CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 inclusief toelichting (gew. versie)

gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststelling Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 202423.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

HOOFDSTUK 10 INSPRAAK EN EVALUATIE Artikel 10.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten en of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid voor maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen voor maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners, waaronder in ieder geval cliënten en of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van alle informatie die nodig is om goed deel te nemen aan het overleg. Artikel 10.2 Medezeggenschap bij aanbieders 1. Aanbieders zijn verplicht om cliënten die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken. 2. Het college controleert of aanbieders zich houden aan de medezeggenschapsregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

21

Artikel 11.1 Hardheidsclausule 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard en afwijking leidt tot een beter resultaat voor de cliënt. 2. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 11.2 Indexering Het college kan jaarlijks in het kader van deze verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Artikel 11.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2020 of de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023, onder de voorwaarden van voornoemde verordeningen, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023 wordt beslist met inachtneming van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023, tenzij de toepassing van deze verordening gunstiger is voor de cliënt. 4. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023 wordt ingetrokken. Artikel 11.4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking per 1 juli 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024. Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 juni 2024, Ondertekening De griffier…………………. De voorzitter………………….

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

22

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 ALGEMENE TOELICHTING Opdracht Wmo 2015 aan het gemeentebestuur De Wmo 2015 (hierna: wet) draagt het gemeentebestuur in artikel 2.1.1 op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de veiligheid, kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Het gemeentebestuur is ingevolge de wet verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Om die opdracht tot uitvoering te kunnen brengen verplicht de wet aan de gemeenteraad om over een aantal onderwerpen bij verordening regels te stellen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 bevat deze regels. De nu voorliggende verordening is een integrale herziening van de vorige versie en sluit aan op het actuele beleid van de gemeente op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en op de actuele jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Uitgangspunten in het Sociaal Domein Maatschappelijke ondersteuning is onderdeel van het brede Sociaal Domein in Haarlem met als uitgangspunten: Werken vanuit het perspectief van de inwoner De leefwereld van inwoners staat centraal, niet de systeemwereld.

Leidend is het dagelijks leven van Haarlemmers en ‘doen wat nodig is’. Het college onderschrijft daarom de werkwijze van de ‘omgekeerde toets’ (zie verderop). De kracht van de wijk We bieden laagdrempelige en herkenbare ondersteuning in de wijken en buurten van Haarlem, waar iedereen welkom is. Deze ondersteuning richt zich op het redzaam zijn in het dagelijks leven en op het meedoen in de samenleving en sluit aan bij de leefwereld en de mogelijkheden van inwoners en hun omgeving. Daarbij zetten we ook in op preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat inwoners zelfredzaam blijven en blijven participeren. De vraag en situatie van de inwoner zijn het vertrekpunt en het beoogde resultaat is leidend. Hierdoor kunnen de oplossingen divers zijn. Er is een breed palet aan ondersteuning beschikbaar, onder meer vanuit de Wijk en de Wijkteams en aansluitend op regelingen vanuit aanpalende wetten zoals de Jeugdwet en de Participatiewet. Er wordt vanuit een brede blik naar vragen en mogelijkheden in de verschillende leefdomeinen, levensfase, gezinssituatie, sociaal netwerk en omgeving gekeken en waar nodig wordt de ondersteuning integraal ingezet. Door ondersteuning dichtbij en laagdrempelig te organiseren kan ook meer en beter ingespeeld worden op initiatieven van inwoners en sociaal ondernemers.

Samenhangende aanpak zonder schotten of kolommen VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

23

De gemeente wil een aanpak zonder schotten tussen voorzieningen. Dat veronderstelt een goede samenwerking binnen gemeentelijke afdelingen, tussen partners, op stedelijk niveau en in wijken. Een samenhangende aanpak moet erin resulteren dat cliënten soepel kunnen overstappen als zij meer of juist minder ondersteuning nodig hebben. Ook samenwerking met vrijwilligers en mantelzorgers is daarbij van belang. Een samenhangende aanpak draagt ook bij aan de herkenbaarheid (en bekendheid) van voorzieningen. Samenwerken met alle betrokkenen, met respect voor ieders rol en belang De gemeente en haar partners bieden in goede samenwerking maatschappelijke ondersteuning. De gemeente is opdrachtgever en stuurt op resultaten, de aanbieders zijn de deskundigen op het gebied van de daadwerkelijke ondersteuning. Gemeente en partners doen het samen, vanuit het perspectief van de inwoner. Ondersteuningsstructuur In de lokale ondersteuningsstructuur onderscheiden we de volgende onderdelen: Inwoners en hun sociaal netwerk Uitgangspunt is de redzaamheid en de mogelijkheden van inwoners en hun sociaal netwerk, mensen die zich proberen te redden in hun dagelijks leven, elkaar hulp geven en hierom vragen en samen initiatieven ondernemen.

Ook sociaal ondernemers, organisaties en instanties zoals sportverenigingen, onderwijsinstellingen, religieuze instellingen of de wijkagent, die hulpverlening niet als kerntaak hebben, dragen hieraan bij. Zij bieden op hun eigen wijze ondersteuning, signaleren en leiden inwoners met problemen waar nodig naar professionele hulp. Algemene voorzieningen Met de opdracht zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning, heeft de wetgever aan het gemeentebestuur meegegeven te investeren in een stevig aanbod van algemene voorzieningen waarmee de inwoner adequaat wordt ondersteund en eenzaamheid wordt tegengegaan. De gedachte van de wetgever is dat het in veel gevallen voor de inwoners beter en prettiger is om gebruik te maken van algemene voorzieningen dan van een maatwerkvoorziening. Inwoners die nog gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, voelen zich vaak minder afhankelijk en zullen mogelijk meer regie over het eigen leven ervaren, dan indien ze zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. 1,2 Bovendien kan het gemeentebestuur met een stevig aanbod aan algemene voorzieningen het beroep op – vaak duurdere – maatwerkvoorzieningen beperken. De gemeente is vrij in de keuze welke algemene voorzieningen zij treft.3,4 Om voor een algemene voorziening in aanmerking te komen is geen aanvraag en ook geen beslissing van het college noodzakelijk.

