Bijlage 1 Programmabegroting 2025-2029 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Effect invullen stelpost reëler en offensiever ramen Gegeven de omvang van de jaarlijkse rekeningresultaten heeft het college aan de directie tijdens de behandeling van de Kadernota 2025 gevraagd of het realistisch is om voor € 2 miljoen aan extra voorstellen te identificeren in aanloop naar de Programmabegroting 2025-2029. Dit is positief bevestigd door de directie. Het college heeft naar aanleiding hiervan een stelpost van € 2 miljoen (in de vorm van een negatieve last) opgenomen in de Kadernota 2025 en gelijktijdig de directie opdracht gegeven met een voorstel te komen in aanloop naar de Programmabegroting 2025 (zie pagina 37 Kadernota 2025). Onderstaand betreft de invulling hiervan. Naast voorstellen voor reëler en offensiever ramen wordt voorgesteld de taakstelling culturele instellingen op te heffen en worden drie voorstellen gedaan in de categorie efficiency en bezuinigingen. Het saldo hiervan betreft € 316.000 in 2025 aflopend naar € 172.000 in 2029. Onderdeel Surplus taakstelling reëler en offensiever ramen Taakstelling reëler en offensiever ramen Totaal maatregelen reëler en offensiever ramen Totaal maatregelen hierbuiten
a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o.
Maatregelen reeler en offensiever ramen aanpak funderingsproblematiek publiekrechtelijke heffingen onderzoekskosten overige inkomensoverdrachten audit DBC werk met werk budget gebiedsregie & initiatievenbudget samenwerking en lobby wettelijke taken en omgevingskwaliteit inspecties kinderopvang structureel begroting overhead beschermd wonen verhuurbaten huisvesting BO/SO ondernemingsraad budget onvoorzien bibliotheekwerk
Programmabegroting 2025-2029
2025 -490 2.000 -2.174 -316
2025 -100 -70 -100 -40 -100 -120 -165 -60
V V V V V V V V
V N V V
2026 -300 V 2.000 N -1.984 V -316 V
2027 -131 V 2.000 N -1.959 V -172 V
2028 -131 2.000 -1.959 -172
2026
2027
2028
2029
-100 -70 -100 -40 -100 -120 -165 -60
V V V V V V V V
-100 -70 -100 -40 -100 -120 -165 -60
V V V V V V V V
-100 -70 -100 -40 -100 -120 -165 -60
V V V V V V V V
-100 -70 -100 -40 -100 -120 -165 -60
V N V V
2029 -131 V 2.000 N -1.959 V -172 V
Categorie V V V V V V V V
Reëler Reëler Reëler Reëler Reëler Reëler Reëler Reëler
-100 V
-100 V
-100 V
-100 V
-100 V
Reëler
-60 V
-60 V
-60 V
-60 V
-60 V
Reëler
-318 V
-128 V
-103 V
-103 V
-103 V
Reëler
-166 -50 -125 -350
-166 -50 -125 -350
-166 -50 -125 -350
-166 -50 -125 -350
-166 -50 -125 -350
V V V V
V V V V
V V V V
V V V V
V V V V
Reëler Reëler Reëler Offensiever 23
p.
Maatregelen reeler en offensiever ramen energietransitie Totaal maatregelen reëler en offensiever ramen
2025
2026
2027
2028
2029
-250 V
-250 V
-250 V
-250 V
-250 V
-2.174 V
-1.984 V
-1.959 V
-1.959 V -1.959 V
2.000 N
2.000 N
2.000 N
2.000 N
2.000 N
-174 V
16 N
41 N
41 N
41 N
Taakstelling reëler en offensiever ramen Surplus taakstelling reëler en offensiever ramen
a b c d e
Maatregelen hierbuiten taakstelling culturele instellingen wordt ingevuld Naheffen parkeren Formatiereductie afdeling Financiën Verlagen mee-adem budget Stopzetten mediamonitor Totaal maatregelen efficiency en bezuiniging
2025
2026
0
Categorie Offensiever
2027
2028
2029
Categorie
0
144 N
144 N
144
N
Taakstelling
-80 V
-80 V
-80 V
-80 V
-80
V
Efficiency
-75 V
-75 V
-75 V
-75 V
-75
V
Efficiency
-125 V
-125 V
-125 V
-125 V
-125
V
Efficiency
-36 V
-36 V
-36 V
-36 V
-36
V
Bezuiniging
-316 V
-316 V
-172 V
-172 V
-172
V
De maatregelen a. tot en met j. betreffen voorgestelde minimale aframingen van deze jaarlijkse budgetten op basis van (en ten opzichte van) de gemiddelde jaarlijkse onderbestedingen op deze budgetten. Het aframen van deze budgetten leidt niet tot bijstelling van de ambities en of knelpunten in de uitvoering. Voor maatregel k. geldt dat bij het opzetten van de formatie binnen het Sociaal domein (ten tijde van de doordecentralisatie in 2015) Haarlemse middelen zijn gebruikt voor het mee-adem principe (eg. de afdracht voor de Overhead). Daar zat echter ook formatie in voor inzet op de regionale taken (met name Beschermd Wonen (BW)) waar regionale middelen tegenover staan. Het is rechtvaardig om een deel van de regionale middelen in te zetten om de reeds door Haarlemse middelen gedekte overhead te compenseren. Dit wordt sinds (de opheffing van de reserve Sociaal domein in) 2020 jaarlijks gedaan (bij de bestuursrapportage) door een deel van de BW middelen terug te laten vloeien naar de algemene middelen Haarlem, ter compensatie van de reeds door Haarlem gedekte overheadkosten op de inzet voor BW. In verband met de onzekerheid over de doordecentralisatie is dit nooit structureel opgevoerd, maar nu het GO BW per 1 januari 2024 van start is gegaan is hier meer zekerheid over en kan de overhead op de inzet binnen het URB structureel in rekening gebracht worden bij het GO BW.
Door de afloop in de inzet van het URB (vanwege de doorcentralisatie van budget, taken en inzet), neemt dit bedrag jaarlijks wel af. M. de ondersteuning van de OR in Haarlem wordt terug gebracht met 0,7 fte, waarmee € 70.000 is gemoeid. Het materiële budget voor OR-ondersteuning wordt verruimd met € 20.000, waarmee per saldo een besparing van € 50.000 wordt gerealiseerd. N. De post onvoorzien wordt niet altijd volledig benut. Over de laatste zeven jaar bleef er gemiddeld ca. € 125.000 per jaar over. De uitgaven die zijn gedaan betreffen incidentele kosten als corona, en er zijn tot 2022 ook meerdere onttrekkingen gedaan ter dekking van kosten voor de invoering van de Omgevingswet. Bij de laatste meicirculaire is € 455.000 toegevoegd voor kosten in verband met invoering van de Omgevingswet. Het ligt daarmee niet meteen in de lijn der verwachting dat er voor Omgevingswet gerelateerde kosten de komende tijd onttrekkingen uit onvoorzien nodig zijn. Daarom is het voorstel om de post onvoorzien meerjarig te verlagen van € 425.000 naar € 300.000. Daarmee lijkt er gelet op de historie voldoende ruimte om onverwachte zaken te dekken.
