CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 bij bijlage 1 BUR+IVO-O 2512 1318 Haarlem - Orionhof

gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Sociaal woningbouwproject Orionhof9.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen voor het Orionhof in Haarlem Gemeente Haarlem

HOLLANDIA archeologen

2

C OLO FON Hollandia reeks nr. 1318 Titel: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen voor het Orionhof in Haarlem Toponiem: Orionhof Gemeente: Haarlem Onderzoeksmeldingsnummer Archis: 5854002001 (bureauonderzoek) en 5854335001 (booronderzoek) Centrumcoördinaten: 104.040 / 491.197 Gemeentelijk projectcode: ORIO.1.2025 Auteur: Mevr. L. Bartens & S.A.J. van den Berg In opdracht van: Mevr. N. Bruijnooge namens Prommenz Wetenschappelijke leiding: Dhr. M. Langeveld Illustraties: Mevr. L. Bartens, tenzij anders vermeld. Concept versie: December 2025 Oplage: 7 ISSN: 1572-3151

© Hollandia archeologen, Zaandijk 2025 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk  075 - 622 49 57  info@archeologen.com

I N H OU D SO PG AV E Samenvatting5 1. Inleiding7 2. Het onderzoeksgebied 9 3. Beleid11 4. Doel en methode 13 5. Aardwetenschappelijke gegevens 15 6. Historische gegevens 19 7. Archeologische gegevens 23 8. Archeologische verwachting 25 9. Doel en methode - veldonderzoek 27 10. Onderzoeksresultaten29 11. Beantwoording onderzoeksvragen 31 12. Conclusie en advies 33 Literatuurlijst34 Bijlagen35 Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan Bijlage 3: Boorstaten

3

4

Afbeelding 1. De locatie van het plangebied op de luchtfoto van Google Earth. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: Google Earth.

SA M E NVAT TI N G In november 2025 Heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van Mevr. N. Bruijnooge namens Prommenz een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek met verkennende boringen (IVO-O) uitgevoerd voor het Orionhof in Haarlem. Men is voornemens de huidige woningen te slopen om hier 91 nieuwe woningen te plaatsen verdeelt over twee gebouwen. In dit proces zullen ook bomen moeten worden verwijderd. Het zuidelijke gebouw (parallel aan de Orionweg) zal een totaaloppervlak krijgen van circa 1060 m2, het noordelijke gebouw (parallel aan de Helene Swarthstraat) een oppervlak van circa 890 m2. Voor het gebied wordt een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische waarden verwacht van de prehistorie (laat-neolithicum) tot en met de nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft een bodemprofiel met een relatief diepe grondroering aangetoond. De maximale diepte hiervan is tot 1,60 m -mv en minimaal tot 1,00 m -mv. Net onder de geroerde lagen ligt een afwisseling van donkergrijze tot grijze zandige klei en zand, gevolgd door een veenlaag die in de top veraard is en varieert van donkerbruin tot bruinrood. Deze veenlaag, die zich vanaf circa 1,50 en 1,85 m -mv (0,92 - 1,35 m -NAP) bevindt, wordt beschouwd als onderdeel van het Hollandveen (formatie van Nieuwkoop). In en op deze laag kunnen in principe archeologische resten nog aanwezig zijn.

Onder het veen ligt een dunne grijze kleiband en daaronder een matig grove grijze zandlaag dat behoort tot de strandvlakte. Advies Op het moment van schrijven zijn de gegevens over het type fundering en de diepte hiervan nog niet bekend. Als voor de aanleg van de nieuwbouw dieper wordt afgegraven dan 1,50 m -mv (0,92 m -NAP), dan zal het intacte veraarde veenpakket worden aangesneden. Bovenop en in dit pakket kunnen mogelijk archeologische sporen worden verwacht. Er wordt daarom geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek in te stellen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) als de graafwerkzaamheden dieper dan 1,50 m -mv reiken. Voor een proefsleuvenonderzoek is een, door de gemeente Haarlem, goedgekeurd PvE vereist. Als de graafwerkzaamheden deze bovengenoemde ontgravingsdieptes niet overschrijden (1,50 m -mv), dan wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van dit rapport en het advies zal het bevoegd gezag, de gemeente Haarlem, een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Indien er geen vervolgonderzoek wordt uitgevoerd en er archeologische resten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden, dan geldt er altijd de verplichting om dit te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Haarlem.

5

Afbeelding 2. Planschets van de nieuwbouw binnen het plangebied. Bron: mailcorrespondentie opdrachtgever.

6

Afbeelding 3. De locatie van het plangebied op een luchtfoto. Het plangebied is rood omkaderd. De geplande bebouwing is aangegeven in groen. Bron: ESRI, bewerking Hollandia Archeologen.

1

I N LE I D I NG In oktober 2025 heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van Prommenz (namens N. Bruijnooge), een archeologisch bureauonderzoek opgesteld en een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (IVO-O) uitgevoerd voor Orionhof in Haarlem, gemeente Haarlem (zie afb. 1-3). Het overleggen van een archeologisch rapport, waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein in voldoende mate is vastgesteld, is onderdeel van de aanvraag van een omgevingsvergunning, die benodigd is voor de toekomstige plannen. De met de plannen gepaard gaande grondroering vormt mogelijk een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief. Het bureauonderzoek brengt de bekende bodemkundige, historische en archeologische gegevens van het plangebied en de nabije omgeving (onderzoeksgebied is straal van 500 meter rond het plangebied) in kaart om in een vroeg stadium een zo nauwkeurig mogelijk beeld te vormen van de te verwachten archeologische resten. Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (IVO-O) is om de bodemopbouw en eventuele (sub)recente vergravingen in kaart te brengen en de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het bureauonderzoek, te toetsen en eventueel aan te vullen.

Op basis van de resultaten van het bureauen booronderzoek wordt een advies geformuleerd met betrekking tot de noodzaak van archeologische vervolgstappen, waarover de gemeente Haarlem vervolgens het definitieve besluit neemt. In het Archeologisch Informatieysteem van Nederland (ARCHIS) is het bureauonderzoek aangemeld onder onderzoeksmeldingsnummer 5854002001 en het booronderzoek onder onderzoeksmeldingsnummer 5854335001. Het bureauonderzoek is opgesteld volgens protocol 4002, en het booronderzoek is uitgevoerd volgens protocol 4003 met deelprocessen VS03 tot en met VS08, van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.2.

7

De digitale informatie moet verplicht aanwezig zijn als u graaft.

an

het

4.

De

plangebied

locatie op

een

topografische kaart, met een projectie van de KLIC-gegevens. Het plangebied is omkaderd. Bron:

Kadaster,

bewerking

KLIC-nummer: 25O0156399 - 1 Overzichtskaart

pagina: 1 van 1 schaal:

1:719

datatransport KL1011 datatransport KL1049 datatransport KL1051 gas lage druk KL1040 laagspanning GM0392 laagspanning KL1040 middenspanning KL1040 riool vrijverval GM0392 water KL1100

Afbeelding

Hollandia Archeologen.