Dit is in feite ook het kenmerkende verschil met een maatwerkvoorziening. Een algemene voorziening is niet specifiek op een individu gericht en is in beginsel vrij toegankelijk; een cliënt kan er zonder voorafgaand onderzoek gebruik van maken. Een algemene voorziening kan echter in veel gevallen wel een passende bijdrage aan de maatschappelijke ondersteuning van mensen met een beperkte zelfredzaamheid of participatie leveren, of de gewenste opvang bieden. Algemene voorzieningen kunnen naar 1

Kst II, 2013–2014, 33 841, nr 3, p. 34 Kst II, 2013–2014, 33 841, nr. 34, p. 21 3 Kst II, 2013–2014, 33 841, nr 3, p. 34 4 Kst II, 2013–2014, 33 841, nr. 34, p. 21 2

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

24

de mening van de wetgever een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren. Voorbeelden van algemene voorzieningen volgens de wetgever zijn: een leeszaal, het gemeentehuis, een woon- en leefomgeving die voor mensen met een beperking goed toegankelijk is, maar ook een was- en strijkservice, huishoudelijke hulp, klussendienst, een maaltijdvoorziening, sociaal vervoer, informele buurtzorg, sociaalculturele voorzieningen, opvang voor dak- en thuislozen en winteropvang. Op basis van de wet is het college gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.5,6 De verordening geeft aan welke algemene voorzieningen beschikbaar zijn in Haarlem, wanneer er een eigen bijdrage geldt bij het gebruik van een algemene voorziening en hoe een kostenbijdrage voor een algemene voorziening wordt vastgesteld.

Maatwerkvoorzieningen Wanneer een cliënt naar het oordeel van het college op bepaalde leefgebieden niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie én onvoldoende is geholpen met de inzet van gebruikelijke hulp, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk of met een algemene- of voorliggende voorziening, dan kan het college besluiten een maatwerkvoorziening te verstrekken. Een belangrijk kenmerk van een maatwerkvoorziening is dat de maatwerkvoorziening specifiek en op maat gericht is om een individu te ondersteunen bij zijn zelfredzaamheid of participatie en dat voor het verkrijgen van een maatwerkvoorziening altijd een melding, een onderzoek en een aanvraag vereist is waarop het college een beslissing moet nemen. Het uitgangspunt is «geen toekenning tenzij».7 Maatwerkvoorzieningen zijn niet rechtstreeks toegankelijk; er is een besluit (beschikking) van het college noodzakelijk. Tegen dit besluit is bezwaar en beroep mogelijk. De toegang tot maatwerkvoorzieningen verloopt – afhankelijk van het type voorziening – via de gemeente, het Wijkteam of de aanbieder in de wijk. Werkwijze: de ‘omgekeerde toets’ Vanuit landelijke jurisprudentie en lokale bezwaar- en beroepszaken is er een roep om het vastleggen van voldoende (noodzakelijke) criteria rondom toegang tot- en gebruik van een Wmo-voorziening, in de verordening en onderliggende regelgeving. Deze lijn volgen wij dan ook.

Tegelijkertijd willen we vanuit het perspectief van de inwoner flexibel met de regelgeving omgaan, als en voor zover de individuele omstandigheden daarom vragen. Dit speelt met name daar waar integrale dienstverlening nodig is en meerdere wettelijke kaders gelden. Daar past een teleologische interpretatie van de regels en wordt gedacht vanuit de brede verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. De werkwijze van de omgekeerde toets begint met kijken wat (cliënt vindt dat) nodig is in een concreet geval en of dat past binnen de grondwaarden van de wet en het lokale beleid (zoals vastgelegd in lokale regelgeving). Mogelijke effecten van een besluit op alle leefdomeinen worden meegewogen. Er volgt wel een rechtmatigheidstoets, maar tegelijkertijd dienen de wetsartikelen als instrumenten om de grondwaarden van de wetten te realiseren. Zo is 5

Kst II, 2013–2014, 33 841, nr. 34, p. 21 Kst II, 2013–2014, 33 841, nr 3, p. 33 7 Kst II, 2013–2014, 33 841, nr. 3, p. 30 6

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

25

maatwerk mogelijk zonder dat het tot willekeur leidt. En omdat de grondwaarden van de verschillende wetten binnen het Sociaal Domein gelijk zijn maakt dit het integraal werken in de gemeente veel eenvoudiger. Bovendien is het toetsbaar in bezwaar en beroep. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Niet iedere bepaling in de verordening behoeft toelichting; alleen waar nodig is een toelichting opgenomen. HOOFDSTUK 1 WAT STAAT ER IN DE VERORDENING? Artikel 1.1 Definities In de wet, het daarop gebaseerde landelijke Uitvoeringsbesluit en de landelijke Uitvoeringsregeling en in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een groot aantal definities opgenomen. Deze definities herhalen we niet in dit artikel, dat zou strijd met de Gemeentewet opleveren. Lid 1 Pgb-vaardigheid De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid onder a van de wet aan het college de opdracht meegegeven te controleren of een cliënt, dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen door de inzet van een pgb. Deze ‘pgb-vaardigheid’ wordt getoetst in het pgb-gesprek, aan de hand van het door de cliënt opgestelde pgb-plan. Pgb-gesprek Als een cliënt een maatwerkvoorziening voor een dienst wenst in de vorm van een pgb, worden er twee gesprekken gevoerd. Het eerste gesprek is gericht op de invulling van de ondersteuningsvraag.