Programmabegroting 2025-2029
24
O. en P. betreffen een voorschot op externe middelen die naar alle waarschijnlijkheid beschikbaar komen (bibliotheek) of beschikbaar blijven (incidentele subsidies energietransitie). Met dat voorschot kan de inzet van eigen gemeentemiddelen verlaagt worden zonder dat de beleidsambities op korte/middellange termijn geraakt zouden hoeven te worden. Het nemen van een voorschot op nog te ontvangen middelen is wel met risico en in die zin een vorm van offensiever ramen. Den alert op de samenhang met de wijze waarop de korting SPUK verwerkt gaat worden in het gemeentefonds. Maatregelen buiten reëler en offensiever ramen; a. Taakstelling culturele instellingen wordt ingevuld In de begroting resteert nog een taakstelling vanaf 2027 voor € 144.000 met betrekking tot efficiënter accommodatiegebruik culturele instellingen en bibliotheek. Voorstel is om deze taakstelling op te heffen, omdat gebleken is dat het niet mogelijk is deze te realiseren zonder het ambitieniveau naar beneden bij te stellen. b. Verhogen van de begrote opbrengst naheffingen voor parkeren Door efficiënter te werken, door middel van een andere pauze indeling, kan er meer gereden worden met de scanauto en levert dit naar verwachting meer opbrengsten op. c.
Stop zetten Mediamonitor (contract Lexis Nexis) De Mediamonitor is een nieuwsbrief voor de organisatie met daarin een selectie van berichten en artikelen uit de landelijke media over Haarlem en Zandvoort. Ook wordt op verzoek een mediamonitor opgesteld over een specifiek actueel (landelijk) thema. Het contract met de leverancier loopt tot 1 januari 2025 en het niet verlengen leidt tot een besparing van € 40.000 binnen het domein. d. Formatie afdeling Financiën De vervanging en implementatie van het nieuwe financieel systeem vraagt veel inzet en daarnaast is het ook de bedoeling om meer in te zetten op de analysetaak. Binnenkort gaan twee medewerkers van de afdeling Financiën met pensioen. Vermoedelijk is het mogelijk om door verdere digitalisering het werk door 1 fte te laten doen. Voorstel is dat de afdeling Financiën € 75.000 bespaart door deze fte in te leveren. Verdere reductie is in de toekomst wellicht mogelijk, maar besluitvorming hierover is nu te prematuur. e. Verlagen budget mee-adem Om de taakstelling voor bedrijfsvoering van € 250.000 te kunnen realiseren, wordt ook een beroep op de stelpost mee-adem voorgesteld. Mee-adem is bedoeld om de kosten gerelateerd aan de groei van de organisatie in fte af te dekken. Het moet mogelijk zijn de groei binnen bestaande budgetten op te vangen, waardoor € 125.000 kan worden ingerekend. 5.
Saldo actualisatie kapitaallasten Middels deze mutatie worden de oude kapitaallasten verwijderd en de geactualiseerde kapitaallasten toegevoegd aan de programmabegroting. De geactualiseerde kapitaallasten zijn opgebouwd uit de activastaat eind 2023 en het bij de begroting opgenomen Investeringsplan. De actualisatie leidt, als gevolg van het naar achteren verschuiven van investeringen en het langer doorlopen van investeringen dan eerder begroot, tot een voordelig begrotingssaldo. Vanwege een eerder te hoge begrote dekking uit reserves zijn de voordelen in 2027 en 2028 minder voordelig in vergelijking met de overige jaren. In de paragraaf Investeringen worden daarnaast aanvullende voorstellen voor het Investeringsplan weergegeven; de kapitaallasten van de posten ‘Openbare verlichting LED’ en ‘Bisschop Bottemanneplein’ geven hierbij kapitaallasten van in totaal structureel Programmabegroting 2025-2029
25
€ 43.000.
6. 6. 6. 6.
Onderdeel Verwijderen oude kapitaallasten Opvoeren kapitaallasten begroting 2025 Aanvullende voorstellen IP Begroting 2025 Saldo actualisatie kapitaallasten
2025 -46.126
V
2026 -51.716
2027 -56.495
V
V
2028 -63.887
2029 -71.602
V
V
44.873 N
49.267 N
56.178 N
63.311 N
70.148 N
-1.253
43 N -2.405 V
43 N -274 V
43 N -533 V
43 N -1.410 V
V
6. Financieringslasten De financieringsbehoefte volgend uit de begroting 2025 en het daarbij behorende Investeringsplan is hoger dan in de begroting 2024. Voornamelijk veroorzaakt door de hoger investeringsvolumes. Wel is te zien dat de langlopende rente weer een dalende beweging maakt, waardoor in de meerjarenraming rekening houden moet worden met een rentepercentage van 3,5% voor nieuw aan te trekken leningen, i.p.v. de 4% waar in 2024 nog rekening mee gehouden werd. Dit maakt dat er voor de jaren 2025 tot en met 2028 lagere financieringslasten zijn. Voor 2029 is de actualisatie negatief, wat komt doordat de jaarschijf 2029 nog niet geactualiseerd was en dus gelijk was aan 2028. Dit valt hoger uit door de oplopende schuld en daaraan gekoppelde financieringslast. Onderdeel 7. Financieringslasten
2025 -1.061
V
2026 -750 V
2027 -1.363 V
2028 -1.797 V
2029 528
N
7. Saldo aanvullende beleidsvoorstellen De raad heeft bij vaststelling van de Kadernota 2025 een aantal moties vastgesteld met financiële effecten waarvan een deel daarvan effect heeft op het begrotingssaldo (dekking vindt in de algemene middelen). Hieronder worden deze opgevoerd. Over de opvolging van de andere moties wordt de raad buiten deze Programmabegroting 2025-2029 om geïnformeerd. Hiernaast doet het college in voorliggende Programmabegroting 2025-2029 een aantal voorstellen aan de raad om de begroting 2025 na de Kadernota 2025 beleidsmatig bij te stellen. Waaronder een voorstel om een deel van de binnen de Algemene reserve beklemde middelen (restant forfaitaire vergoeding COA 2023) in 2025 in te zetten en het overige deel beklemd te houden ter afdekking van een aantal risico’s op het gebied van opvang(locaties).
a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m.
