CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Haarlem 2027

gemeenteraad 17 juni 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Haarlem 20275.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Haarlem 2027 De raad van de gemeente Haarlem, gelezen het voorstel van het college van Haarlem, gedateerd [DATUM] met nummer [NUMMER] gelezen het advies van de commissie Samenleving; gelet op de uitkomst van het op overeenstemming gerichte overleg van [DATUM] met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de verplichting die is opgenomen in artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs (WPO), artikel 100 van de Wet op de expertisecentra (WEC), artikel 6.12 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) om voor het toekennen van voorzieningen in de huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs een verordening vast te stellen; besluit vast te stellen de volgende: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Haarlem 2026.

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient; b. aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet; c. advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95 van de WPO, artikel 93 van de WEC, artikel 6.14 van de WVO 2020; d. bevoegd gezag: bevoegd gez+ag van een volgens de WPO, de WEC en de WVO 2020 bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; e. (lokaal) bewegingsonderwijs: ruimte geschikt voor het bewegingsonderwijs; f. college: het college van burgemeester en wethouders van Haarlem; g. dislocatie: aanvullende voorziening in de huisvesting van een school voor basisonderwijs, die voor het vaststellen van de ruimtebehoefte als afzonderlijke voorziening wordt gerekend; h. Integraal Huisvestingsplan (IHP): het meerjareninvesteringsplan voor de onderwijshuisvesting als bedoeld in artikel 6;

1

i.

Jaarlijks Onderwijshuisvestingsprogramma (JOP): het Programma huisvestingsvoorzieningen als bedoeld in artikel 95 WPO, artikel 93 WEC en artikel 6.12 van de WVO;

j.

minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

k. medegebruik: gebruik van een onderwijsgebouw door een andere school als bedoeld onder w. en een peuterspeelzaal als bedoeld onder m; l.

MEV: de prijsindexering volgens het Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB), die de verwachte ontwikkeling van lonen en prijzen in Nederland weergeeft en wordt gebruikt als richtlijn voor het jaarlijks aanpassen van de normbedragen.

m. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de WPO, artikel 76a of artikel 76b van de WEC, of artikel 4.16 van de WVO 2020 voor bekostiging in aanmerking is gebracht; n. overzicht: het overzicht als bedoeld in artikel 96 van de WPO, artikel 94 van de WEC of artikel 6.12 van de WVO; o. (voor) permanent gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage 2 minimaal 10 jaar noodzakelijk is; p. permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; q. (semi)-permanent gebouw: verplaatsbare ruimte die door de aard van de constructie en keuze van de materialen ten minste 10 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; r.

renovatie: een combinatie van het uitvoeren van onderhoud, verduurzamen en onderwijskundig aanpassen van een gebouw met als doel een levensduurverlenging van minimaal 40 jaar;

a. school: - school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WPO; - school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 jo artikel 2, tweede lid onder f, h, j, k, m, of n van de WEC en een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin van de WEC; - school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar

2

algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1 en 2 van de WVO 2020; s. tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 10 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; t.

(voor) tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage 2 meer dan 4 jaar en maximaal 10 jaar noodzakelijk is;

u. voorziening: een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 2; v. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;

Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij de voorzieningen in de huisvesting wordt onderscheid gemaakt in: a. voor permanent of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 1. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om het gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 2. het uitbreiden van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3. het renoveren van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 4. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; 5. het verplaatsen van een of meer bestaande tijdelijk- of semi-permanente lokalen voor het huisvesten van een school; 6. kosten van het terrein om één van de onder a sub 1, 2 en 4 omschreven voorzieningen te realiseren; 7. inrichting met onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente zijn bekostigd; 8. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs, een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is; 9. aanpassing en onderhoud aan een gymnastiekruimte bestaande uit één of meer activiteiten genoemd in bijlage 1. b.

herstel van constructiefouten bestaande uit schade van een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; 3

c. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair die ontstaan is door bijzondere omstandigheden; d. huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs dat geen sportveld in eigendom heeft voor het geven van bewegingsonderwijs.

Artikel 3 Voorbereidingskrediet Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 t/m 4, kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.

Artikel 4 Vaststellen vergoeding voorzieningen 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1, 2 en 7, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage 4 opgenomen normbedragen. 2. Voor andere voorzieningen dan die genoemd in het eerste lid van dit artikel, wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten waarbij voor de vergoeding voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 3 een gemaximeerde vergoeding bestaat. 3. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 5 procent van het geraamde investeringsbedrag.