8

0

14

28 meter

linksonder: X: 103.979,0 Y: 491.134,0 rechtsboven: X: 104.107,0 Y: 491.255,0

2

H E T O N D E R ZO E KSG E BIE D Algemeen Het betreffende plangebied van dit onderzoek is het Orionhof in Haarlem, gemeente Haarlem (NH). Dit hof wordt omringd door de Top Naefflaan (west), de Helene Swarthstraat (noord), de Orionweg (zuid) en het Planetenplein (oost). De volgende percelen vallen binnen het plangebied: 16802, 16803, 16804, 16805, 16806 en 16807. De centrale xen y-coördinaten van het gebied zijn 104.040 / 491.197. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 6514 m2. De maaiveldhoogte ligt op 0,40 - 0,60 m + NAP. Huidige situatie In de huidige situatie bevinden zich 46 woningen binnen het plangebied. Verder is het meeste bestraat en staan er bomen. Toekomstige situatie Het voornemen is de 46 huidige woningen binnen het plangebied te slopen en 91 nieuwe woningen te bouwen (afb. 2-3). Tijdens deze werkzaamheden zullen meerdere bomen worden verwijderd. Deze woningen worden verdeeld over twee gebouwen, één parallel aan de Orionweg en één parallel aan de Helene Swarthstraat. Het zuidelijke gebouw zal een totaaloppervlak krijgen van circa 1060 m2, het noordelijke gebouw van circa 890 m2.

Mogelijke verstoringen Op de Verstoringsbronnenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) staan geen ‘bekende vergraven gronden’ aangegeven binnen het plangebied, nog 20e-eeuwse landinrichtingsprojecten (https://rce.webgispublisher.nl/-Verstoringsbronnenkaart). Er is een KLIC-melding gedaan van het plangebied, waarbij alle bekende kabels en leidingen in kaart worden gebracht (afb. 4). Ook geeft de KLIC-melding een indicatie waar, binnen het plangebied, mogelijke vergravingen aanwezig zullen zijn. Milieukundig onderzoek Op het moment van schrijven van dit rapport is geen milieukundig onderzoek bekend.

9

Afbeelding 5. Uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlem. Het plangebied is rood omkaderd. Het plangebied valt binnen categorie 5a: groter dan 2500 m2 en dieper dan 30 cm. Bron: Programma Erfgoed Haarlem.

10

3

B EL E I D De bescherming van archeologische waarden in Nederland is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet vormt het actuele wettelijke kader voor het omgaan met archeologisch erfgoed en vervangt voor een belangrijk deel de bepalingen uit de vroegere Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet regelt onder meer de eisen en voorwaarden voor het verrichten van archeologisch onderzoek, de kwaliteitseisen voor onderzoeksinstellingen, en het beheer van archeologische vondsten. Een belangrijk uitgangspunt van de Erfgoedwet is dat archeologische informatie behouden moet blijven voor toekomstige generaties. De regels over het opnemen van archeologie in de ruimtelijke ordening zijn sinds 1 januari 2024 ondergebracht in de Omgevingswet, maar de Erfgoedwet blijft leidend voor de uitvoering van archeologisch onderzoek zelf. Binnen het plangebied gelden regels zoals opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Haarlem, gebaseerd op het parapluplan ‘Behoud Omgevingskwaliteit ‘Haarlem zoals vastgesteld op 18-09-2025 (www.omgevingsloket.nl, afb. 6). Het plangebied heeft binnen dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 5a’. Hierbij ligt een onderzoekseis als de volgende waarden worden overschreden: bodemroerende werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 2500 m2 dieper dan 0,30 m onder het maaiveld.

Direct ten westen van het plangebied geldt ‘Waarde-Archeologie 2a’. Hierbij ligt een onderzoekseis als de volgende waarden worden overschreden: bodemroerende werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 50 m2 dieper dan 0,30 m onder het maaiveld.

11

Afbeelding 6. het bestemmingsplangebied met parapluplan behoud omgevingskwaliteit Haarlem, zoals vastgesteld in 18-09-2025. Het plangebied is omkaderd. Bron: www.omgevingsloket nl, bewerking Hollandia Archeologen.

Afbeelding 7. Uitsnede van de archeologische informatiekaart van de gemeente Haarlem. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich een nederzetting van onbepaald karakter. In het oosten bevindt zich een gebied met archeologisch waarde (flanken van strandwal). Bron: Programma Erfgoed Haarlem.

12

4

D OE L E N M E THODE Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de geplande bodemroering en de vraagstelling dienen aanvullende gegevens verzameld te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Haarlem, kan hierop een (selectie)besluit maken ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium in de planvorming rekening gehouden worden met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1. Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. 2.

Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). 3. Relevante geologische, historische en archeologische literatuur. De opdrachtgever zorgt ervoor dat de rapportage wordt ingediend bij de gemeente die als bevoegd gezag fungeert. Op verzoek kan de opsteller van het rapport dit ook verzorgen. Binnen twee maanden na afronding van het standaardrapport wordt de rapportage aangeleverd bij Archis, en wordt het onderzoek in Archis afgemeld. De digitale documentatie wordt eveneens binnen twee maanden na afronding van het standaardrapport aangeleverd bij een e-depot (DS05).

13

Afbeelding 8. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied is omkaderd. Op deze kaart staan ook de locaties van de in hoofdstuk 5 besproken DINOLoket boringen. Bron: PDOK, bewerking Hollandia Archeologen.

14 Afbeelding 9. Het plangebied op de bodemkaart. Het plangebied is omkaderd. Bron: PDOK, bewerking Hollandia Archeologen.

5

A AR DW E T E NSCHA PPE LIJ KE G E GE VEN S Type gegevens Bron

Omschrijving

Tabel 1. Samenvatting

De Mulder et al. 2003; Formatie van Nieuwkoop, Formatie van Vos 2015; Geologische Naaldwijk (Laagpakket van Zandvoort) kaart

van de relevante

Geomorfologie (zie afb. 6)

Geomorfologische kaart Bebouwd. M76 Marien: Landvormen die zijn ontstaan door mariene processen (door erosie (PDOK) of afzetting van materiaal door zeewater). B76 Marien: Landvormen die zijn ontstaan door mariene processen (door erosie of afzetting van materiaal door zeewater). L53 Eolisch: Landvormen die zijn ontstaan door eolische processen (door erosie of afzetting van materiaal door de wind).

plangebied.

Bodemkunde (zie afb. 7)

Bodemkaart (PDOK)

Geologie

Hoogte van het AHN4 maaiveld

aardwetenschappelijke gegevens over de regio van het

Bebouwd. pZg21: Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Zb21: Vorstvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. kWz: Moerige eerdgronden met een zavel- of kleidek en een moerige tussenlaag op zand. 0,40 - 0,60 m + NAP.

Genese van het landschap (naar Salomons 2020) Het landschap waarbinnen het onderzoeksgebied ligt, is gevormd in het Holoceen. Dit is de huidige geologische periode, welke begint na de laatste ijstijd (circa 11.500 jaar geleden). Door het smelten van het landijs uit de laatste ijstijd steeg de zeespiegel. Ongeveer 6.000 jaar geleden werd het huidige kustgebied gedomineerd door geulen die zeewater voerden. De geulen zetten periodiek zand en klei af door getijdenwisselingen. Hierdoor ontstond een waddengebied met uitgestrekte wadplaten. Deze afzettingen behoren binnen de Naaldwijkformatie tot het Wormer laagpakket. Ongeveer 5.600 jaar geleden begon de zeespiegel te dalen als gevolg van klimatologische veranderingen. Door het terugtrekken van de zee konden zich in het kustgebied noord-zuid georiënteerde strandwallen vormen. Dit proces herhaalde zich enkele keren met als gevolg dat er een stelsel van evenwijdig aan elkaar lopende strandwallen is ontstaan (Mulder et al. 2003, 224). Haarlem ligt deels op een van die strandwallen. De oudste strandwal loopt van Heemstede naar Spaarnwoude en is ongeveer 5.600 jaar geleden gevormd. Ten westen van deze strandwal ligt de strandwal van Haarlem die ongeveer 4.800 jaar geleden is ontstaan (Blokzijl & Metten 1995). Tezamen met de vorming van de strandwallen zijn er duinen gevormd.