Beleidsvoorstellen Motie 24: Barmhartigheidsbonus Motie 29: Triagefonds Bijdrage regiobegroting jeugdzorg Tijdelijk extra inzet demonstraties Voortzetten lokale PIT-aanpak Vervolgonderzoek unilocatie FHM Vervangingsuitgaven cultuurpodia structureel Aanpak rattenoverlast Sup- en prullenbakkenvergoeding nme scholen nme educatie beleidsplan schoon inzetten beklemd deel Alg Res Totaal
2025 40 PM 238 PM 600 420 -640 40 35 200 933
N N N N N N
V N N N N
2026 40 0 PM 600 560 300 -640 40 35 200 1.135
N N N N N N V N N N N
2027 0 0 600 560 500 -640 40 35 200 1.295
N N N N V N N N N
2028 0 0 600 560 500 -640
1.020
N N V
2029 0 0 600 560 500 -640
N
1.020
N
N N N V
N
a. Motie 24: Barmhartigheidsbonus Als proef wordt er € 1.000 uitgekeerd als mensen een jaar lang een kamer in hun woning verhuren via ‘Onder de Pannen’ of ‘Kamers met Aandacht’, met als doel om het aantal matches tenminste te laten verdubbelen. Hiervoor wordt vanuit de algemene middelen een budget van € 40.000 gereserveerd in de meerjarenbegroting voor de jaren 2025 en 2026. Programmabegroting 2025-2029
26
b. Motie 29: Triagefonds Er is extra geld beschikbaar gekomen. Samen met de regio wordt gekeken of de triagemiddelen onderdeel kunnen worden innovatiemiddelen. c. Bijdrage regiobegroting jeugdzorg De inkoop jeugdhulp is gebaseerd op een dialooggerichte aanbesteding. In de contractering is een aantal zaken nog niet afgesproken. In 2024 tot en met in ieder geval 2027 is veel extra inzet nodig om met elkaar de juiste afspraken te maken. Daarnaast moeten zeven gemeenten met elkaar op dit domein gaan samenwerken, waarvoor formatie noodzakelijk is met bijbehorend budget. Voor 2025 is aanvullend € 238.000 hiervoor nodig. Bij de Kadernota 2026 moet bezien worden hoeveel er voor 2026 en 2027 nodig is. d. Tijdelijk extra inzet demonstraties Sinds dit jaar nemen de kosten van demonstraties voor de organisatie toe. Andere demonstratiemethodes leiden ook tot extra kosten voor de gemeente. De ontwikkeling en het effect op de uitgaven wordt gevolgd. Het financiële effect is op dit moment nog niet precies aan te geven. e. Voortzetten lokale PIT-aanpak In de Programmabegroting 2025-2029 ontstaat een overschrijding van € 600.000 voor het Preventief Interventie Traject (PIT). PIT is gericht op kinderen met (ernstige) gedragsproblemen in de basisschoolleeftijd (6-12 jaar), waarbij hulp en begeleiding veel effectiever is dan op latere leeftijd. PIT is jeugdhulp met een preventieve werking.
Het gaat om basisschoolkinderen met (ernstige) gedragsproblemen en om individuele maatwerk trajecten met een persoonlijke screening. Het preventieve zit hem in het vroegtijdige. Het PIT hecht veel belang aan monitoring en evaluatie en werkt hiervoor samen met de Universiteit Leiden. Het effect van de aanpak is vervolgens terug te zien bij: 1. Vermindering in aanpak schuldhulpverlening 2. Minder agressie en regulatietraining op scholen 3. Verminderde instroom residentiele plaatsing of begeleid wonen 4. Minder gezinstherapie 5. Vermindering van criminaliteit Hoewel in de informatienota (2013/319231) is aangegeven dat voor het volledig uitrollen van de PIT € 400.000 nodig is, was dit nog voor de grote cao-stijging, wat maakt dat er nu feitelijk € 600.000 nodig is om de loonstijging tegemoet te komen. Ook in 2023 is die € 600.000 gefinancierd uit incidentele middelen. Dit allemaal om de inzet op het minimale niveau te behouden. Tegelijkertijd wordt PIT nu ook ingezet vanuit het programma Preventie met Gezag en Meerwijkaanpak. Zoals beoogd en ten doel is gesteld in het Coalitieakkoord 2022-2026 om de ‘jeugdpreventie te versterken voor jongeren met toenemende problematiek’. Met de gevraagde € 600.000 kan de inzet van PIT gecontinueerd worden vanaf 2025. f.
Vervolgonderzoek unilocatie FHM In de Kadernota 2024 is budget ter beschikking gesteld voor onderzoek naar de mogelijkheid van renovatie van het monumentale museumgebouw op Groot Heiligland als unilocatie voor het Frans Hals Museum (FHM). Er is voor vervolgonderzoek € 420.000 extra budget benodigd, ook voor een masterplan voor het museum en een plan voor fondsenwerving. g. Vervangingsuitgaven cultuurpodia structureel In de begrotingsperiode 2021-2024 is budget opgenomen voor vervangingsuitgaven < € 100.000 voor cultuurpodia. Voor de toekomstige periode doen zich ook investeringen voor die niet voor activering in aanmerking komen, omdat daarvan de ondergrens € 100.000 betreft. Voorstel is om vanaf 2026 structureel een bedrag van € 560.000 in de begroting op te nemen. Programmabegroting 2025-2029
27
h. Aanpak rattenoverlast Voor de rattenaanpak is in 2022 een projectbudget toegekend van € 1 miljoen, verdeeld over vijf jaar ad. € 200.000 per jaar. Op basis van een uitgevoerde analyse is geconstateerd dat de aanpak wel werkt, maar niet voldoende ingrijpend is. Voorstel is om de inzet van smartvallen verder uit te breiden. Deze gepatenteerde vallen zijn echter niet aan te schaffen, maar worden als dienst afgenomen. Voor de uitgebreide aanpak is € 500.000 per jaar nodig. Bij de Kadernota 2025 is het budget voor 2025 eenmalig verhoogd met € 300.000, maar er is structureel budget noodzakelijk om de overeenkomst voor de smartvallen aan te gaan. Voorstel is om structureel € 500.000 ter beschikking te stellen voor de aanpak van rattenoverlast met smartvallen. i. Sup- en prullenbakkenvergoeding In de loop van 2024 zijn twee nieuwe vergoedingen voor gemeenten beschikbaar gekomen. De vergoeding kosten verpakkingsafval in openbare prullenbakken (prullenbakkenvergoeding) en de Single Use plastics-zwerfafval-vergoeding (SUP vergoeding). Deze regelingen vloeien voort uit Europese wetgeving en worden door het verpakkende bedrijfsleven betaald om gemeenten te compenseren voor de aanwezigheid van plastic en andere verpakkingen in het zwerfafval en de openbare prullenbakken. Deze regeling heeft geen einddatum, waardoor deze inkomstenstroom gegarandeerd is voor de komende jaren.
Mogelijk kan in de toekomst de hoogte van de uitkeringen aangepast worden, afhankelijk van de op de markt gebrachte hoeveelheden verpakkingen en plastics. De vergoedingen zijn niet geoormerkt. j. NME (scholen) Dit betreft het faciliteren van het basisonderwijs in Haarlem met betrekking tot het gescheiden inzamelen en afvoeren van verschillende afvalstromen, met name GFT en PBD. Dit project is een samenwerking van de gemeente, NME, Spaarnelanden en de verschillende stichtingen voor het primair onderwijs in Haarlem. In drie jaar worden alle basisscholen in Haarlem voorzien van middelen om het afval binnen de scholen gescheiden in te zamelen en middels minicontainers aan te bieden, hierbij wordt ook voorlichting gegeven aan de scholen om de inzameling optimaal te laten verlopen. Spaarnelanden zamelt dit in. k. NME-educatie In Haarlem wordt educatie over (zwerf)afval door het NME uitgevoerd. Tot en met 2024 werd het NME voorheen betaald uit de zwerfafvalvergoeding. Deze vergoeding is vervallen. Met ingang van 2025 kan het afvalonderwijs met de nieuwe vergoedingen worden gecontinueerd. Voor NMEeducatie wordt met ingang van 2025 gekeken hoe dit beter aan kan sluiten bij de doelstelling zoals deze in CAS zijn opgenomen. l.