Het tweede gesprek is gericht op de pgb-vaardigheid. De ervaringen uit eerdere jaren leert dat gesprek over de inhoud van de voorziening én over de pgbvaardigheid en de vraag of wordt voldaan aan de criteria van de wet en de hieruit voortvloeiende lokale criteria bijdragen aan een zorgvuldige verstrekking van het pgb. Sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk worden de personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt (zoals buren, familie, vrienden, medeleden van een vereniging, etc.). Daaronder valt ook de mantelzorger. Voor deze personen is het niet verplicht om de cliënt bij te staan. De vraag of er personen in het sociaal netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat volgt nadat een ondersteuningsvraag is gemeld. Zelfstandige woning Een zelfstandige woning is een woning met eigen toegang en eigen keuken en toilet. Is er geen sprake van een eigen toegang of wordt de keuken of het toilet gedeeld met de bewoners van andere woningen of kamers, dan is het een onzelfstandige woning. Voorbeelden van zelfstandige woningen zijn: eengezinswoningen (vrijstaande woningen, hoekwoningen, tussenwoningen), appartementen, portiekwoningen, maisonnettes en galerijflats. VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

26

Artikel 1.2 Voor wie is de verordening van toepassing? Lid 1 en 2 In lid 1 wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf heeft in de gemeente Haarlem, geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. Voor opvang en beschermd wonen geldt dit niet. De gemeente Haarlem hanteert daarbij de afspraken zoals vastgelegd in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang en het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen zoals vastgesteld door de VNG. HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Het eerste contact van de inwoner met de gemeente kan op verschillende manieren plaatsvinden: persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of digitaal. Naar aanleiding van dit eerste contact wordt beoordeeld of kan worden volstaan met informatie en advies of dat een onderzoek nodig is. Als dit laatste het geval is, komt het begrip “melding” in beeld. Is er naar oordeel van het college sprake van een melding, dan wordt deze geregistreerd. Zoals bij wet is voorgeschreven, bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de cliënt. Na de melding of gelijktijdig met de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Van belang is dat cliënten worden gewezen op hun recht een persoonlijk plan in te dienen.

Hierin kunnen cliënten aangeven hoe zij zelf bij voorkeur hun hulpvraag opgelost willen zien. Bij het Wijkteam kunnen ook meldingen worden gedaan. Ook kan hier namens het college het onderzoek worden gedaan en kan er worden beschikt. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is domein overstijgend en heeft daarom niet alleen betrekking op de Wmo. Het is van belang dat de cliëntondersteuner daadwerkelijk het belang van de cliënt dient en dat de cliënt het gevoel heeft dat deze persoon naast hem staat en in de positie is om diens belang te dienen. De cliëntondersteuning is kosteloos voor de cliënt die daar een beroep op doet. Het gaat hierbij om ondersteuning van de verminderd zelfredzame cliënt met informatie en advies teneinde de cliënt zo nodig in staat te stellen tot het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning (preventieve zorg, zorg, jeugd, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen). Cliëntondersteuning op zichzelf kan al een belangrijke bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Het kan voorkomen dat de inzet van een cliëntondersteuner door de gemeente (in de vorm van kortdurende ondersteuning) al toereikend blijkt te zijn om iemand regie te laten verkrijgen over zijn eigen situatie, waarmee maatwerkvoorzieningen niet meer nodig zijn.

Van belang is dat de cliënt wordt ondersteund door een persoon die voldoet aan de beroepseisen. Artikel 2.3 Onderzoek Inhoud onderzoek Na de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Afhankelijk van de aard van de melding kan het nodig zijn dat het college eerst de haar bekende relevante gegevens verzamelt voor een goede voorbereiding op het gesprek. De cliënt of de vertegenwoordiger zorgt dat deze alle relevante gegevens en bescheiden aanlevert bij het college (zoals ook

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

27

gewaarborgd in artikel 2.3.2, zevende lid en artikel 2.3.8 van de wet), en eventueel het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet. In het onderzoek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken met het oog op zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. In het geval er een mantelzorger is, wordt deze ook uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg aan een inwoner van Haarlem. Daarnaast kunnen personen uit het sociaal netwerk bij het gesprek worden betrokken: mogelijk kunnen zij bijdragen aan de nodige ondersteuning. Het opvragen van deskundigenadvies en het in kaart brengen van het netwerk kunnen ook behoren tot het onderzoek. Stappenplan Centrale Raad van Beroep voor het Wmo-onderzoek Om te kunnen beoordelen of een Wmo-maatwerkvoorziening nodig is, heeft de Centrale Raad van Beroep een stappenplan gemaakt (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Daaruit blijkt dat het college voldoende kennis moet verkrijgen over de voor het nemen van een besluit van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Deze verplichting volgt uit art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet.

Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 – Inventariseer de hulpvraag. Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het te nemen besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit betekent dat het college na de melding allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 – Breng de onderliggende problematiek voldoende concreet in kaart. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 3 – Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 – Kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn.

Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociaal netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stap 5 – Stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

28

Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Pas als het stappenplan doorlopen is en de problemen van de cliënt in kaart zijn gebracht kan het college bepalen welke ondersteuning nodig is. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Als er bijzondere deskundigheid nodig is, dan moet het college die inhuren (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). De Centrale Raad gebruikt het stappenplan inmiddels als leidend. Het stappenplan moet ook worden gevolgd bij een herindicatie (CRvB:2021:11793) en bij de vraag of een algemene voorziening passend is (stap 4) (CRvB:2022:1430). De cliënt is verplicht (op grond van artikel 2.3.8 van de wet) de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor uitvoering van de wet. Tijdelijk maatwerk na de melding, gedurende het onderzoek (artikel 2.3.3 van de wet) De hoofdregel is dat het college na de melding eerst het onderzoek uitvoert zoals hiervoor beschreven (conform artikel 2.3.2 van de wet). Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zoals bepaald in artikel 2.3.3 van de wet.