Tussen 5.000 en 2.000 jaar geleden ontstonden de zogenoemde oude duinen; een duinenrij bestaande uit lage naast elkaar liggende duinen (Mulder et al. 2003, 224). Oostelijk van de strandwal van Haarlem lag een strandvlakte waar door vernatting veengroei kon plaatsvinden. In dit deel heeft zich omstreeks 4.000 jaar geleden ook het veenstroompje de Spaarne ontwikkeld, dat afwaterde op het Oer-IJ. Vanaf het eind van het laat-neolithicum bestond het gebied uit een uitgestrekt veenmoeras, waarin bewoning niet of nauwelijks mogelijk was. Het Spaarne lijkt tijdens de Romeinse tijd en de middeleeuwen minder actief te zijn geweest en in deze perioden is gyttja (een organisch sediment, ook wel of bodemslik genoemd) gevormd. Direct ten westen

15

Afbeelding 10. DINOLoket

Lithostratigrafie

Lithologie

0.00

boring B25A2119. Bron: www.

0.50 [m]

dinoloket.nl. NI 1.30 [m] 0.80 [m]

ID:

B25A2119

RD locatie:

104070 (x), 491240 (y), RD

WGS84 locatie:

611475 (lon), 5807529 (lat)

Verticale positie:

-0.40 [m] (NAP)

Startdatum:

Onbekend

Beschikbare informatie: Digitale opnamegegevens

1.00

BeschrijfMethode(s):

ONB

Kwaliteit interpretatie:

Geautomatiseerd toegekend

Diepte in meters ten opzichte van maaiveld/waterbodem

Lithostratigrafie NI NAZA

1.40 [m]

2.00

Lithologie Veen Zand fijne categorie

3.00 NAZA 3.70 [m]

2.30 [m] 4.00

5.00

16 Afbeelding 11. DINOLoket

Lithologie 0.00

boring B25A5860. Bron: www. dinoloket.nl.

0.90 [m]

1.00

0.20 [m]

ID:

B25A5860

RD locatie:

103947 (x), 491174 (y), RD

WGS84 locatie:

611354 (lon), 5807459 (lat)

Verticale positie:

0.40 [m] (NAP)

Startdatum:

30-08-1940

Beschikbare informatie: Digitale opnamegegevens BeschrijfMethode(s):

ONB

Lithologie 1.60 [m] 2.00

Klei Zand fijne categorie

Diepte in meters

Zand midden categorie

3.00

1.45 [m]

4.00

5.00

1.75 [m]

Afbeelding 12. Uitsnede van de archeolandschappelijke kaart van de gemeente Haarlem. Het plangebied bevindt zich binnen een ingesloten strandvlakte. Bron: Programma Erfgoed Haarlem.

van de strandwal van Haarlem ligt een zone waar de ondergrond bestaat uit veen op strandwalzand. Ook dit veengebied waterde oorspronkelijk af richting het noorden naar het Oer-IJ. Na verloop van tijd was de afwatering van dit veengebied vermoedelijk niet voldoende en werd besloten om de natuur een handje te helpen door op verschillende plaatsen de Haarlemse duinrug te doorgraven. De hierbij gevormde waterlopen of beken, waaronder de Haarlemse Beek, waterden af op het Spaarne (De Jong 1971, 118). Geomorfologie en bodem Op de geomofologische kaart (afb. 8) is het plangebied niet gekarteerd vanwege bebouwing. Nabij bevinden zich drie soorten gronden. M76 Marien: Landvormen die zijn ontstaan door mariene processen (door erosie of afzetting van materiaal door zeewater). B76 Marien: Landvormen die zijn ontstaan door mariene processen (door erosie of afzetting van materiaal door zeewater). L53 Eolisch: Landvormen die zijn ontstaan door eolische processen (door erosie of afzetting van materiaal door de wind). Op de bodemkaart (afb.9) is het gebied tevens niet gekarteerd door bebouwing. Hier zijn wederom drie nabijgelegen gronden. Dit betreft pZg21: Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Zb21: Vorstvaaggronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. kWz: Moerige eerdgronden met een zavel- of kleidek en een moerige tussenlaag op zand.

Het is waarschijnlijk dat binnen het plangebied pZg21, leemarm en zwak lemig fijn zand bevindt. Grondboringen van www.dinoloket.nl Ten behoeve van bodemkundig en geologisch onderzoek zijn in het recente verleden binnen het onderzoeksgebied boringen verricht. Deze gegevens zijn te raadplegen via het dinoloket (www.dinoloket.nl). De boringen geven een eerste inzicht in de ondergrond van het onderzoeksgebied. Boring 1 (B25A2119, zie afb. 10): Boring 1 bestaat uit veen tot 1,30 m -mv (Formatie van Nieuwkoop) met hieronder een fijn, kleiig zandpakket tot 2,70 -mv en fijn zand tot het einde van de boring (5,00 m -mv) behorende tot de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Zandvoort). Boring 2 (B25A5860, zie afb. 11): Boring 2 bestaat uit matig fijn zand tot 2,70 m -mv met daaronder een kleiband van 2,70 - tot 4,15 -mv en tenslotte tot het einde van de boring (5,90 -mv) zeer fijn zand.

17

Afbeelding 13. Uitsnede van de kadastrale minuut van 1811-1832. Het plangebied is omkaderd. Bron: HISGIS, bewerking Hollandia Archeologen.

18 Afbeelding 14. Uitsnede van de riginele kadastrale minuut van 1811-1832. Hierop is het erf van Zuid-Overton te zien. De locatie van het plangebied is globaal aangegeven (rood), bewerking Hollandia Archeologen.

6

H ISTO R I SC H E GE GE V E NS De oudste vermelding van de naam Haarlem dateert uit de eerste helft van de 10e eeuwen en is afkomstig uit een goederenlijst van de Sint Maartenskerk in Utrecht. Hierin staat vermeld dat de kerk drie hoeven in ‘Haralem’ bezit. De naam ‘Haralem’ is afgeleid van het vroegmiddeleeuwse ‘Harulahaima’, wat huis op een open plek in een op de zandgrond gelegen bos betekent. Een tweede vermelding is een lijst van namen en kerken die opgesteld is tussen 992 en 1046. De aanwezigheid van een kerk impliceert dat op deze locatie in de 11e eeuw een gemeenschap was gevormd die groot genoeg was om er een eigen kerk op na te houden. Op 23 november 1245 schonk graaf Willem II stadsrechten aan de inwoners van het ‘oppidum’ Haarlem. Vanaf het begin van de 12e eeuw had de graaf van Holland een hof in Haarlem waar hij regelmatig verbleef. De precieze locatie van de oudste kern van de bewoning is nog onbekend, maar waarschijnlijk moet deze ten noorden van de beek worden gezocht. Het zuidelijk deel van het centrum, met de voormalige Haarlemse Beek als grens, zou pas in de 12e eeuw in gebruik zijn genomen (Salomons 2020). Vanaf 1274 was er vermoedelijk rondom de nederzetting sprake van verdedigingswerken. Sporen van deze 13e eeuwse muur zijn tot heden echter nog niet gevonden.