Beleidsplan Schoon
Zwerfafval blijft om inzet vragen. Tot en met 2023 werd beleidsplan schoon betaald uit de zwerfafvalvergoeding. Met ingang van 2025 kunnen de maatregelen met de nieuwe vergoedingen weer worden gecontinueerd. Voorgesteld wordt het beleidsplan schoon voor drie jaar voort te zetten en dan te evalueren. m. Inzetten beklemd deel Algemene reserve Voorgesteld wordt om € 360.000 van de reeds beklemde middelen van € 3,9 miljoen in de Algemene reserve (als gevolg van een restant van de forfaitaire vergoeding COA 2023) in 2025 in te zetten voor een Oekraïense psycholoog, traumasensitief werken in het onderwijs, de stijging van de kosten ITK door instroom Oekraïners mee op te vangen en extra inzet Buurts rondom (start) opvanglocaties. En het overige deel beklemd te houden ter afdekking van een aantal risico’s met het creëren van voldoende opvanglocaties. Programmabegroting 2025-2029
28
Financiële positie Ontwikkeling stand Algemene reserve Algemene reserve Stand per 1-1 Bestemmingsvoorstellen rekeningresultaat 2023 Forfaitaire vergoeding COA Voorgestelde dotaties in Bestuursrapportage * 2024: Restant resultaat jaarrekening 2023 (Voorgenomen) dotaties
2024 2025 2026 2027 2028 2029 -92.643 v -107.821 v -107.771 v -99.938 v -99.938 v -99.938 v -12.312 v -3.900 v -4.475 v -11.605 v -32.292 v
0 v
0 v
0 v
0 v
0 v
Bestemmingsvoorstellen rekeningresultaat 2023 12.262 n 50 n Bestemmingsvoorstellen rekeningresultaat 2021 122 n Voorstellen Coalitieakkoord 2022-2026 uit 4.730 n 7.833 n resultaat 2021 (Voorgenomen) onttrekkingen 17.114 n 50 n 7.833 n 0 n 0 n 0 n Stand per 31-12 -107.821 v -107.771 v -99.938 v -99.938 v -99.938 v -99.938 v * Over deze voorstellen moet bij Bestuursrapportage 2024 respectievelijk Programmabegroting 2025-2029 nog worden besloten
Ontwikkeling stand bestemmingsreserves Bestemmingsreserves Stand per 1-1 Geraamde dotaties meerjarenraming Voorgestelde dotaties Bestuursrap. * 2024: * Voorgestelde dotaties Begroting 2025: (Voorgenomen) dotaties
2024
2025
2026
2027
2028
2029
-172.706 v -174.423 v -167.874 v -162.411 v -155.887 v -155.973 v -15.807 v -33.906 v -5.289 v -2.706 v -2.706 v -2.706 v -43.609 v
-59.416 v
-2.749 v -36.655 v
1.326 n -3.963 v
-1.166 v -3.871 v
-2.338 v -5.044 v
-288 v -2.994 v
Geraamde onttrekkingen 27.042 n 36.881 n 7.840 n 6.639 n 5.056 n 6.268 n meerjarenraming Voorgestelde onttrekkingen * 30.656 n 5.506 n 1.970 n 3.875 n Bestuursrap. 2024: Voorgestelde onttrekkingen Begroting * 817 n -384 v -118 v -97 v -507 v 2025: (Voorgenomen) onttrekkingen 57.699 n 43.204 n 9.426 n 10.396 n 4.958 n 5.761 n Stand per 31-12 -174.423 v -167.874 v -162.411 v -155.887 v -155.973 v -153.206 v Over deze voorstellen moet bij Bestuursrapportage 2024 respectievelijk Begroting 2025 nog worden * besloten.
Programmabegroting 2025-2029
29
Geprognosticeerd Rekening Resultaat 2024 Geprognosticeerd rekening resultaat
2024
Begroting 2024 Aanvullende voorstellen Begroting 2024 Amendement bij Begroting 2024 Septembercirculaire 2023 Voortgangsrapportage 2024 Saldo Verwerking raadsbesluiten Bestuursrapportage 2024 Saldo
-6.209 3.581 267 -4.139 3.408 -3.092 4.457 -9.024 -7.659
v n n v n v n v v
1.3 Samenvatting van baten en lasten Nr. Programmanaam
1 2 3 4 5 6 7
Lasten (exclusief mutaties reserves) Maatschappelijke participatie Ondersteuning en Zorg Werk, Inkomen en Schulden Aantrekkelijke woon-werkstad Gezonde en duurzame stad Burger, Bestuur en Veiligheid Algemene Dekkingsmiddelen & Overhead - waarvan overhead - waarvan vennootschapsbelasting
Totaal lasten
1 2 3 4 5 6 7
Rekening 2023
Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting 2024 2025 2026 2027 2028 2029 na wijz.
93.076 164.452 117.018 145.877 45.328 61.080 87.364
103.334 190.135 122.918 159.448 65.831 59.713 97.104
105.205 165.120 113.340 155.915 54.707 64.993 99.594
102.856 150.534 112.280 151.736 52.185 64.812 98.466
99.703 151.063 109.732 148.789 49.675 63.842 100.123
99.649 151.203 110.511 149.866 49.049 62.889 103.394
100.996 151.193 109.695 150.492 49.593 62.888 105.559
79.753
88.319
90.824
88.570
87.358
87.288
87.167
987
700
700
700
700
700
700
714.195
798.482
758.873
732.869
722.928
726.562
730.416
Baten (exclusief mutaties reserves) Maatschappelijke participatie -15.837 -12.944 -14.823 -13.445 -11.451 -11.106 -11.106 Ondersteuning en Zorg -33.797 -41.775 -6.659 -3.117 -3.110 -3.110 -3.110 Werk, Inkomen en Schulden -66.005 -64.934 -64.770 -64.770 -64.770 -64.739 -64.739 Aantrekkelijke woon-werkstad -72.129 -76.449 -77.211 -69.314 -69.959 -69.451 -64.273 Gezonde en duurzame stad -47.571 -54.244 -52.071 -49.479 -51.367 -51.221 -51.944 Burger, Bestuur en Veiligheid -19.371 -16.252 -23.248 -23.248 -23.248 -23.248 -23.248 Algemene Dekkingsmiddelen & Overhead -489.240 -506.627 -525.476 -502.940 -503.596 -504.079 -504.188 - waarvan overhead
-14.334
-15.624
-16.280
-15.809
-15.839
-15.752
-15.648
- waarvan vennootschapsbelasting
Totaal baten
1 2 3 4 5 6 7
-743.950 -773.225 -764.257 -726.313 -727.501 -726.953 -722.608
Saldo (exclusief mutaties reserves) Maatschappelijke participatie 77.239 90.390 90.382 89.411 88.252 88.543 89.890 Ondersteuning en Zorg 130.655 148.361 158.461 147.417 147.953 148.093 148.083 Werk, Inkomen en Schulden 51.013 57.984 48.570 47.510 44.962 45.773 44.957 Aantrekkelijke woon-werkstad 73.748 82.999 78.704 82.421 78.829 80.415 86.219 Gezonde en duurzame stad -2.242 11.586 2.635 2.706 -1.692 -2.171 -2.350 Burger, Bestuur en Veiligheid 41.710 43.461 41.745 41.564 40.594 39.641 39.640 Algemene Dekkingsmiddelen & Overhead -401.876 -409.523 -425.882 -404.474 -403.472 -400.686 -398.629 - waarvan overhead - waarvan vennootschapsbelasting
Totaal saldo Programmabegroting 2025-2029
65.419
72.695
74.544
72.761
71.519
71.536
987
700
700
700
700
700
71.520 700
-29.755
25.257
-5.385
6.556
-4.573
-392
7.808 30
Nr. Programmanaam
Rekening 2023
Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting 2024 2025 2026 2027 2028 2029 na wijz.