Het college verstrekt in voorkomende gevallen direct na een melding een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Tijdelijk maatwerk is ook van belang voor situaties waar zorgmijding kan optreden als de noodzakelijke processen van onderzoek en de afhandeling van de aanvraag te lang duren voor een individuele cliëntsituatie. Het college weegt dit zorgvuldig af in situaties waar zorgmijding aan de orde kan zijn. Er kan mogelijk sprake zijn van spoedinzet in de volgende gevallen. Bij ontslag uit het ziekenhuis, zorg voor kleine kinderen, (acute) overbelasting van de mantelzorger en terminale situaties. Communicatie Er wordt ook ingezet op heldere informatie aan laaggeletterden en anderstaligen. Bij de schriftelijke communicatie naar inwoners wordt rekening gehouden met het taalniveau zodat het voor inwoners begrijpelijk is hoe de procedure er uit ziet en wat de rechten en plichten van inwoners zijn (communicatie op B1-niveau). Daarnaast wordt vaak het advies gegeven om een vertegenwoordiger of een cliëntondersteuner in te schakelen, die ook bij de overbrugging van taalbarricades de cliënt kan helpen bij zijn ondersteuningsvraag. Ook heeft de consulent de mogelijkheid een (telefonische) tolk in te schakelen, als dit noodzakelijk is om de informatie goed over te kunnen brengen.

Artikel 2.4 Onderzoeksverslag Na het onderzoek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociaal netwerk, tot stand gekomen oplossingen. De oplossingen hebben in ieder geval betrekking op de onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociaal netwerk. VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

29

Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de uiteindelijke beslissing op de aanvraag. Een cliënt krijgt het verslag toegestuurd ter controle en wordt gevraagd deze binnen twee weken te retourneren. De cliënt kan opmerkingen of aanvullingen meegeven. Deze worden verwerkt in het definitieve verslag. Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening Lid 1 Artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat in incidentele situaties het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van het besluit meer tijd nodig heeft. Omdat bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig is, eventueel in aanvulling op een eerder deskundigenadvies. De Awb biedt het college mogelijkheden voor een ruimere termijn. Zo kan het college op grond van artikel 4:14 van de Awb de beslistermijn verlengen. Hiervan wordt gemotiveerd mededeling gedaan aan de cliënt, waarbij een zo kort mogelijke termijn wordt genoemd waarbinnen het college zal besluiten. Op grond van artikel 4:15 van de Awb kan het college de beslistermijn opschorten, als de genoemde situaties aan de orde zijn. De beslistermijn staat dan als het ware tijdelijk stil, waardoor het college deze beslistermijn niet kan overschrijden.

Van belang is dat de cliënt in duidelijke bewoordingen op de hoogte wordt gesteld van het gebruik van deze bevoegdheden, en wat er van de cliënt wordt verwacht. Lid 2 Wanneer het onderzoeksverslag is opgesteld en is gecontroleerd door de cliënt kan de cliënt een aanvraag indienen. Dit kan bijvoorbeeld door het onderzoeksverslag te ondertekenen. Lid 3 In dringende gevallen en bij zorgmijdend gedrag kan het college ambtshalve een maatwerkvoorziening verstrekken. Het gaat dan om situaties waarbij noodzaak is gebleken tot (tijdelijke) ondersteuning en de inwoner en/of een vertegenwoordiger niet in staat is om een melding of aanvraag voor tijdelijk maatwerk in te dienen. Bemoeizorg is een mogelijkheid, er kan geen sprake zijn van dwang. Ambtshalve een besluit nemen, kan ook aan de orde zijn als iemand is overleden of is verhuisd naar een andere gemeente. Artikel 2.6 Advisering De wet vereist een zorgvuldig onderzoek. Daarom zal het college soms advies moeten vragen omdat het zelf niet ter zake (medisch) deskundig is. Uit de algemene medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking dient te verlenen aan een oproep van een (medisch) adviseur of het – via een machtiging – toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist.

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

30

Het kan onduidelijk zijn of huisgenoten daadwerkelijk in staat zijn om de gebruikelijke hulp te leveren. Ook onderzoek naar de belastbaarheid van de huisgenoot wordt met deze bepaling mogelijk gemaakt. Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking Er zijn drie leveringsvormen van de maatwerkvoorziening. Een naturaverstrekking, de verstrekking van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) of een financiële tegemoetkoming. Een financiële tegemoetkoming is een niet-kostendekkende bijdrage voor een maatwerkvoorziening. Daar waar het pgb kostendekkend moet zijn, hoeft de financiële tegemoetkoming dit niet te zijn. De inhoud van de beschikking moet voldoende duidelijkheid en zekerheid voor de cliënt bevatten. HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 3.1 Bepalingen rondom de algemene voorzieningen Lid 1 en 2 Naast het streven naar een inclusieve samenleving zijn er ook andere motieven om te investeren in algemene voorzieningen. Uit ervaringen blijkt dat het in veel gevallen voor de cliënten beter en prettiger is om gebruik te maken van algemene voorzieningen dan van een maatwerkvoorziening. De inzet van algemene voorzieningen laat zich veelal doelmatiger organiseren dan het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

De wetgever heeft de gemeenteraad de opdracht gegeven af te wegen op welke wijze algemene voorzieningen vorm krijgen en voor wie deze geschikt zijn aan de ene kant en welke maatwerkvoorzieningen aan de andere kant moeten worden getroffen voor de cliënten voor wie een algemene voorziening niet toereikend is. Bij deze afweging is van belang dat cliënten die nog gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, zich vaak minder afhankelijk zullen voelen en mogelijk meer regie over het eigen leven ervaren, dan indien ze zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daar komt bij dat de kosten en administratieve lasten van algemene voorzieningen veelal lager zijn. 8 Als in de gemeente een passende algemene voorziening beschikbaar is, is die voorliggend ten opzichte van een individuele maatwerkvoorziening. Kenmerken van een algemene voorziening zijn: • • • •

er is een eenvoudige toegangstoets om voor de voorziening in aanmerking te komen; er hoeft geen beschikking afgegeven te worden; de voorziening biedt daardoor een snelle oplossing en er is geen keuzemogelijkheid tussen een naturavoorziening en een pgb.