In de 14e en 15e eeuw maakte de stad een grote economische bloei door, waardoor de bevolking groeide en uitbreiding van de stad al voor de 15e eeuw plaats vond. In de tweede helft van de 15e eeuw begon een periode van neergang voor de stad Haarlem, die tot de tweede helft van de 16e eeuw zou duren (Salomons 2020). Tijdens de Tachtigjarige Oorlog had de stad Haarlem een zware, en misschien wel de zwaarste, prijs betaald door het Spaanse beleg tussen 3 december 1573 en 13 juli 1574. Niet lang daarna, in 1576, was er ook nog eens een stadsbrand, veroorzaakt door de Spanjaarden, waarbij een groot deel van de stad in de as werd gelegd (Salomons 2018,1719). Pas na het einde van de 16e eeuw kwam er weer een periode van economische vooruitgang waarbij de stad opnieuw kon opbloeien. Met name de scheepsbouw aan het Spaarne maakte in de 16e eeuw een belangrijke groei door. De duizenden immigranten uit de zuidelijke Nederlanden brachten kunst, ambachten en handelsnetwerken met zich mee. Dit zorgde voor de start van de Gouden Eeuw in Haarlem en in andere Hollandse steden, zoals Amsterdam, Delft en Leiden. Als gevolg hiervan kregen stedelijke ondernemers en bovenal de stedelijke elite meer macht en rijkdom en gingen zij zich eveneens richten op kunst en cultuur.

Haarlem ontwikkelt zich tot een schildersstad met grote namen als Maarten van Heemskerck, Cornelis Corneliszoon van Haarlem en later Frans Hals (Salomons 2018, 17-19). Het plangebied ligt in het buitengebied van Haarlem, in de voormalige gemeente Schoten. Naast het plangebied bevond zich boerderij Zuid-Overton (afb. 13-14). Zuid-Overton, samen met Noord-Overton, waren twee boerderijen die bij de buitenplaats of hofstede ‘Overton’ hoorden. Deze was eerst bezit van de Haarlemse burgemeester, Nicolaas van der Laan (benoemd in 1572 door Willem I (van der Aa 1865 p.3). Tijdens de Tachtigjarige oorlog is deze buitenplaats het hoofdkwartier van Graaf Bossu geweest. Graaf Bossu was admiraal-generaal van de Spaans-Neerlandse vloot van de slag op de Zuiderzee.1

1

https://www.oudhoorn.nl/vereniging/vragen_gesteld.php?id=00093

19

Afbeelding 15. Uitsnede van een tekening van P. van Loon waarop de paal met de ton te zien is, zoals beschreven door Aadriaan Loosjes. Bron: https://historischschoten.nl/ buitenplaatsen-in-schoten/.

Afbeelding 16. Het bonnenblad van 1962 waarop voor het eerst ter hoogte van het plangebied (groen) bebouwing is waar te nemen, die overeenkomt met de contouren van de huidige bebouwing. Bron: www. topotijdreis.nl, bewerking

20

Hollandia Archeologen.

Na het beleg van Haarlem is in 1573 deze buitenplaats het door de Spanjaarden met de grond gelijk gemaakt. In 1694 is er een nieuwe hofstede genaamd ‘Overton’ gebouwd, en het is waarschijnlijk in deze tweede periode van de hofplaats dat de twee boerderijen ontstonden.2 De naam ‘Overton’ heeft ook een oorsprong. Aadriaan Loosjes schreef: ‘‘Daar ziet gij in het Spaarne Zeilen, en ziet gij daar met op een hooge staak een ton staan? Zij dient als baken voor de schippers om af te varen, wanneer hunne schepen maar enigszins diep gaan, daar het Spaarne vol ondiepte is. Omdat de buitenplaats vlak over die ton gelegen is, heeft zij dien naam verkregen ‘Overton (afb. 15)3. ’’ Historische kaarten Op basis van oude kaarten kan een beeld verkregen worden van de historische bebouwing van Haarlem en omgeving. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit kaartmateriaal vaak alleen een indicatie geeft van eventuele bebouwing op perceelniveau. Er dient rekening gehouden te worden met onnauwkeurigheden als gevolg van het gebruik van eenvoudige meetmiddelen en methoden, selectie van af te beelden kaartelementen en esthetische afwegingen, die kaarten mooier maakten dan de werkelijkheid. Vanaf het begin van de 19e eeuw wordt de bebouwing goed gedocumenteerd door middel van de minuutkaarten.

Op de kadastrale minuut van de gemeente Schoten en Gehuchten (1811-1832) valt het plangebied samen met perceel nummer 165 en 166 (OAJmleg [?]’. Het plangebied is hierbij niet bebouwd. Aangrenzend is een huiserf (perceel 146) met daarop boomgaard, moestuin, bos en aardappelenland, met de naam ‘Zuid-Overton’. Dit allemaal in bezit van Oijen, een schout te Schoten. Tussen 1955 en 1962 is het plangebied bebouwd geraakt. Op het bonnenblad van 1955 is namelijk nog geen bebouwing waar te nemen ter hoogte van het plangebied, en op het bonnenblad van 1962 bevindt zich bebouwing (afb. 16). Aan de contouren van de bebouwing is te zien dat overeenkomt met de huidige bebouwing, die men voornemens is te slopen.

2 3

https://www.buitenplaatseninnederland.nl/haarlem-overton.html https://historischschoten.nl/buitenplaatsen-in-schoten/

21

Afbeelding 17. Overzichtskaart met de locaties van de in de omgeving van het plangebied uitgevoerde onderzoeken en vondstmeldingen, zoals beschreven in hoofdstuk 7. Bron: ARCHIS, bewerking Hollandia Archeologen.

22

7

ARC HE OLO G I SCHE GE GE V E NS Het plangebied is zelf geen Archeologisch Monument en valt niet binnen een terrein met een hoge archeologische verwachting (AMK-terrein). Het plangebied grenst wel direct aan een AMK terrein (13917) met waarde voor nederzettingssporen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Dit gebied is aangewezen door de archeologen van de gemeente Haarlem aan de hand van vondsten en de geologische ondergrond, namelijk de ligging op een strandwal. Naast dit AMK-terrein bevindt zich AMK-terrein (13913) met waarde voor nederzettingssporen van het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Ook de begrenzing van dit gebied is bepaald door de gemeentearcheologen van Haarlem en ligt op de strandwal. Er hebben enkele archeologische onderzoeken plaatsgevonden in de nabijheid van het plangebied. Circa 130 m ten westen van het plangebied heeft in 2023 een bureauonderzoek (5327154100) plaatsgevonden door Antea Group Archeologie. Hieruit bleek dat dit gebied op een strandvlakte ligt die vaak te nat was voor bewoning, en ze gaven dit gebied een lage archeologische verwachting (Hellemons en Dütting 2023). Tussen dit onderzoek van Antea Group en het plangebied is een vondstmelding (2995546100) gedaan door AWN van het waarnemen van ploegsporen/eergetouwkrassen en nederzettingssporen in een bouwput.