Toevoegingen aan reserves Onttrekkingen aan reserves
71.538 -69.600
15.807 -44.156
36.655 -37.748
3.963 -15.289
3.871 -6.521
5.044 -4.958
2.994 -5.761
Totaal saldo incl. mutaties reserves Een '-' (negatief saldo) is voordelig.
-27.817
-3.092
-6.478
-4.769
-7.222
-306
5.041
Presentatie van het structureel begrotingssaldo
2025
2026
2027
2028
2029
Saldo baten en lasten
-5.385
6.556
-4.573
-392
7.808
Toevoegingen en onttrekkingen aan reserves
-1.094
-11.325
-2.649
86
-2.767
Begrotingssaldo na bestemming
-6.478
-4.769
-7.222
-306
5.041
Waarvan incidentele baten en lasten (saldo)
8.310
-4.357
-2.948
-2.276
-2.168
-14.788
-412
-4.275
1.970
7.209
Effect Aanvullende voorstellen
933
1.135
1.295
1.020
1.020
Waarvan Incidenteel
698
40
0
0
0
-14.553
683
-2.980
2.990
8.229
1.3.1 Structureel begrotingssaldo
Structureel begrotingssaldo
Structureel begrotingssaldo inc. Aanvullende voorstellen
1.4 Financiële positie Overzicht van baten en lasten 2025 Begroting Lasten
Begroting Baten
1 Maatschappelijke participatie
105.205
-14.823
90.382
2 Ondersteuning en Zorg
165.120
-6.659
158.461
3 Werk, Inkomen en Schulden
113.340
-64.770
48.570
4 Aantrekkelijke woon-werkstad
155.915
-59.659
96.256
5 Gezonde en duurzame stad
54.707
-52.071
2.635
6 Burger, Bestuur en Veiligheid
64.362
-22.873
41.488
7 Alg. Dekkingsmiddelen & Overhead
7.060
-720
6.340
a Lokale heffingen
-75.552
-75.552
b Algemene uitkering
-449.367
-449.367
-1.000
-1.000
-483
858
Overzicht van baten en lasten 2025 op onderdelen
Begroting Saldo
A. Programmakosten
B. Algemene dekkingsmiddelen
c Dividend d Saldo financieringsfunctie
1.342
e Overige algemene dekkingsmiddelen C. Onvoorziene uitgaven Onvoorziene uitgaven
301
301
D. Overhead Overhead
90.824
-16.280
74.544
E. Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Programmabegroting 2025-2029
700
700 31
Overzicht van baten en lasten 2025 op onderdelen Saldo exclusief reservemutaties Toevoegingen en onttrekkingen reserves Totaal inclusief reservemutaties
Begroting Lasten
Begroting Baten
Begroting Saldo
758.873
-764.257
-5.385
36.655
-37.748
-1.094
795.528
-802.005
-6.478
Geprognosticeerde balans Activa (stand per ultimo)
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Vaste activa
793.604
864.566
954.459
1.039.023
1.118.627
1.193.163
(Im)materiële vaste activa
759.509
830.526
920.474
1.005.094
1.084.753
1.159.345
Financiële vaste activa
34.095
34.040
33.984
33.929
33.873
33.818
Vlottende activa
133.147
131.225
128.039
124.767
117.019
117.134
Voorraden
12.248
10.326
7.140
3.868
-3.880
-3.765
Uitzettingen met looptijd < 1 jaar
68.853
68.853
68.853
68.853
68.853
68.853
457
457
457
457
457
457
Liquide middelen Overige vlottende activa
51.589
51.589
51.589
51.589
51.589
51.589
Totaal activa
926.751
995.791
1.082.498
1.163.790
1.235.646
1.310.297
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Vaste passiva
727.533
796.573
883.280
964.572
1.036.428
1.111.079
Algemene reserves
103.346
103.296
95.463
95.463
95.463
95.463
Bestemmingsreserves
161.471
160.427
156.935
154.285
154.371
151.604
Saldo van baten en lasten
3.092
9.570
14.339
21.562
21.868
16.826
Voorzieningen
25.082
27.184
29.286
31.388
31.928
32.468
Vaste schulden
434.542
496.095
587.256
661.873
732.797
814.717
Vlottende passiva
199.218
199.218
199.218
199.218
199.218
199.218
Passiva (stand per ultimo)
Netto vlottende schuld met looptijd < 1 jaar
89.139
89.139
89.139
89.139
89.139
89.139
Overlopende passiva
110.079
110.079
110.079
110.079
110.079
110.079
Totaal passiva
926.751
995.791
1.082.498
1.163.790
1.235.646
1.310.297
Ontwikkeling EMU-saldo 1 2 3 4 5
Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves zie BBV, artikel 17c) Mutaties (im)materiële vaste activa Mutaties voorzieningen Mutaties voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie) Verwachte boekwinst bij verkoop effecten en verwachte boekwinst bij verkoop (im)materiële vaste activa
2024
2025
2026
-25.257 -56.270 2.155 -10.235
5.385 -71.018 2.102 1.922
-6.556 -89.948 2.102 3.186
-89.607
-61.609
-91.217
Uitkomsten Investeringsplan Ten opzichte van de Kadernota 2025 heeft er een actualisatie plaatsgevonden van de investeringsplannen. Tevens worden er enkele voorstellen gedaan voor aanvullende (hogere) investeringen. In het onderstaande overzicht is aangegeven wat qua investeringsvolumes het verschil Programmabegroting 2025-2029
32
is tussen het Investeringsplan bij de Kadernota 2024 en dat uit deze programmabegroting. De bij deze programmabegroting nog te nemen besluiten over aanvullende investeringen zijn nog niet in onderstaande saldi verwerkt. Investeringsplan totaal (bruto) Kadernota 2025 Programmabegroting 2025 Mutatie
2024 121.299 102.317 -18.982
2025 192.218 176.501 -15.717
2026 166.682 184.849 18.167
2027 190.966 196.653 5.687
2028 214.635 199.759 -14.876
Ontwikkeling schuld De vaste schuld is het totaal van langlopende leningen die de gemeente is aangegaan. In de Jaarrekening 2023 is de vaste schuldpositie geëindigd op € 390 miljoen. De prognose van de vaste schuld per eind 2024 is € 435 miljoen. In onderstaande tabel is te zien dat de verwachte schuld de komende jaren stijgt en naar verwachting € 815 miljoen bedraagt eind 2029. Deze stijging komt voornamelijk door de (extra) investeringen in de stad. Verloop van de vaste schuld
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Stand vaste schuld per 1 januari Bij (nieuw aan te trekken) Af (af te lossen) Stand vaste schuld per 31 december
390 95 50 435
435 77 15 496
496 111 20 587
587 110 35 662
662 101 30 733
733 127 45 815
Uitkomst weerstandsvermogen Om de financiële gevolgen die samenhangen met bepaalde risico’s te kunnen opvangen houdt de gemeente weerstandscapaciteit aan. Op basis van een risico-inventarisatie binnen de organisatie wordt een risicosimulatie uitgevoerd. De risicosimulatie berekent hoeveel weerstandscapaciteit nodig is om het totaal aan (financiële) risico’s te kunnen dekken. Dit wordt weergegeven door het weerstandsvermogen. Meer informatie over het weerstandsvermogen van de gemeente is te vinden in de paragraaf 3.1 Weerstandsvermogen en risicobeheersing. Ontwikkeling kengetallen