Dagbesteding, ondersteuning vanuit de wijkteams, cliëntondersteuning, daklozenopvang, kortdurend verblijf, een groot deel van de huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en groepsbegeleiding zijn als algemene voorziening beschikbaar in Haarlem. Voor zover het begeleiding betreft worden deze voorzieningen geboden vanuit een samenwerkingsverband waar ook de Wijkteams onderdeel van zijn. Zo worden op wijkniveau 8

Kst. II, 2013–2014, 33 841, nr.3, p. 33 en 34

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

31

laagdrempelig integrale voorzieningen geboden zonder dat daarvoor een beschikking noodzakelijk is. De huishoudelijke ondersteuning is als algemene voorziening en als maatwerkvoorziening beschikbaar. Beide voorzieningen worden geleverd door de zorgaanbieders die hiervoor zijn gecontracteerd. Een groot deel van de cliënten zal voldoende ondersteuning ontvangen vanuit de algemene voorziening, omdat hier (op basis van vastgestelde normtijden) wordt uitgegaan van de gemiddelde cliëntsituatie. Waar meer ondersteuning nodig is kan de cliënt een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Omdat een algemene voorziening ook voor een bepaalde doelgroep bestemd kan zijn is een eenvoudige toegangstoets wel mogelijk. Het college is bevoegd nader uit te werken welke algemene voorziening voor welke doelgroep beschikbaar is. HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.2 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening moet de cliënt in staat stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

Dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de cliënt, om te besluiten op welke wijze het de cliënt ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen, een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. Jurisprudentie geeft aan dat het college niet alle wensen van een cliënt hoeft in te willigen. Het resultaat moet zijn dat een cliënt in aanvaardbare mate kan deelnemen aan de maatschappij. Lid 1 onder a t/m h Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als een cliënt niet voldoende geholpen is met hulp zoals genoemd in onderdelen a t/m h. Zoals de wetgever meegeeft geldt dat door het college in het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte, wordt vastgesteld dat niet op een andere manier is te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Het uitgangspunt is «geen toekenning tenzij».9 Hieronder wordt beschreven welke andere manieren ter ondersteuning dienen te worden onderzocht door het college. De (versterking van de) eigen kracht Onder eigen kracht wordt verstaan: dat wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om datgene aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken.

9

Kst II, 2013–2014, 33 841, nr. 3, p. 30

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

32

Gebruikelijke hulp

Er kan bijvoorbeeld een probleem bij het voeren van een huishouden ontstaan doordat de cliënt die gewend is voor het huishouden te zorgen dit, al dan niet tijdelijk, niet meer kan doen. Het is gebruikelijk dat deze taken worden overgenomen door huisgenoten. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd. . Mantelzorg of de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers Cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen. Terwijl mensen uit het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor de cliënt te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek. Het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de wet (kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 148) kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer aan de ondersteuningsbehoefte kan worden voldaan door het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (zie ECLI:NL:CRvB:2019:3535).

Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan -gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen- aannemelijk is dat de cliënt daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als: 1. deze normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. deze niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; 3. deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en/of

participatie én; 4. deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

Het is ter beoordeling van het college of er sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een cliënt behoort. Uitzonderingen zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen of het ineens moeten vervangen van verschillende algemeen gebruikelijke voorzieningen. Voorzieningen die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers, sanitair, keukens, kranen, e.d. Mogelijk dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan en mag van de cliënt vergen dat hij zich in hoge mate inspant door bijvoorbeeld de woningeigenaar van een particuliere huurwoning aan te schrijven of een kort geding aan te spannen om zo te bewerkstelligen dat de woning wordt aangepast aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Het is algemeen gebruikelijk om dat te doen. Voorliggende voorzieningen De Wmo-doelgroep voor maatwerkvoorzieningen zal soms ook een beroep kunnen doen op voorzieningen uit diverse andere wetten.

Vaak gaat het dan om wettelijke regelingen met voorzieningen voor een bepaalde doelgroep of voor een bepaald doel. In sommige gevallen VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

33

kan bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op de Zorgverzekering voor een vervoerskostenvergoeding en ook voor bepaalde hulpmiddelen of op de Wet langdurige zorg voor intensieve ondersteuning thuis of zorg met verblijf. De maatwerkvoorziening waartoe het college beslist moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. We gebruiken in de verordening ook de term adequaat. Wanneer sprake is van een adequate voorziening is deze niet alleen de meest passende, maar is deze ook tijdig beschikbaar. Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten voordeligste adequate voorziening te bieden. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Artikel 4.3 Maatschappelijke opvang Inleiding De gemeente Haarlem is centrumgemeente voor de Maatschappelijke opvang in de regio's Haarlemmermeer, IJmond en Zuid-Kennemerland. Maatschappelijke opvang omvat de maatwerkvoorzieningen waarin opvang en op maat gemaakte begeleiding wordt geboden. Binnen de maatschappelijke opvang wordt trajectbegeleiding geboden.