In 2024 heeft Argo een booronderzoek (5649705100) uitgevoerd, circa 220 m ten noordoosten van het plangebied. Uit de eerste bevindingen van dit onderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit subrecent geroerd zand met puin en kiezels. Deze verstoring rijkt tot ongeveer 1,50 - 1,80 m -mv. Hieronder bevindt zich een pakket zandige humeuze klei, wat lijkt op een met venig materiaal gevulde depressie of duinpan. Eindrapportage van dit onderzoek is nog niet beschikbaar. In respectievelijk 2022 en 2023 heeft 250 m ten westen van het plangebied een bureau(5320909100) en een booronderzoek (2043510100) plaatsgevonden door Archeologisch Onderzoek Leiden BV (Archol). Uit het booronderzoek bleek dat dit niet ten hoogte van de oostelijke flank van de strandwal bevond, waarschijnlijk wel op de strandvlakte. De bodemopbouw bestaat uit een ophooglaag tot 1,0 m -mv, met hieronder een bouwvoor met restanten van een pakketje duinzand tot 1,5 m -mv, hieronder een veenpakket tot 2,4 m -mv, dan een pakket getijdenklei tot 2,7 m -mv en ten slotte een zandige strandvlakte (Heunks en Slegers, 2023; Tol en Boers, 2023). In 2019 en 2022 heeft een archeologisch bureau- (4720748100) en booronderzoek (4753189100) plaatsgevonden door IDDS Archeologie en een archeologische begeleiding (5161039100) door Archol, circa 410 m ten noordwesten van het plangebied.

Uit het booronderzoek bleek dat dit onderzoeksgebied op de flank van een strandwal ligt (Riggelaar en León Subías 2019). Uit de archeologische begeleiding van de rioolaanleg bleek dat het onderzoeksgebied op de overgangszone van de strandwal en de strandvlakte ligt. Er is historische verkaveling aangetroffen en de sporen van een sloot, maar naast deze agrarische activiteit en de sloot zijn geen archeologische waarden aangetroffen (Beck en Brattinga 2023).

23

Periode

Verwachting Diepte

Omvang

Omschrijving van de te verwachten resten

Prehistorie

Middelhoog

circa 1,80 -mv

Divers

Nederzettingssporen, cultuur- en akkerlagen, ploegsporen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been, metaal, hout en gewei, leer, archeobotanisch en zoölogisch materiaal.

IJzertijd/Romeinse tijd Middelhoog

circa 1,80 -mv

Divers

Nederzettingssporen, cultuur- en akkerlagen, ploegsporen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been, metaal, hout en gewei, leer, archeobotanisch en zoölogisch materiaal.

Middeleeuwen

Middelhoog

circa 1,80 -mv

Divers

Nederzettingssporen, cultuur- en akkerlagen, ploegsporen, greppels, kuilen, haarden, begravingen, aardewerk, natuursteen, voorwerpen van been, metaal, hout en gewei, leer, archeobotanisch en zoölogisch materiaal.

Nieuwe tijd

Middelhoog

Direct onder het maaiveld.

Divers

Nederzettingssporen, water- en beerputten, sporen van landbewerking, land- en akkerbouw en percelering, ploegsporen, ophogings- en cultuurlagen, sloten, greppels, kuilen, natuursteen, aardewerk, voorwerpen van been, metaal, hout en gewei, leer, glas.

24

Tabel 2. Samenvatting van de archeologische verwachting per periode met de mogelijke dieptes, omvang en aard van de te verwachten waarden.

8

ARC HE OLO G I SCHE V E RWACHT ING Na terugtrekking van de zee zijn in het gebied rondom Haarlem op de strandwal duinen ontstaan. Het strandwal- en duinlandschap is, door de in vele opzichten gunstige vestigingscondities, vanaf het laat neolithicum intensief voor bewoning gebruikt. Op kleine duinen op de strandvlakte kan bewoning worden aangetroffen. De meest intensieve bewoning en landbouw heeft zich plaatsgevonden op de strandwal en op de flanken. In de laagtes tussen de duinen werden akkers aangelegd. Het plangebied ligt volgens de Archeolandschappelijke eenhedenkaart uit de beleidsnota van de gemeente Haarlem in een strandvlakte. Het plangebied ligt mogelijk op een strandwal, of op de grens van de strandwal en de strandvlakte, zoals blijkt uit de dinoboringen, het AMK-terrein en nabijgelegen archeologische onderzoeken. Op de strandwal heeft bewoning plaatsgevonden vanaf het laat-neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Op de strandvlakte was vaak sprake van landbouwactiviteit. Het is mogelijk binnen het plangebied archeologische waarden van deze landbouwactiviteit te vinden op de strandvlakte. Mocht het blijken dat het plangebied op een strandwal ligt, dan is het mogelijk om nederzettingssporen aan te treffen die dateren vanaf het laat-neolithicum tot en met de nieuwe tijd.

Deze sporen zullen zich bevinden vanaf de top van het oude duinpakket (Formatie van Naaldwijk; Laagpakket van Zandvoort). Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het gebied voor zover de kaarten teruggaan (vanaf 1811-1832 tot 1955) niet bebouwd is geweest. Vanaf het bonneblad van 1962 is bebouwing waar te nemen, in de contouren van de huidige bebouwing. Het is mogelijk om sporen te vinden van de nieuwtijdse boerderij Zuid-Overton of gerelateerde landbouwactiviteit die op de kadastrale minuut te zien zijn (1811-1832) en waar het plangebied aan grenst (zie afb. 10-11). Het verkennend booronderzoek zal aantonen in hoeverre de bodem binnen het plangebied verstoord is door werkzaamreden rondom de huidige bebouwing en de begroeiing (de bomen).

25

Afbeelding 18. Aanzicht achterzijde, ter hoogte van boring 6, in noordelijke kijkrichting.

26

9

D OE L E N M E THODE - V E LDONDER ZOEK Binnen het plangebied is een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (IVO-O) uitgevoerd. Het doel van het verkennend booronderzoek is om de ondergrond en eventuele (sub)recente vergravingen in kaart te brengen. Ook is er van belang om plaatselijke afwijkingen van voorspelde hoogtes van het zand van de strandvlakte gebaseerd op de Archeolandschappelijke eenhedenkaart te toetsen. Indien er plaatselijke verhoging aanwezigzijn dan kan er op die kleine duinen bewoning worden aangetroffen. Aan de hand van deze gegevens kan de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden getoetst en eventueel worden aangevuld.

In het plan van aanpak (Bartens 2025) zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd die met dit verkennend booronderzoek beantwoord moeten worden: • Wat is de bodemopbouw? • Zijn er (sub)recent vergravingen en/of ophogingen aanwezig? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn deze aangetoond? • Zijn er aanwijzingen van menselijk handelen? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? • Zijn er op basis van de onderzoeksresultaten archeologische niveaus aan te wijzen? Zo ja, waar en hoe diep bevinden deze zich en wanneer kunnen ze zijn bewoond? • Dienen er archeologische vervolgstappen te worden genomen? • Klopt de archeologische verwachting, zoals geschetst in het bureauonderzoek met de gegevens die zijn verkregen tijdens het verkennend booronderzoek? Beargumenteer of verklaar. Voorafgaand aan het onderzoek is de onderzoeksmethode uiteengezet in het plan van aanpak (Bartens 2025). Het onderzoek is uitgevoerd volgens de bepalingen in dit PvA en in de KNA versie 4.2, protocol 4003 met deelprocessen VS03 tot en met VS08. Er zijn in totaal zes boringen tot 2,0 - 2,5 m -mv gezet (zie afb. 19). De boringen zijn gezet met een Edelman- en gutsboor met een diameter van respectievelijk 7 en 3 cm. De opgeboorde grond is handmatig afgezet en nader bekeken op archeologische indicatoren. Eventuele archeologische indicatoren zijn per laag gedocumenteerd.

De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) en de boorlocaties zijn ingemeten in het landelijk RD-coördinatensysteem met een GPS-instrument.

27

Afbeelding 19. De locaties van de gezette boringen binnen het plangebied. Bron: PDOK, bewerking door Hollandia Archeologen.

28

Afbeelding 20. Edelmanboor met de inhoud van boring 1 met het veenrestant op 0,90 m -mv.