Rek.2021
Begr. 2023
Rek.2022
Begr. 2024
2,3
2,9
3,3
3,7
Weerstandsratio
Rek.2023
Begr. 2025
4,6
5,5
Ontwikkeling woonlasten De lokale lastendruk wordt bepaald door de tarieven van de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In de navolgende tabel is de opbouw van de lokale lastendruk in Haarlem in 2025 ten opzichte van 2024 inzichtelijk gemaakt. Voor huurwoningen is alleen de hoogte van de afvalstoffenheffing bepalend, aangezien bewoners hiervan niet worden aangeslagen voor OZB en rioolheffing. De lokale lastendruk stijgt in 2025 in absolute zin met afgerond € 57 van € 1.088 naar € 1.145 per meerpersoonshuishouden. Een stijging van afgerond 5%. Lokale lastendruk in euro's voor een meerpersoonshuishouding
2023
2024
2025
Rioolheffing
156
167
187
OZB eigenarendeel
423
443
458
Afvalstoffenheffing
426
478
500
1.005
1.088
1.145
Totaal Index t.o.v. 2024
5%
Programmabegroting 2025-2029
33
1.5 Taakstellingen Wanneer de gemeente bezuinigingen of taakstellingen in de begroting opneemt, moeten deze aantoonbaar, realistisch en haalbaar zijn. Om deze opgave te kunnen realiseren dient daarom inzicht te worden gegeven in de wijze waarop de taakstellingen worden ingevuld. Deze paragraaf maakt inzichtelijk welke taakstellingen in de Programmabegroting 2025-2029 zijn opgenomen. Onderstaand wordt per openstaande taakstelling toegelicht wanneer verwacht wordt deze 'weg te werken'. Taakstelling Taakstelling Cultuur Taakstelling Tekort uitvoer WSW Taakstelling Jeugd Algemeen Taakstelling Jeugd Hervormingsnota Taakstelling Versterk de griffie
2025 -350 -1.092 -225 -
2026 -350 -1.385 -4.000 -5.000 -
2027 -350 -1.473 -4.000 -5.000 -645
2028 -350 -4.000 -5.000 -645
2029 -350 -837 -4.000 -5.000 -645
Taakstelling Cultuur De opheffing van de taakstelling cultuur zoals opgenomen in het financiële kader van voorliggende begroting heeft impact op het Revolverend Fonds Energiebesparing (RFE). In de Kadernota 2024 is vastgesteld dat de besparing op energie bij de bibliotheek voortkomend uit de investering in het gebouw ten goede komt aan de taakstelling die rust op cultuur. Nu deze taakstelling is opgeheven, wordt de energiebesparing structureel toegerekend aan het RFE. Taakstelling Tekort uitvoer WSW De taakstelling geeft het verschil weer tussen de laatst bekende circulaire (i.c. Meicirculaire 2024) en de lastenreeks die SpaarneWerkt begroot (2025 en verder). De taakstelling is het tekort dat wordt veroorzaakt doordat SpaarneWerkt in de begroting wel rekening houdt met indexering van de lasten en baten, terwijl Haarlem hier geen rekening mee houdt, omdat de gemeente Haarlem de werkelijke bedragen in de circulaires volgt. In de circulaires wordt over het algemeen op een later moment indexering toegepast, waardoor de taakstelling in elke circulaire weer (deels) wordt ingelopen. Er is op basis van de huidige praktijk geen reden te veronderstellen dat taakstelling niet ingevuld gaat worden.
Taakstelling Jeugd Algemeen Als eerste een taakstelling van € 4 miljoen, omdat verwacht wordt dat het Rijk, conform de afspraken, € 511 miljoen ter compensatie beschikbaar zal stellen (het Haarlemse deel bedraagt ongeveer € 4 miljoen welke al ingerekend is). Verwacht mag worden dat het Rijk de toezeggingen nakomt (of compensatie toepast of maatregelen invoert die macro € 511 miljoen opleveren voor gemeenten), waarmee deze taakstelling als haalbaar beschouwd kan worden. Taakstelling Jeugd Hervormingsnota Naast de taakstelling Jeugd Algemeen bestaat een tweede taakstelling van € 5 miljoen welke voortvloeit uit het haalbaar geachte deel van Hervormingsagenda Jeugd die door het invoeren van de daarbij behorende maatregelen gerealiseerd zou moeten worden. Het halen van deze taakstelling is met veel onzekerheden omgeven. Taakstelling n.a.v. aangenomen amendement 'Versterk de griffie' De taakstelling als gevolg van het bij de Programmabegroting 2023-2027 aangenomen amendement 'uitbreiding Griffie', a € 645.000 is betrokken bij de Kadernota 2025 en heeft geleid tot een verhoging van het negatieve begrotingssaldo vanaf 2027. Wanneer de uitbreiding positief geëvalueerd wordt door de raad heeft dit geen consequenties. Wanneer de uitbreiding negatief wordt geëvalueerd door de raad leidt dit tot een verbetering van het begrotingssaldo vanaf 2027 met € 645.000.
Programmabegroting 2025-2029
34
1.6 Vergroten uitvoeringskracht in de investeringsopgave van Haarlem Inleiding De omvang van de investeringen in de stad is de afgelopen jaren substantieel gegroeid en moet nog verder groeien om de opgaven en ambities vanuit de stad te kunnen realiseren. Dit geldt niet alleen voor de investeringen in (het groot onderhoud van) de openbare ruimte of de infrastructurele investeringen in de gebiedsontwikkeling (denk aan het nieuwe busstation Nieuw-Zuid), maar ook voor de sociaal-maatschappelijke investeringen die de komende jaren plaatsvinden in o.a. de vernieuwing van de onderwijshuisvesting en sportvoorzieningen, vaak als solitaire voorzieningen, soms ook als onderdeel van integrale gebiedsontwikkelingen. Om de uitvoeringskracht van de investeringsopgaven in Haarlem te vergroten, stelt het college aan de raad voor in 2025 concreet aan de slag te gaan: 1. Allereerst met de evaluatie van het HCCP en in het verlengde daarvan met spelregels om de besluitvorming te vereenvoudigen met behoud van overzicht. 2. Daarnaast met het zichtbaar betrekken bij gebiedsontwikkeling van vernieuwingsopgaven van sociaal-maatschappelijke voorzieningen. De uitkomst van deze concrete intensiveringen te betrekken bij de Kadernota 2026.