Artikel 5 Informatieverstrekking Het bevoegd gezag verstrekt op aanvraag van het college, aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening.

HOOFDSTUK 2 IHP, JOP en overzicht Artikel 6 Vaststellen en overleg IHP De gemeenteraad stelt om de vier jaar het IHP vast. Het door de gemeenteraad vastgestelde investeringsplan omvat een investeringsperiode van vier jaar. Voordat de gemeenteraad het IHP vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van het IHP naar voren te brengen. 4

Paragraaf 2.1 Aanvragen bekostiging Artikel 7 Indienen aanvragen 1.

Voor 1 februari voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag zou moeten worden uitgevoerd ontvangt het college van het bevoegd gezag een opgave met daarin de volgende gegevens: a. b. c. d. e. f. g. h.

dagtekening; de naam en het adres van de aanvrager; de voorziening die wordt aangevraagd; de naam en het adres van de school waarvoor de voorziening is bestemd; of de voorziening is opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde IHP; het gebouw of de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd; een onderbouwing van de noodzaak van de voorziening; en de geplande aanvangsdatum voor het realiseren van de voorziening.

Deze opgave wordt schriftelijk verstrekt.

Artikel 8 Toelichting schriftelijke aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1. De aanvraag, zoals bedoeld in artikel 7 wordt, als dit noodzakelijk is, op verzoek van het college nader toegelicht. 2. Als de in artikel 7 lid 1 bedoelde opgave niet volledig is, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mede en stelt de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens tot 1 maart aan te vullen. 3. Als de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt voor 15 maart, kan het college de aanvraag niet in behandeling nemen.

Paragraaf 2.2 JOP en overzicht Artikel 9 Overleg JOP; advies Onderwijsraad 1. Voordat het college het JOP vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van het JOP naar voren te brengen. 2. Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 oktober. De bevoegde gezagsorganen ontvangen uiterlijk twee weken voor de door het college

5

vastgestelde datum een uitnodiging voor het overleg met een agenda met de te bespreken punten. 3. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het in het eerste de lid bedoelde overleg, kunnen tot 15 oktober schriftelijk hun mening meedelen aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. 4. Het college maakt van het overleg als bedoeld in het eerste lid een verslag en zendt dit aan alle bevoegde gezagsorganen. 5. Als in het overleg op basis van het eerste lid een bevoegd gezag van mening is dat het voorstel in strijd is met de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting kan worden besloten de Onderwijsraad om advies te vragen. Door het bevoegd gezag moet gemotiveerd de strijdigheid tussen het voorstel en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting worden aangegeven. 6. Het college is verantwoordelijk voor het indienen van het verzoek om advies bij de Onderwijsraad en het verstrekken van de noodzakelijke aanvullende informatie. 7. De bevoegde gezagsorganen ontvangen binnen 14 dagen nadat het college het advies van de Onderwijsraad heeft ontvangen een afschrift van dit advies. Als de Onderwijsraad adviseert tot het aanpassen van het besproken voorstel, ontvangen de bevoegde gezagsorganen gelijktijdig met het toezenden van het advies een uitnodiging voor een nader overleg. 8.

Het overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen twee weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en dit verslag wordt betrokken bij het te nemen besluit.

Artikel 10 Tijdstip vaststelling bekostigingsplafond, JOP en overzicht 1. Het college stelt tijdens de begrotingsvergadering het bekostigingsplafond vast voor de vergoedingen van de aangevraagde voorzieningen die in het daaropvolgende kalenderjaar kunnen worden uitgevoerd. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening. 2. Het JOP en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waar de voorzieningen voor zijn aangevraagd.

Artikel 11 Inhoud JOP De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar van vaststelling van het JOP een aanvang kan worden gemaakt komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van

6

de in de WPO, WVO 2020 en de WEC opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het JOP. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: a. De beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage 1; b. De prognosecriteria als bedoeld in bijlage 2; c. De oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage 3. In het JOP wordt eveneens het bedrag opgenomen dat voor het realiseren van de voorziening beschikbaar wordt gesteld, conform het gestelde in artikel 13.2.

Artikel 12 Overzicht 1. Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 11, niet in het JOP zijn opgenomen. 2. Afgewezen aanvragen worden schriftelijk gemotiveerd bij het bevoegd gezagsorgaan bekend gemaakt.