Deze begeleiding is ter ondersteuning om zich weer op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving De trajectbegeleiding is maatwerk en kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het organiseren van de basisbehoeften, ondersteuning bij het vinden en behouden van werk, regie krijgen over het eigen leven en voorbereid zijn op het zelfstandig leven. Ook wordt (intensieve) ondersteuning geboden bij het uitstromen uit de maatschappelijke opvang, zoals ondersteuning bij het zoeken naar een woning en bij het (weer) zelfstandig wonen. De gemeente is daarbij niet verantwoordelijk voor de uitstroom, enkel voor de ondersteuning richting uitstroom. Het is van belang dat een cliënt meewerkt aan de begeleiding binnen de opvangvoorziening. Alleen op deze manier kan het doel van de wet worden bereikt, namelijk zich weer op eigen kracht handhaven in de samenleving (zie 2.1.2, derde lid onder b van de wet). Als iemand bijvoorbeeld onvoorbereid naar Nederland komt en een woning elders achterlaat, kan niet worden gesproken van feitelijke dakloosheid, omdat iemand nog een woning heeft. EU-burgers In artikel 1.2.2, tweede lid van de wet is een lex specialis opgenomen voor vreemdelingen die ook ingezetenen zijn. Voor de opvang kan gebruik gemaakt worden van de uitzonderingsmogelijkheid uit de richtlijn (Richtlijn 2004/38/EG, artikel 24, 2e lid).

Gemeenten hoeven burgers van de Europese Unie gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf in Nederland, en in de periode daarna als ze nog geen werk hebben gevonden, geen opvang te bieden. Opvang van deze doelgroep wordt beschouwd als onredelijke belasting van het sociale bijstandsstelsel. De uitzondering geldt niet voor opvang als gevolg van huiselijk geweld en niet voor beschermd wonen. Overigens is het aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om te beoordelen of een cliënt uit de EU (na 3 maanden verblijf) geen werkzoekende meer is, in twijfelgevallen is hun oordeel doorslaggevend. Artikel 4.4 Beschermd wonen Inleiding VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

34

Op dit moment ligt de verantwoordelijkheid voor beschermd wonen nog bij de centrumgemeenten. De gemeente Haarlem is centrumgemeente voor het beschermd wonen in de regio's Haarlemmermeer, IJmond en Zuid-Kennemerland. Beschermd wonen wordt is 2024 gedecentraliseerd naar alle gemeenten. Dit houdt in dat alle gemeenten vanaf dat moment financieel verantwoordelijk worden voor inwoners die beschermd wonen nodig hebben. Beschermd wonen is wonen in de accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding voor cliënten die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen. De cliënten wonen in een veilige en beschermende woonomgeving. Begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week, oproepbaar of aanwezig. Cliënten betalen een eigen bijdrage voor dit verblijf. Naast het beschermd wonen zijn er ondersteuningsvormen voor cliënten die meer zelfredzaam zijn en/of zelf huur betalen voor hun woonplek omdat de financiering van het wonen en de ondersteuning van elkaar gescheiden zijn. Toegang tot beschermd wonen en bijbehorende begeleiding Beschermd wonen wordt geboden aan mensen met psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen.

Deze problematiek kan belemmeringen geven op enkele of meerdere levensgebieden waardoor de cliënt minder in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat om cliënten voor wie op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving centraal staat. De doelstellingen van beschermd wonen zijn: het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, veilig en gezond wonen, het bevorderen van zelfredzaamheid, eigen kracht leren ontwikkelen en inzetten en gelijkwaardig burgerschap. Ook voor het beschermd wonen geldt dat de gemeente bepaalde vormen van uitstroom met intensieve begeleiding beschikbaar heeft die kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van cliënten die het zonder deze ondersteuning niet redden. Het genoemde onder artikel 11.1, lid 1 geldt voor BW eveneens. Artikel 4.5 Aanvullende voorwaarden opvang en beschermd wonen In dit artikel zijn aanvullende voorwaarden genoemd met betrekking tot de maatschappelijke opvang en het beschermd wonen in een instelling.

Hierbij is het belang van het meewerken aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid nader uitgewerkt. Uit artikel 2.3.5 van de wet volgt dat een maatwerkvoorziening wordt vertrekt die een passende bijdrage levert aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit kan alleen worden bereikt als de voorziening op een veilige, doelmatige en doeltreffende manier wordt verstrekt (zie artikel 3.1, tweede lid onder a van de wet). De gestelde voorwaarden ondersteunen daarbij. Veiligheid binnen de voorzieningen is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder vanuit de wet en de contractuele afspraken met de gemeente. Daarbij is het van belang dat een cliënt zich aan de huisregels houdt. Met name in de opvangvoorzieningen, waar meerdere cliënten en begeleiders samen verblijven kan grensoverschrijdend en/of agressief gedrag niet worden getolereerd. In het uiterste geval kan de instelling een cliënt (tot maximaal) een maand schorsen. VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

35

Artikel 4.6 Beschermd thuis Sinds juli 2024 kan beschermd thuis worden aangeboden aan inwoners van Haarlem waarbij sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en die zelfstandig wonen. Anders dan bij beschermd wonen moet de cliënt in staat geacht worden zijn hulpvraag te stellen en met een dagdeel (vier uur) uit te kunnen stellen. De begeleiding is gepland en ongepland beschikbaar. Het grootste deel van de ondersteuning zal ongepland noodzakelijk moeten zijn om in aanmerking te komen voor beschermd thuis. Indien een cliënt in staat is zijn hulpvraag te stellen en uit te kunnen stellen met een dag of met een weekend en de ondersteuning is in te plannen, dan is beschermd thuis niet aan de orde maar kan ambulante begeleiding worden geboden. Artikel 4.7 Opvang slachtoffers huiselijk geweld Het gaat hier om ondersteuning aan personen die te maken hebben met geweld dat door iemand uit de huiselijk kring, bijvoorbeeld door (ex-)partners, familieleden en huisvrienden. Het kan gaan om lichamelijk, psychisch of seksueel geweld. Het kan (ex-)partnergeweld, eergerelateerd geweld, kindermishandeling, verwaarlozing van ouderen of geweld tegen ouders betreffen). Voor slachtoffers van huiselijk geweld gelden afwijkende criteria.