De ervaring van de afgelopen jaren leert, dat – hoewel het gerealiseerde investeringsvolume fors is toegenomen – de beoogde investeringen nog niet in het gewenste tempo worden behaald. De vraag voor de komende jaren is hoe het realisatievermogen blijvend kan worden verhoogd zodat de in het Investeringsprogramma opgenomen projecten in het voorgestelde tempo kunnen worden gerealiseerd. Om die vragen te kunnen beantwoorden is het investeringsprogramma voor het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving opgedeeld in vier te onderscheiden onderdelen, die ieder hun eigen dynamiek hebben. Dit zijn: 1. 2. 3. 4.
De beheertrein (investeringen waarbij de onderhoudsopgave van de stad de aanleiding is). De onderhouds- en vernieuwingsopgave van de sociaal-maatschappelijke voorzieningen. De publieke investeringen die onderdeel zijn van de gebiedsontwikkeling Overige, meer solitaire publieke investeringen (investeringen in onder andere vastgoed, duurzaamheid, sport, cultuur, onderwijs en maatschappelijke voorzieningen).
Algemene overwegingen en uitgangspunten In het uitvoeren van projecten en het doen van investeringen zit altijd een zekere mate van onvoorspelbaarheid. Soms levert een langdurige slechtweerperiode een vertraging op van een paar maanden. Op de doorlooptijd van het totale project heeft dat lang niet altijd veel invloed, maar het kan wel een stevig effect hebben op de financiële jaarschijf. Bij andere projecten kan een verschil van mening ontstaan met de aannemer of kan op het laatste moment materieel of materiaal niet beschikbaar zijn. Bij projecten waar de gemeente afhankelijk is van andere investerende partijen (bijvoorbeeld corporaties of ontwikkelaars) kan de onvoorspelbaarheid nog groter zijn. Stelpost Onderuitputting In Haarlem wordt om die reden een stelpost gehanteerd voor de onderuitputting van investeringen. Omdat er in de praktijk minder investeringen gerealiseerd worden dan geraamd, wordt er een stelpost voor de kapitaallasten gehanteerd die uitgaat van 80% realisatie van het investeringsniveau in het begrotingsjaar (op dit moment 2025) en daarna constant blijft. Hierdoor worden (per saldo) niet de volledige kapitaallasten behorend bij de gepresenteerde investeringsvolumes verwerkt in de Programmabegroting 2025-2029
35
begroting. Het werken met een stelpost blijft een technische exercitie, maar door het gebruik ervan wordt voorkomen dat er in eerste instantie een te groot beslag gelegd wordt op de begrotingsruimte, die vervolgens gedurende een lopend jaar weer vrij valt. De (uit)werking van de stelpost wordt gemonitord en wanneer er een sterk gestegen uitvoeringskracht van de organisatie gesignaleerd wordt kan dit leiden tot het aanpassen van de gehanteerde uitgangspunten voor de stelpost. Realisatie door anderen De meeste investeringen in het Investeringsplan worden door de gemeente zelf gerealiseerd. Daarop zijn een paar uitzonderingen: • De investeringen die gebruikt worden om een aankoop te doen (bijvoorbeeld de fietsgarage in het voormalige V&D-gebouw). Daar wordt het tempo bepaald door de ontwikkelaar. De andere uitzondering is de in deze paragraaf genoemde onderwijshuisvesting. • Voor de onderwijshuisvesting geldt dat de gemeente de financiële en ruimtelijke kaders vaststelt en dat de schoolbesturen bouwheer zijn. Voor het bouwproces kunnen zij met het voorbereidingskrediet ondersteuning inhuren (bouwprojectmanagement). • Voor het reguliere vervangingsonderhoud Sport geldt dat ook, de gemeente stelt de middelen beschikbaar op basis van de onderbouwde planning van SRO en SRO draagt vervolgens ook zorg voor de realisatie.
Inhoudelijke kaders die op alle investeringen van toepassing zijn: Het gemeenschappelijke stedelijke perspectief van de Omgevingsvisie (2021/492095) vormt de basis voor de ontwikkeling van de stad en daarmee gepaard gaande stedelijke investeringen. Door de gemeenteraad zijn de afgelopen jaren als uitwerking daarvan de relevante beleidskaders vastgesteld waarin die toekomstbestendigheid wordt gedefinieerd (onder andere het Groenbeleidsplan (2022/606659) en de Mobiliteitsvisie). De technische uitwerking en materialisering heeft een vertaling gekregen in het nieuwe Handboek Inrichting Openbare Ruimte (2023/1832100). Voor maatschappelijke voorzieningen zijn/worden vergelijkbare handboeken opgesteld. Voor de bovenwijkse projecten is in 2023 een redeneerlijn opgesteld waarin de prioriteit en volgordelijkheid van de (infra)IP-projecten is vastgelegd. Deze redeneerlijn was de onderlegger voor de herijking van een vijfjarig naar een tienjarig Investeringsplan en actualisatie van het Investeringsprogramma, die bij de Kadernota 2024 heeft plaatsgevonden. Toenemend investeringsvolume 2024-2028 De geraamde investeringsvolumes in het Investeringsplan voor de komende jaren geeft een sterke stijging weer ten opzichte van de gerealiseerde volumes in de afgelopen jaren. Wel is er al enkele jaren op rij sprake van stijgende trend.
De geraamde investeringsvolumes in het Investeringsplan kunnen als volgt worden samengevat: 1. De totale investeringsreeks 2020-2028 Investeringen Totaal
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
42
45
62
72
102
177
185
197
200
2. De investeringen voor programma 1 & 2 (Sociaal domein) Investeringen
2024
2025
2026
2027
2028
Programma 1
19
40
52
57
55
Programma 2
13
16
13
11
8
Sociaal domein
32
56
65
68
63
Programmabegroting 2025-2029
36
3. De investeringen voor programma 4 & 5 (Fysiek domein, uitgesplitst naar de beheertrein, gebiedsontwikkeling en overige projecten Investeringen
2024
2025
2026
2027
2028
BBOR (beheertrein) PG (gebiedsontwikkeling) Overig (VG,BE,ECDW,OMB)
41 9 13
50 32 27
67 27 22
75 37 12
77 48 9
Fysiek domein
63
109
116
125
134
De beheertrein in de openbare ruimte Elk jaar investeert de gemeente een fors bedrag in het beheer en de vervanging van de openbare ruimte en haar kapitaalgoederen in de ondergrond. Deze investeringen zijn noodzakelijk in verband met de veiligheid en ook om achterstallig onderhoud en kapitaalvernietiging tegen te gaan. Elke investering in het groot onderhoud van de openbare ruimte is daarbij een kans om de stad toekomstbestendig te maken. Voor de meerjaren buurtprogrammering zijn de technische staat van de riolering en de verhardingen leidend. Het gaat hierbij nadrukkelijk om investeringen in de bestaande openbare ruimte en ondergrond, niet om uitbreiding met nieuw areaal. Wat is er al gedaan? • De uitvoeringsstrategie voor de beheertrein is de afgelopen jaren door de gemeenteraad vastgesteld in het Strategisch Beheerplan Openbare Ruimte (SBOR, voor het onderhoud van de bovengrond) (2022/565479) en het Plan Stedelijk Water (voor de riolering en overige watergerelateerde voorzieningen) (2023/1554669). Beide plannen zijn voorzien van uitwerkingsplannen, waaronder het voorstel Meerjarenprogrammering Beheer en Onderhoud 2024-2033. Onderdeel van die uitvoeringsstrategie is het toewerken naar een buurtgerichte werkwijze. Vanaf 2026/2027 zullen de eerste projecten via de nieuwe opgave- en buurtgerichte werkwijze in realisatie komen.