Artikel 13 Bekendmaken besluiten bekostigingsplafond, IHP en JOP 1. De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het IHP, het JOP en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. 2. De bevoegde gezagsorganen die in aanmerking komen voor het bekostigen van een voorziening ontvangen tevens binnen twee weken een beschikking, waarin is opgenomen: a. de voorziening die mag worden gerealiseerd; b. het bedrag dat beschikbaar is gesteld voor het realiseren van de voorziening; c. de procedure die van toepassing is voor het goedkeuren van het (voorlopig) bouwplan en de (voorlopige) kostenraming (artikel 14); d. de criteria die worden toegepast bij het beoordelen van het bouwplan en de kostenraming (artikel 14); e. de wijze waarop de begroting wordt beoordeeld (artikel 14);

7

f.

dat de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, tenzij het college en het bevoegd gezag overeenkomen dat de uitvoering onder verantwoordelijkheid van het college plaatsvindt. De in het eerste lid bedoelde besluiten worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.

Artikel 14 Instemmen met bouwplan en begroting; indienen proces verbaal van aanbesteding; aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes 1. Nadat het bevoegd gezag de in artikel 13 lid 2 van deze verordening genoemde beschikking heeft ontvangen, kan het starten met de ontwikkeling. 2. Nadat het bevoegd gezag het definitief ontwerp en de kostenraming heeft vastgesteld, dient het deze ter instemming in bij het college. Het college deelt binnen zes weken mee of: a. nieuwe feiten en omstandigheden zijn vastgesteld waardoor het noodzakelijk is het in artikel 11 van deze verordening genomen besluit te herzien en of; b. het Definitief Ontwerp met bijbehorende kostenraming aan de gestelde criteria voldoen en het bevoegd gezag kan gaan aanbesteden conform het gemeentelijk aanbestedingsbeleid. 3. Nadat het bevoegd gezag het proces verbaal van aanbesteding bij het college heeft ingediend, neemt het college binnen zes weken een besluit over de noodzakelijke kosten om de voorziening te kunnen uitvoeren. 4. Indien het college met het ingediende definitief vastgestelde bouwplan en de kostenraming instemt, vermeldt het de wijze waarop de gelden voor de voorziening beschikbaar worden gesteld, te weten.: a.

het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt in één termijn uitbetaald; of b. het bedrag voor bouwkundige voorzieningen wordt in termijnen uitbetaald, met als uitgangspunt dat de gelden worden uitbetaald op een zodanig tijdstip dat de aanvrager tijdig kan voldoen aan de financiële verplichtingen. 5. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

8

6. Het bevoegd gezag verstrekt voor het eind van het jaar waarin het bedrag van de bekostiging beschikbaar is gesteld of de voorziening is opgeleverd aan het college een accountantsverklaring met de verantwoording van de besteding van de gelden.

Artikel 15 Vervallen aanspraak op bekostiging 1. Voor 1 maart volgend op het jaar waarop het programma betrekking heeft, geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 maart een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. 2. De in het eerste lid bedoelde: a. bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk; en b. vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd; c. huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst; d. koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop. 3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door: a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen; en/of b. de aanvrager vóór 1 februari voorafgaand aan de datum zoals bedoeld in lid 1 een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college. 4. Het college beslist voor 1 maart op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter Paragraaf 3.1 Aanvraag Artikel 16 Indiening aanvraag 1. Een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening die niet is opgenomen in het IHP en die noodzakelijk is omdat de voortgang van het onderwijs wordt bedreigd, wordt door het bevoegd gezag binnen twee weken na het ontstaan van de calamiteit schriftelijk ingediend bij het college.

9

2. In de aanvraag zijn opgenomen: a. de reden waarom de voorziening niet kon worden aangevraagd als onderdeel van het vastgestelde respectievelijk nog vast te stellen JOP; b. de gegevens zoals vermeld in artikel 7; c. een onderbouwing van de noodzaak van de voorziening; en d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering. 3. Als het college vaststelt dat de aanvraag niet volledig is, ontvangt het bevoegd gezag binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen schriftelijk het verzoek om de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te sturen aan het college. 4. Het college beslist uiterlijk binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen, respectievelijk nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt, of hadden moeten zijn verstrekt. 5. Het bevoegd gezag ontvangt binnen twee weken nadat het college de beslissing heeft genomen een beschikking.