10

ON DE R ZO E KS RE SULTAT E N De boorstaten van de zes boringen zijn als bijlage toegevoegd aan dit rapport (zie bijlage 3). Boring 2 - 6 zijn gezet tot 2,00 m -mv, boring 1 is gestuikt op 0,50 m -mv. Op de boorpuntenkaart zijn de locaties van de boringen weergegeven (zie afb. 18). Bodemopbouw Ter hoogte van boring 1 bestaat de bodem, vanaf het maaiveld op 0,44 m +NAP, tot 0,60 m -mv uit bruingrijs humeus zand met lichte doorworteling. Hieropvolgend tot 0,80 m -mv wordt het zand lichter van kleur, is ijzerhoudend, gevlekt en bevat baksteenfragmenten. Direct hieronder is tot 0,90 m -mv donkerbruin veraard veen waargenomen. Hieronder is tot 1,40 m -mv lichtgrijsbruin zand aangetroffen met roestvlekken en kleibrokken. Ook is in deze laag een fragment lood opgeboord. Deze laag wordt tot 1,60 m -mv lichter van kleur en homogeen. Hieropvolgend is tot 2,30 m -mv een veenlaag opgeboord. Tot 2,05 m -mv is deze laag bruinrood van kleur, tot 2,25 wordt het veen bruiner en bevat plantenresten en tot 2,30 m -mv wordt deze veraard. Direct hieronder is tot 2,35 m -mv een grijze halfrijpe kleilaag waargenomen met een scherpe ondergrens. Tot einde boring op 2,50 m -mv is een grijs homogene zandlaag aangetroffen. Bij boring 2 bestaat de bodem vanaf het maaiveld op 0,48 m +NAP tot 0,05 m -mv uit betegeling en tot 0,20 m -mv uit bouwzand.

Direct hieronder is een donkergrijsbruine humeuze gevlekte zandlaag aangetroffen tot 0,70 m -mv. Hieropvolgend is tot 1,10 m -mv een donkergrijze zandige kleilaag opgeboord met veenbrokken. Tot 1,15 m -mv is een veraard donkerbruin veenrestant aangetroffen. Direct hieronder bevindt zich een donkergrijze zandlaag tot 1,35 m -mv. Tot 1,65 m -mv is er een donkergrijze halfrijpe siltige kleilaag opgeboord. Tot einde boring op 2,00 m -mv is een bruinrode veenlaag met plantenresten waargenomen, waarvan de top veraard is. Ter hoogte van boring 3 bestaat de bodem vanaf het maaiveld op 0,50 m +NAP tot 0,70 m -mv uit donkergrijsbruin humeus zand met lichte doorworteling. Tot 0,75 m -mv is een donkerbruin veraard veenrestant opgeboord. Direct hieronder bevindt zich tot 1,60 m -mv een lichtgrijsbruine gevlekte zandlaag met kleibrokken. Hieropvolgend is een grijze zandlaag met kleibrokken opgeboord tot 1,75 -mv. Hieronder is een donkerbruin veraard veenpakket waargenomen tot 1,85 m -mv. Tot 1,95 m -mv zijn houtresten waargenomen, mogelijk van een boomwortel. Tot einde boring op 2,00 m -mv is eveneens bruinrood veen aangetroffen met plantenresten. Bij boring 4 is vanaf het maaiveld op 0,58 m +NAP tot 0,90 m -mv een donkergrijs bruine zandlaag opgeboord met lichte doorworteling.

Hierop volgde een donkergrijs bruine zandige kleilaag met lichte doorworteling en fragmenten baksteen tot 1,20 m -mv. Direct hieronder bevindt zich een lichtgrijze zandlaag met schelpen tot 1,40 m -mv. Tot 1,50 m -mv is een donkerbruin veraard veenrestant waargenomen. Hieropvolgend is tot 1,65 m -mv nogmaals lichtgrijs zand aangetroffen met schelpen. Hieronder bevindt zich tot 1,70 m -mv een grijze halfrijpe kleiband. Tot einde boring op 2,00 m -mv is bruinrood veen waargenomen met plantenresten, waarvan de top veraard is. Ten hoogte van boring 5 is vanaf het maaiveld op 0,33 m +NAP tot 0,85 m -mv een donkergrijsbruine humeuze zandlaag opgeboord met lichte doorworteling en stukken piepschuim. Hieronder is tot 1,00 m -mv een donkergrijsbruine zandige kleilaag waargenomen met lichte doorworteling. Hieropvolgend is tot 1,45 m -mv een grijze zandlaag aangetroffen met schelpen en veenbrokken. Direct hieronder is een grijze

Afbeelding 21. Een loodfragment in boring 1.

29

halfrijpe siltige kleilaag opgeboord. Tot einde boring op 2,00 m -mv is een bruinrode veenlaag aangetroffen met plantenresten, waarvan de top tot 1,60 m -mv veraard is. Bij boring 6 is vanaf het maaiveld op 0,42 m +NAP tot 0,90 m -mv een donkergrijze gevlekte zandlaag opgeboord met lichte doorworteling. Hierop volgde een donkergrijs bruine zandige kleilaag met veenbrokken tot 1,15 m -mv. Direct hieronder is een grijze zandlaag opgeboord met schelpen en kleibrokken tot 1,70 m -mv. Tot einde boring op 2,00 m -mv is een bruinrode veenlaag aangetroffen met plantenresten. Archeologische indicatoren en recente vergravingen Tijdens het booronderzoek is een relatief diep geroerde bodemopbouw aangetroffen binnen het plangebied. De maximale grondroering binnen het gebied is aangetroffen op 1,60 m -mv, de minimale grondroering is waargenomen op 1,00 m -mv (boring 5). Er zijn tijdens het booronderzoek geen directe archeologische indicatoren aangetroffen. Wel is er in elke boringen een veraard veenpakket aangetroffen. Bovenop en in het veraarde veen kunnen in principe archeologische resten zich voordoen (1,50 - 1,85 m -mv (0,92 - 1,35 m -NAP).

30

Interpretatie van de onderzoeksresultaten De bodem binnen het plangebied is relatief diep geroerd. De maximale grondroering is vastgesteld binnen het gebied op 1,60 m -mv. De minimale grondroering is vastgesteld op 1,00 m -mv (boring 5). Direct onder de geroerde bodemlagen bevindt zich een afwisseling van donkergrijs tot grijs zandige klei en zand met hieronder een intact veenpakket. De top van het veen is veraard en varieert van kleur van donkerbruin naar bruinrood. In principe kunnen archeologische resten zich voordoen op en in het veraarde veenpakket. Deze laag is aangetroffen tussen circa 1,50 - 1,85 m -mv (0,92 - 1,35 m -NAP). Het veen is geïnterpreteerd als onderdeel van het Hollandveen laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). Ten hoogte van boring 1 is een dunne veraarde veenband waargenomen op 0,80 - 0,90 m -mv. Deze veenband wordt geïnterpeteerd als een omgezette laag, aangezien het zand hieronder geroerd lijkt te zien met hierin ook een fragment industrieel lood. Boring 1 is dieper gezet tot 2,50 m -mv. Onder het veenpakket bevindt zich een dunne grijze kleiband met hieropvolgend een grijs matig grof homogeen zandpakket. Deze zandlaag is geïnterpreteerd als zand afkomstig van de strandvlakte (Laagpakket van Zandvoort; Formatie van Naaldwijk).

