nieuwe tekst Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - college: het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 34 van de Gemeentewet; - commissie: raadscommissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet; - commissiegriffier: griffier van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - commissielid: lid van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - commissievoorzitter: voorzitter van een raadscommissie of diens plaatsvervanger; - griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; - interruptie: een onderbreking van de spreker, toegestaan door de voorzitter - presidium: het door de raad ingestelde orgaan dat de commissie-, raadsvergaderingen en andere raadsbijeenkomsten procesmatig voorbereidt; - wet: Gemeentewet. Toelichting bij artikel 1 Begripsbepalingen Met het opnemen van de definitie van een interruptie in de begripsbepalingen wordt helderheid geboden over wat precies onder een interruptie wordt verstaan. Dit bevordert de juiste toepassing van de spreekregels met betrekking tot het interrumperen, zoals vastgelegd in artikel 16 zesde lid.

B. Artikel 9a Ter kennisnamelijst komt te luiden: bestaande tekst N.V.T. (NIEUW ARTIKEL)

nieuwe tekst 1. Elk raadslid of commissielid kan een verzoek doen om een stuk van de ter kennisnamelijst te agenderen.

22

bestaande tekst

nieuwe tekst 2. Het verzoek moet uiterlijk 24 uur voor de vergadering bij de commissiegriffier zijn ingediend door middel van een ingevuld agenderingsformulier. 3. Het agenderingsformulier wordt toegevoegd aan de agenda bij agendapunt ‘agenda komende vergadering’.

Toelichting bij artikel 9a Ter kennisnamelijst Met het opnemen van dit artikel wordt de bestaande spelregel verankerd in het reglement van de raad. Het presidium heeft in september 2022 onder meer deze spelregel vastgesteld. C. Artikel 11, eerste lid komt te luiden: bestaande tekst 1. De agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de commissie vastgesteld.

Toelichting bij artikel 11 Vaststelling agenda Het opstellen van de voorlopige agenda van een raadscommissie gebeurt door het presidium. Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie zijn eigen agenda. De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in artikel 11.

nieuwe tekst 1. De agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de commissie vastgesteld. De commissie beslist bij de vaststelling van de agenda of een verzoek tot agendering van een of meer stukken van de ter kennisnamelijst, zoals genoemd in artikel 9a, wordt ingewilligd. Toelichting bij artikel 11 Vaststelling agenda Met het opnemen van dit artikel wordt de bestaande praktijk verankerd in deze verordening. Het presidium heeft in september 2022 onder meer deze spelregel vastgesteld.

D. Artikel 12 Advies, vierde en vijfde lid komt te luiden: bestaande tekst 4. In een vergadering vinden geen stemmingen plaats, met uitzondering van stemmingen over geheimhouding en met betrekking tot de orde.

nieuwe tekst 4. In een vergadering vinden geen stemmingen plaats, met uitzondering van stemmingen over geheimhouding, voorstellen met betrekking tot de orde, agenderingsverzoeken zoals genoemd in artikel 11, derde lid en de afdoening van een door de raad aangenomen motie of een toezegging door een lid van het college. 5. Een wensen- en bedenkingenprocedure wordt afgesloten door het zenden van een raadsvoorstel met de daarin verwerkte wensen en bedenkingen aan de raad. Dit raadsvoorstel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14410362/1