Het uitgangspunt is dat cliënten worden opgevangen in de gemeente waar zij wonen. Opvang in de eigen gemeente is kansrijker in verband met het bestaande sociaal netwerk. Er kunnen echter zwaarwegende omstandigheden zijn voor opvang buiten de eigen gemeente. Het kan dan gaan om redenen van veiligheid, of om situaties waar acuut opvang geboden is maar de gemeente van herkomst op dat moment geen plek beschikbaar heeft. Als sprake is van huiselijk geweld tegen een persoon of tegen leden van het gezin van de persoon en er is geen opvang noodzakelijk, is ambulante hulpverlening mogelijk. Artikel 4.8 Huishoudelijke ondersteuning In de gemeente Haarlem is een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening beschikbaar voor huishoudelijke ondersteuning. Beiden zijn gebaseerd op het normenkader zoals opgesteld door bureau HHM: Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning juni 2019. Dit normenkader wordt in Haarlem sinds 1 juli 2021 gehanteerd voor alle maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en sinds 1 mei 2022 voor de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voldoet dit kader voor onderbouwing van normtijden. Het normenkader gaat uit van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’ waarbij de mogelijkheid bestaat meer of minder in te zetten als de situatie van de cliënt daar om vraagt.

Per resultaatgebied is in het normenkader uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is (in uren per jaar) voor de verschillende resultaten in de gemiddelde cliëntsituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. In de praktijk zullen de zorgaanbieder en de cliënt gezamenlijk bepalen hoe de uit te voeren werkzaamheden over de beschikbaar gestelde uren worden verdeeld. Zij leggen dit vast in een ondersteuningsplan. Zo worden alle activiteiten met de overeengekomen frequentie uitgevoerd. Artikel 4.9 Aanvullende ondersteuning Voor de voorzieningen individuele- en groepsbegeleiding is een maatwerkvoorziening beschikbaar als dat - gezien de ondersteuningsbehoefte- nodig is. Het gaat daarbij om VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

36

complexe ondersteuningsvragen waarvoor meer expertise of een zwaardere vorm van ondersteuning nodig is dan kan worden geboden vanuit de algemene voorziening. De overkoepelende naam van deze maatwerkvoorziening is ‘aanvullende ondersteuning’. Met deze systematiek is gewaarborgd dat de cliënt de ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Voor de maatwerkvoorziening kan een aanvraag worden ingediend waarvoor een beschikking kan worden verstrekt. Een cliënt heeft zo de mogelijkheid rechtsbescherming in te roepen, als de cliënt ondanks een zorgvuldig toegangsproces van mening is niet de juiste ondersteuning te hebben gekregen. Artikel 4.10 Collectief- en individueel vervoer Lid 1 Het gaat daarbij om sociaal vervoer, oftewel vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woon- of leefomgeving. Een cliënt heeft recht op een verplaatsingsvoorziening als deze het openbaar vervoer (OV) door een beperking niet kan gebruiken of niet kan bereiken (medisch vastgesteld) en het vervoersprobleem ook niet kan worden opgelost met voorliggende voorzieningen, zoals een fiets (met of zonder trapondersteuning), brommer, scooter of auto. Lid 2 Als eerste geldt dan het primaat van het collectief vervoer. Een individuele verplaatsingsvoorziening (bijvoorbeeld een aanpassing van een auto) kan enkel aan de orde zijn als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet passend is.

Lid 3 en 4 Het derde en vierde lid bepalen de reikwijdte van de verplaatsingsvoorziening. Hiermee voldoet de gemeente ruimschoots aan de vereisten uit de jurisprudentie die aangeeft dat 1.500-2.000 km voldoende is. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken naar beneden of naar boven. Dat kan (ook) het geval zijn als er meer dan één verplaatsingsvoorziening wordt verleend. De verplaatsingen kunnen immers betrekking hebben op de korte, de middellange en op de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Ten aanzien van de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning kan een rolstoel of ander verplaatsingsmiddel worden verstrekt. Onder overige verplaatsingen in het kader van het leven van alledag kunnen ook verplaatsingen voor vormen van dagbesteding ivallen. Bij vastgestelde (grote en reële) behoefte aan dagbesteding en andere sociale vervoersbehoeften kan het kilometer budget verhoogd worden naar maximaal 2.500 km per jaar voor regionaal vervoer. Artikel 4.12 Woningaanpassing Het doel van een woningaanpassing is dat de cliënt de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft normaal kan gebruiken.

Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Maatwerk kan er in een individueel geval toe leiden dat de woningaanpassing ook betrekking heeft op andere ruimten zoals de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang).

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

37

Lid 2 In het geval een noodzakelijke woningaanpassing meer dan € 7.500, - zou bedragen, wordt een verhuizing naar een passender woning als goedkoopst adequate voorziening beschouwd. De CRvB heeft in haar uitspraak van 22-08-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2602) bevestigd dat dit primaat van verhuizen ook onder de Wmo 2015 kan worden toegepast. Daarbij wordt in een individueel geval getoetst of het toepassen van dit primaat een passende bijdrage levert. Uit de jurisprudentie van de CRvB is gebleken dat er belangrijke redenen kunnen zijn waarom cliënten niet kunnen verhuizen. Hier houden we middels een belangenafweging rekening mee. De uitkomst daarvan kan zijn dat het college het primaat van de verhuizing niet aan een cliënt kan opleggen, en een passende woningaanpassing moet verstrekken, ook als de kosten daarvan hoger zijn dan € 7.500, -. Bij de belangenafweging worden onderstaande factoren betrokken: 1. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; 2. Een kostenvergelijking tussen het aanpassen van de woning en verhuizen; 3. De beschikbaarheid van de andere woning binnen een medisch aanvaardbare

termijn; 4. Sociale aspecten zoals:

• de voorkeur van de cliënt; • de binding met de woning en de woonomgeving; • de nabijheid van belangrijke voorzieningen; • de nabijheid van vrienden, kennissen en familie; • mantelzorg 5. De werksituatie van de cliënt; 6. De verandering in woonlasten; 7. Gaat het om een huurwoning of een koopwoning? (Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaak langer te gebruiken). Lid 3 Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Als een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. De woningeigenaren zijn dan zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een zogenaamde basisoutillage aan voorzieningen aan of in deze gebouwen. Lid 4 onder a Als er sprake is van een belangrijke reden voor de verhuizing kan dit lid buiten toepassing blijven. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht.

Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd. Lid 4 onder b VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

38

Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:3259). Onder deze bepaling zijn ook begrepen woningaanpassingen die nodig zijn na aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen. De cliënt dient in dergelijke gevallen eerst met het college te overleggen over de (andere) mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning. De aantoonplicht dat er geen geschiktere woningen beschikbaar waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt. Als de cliënt dit niet kan aantonen, kan het college de aanvraag om een woningaanpassing afwijzen. Het college kan vooraf schriftelijk toestemming verlenen om te verhuizen naar een inadequate woning. In dat geval is een afwijzing op grond van lid 5 onder b vanzelfsprekend niet aan de orde. onder d en e Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Als het een eigen woning betreft, spreekt dat voor zich. In geval van een huurwoning dient de cliënt de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen.

Als een woning wordt gerenoveerd, houdt de cliënt daarbij rekening met huidige en verwachte toekomstige beperkingen. Bij de toepassing van lid d dient rekening te worden gehouden met de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2182). Daarin is nader uitgewerkt wanneer sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening (zie verder de toelichting bij artikel 4.1 over de algemeen gebruikelijke voorziening). Met toetsing aan deze criteria kan worden vastgesteld of de vervanging daadwerkelijk als ‘algemeen gebruikelijk’ kan worden aangemerkt. onder f Bij gemeenschappelijke ruimten geldt dat voorzieningen hier niet geplaatst worden als dit om veiligheids- en uitvoeringstechnische redenen niet verantwoord is. Artikel 4.13 Woningaanpassing bij verblijf in een instelling Met bezoekbaar maken wordt bedoeld dat het voor iemand die woonachtig is in een Wlzinstelling mogelijk wordt gemaakt bijvoorbeeld zijn ouderlijk huis te bezoeken. Bij bezoekbaar maken gaat het gewoonlijk om het bereikbaar maken van de woning zelf, de woonkamer en het toilet. Artikel 4.15 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren In dit artikel zijn de situaties opgenomen waarbij geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen (criteria) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.

Ingevolge artikel 2.3.5 en artikel 3.1 van de wet is een voorziening passend, veilig, doeltreffend en doelmatig. Daarmee is gewaarborgd dat deze voorziening daadwerkelijk bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt en dat de cliënt daarmee zo VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HAARLEM 2024

39

lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Of, in het geval van opvang of beschermd wonen, dat de cliënt zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Soms levert een voorziening niet de beoogde bijdrage. De weigeringsgrond kan worden ingezet op basis van een gedegen onderzoek, dat ook helder heeft gemaakt welke voorziening wél passend is. onder d Deze bepaling is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:2018:2603). Deze uitspraak stelt dat de wet ruimte biedt om van burgers ter verlangen dat ze bij een verhuizing rekening houden met hun beperkingen én met de redelijkerwijs te verwachten progressie daarvan. Maar tot op zekere hoogte. De Raad stelt dat het college niet van een burger kan verlangen om preventief maatregelen te nemen en investeringen te doen. Bijvoorbeeld omdat in de toekomst de gezondheid of psychosociale gesteldheid misschien verslechtert of zich anderszins een situatie kan voordoen waardoor een cliënt maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Het college dient dit artikel dan ook terughoudend toe te passen en enkel in het kader van woningaanpassingen die redelijkerwijs niet nodig waren geweest. onder e en f Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op al eerder verstrekte voorzieningen en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen.

In dit artikel worden twee uitzonderingssituaties genoemd. Daarbij geldt ook dat het verstrijken van de afschrijvingstermijn niet automatisch hoeft te leiden tot verstrekking van een nieuwe voorziening na een aanvraag. Als het mogelijk is de voorziening in stand te houden en met instandhoudingskosten nog steeds sprake is van de goedkoopst adequate voorziening dan gaat dit voor op verstrekking van een nieuwe voorziening. onder g De wet verplicht het college niet om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding is aangeschaft. Na het zelf (laten) realiseren van (maatwerk)voorzieningen is geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Dit is dan ook de afwijzingsgrond. Onbekendheid met de regelgeving is geen reden voor verstrekking, dit komt voor rekening en risico van de cliënt. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar jurisprudentie bepaald dat deze regel bedoeld is om te voorkomen dat de gemeente voor het blok wordt gezet. Deze bepaling mag echter geen automatisme zijn, er dient te worden afgewogen of er sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor deze bepaling niet kan worden gebruikt als afwijzingsgrond. Dat betekent dat indien: • • •

binnen de redelijke termijn (een half jaar) de noodzaak voor de maatwerkvoorziening alsnog vastgesteld kan worden; en deze als de goedkoopst adequate voorziening aangemerkt kan worden; en er sprake was van een (zeer) spoedeisende situatie (bijvoorbeeld doordat cliënt niet naar huis kon vanuit ziekenhuis of verpleeginrichting zonder woningaanpassingen), de aanvraag niet kan worden afgewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14305845/7