11

B E A N T WOORDING OND E R ZOE KSVR AGEN Wat is de bodemopbouw? Vanaf het maaiveld tot circa 1,00 - 1,60 m -mv bestaat de bodem uit meerdere geroerde bodemlagen. Direct hieronder bevindt zich een afwisselend donkergrijs tot grijze zandige klei en zandlagen tot circa 1,50 - 1,85 m -mv. Direct hieronder bevindt zich een veenpakket waarvan de top is veraard. Ten hoogte van boring 1 is een dunne veraarde veenband waargenomen op 0,80 - 0,90 m -mv. Deze veenband wordt geïnterpeteerd als een omgezette laag, aangezien het zand hieronder geroerd lijkt te zien met hierin ook een fragment industrieel lood. Boring 1 is dieper gezet, namelijk tot 2,50 m -mv. Het veen loopt door tot 2,30 m -mv en wordt opgevolgd door een dunne grijze kleiband tot 2,35 m -mv. Tot het einde van de boring op 2,50 is grijs, matig grof zand aangetroffen. Zijn er (sub)recent vergravingen en/of ophogingen aanwezig? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn deze aangetoond? Tijdens het booronderzoek is een relatief diep geroerde bodemopbouw aangetroffen binnen het plangebied. De maximale grondroering binnen het gebied is aangetroffen op 1,60 m -mv, de minimale grondroering is waargenomen op 1,00 m -mv.

Zijn er aanwijzingen van menselijk handelen? Zo ja, waar bevinden deze zich en op welke diepte zijn die aangetoond? Tijdens het booronderzoek zijn geen directe aanwijzingen aangetroffen die duiden op menselijk handelen. Het aangetroffen fragment lood is afkomstig uit geroerde grond en is dus het resultaat van recentelijk menselijk handelen. Zijn er op basis van de onderzoeksresultaten archeologische niveaus aan te wijzen? Zo ja, waar en hoe diep bevinden deze zich en wanneer kunnen ze zijn bewoond? Er is tijdens het booronderzoek in elke boring een intacte veraarde veenlaag waargenomen. Op en in deze laag kunnen mogelijk archeologische resten zich voordoen vanaf de ijzertijd tot in de late middeleeuwen. Deze laag is aangetroffen tussen circa 1,50 - 1,85 m -mv (0,92 - 1,35 m -NAP). Dienen er archeologische vervolgstappen te worden genomen? Op het moment van schrijven zijn de gegevens over het type fundering en de diepte hiervan nog niet bekend. Als voor de aanleg van de nieuwbouw dieper wordt afgegraven dan 1,50 -mv (0,92 m -NAP), dan zal het intacte veraarde veenpakket worden aangesneden. Bovenop en in dit pakket kunnen mogelijk archeologische sporen worden verwacht. Er wordt daarom geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek in te stellen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) als de graafwerkzaamheden dieper dan 1,50 m -mv reiken.

Als de graafwerkzaamheden deze bovengenoemde ontgravingsdieptes niet overschrijden (1,50 m -mv), dan wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Klopt de archeologische verwachting, zoals geschetst in het bureauonderzoek met de gegevens die zijn verkregen tijdens het verkennend booronderzoek? Beargumenteer of verklaar? Binnen het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld op het aantreffen van archeologische resten vanaf de prehistorie tot en met de nieuwe tijd. De resultaten uit het booronderzoek onderstrepen deze verwachting deels. In elke boring is een veraard veenniveau aangetroffen. In en op deze laag kunnen in principe archeologische resten

31

worden verwacht uit de ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Hiermee wordt de middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit deze periode onderstreept. Voor het aantreffen van archeologische resten uit de nieuwe tijd wordt een lage verwachting opgesteld. Dit heeft te maken met de relatieve diepe grondroering binnen het plangebied.

32

12

C ONC LU S I E E N A DV IE S In oktober 2025 heeft Hollandia Archeologen een archeologisch bureauonderzoek opgesteld en een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen (IVOO) uitgevoerd voor Orionhof in Haarlem, gemeente Haarlem. Het voornemen is de 46 huidige woningen binnen het plangebied te slopen en 91 nieuwe woningen te bouwen. Tijdens deze werkzaamheden zullen meerdere bomen worden verwijderd. Deze woningen worden verdeeld over twee gebouwen, één parallel aan de Orionweg en één parallel aan de Helene Swarthstraat. In totaal beslaan de plannen een gebied van circa 1950 m2. Op het moment van schrijven zijn de gegevens over het type fundering en de diepte hiervan nog niet bekend. In het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld op het aantreffen van archeologische resten vanaf de prehistorie tot en met de nieuwe tijd. Op de strandvlakte was vaak sprake van landbouwactiviteit. Het is mogelijk binnen het plangebied archeologische waarden van deze landbouwactiviteit te vinden op de strandvlakte. Mocht het blijken dat het plangebied op een strandwal ligt, dan is het mogelijk om nederzettingssporen aan te treffen die dateren vanaf het laat-neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Tijdens het booronderzoek is een relatief diep geroerd bodemprofiel aangetroffen. De maximale grondroering is vastgesteld binnen het gebied op 1,60 m -mv.

De minimale grondroering is vastgesteld op 1,00 m -mv. Direct onder de geroerde bodemlagen bevindt zich een afwisseling van donkergrijs tot grijs zandige klei en zand met hieronder een intact veenpakket. De top van het veen is veraard en varieert van kleur van donkerbruin naar bruinrood. In principe kunnen archeologische resten zich voordoen op en in het veraarde veenpakket. Deze laag is aangetroffen tussen circa 1,50 - 1,85 m -mv (0,92 - 1,35 m -NAP). Het veen is geïnterpreteerd als onderdeel van het Hollandveen laagpakket (formatie van Nieuwkoop). Boring 1 is dieper gezet tot 2,50 m -mv. Onder het veenpakket bevindt zich een dunne grijze kleiband met hieropvolgend grijs matig grof homogeen zand. Deze zandlaag is geïnterpreteerd als zand afkomstig van de strandvlakte (laagpakket van Zandvoort; formatie van Naaldwijk).

33

Advies Op het moment van schrijven zijn de gegevens over het type fundering en de diepte hiervan nog niet bekend. Als voor de aanleg van de nieuwbouw dieper wordt afgegraven dan 1,50 m -mv (0,92 m -NAP), dan zal het intacte veraarde veenpakket worden aangesneden. Bovenop en in dit pakket kunnen mogelijk archeologische sporen worden verwacht. Er wordt daarom geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek in te stellen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) als de graafwerkzaamheden dieper dan 1,50 m -mv reiken. Voor een proefsleuvenonderzoek is een, door de gemeente Haarlem, goedgekeurd PvE vereist. Als de graafwerkzaamheden deze bovengenoemde ontgravingsdieptes niet overschrijden (1,50 m -mv), dan wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van dit rapport en het advies zal het bevoegd gezag, de gemeente Haarlem, een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Indien er geen vervolgonderzoek wordt uitgevoerd en er archeologische resten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden, dan geldt er altijd de verplichting om dit te melden bij het bevoegd gezag, de gemeente Haarlem.