Artikel 17 Inhoud beslissing 1. De voorziening die als spoedeisend is aangevraagd wordt toegewezen als het college (i) heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden, (ii) geen van de in de WPO, de WEC en de WVO 2020 opgenomen weigeringsgronden van toepassing is en (iii) de gevraagde voorziening voldoet aan: a. de beoordelingscriteria zoals bedoeld in bijlage 1; b. de prognosecriteria zoals bedoeld in bijlage 2; en c. de oppervlakte en indeling van gebouwen zoals bedoeld in bijlage 3. 2. Het college kan beslissen een gedeelte van de gewenste voorziening, of een andere dan de gevraagde voorziening toe te kennen.

3. Als de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college het bedrag dat volgens de financiële normering, zoals bedoeld in artikel 4 lid 2, voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld.

10

Artikel 18 Uitvoering beslissing 1. Nadat het college het in artikel 17 bedoelde besluit aan de aanvrager heeft gezonden, overlegt het college zo spoedig mogelijk met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt gerealiseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met datgene dat is opgenomen in artikel 14. 2. Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel 18, geeft de aanvrager een bouwopdracht, of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

HOOFDSTUK 4 Medegebruik en verhuur Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie Artikel 19 Aanduiding omstandigheden 1. Het college kan een gedeelte van een gebouw of terrein dat bestemd is voor het basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en/of voortgezet onderwijs vorderen. 2. Het vorderen kan plaatsvinden als: a. een bevoegd gezag op grond van artikel 7 of artikel 16 een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening heeft ingediend en deze aanvraag voldoet aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage 1 en 2; en b. door medegebruik in het tekort aan ruimtebehoefte kan worden voorzien. 3. Voor het berekenen van de leegstand wordt uitgegaan van de bruto vloeroppervlakte van het gebouw zoals die is opgenomen in de gemeentelijke registratie van de huisvestingscapaciteit. 4. Leegstand is in een schoolgebouw aanwezig als wordt vastgesteld dat de aanwezige capaciteit niet volledig noodzakelijk is voor het huisvesten van het aantal leerlingen, zoals berekend op grond van bijlage 3 en wordt vastgesteld dat de niet volledig noodzakelijke capaciteit minimaal gelijk is aan de in bijlage 3 deel C genoemde drempelwaarde. 5. Onderwijsruimte(n) die op grond van de nota Schoolgebouwen: Medegebruik en Verhuur, worden verhuurd aan peuterspeelzalen en kinderopvangorganisaties worden niet gerekend tot leegstand.

11

6. Voor het vaststellen van de leegstand in een school voor voortgezet onderwijs geldt daarnaast dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat er op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar binnen het overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte geen leegstaande onderwijsruimten beschikbaar zijn. 7. Van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs is sprake als het totaal aantal ingeroosterde klokuren in een gebouw dat gebruikt wordt door: a. het primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs minder bedraagt dan veertig klokuren; b. een school voor voortgezet onderwijs minder bedraagt dan veertig lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of het eerstvolgende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs en de som van de berekeningswijzen bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren. 8. Het college kan vorderen als is vastgesteld dat een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, hetgeen blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. 9.

Het college vordert niet voor medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw in gebruik heeft gegeven als aanvullende huisvesting aan een andere school of scholen, tenzij het gebruik kan plaatsvinden binnen de aan de betrokken school of scholen beschikbare huisvestingscapaciteit. 10. Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: a. als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt; b. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest; en c. daarna de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. 11. Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een lesgebouw of in een lokaal bewegingsonderwijs, voert het college daarover overleg met

12

het bevoegd gezag waarvan de leegstand wordt gevorderd en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 12. In het besluit tot het vorderen van leegstand wordt opgenomen: a. de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd; b. de bruto-vloeroppervlakte of het aantal klokuren waarvoor gevorderd wordt; c. het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; en d. de ingangsdatum van het medegebruik en de periode waarin medegebruik plaatsvindt.

Artikel 20 Vergoeding De bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt, wordt als vergoeding medegebruik gehanteerd de rijksvergoeding die het schoolbestuur voor het bekostigen van de exploitatie van de in medegebruik gegeven ruimten ontvangt.

Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel 21 Aanduiding omstandigheden, overleg en mededeling 1. Het college kan een gedeelte van een gebouw of terrein dat bestemd is voor het basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en/of voortgezet onderwijs vorderen ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. 2. Voordat het college vordert wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. 3. In dat overleg wordt vastgesteld: a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; c. welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; en

13

d. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen. 4. Het college stelt het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt binnen twee weken na het overleg als bedoeld in het vorige lid, schriftelijk in kennis van de vordering. 5. In het besluit tot het vorderen wordt opgenomen: a. b. c. d.

de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd; de bruto-vloeroppervlakte of het aantal klokuren waarvoor gevorderd wordt; het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; en de ingangsdatum van het medegebruik en de periode waarin medegebruik plaatsvindt.

Paragraaf 4.3 Verhuur Artikel 22 Toestemming college 1. Het bevoegd gezag vraagt, voordat het een huurovereenkomst afsluit, schriftelijk toestemming voor de verhuur aan het college. 2. Het verzoek om toestemming vermeldt de naam van de huurder en het doel van de verhuur en de te verhuren ruimte. 3. Het college kan de toestemming weigeren als de activiteiten die in de te verhuren ruimte worden georganiseerd in strijd zijn met betreffende bepalingen uit de WPO, de WEC en de WVO 2020 en de te verhuren ruimte nodig is voor de school. 4. Het college kan aan de toestemming nadere voorwaarden verbinden, namelijk dat: a. de te verhuren ruimte onmiddellijk beschikbaar gesteld moet worden als deze nodig is voor het huisvesten van een school en b. voor de verhuur een huur is verschuldigd.

HOOFDSTUK 5 Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel 23 Einde gebruik gebouwen en terreinen, staat van onderhoud 1. Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte, of op de datum zoals vastgesteld door Gedeputeerde

14

Staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. 2. Indien er naar het oordeel van het college mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein (als bedoeld in het eerste lid) dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt. 3. De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college, na overleg met het bevoegd gezag. 4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd, of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. 5. Voor de overdracht van het gebouw en/of terrein wordt gebruik gemaakt van het protocol Overdracht schoolgebouwen gemeente Haarlem (bijlage 6).

HOOFDSTUK 6 Gebruik lokaal bewegingsonderwijs voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs Artikel 24 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik 1. Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig het aantal klokuren bewegingsonderwijs vast dat voor het daaropvolgende schooljaar noodzakelijk is voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en/of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. 2. Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven. 3. Uiterlijk 15 januari ontvangen de schoolbesturen en een aangewezen organisatie die het rooster voor de gemeente opstelt, van het college een overzicht van het aantal klokuren waar de scholen in het komende schooljaar recht op hebben. 4. De aangewezen organisatie stuurt namens de gemeente het bevoegd gezag voor 15 februari een brief, waarbij per school voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens worden vermeld: a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd; b. het lokaal bewegingsonderwijs dat aan de school is toegewezen; 15

c. het rooster van het lopende schooljaar; d. het wijzigingsformulier; en e. het aanmeldingsformulier voor de zwemgymles. Daarbij wordt rekening gehouden met het volgende: a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage 1, deel B; b. een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs. De beschikbaarheid voor medegebruik wordt door deze school aangegeven; c. het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs. 5. De bevoegde gezagsorganen ontvangen gelegenheid om tot uiterlijk 1 april te reageren op de brief. 6. De werkgroep bewegingsonderwijs kan advies uitbrengen aan het bestuurlijk overleg (BOPOH / BOVOH). 7. Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg van de werkgroep bewegingsonderwijs inplannen. Dit overleg vindt plaats voor 30 april. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel tot inroostering. 8. Het college stelt het rooster uiterlijk 31 mei definitief vast, waarbij rekening wordt gehouden met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. Het college informeert de bevoegde gezagsorganen. 9.

Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs door de gemeente wordt bekostigd. 10. Het college neemt het in lid 9 bedoelde verzoek uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. 11. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.

16

HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen Artikel 25 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen die betrekking hebben op het uitvoeren van deze verordening en waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 26 Hardheidsclausule Het college kan in door het college te beoordelen uitzonderlijke gevallen ten gunste van de scholen afwijken van de bepalingen in deze verordening, na overeenstemming met de overige schoolbesturen en onder voorwaarde dat de afwijking financieel past binnen het budget voor de onderwijshuisvesting van de gemeente.

Artikel 27 Indexering Het college stelt de in bijlage 4 gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen jaarlijks bij op basis van de prijsindexering volgens het MEV die jaarlijks wordt gepubliceerd bij de rijksbegroting.

Artikel 28 Citeertitel; inwerkingtreding 1. De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Haarlem 2015 2. van [datum] wordt ingetrokken. 3. De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Haarlem 2026. 4. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17061899/2