A ANVUL L ENDE INFO RM AT I E

OP W W W.HOLL AN DIA-A RCHEOLOG I E . NL

LIT E R AT U URLIJST Aa, A. J. van der. (1865). Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 11. Haarlem. Beck, T., Brattinga, J.J. (2023). Archeologische begeleiding van de werkzaamheden aan de mr. Jan Gerritszlaan in Haarlem, gemeente Haarlem. Archol-rapport 717. Biggelaar van den, D.F.A.M., León Subías de, D. (2019). Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Meester Jan Gerritszlaan, Haarlem Gemeente Haarlem. IDDS Archeologie-rapport 2351. Blokzijl, J., & R.M. Metten (1995). Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en omgeving. Schaal 1:50 000, Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Hellemons, A., Dütting, M.K. (2023). Bureauonderzoek Plantoets Orionweg 400, gemeente Haarlem. Antea Group Archeologie-rapport 374. Heunks, E., Slegers, L. (2023). Plangebied Pim Mulierlaan, gemeente Haarlem. Archolrapport 772. Jong, J. de (1971). Geologische geschiedenis en vroegere bewoning van Haarlem, Haerlem Jaarboek 1970 p. 110-149. León Subías de, D. (2019). Archeologische bureauonderzoek: Meester Jan Gerritszlaan, Haarlem. Gemeente Haarlem. IDDS Archeologie-rapport 2289. Mulder, E.F.J, M.C Geluk, I.L. Ritsema,W.E. Westerhoff en Th.E. Wong (2003). De ondergrond van Nederland, Wolters-Noordhoff bv, Groningen/Houten.

34

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Nederlandse Archeologie, versie 4.1. SIKB, Gouda.

(2016).

Kwaliteitsnorm

Salomons, K.T (2018). 700 jaar wonen naast de Nauwe Appelaar- en Passersteeg. Archeologisch onderzoek in het Fundatiehuis aan de Kasteleinswoning aan de Damstraat in Haarlem, gemeente Haarlem. Hollandia reeks 666, Zaandijk. Salomons, K.T (2020). Haarlem, Koningstraat 54, een archeologische opgraving (DO) naar aanleiding van de verbreding van de inpandige kelder. Hollandia reeks 777, Zaandijk. Tol, A.J., Boers, M.E. (2023). Herinrichting Lodewijk van Deyssellaan en Pim Mulierlaan, gemeente Haarlem. Een archeologisch bureauonderzoek. Archol-rapport 711. Vos, P., (2015). Origin of the Dutch Coastal Landscape: Long-term landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series, Barkhuis. Websites www.AHN.nl ARCHIS https://bagviewer.kadaster.nl www.dinoloket.nl www.erfgoedatlas.nl ESRI HISGIS PDOK www.rce.webpublisher.nl - Verstoringsbronnenkaart www.omgevingsloket.nl www.topotijdreis.nl

Inhoudsopgave

BIJL AGEN

Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan Bijlage 3: Boorstaten

35

Late-Middeleeuwen

B 1.250-1.500

Late-Middeleeuwen

A 1.050-1.250

Vroege-Middeleeuwen

D

900-1.050

C

725-900

B

525-725

A Laat-Romeinse tijd

Miden-Romeinse tijd

36

Vroeg-Romeinse tijd

450-525 B

350-450

A

270-350

B

150-270

A

70-150

B

25-70

A

12-25

Late-IJzertijd

12 na Chr.250 v. Chr.

Midden-IJzertijd

500-250

Vroege-IJzertijd

800-500

Late-Bronstijd

1.100-800

Midden-Bronstijd

B 1.500-1.100 A 1.800-1.500

Vroege-Bronstijd

2.000-1.800

Midden-Neolithicum

Vroeg-Neolithicum

B

2.450-2.000

A

2.850-2.450

B

3.400-2.850

A

4.200-3.400

B

4.900-4.200

A

5.300-4.900

Laat-Mesolithicum

6.450-4.900

Midden-Mesolithicum

7.100-6.450

Vroeg-Mesolithicum

8.800-7.100

Laat-Paleolithicum

B 18.000-8.800

MESOLITHICUM NEOLITHICUM

A 1.500-1.650

Laat-Neolithicum

A 35.000-18.000

Midden-Paleolithicum

300.000-35.000

Vroeg-Paleolithicum

-300.000

PALEOLITHICUM

Nieuwe tijd

MIDDELEEUWEN

B 1.650-1.850

ROMEINSE TIJD

Nieuwe tijd

IJZERTIJD

C 1.850-heden

BRONSTIJD

Nieuwe tijd

NIEUWE TIJD

BIJ L AGE 1 : ARCH EOLOGISC H E PERIODEN

B IJL AG E 2 : A RCHE OLOGISCH STAPPEN PL AN In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder). Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v.

universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: • • • • • • •

•

• •

• •

Aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat in verband met het bepalen van het onderzoekskader. Beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens. Beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens. Een korte impressie over de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Een impressie van de bewoningsgeschiedenis. Beschrijven bekende archeologische waarden. Archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan. Archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn. Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden. Beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden.

Aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking. Aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart. Rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.

37

II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: • non-destructieve methoden: geofysische methoden; • weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); • destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.

38

Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

 B IJL AG E 3 : BOORSTAT E N Boring 1

RD-coördinaten: 104017/491216

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 0,44 0

0,25

0,5

0,19

zand, matig siltig, lichtbruin/ grijs, zwak roesthoudend, zwak baksteenhoudend, gevlekt

-0,06 60

0,75

-0,31 85 90

1

zand, matig siltig, zwak humeus, bruin/ grijs, zwak doorworteld, teelaarde

veen mineraalarm, donkerbruin, veraard zand, matig siltig, lichtgrijs/ bruin, kleibrokken, zwak roesthoudend, lood resten

Boring 2

RD-coördinaten: 104043/491202

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 0,48 0 5

20

0,25

0,5

0,23

-0,02

-0,27

klei, matig zandig, half gerijpt, donkergrijs, veenbrokken veen mineraalarm, donkerbruin, veraard zand, matig siltig, matig gesorteerd, donkergrijs

1

-0,56

-0,52 110 115

1,25

zand, matig siltig, lichtgrijs/ geel, zwak schelphoudend, bouwzand zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijs/ bruin, gevlekt

70

0,75

tegel gevlekt/ verstoord, (terreinverharding)

1,25

-0,81

klei, matig siltig, half gerijpt, donkergrijs

-0,77 135

140

1,5

zand, matig siltig, lichtgrijs, homogeen

-1,06 160

1,75

1,5

veen mineraalarm, bruin/ rood, geen pl

165 170

1,75

-1,31

39

-1,02

-1,27

veen mineraalarm, donkerbruin, veraard veen mineraalarm, bruin/ rood, weinig plantenresten

2

-1,56

2

205

veen mineraalarm, bruin, weinig plantenresten

2,25

2,5

-1,81

-2,06

225 230 235

250

veen mineraalarm, donkerbruin, veraard klei, matig siltig, half gerijpt, grijs, scherpe ondergrens zand, matig siltig, matig gesorteerd, grijs, homogeen

-1,52

200

Boring 3

RD-coördinaten: 104074/491179

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 0,5 0

zand, matig siltig, zwak humeus, donkergrijs/ bruin, zwak doorworteld

Boring 4

-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 0,58 0

0,25

0,25

0,25

0,33

0,5

0

0,5

0,08

0,75

-0,25

0,75

-0,17

1

-0,5

1,25

-0,75

70 75

veen mineraalarm, donkerbruin, veraard zand, matig siltig, lichtgrijs/ bruin, kleibrokken, gevlekt

RD-coördinaten: 104071/491152

90

1

-0,42

1,25

-0,67

klei, matig zandig, zwak humeus, donkergrijs/ bruin, zwak doorworteld, zwak baksteenhoudend 120

140

1,5

1,5

-1

-0,92

150

160

40

1,75

-1,25

175 185

2

-1,5

195 200

zand, matig siltig, grijs, kleibrokken veen mineraalarm, donkerbruin, veraard

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16513527/2