• De wijze van werken bij projecten in de openbare ruimte is vastgelegd in het Haarlems Civiel PlanProces (HCPP). Hier wordt nu een aantal jaar mee gewerkt, waarmee de aanpak en (bestuurlijke) behandeling is gestandaardiseerd. Dit biedt – zie de voorstellen verderop – in de evaluatie ruimte voor optimalisatie en eventuele bijstelling om de uitvoering verder te versnellen. In de tweede helft van 2024 zal samen met de gemeenteraad verder vorm worden gegeven aan deze evaluatie, waarbij de hierna genoemde voorstellen kunnen worden betrokken. • De nieuwe systematiek van het vrijgeven van voorbereidingskredieten bij de programmabegroting zorgt voor een tijdige start van de voorbereiding van beheerprojecten. De voorbereiding en doorlooptijd van projecten is reëler gemaakt (van gemiddeld drie naar vijf jaar). Door de tijdige en beter geplande voorbereiding komt er ook een hoger volume in realisatie. De transitie naar buurt- en opgavegericht programmeren is niet van de éne op de andere dag te maken. Er kan immers niet opeens afgeschakeld worden van de oude programmering en volledig overgegaan op de nieuwe buurt- en opgavegerichte programmering. Daarom is in eerste aanleg de reeds bestaande programmering – waar nog mogelijk – verrijkt met de beleidsopgaven.
Vervolgens wordt een aantal buurten waar de openbare ruimte reeds wordt vernieuwd of recent is vernieuwd afgemaakt, om daarna de uitvoering van de eerste (nieuwe) integrale buurtaanpakken te kunnen uitvoeren. De buurtaanpak van de Zuiderpolder zal hiervoor als voorbeeld gaan dienen.
Programmabegroting 2025-2029
37
Wat moet / gaat er nog gebeuren? Met de hierboven genoemde maatregelen is de organisatie in staat gesteld een groter investeringsvolume te realiseren. Daarop aanvullend stelt het college een aantal aanvullende maatregelen voor om de uitvoeringskracht verder te versterken. Aanvullende beleidskaders Zoals gezegd heeft de gemeenteraad de afgelopen jaren de meeste beleidskaders vastgesteld die nodig zijn om de inhoudelijke ambities en randvoorwaarden te definiëren bij projecten in de openbare ruimte. In de komende periode wordt nog gewerkt aan de nieuwe beleidslijn Parkeren (op basis van het gesprek met de stad, dat in de tweede helft van 2024 gevoerd wordt) en de update van de TransitieVisieWarmte. Projecten kunnen – vooruitlopend op de nieuwe kaders – doorgaan als een pragmatisch handelingsperspectief beschikbaar is (no-regretbeslissingen), of de inhoudelijke keuze kan onderdeel zijn van het voorstel aan de gemeenteraad. Sturing op portefeuilleniveau Op weg naar de Kadernota 2026 zal het college in gesprek met de commissie Beheer een voorstel doen om een groter volume als ‘klein’ project te beschouwen en deze op portefeuilleniveau aan te sturen, zoals nu al gebeurt met de “projecten Maatschappelijk Nut”. Dat biedt versnelling in de besluitvorming en meer flexibiliteit in de uitvoering.
Het college denkt hierbij aan de volgende spelregels, die in de evaluatie van het HCPP verder kunnen worden afgewogen en uitgewerkt. • • •
•
•
Per jaar stelt de gemeenteraad maximaal € 30 miljoen beschikbaar voor dit uitvoeringsprogramma van kleinere projecten in de openbare ruimte. De individuele projecten kennen een maximaal investeringsbedrag van € 5 miljoen, worden binnen de beleidskaders uitgevoerd en bevatten geen grote functiewijzigingen. De projecten doorlopen het reguliere HCPP-proces maar de besluitvorming over de verschillende fasedocumenten (startnotitie, VO, DO) wordt vereenvoudigd. Te denken valt aan een onderverdeling in drie categorieën: A: besluitvorming over fasedocumenten (startnotitie, VO en DO) bij de gemeenteraad. B: besluitvorming over fasedocumenten bij het college. C: besluitvorming over fasedocumenten in de ambtelijke organisatie. Deze categorisering wordt jaarlijks aan de raad voorgelegd (bij de vaststelling van de programmabegroting) en kan worden gebaseerd op afwegingen als politiek-maatschappelijke gevoeligheid, conflicterende beleidskaders of financiële omvang. Met de vastgestelde strategie en beleidskaders (SBOR, Waterplan, HIOR, mobiliteitsbeleid, parkeerbeleid, TVW) wordt per soort wijk en buurt ook de aanpak en het ontwerp steeds meer gestandaardiseerd, zodat gelijksoortige wijken en buurten op een vergelijkbare wijze worden onderhouden en (her)ingericht.
Het college kijkt naar de mogelijkheid om zoveel mogelijk met vaste, goed gekwalificeerde teams en helder ambtelijk opdrachtgeverschap te werken. Samen met de gestandaardiseerde aanpak is de verwachting dat de aanpak van de kleinere beheerprojecten hierdoor sneller, beter en efficiënter wordt. Voor deze portefeuille wil de organisatie werken met overprogrammering (het college gaat op dit moment uit van een overprogrammering van ongeveer 25%), dus meer projecten programmeren dan het beschikbare investeringskader van ongeveer € 30 miljoen in de verwachting dat er door onvoorziene omstandigheden projecten vertragen of om een andere planning (bijvoorbeeld vanwege marktomstandigheden) vragen. Als daadwerkelijk alles cf. verwachting gerealiseerd wordt (en dus meer uitgegeven wordt dat het financieel kader formeel mogelijk heeft gemaakt), dan kan de gemeenteraad ervoor kiezen om op een later moment het investeringsvolume te beperken. Programmabegroting 2025-2029
38
Grote projecten in de openbare ruimte Separate projectsturing van het college en de raad blijft per definitie het uitgangspunt bij grote (groter dan € 5 miljoen) buurtgerichte of bovenwijkse projecten, waarbij extra beleidsimpulsen of functiewijzigingen zijn voorzien en daarmee ook meer voorbereidingstijd vragen en bestuurlijke besluitvormingsmomenten. Voor die projecten is ook vaak de regeling grote risicovolle projecten van kracht. Aandachtspunt voor dit soort projecten is het reëler in de tijd ramen, het tijdig beschikbaar hebben van voorbereidingskrediet en het strak sturen op go/no go momenten. Ook het beschikbaar hebben van voldoende uitvoeringsbudget na afronding van de voorbereiding is belangrijk. Er is mede om die reden in het geactualiseerde Investeringsplan bij de Kadernota 2025 al rekening gehouden met toekomstige prijsstijging waarmee de investeringsraming meerjarig robuust is gemaakt. Ook wordt de ramingssystematiek in de diverse projectfasen (startnotitie, VO, DO) geactualiseerd en waar nodig aangepast. Daarmee wordt voorkomen dat er gedurende de lange voorbereidingstijd onoverkomelijke budgetverhogingen noodzakelijk zijn om het project daadwerkelijk na de voorbereiding uit te voeren. Voor grote projecten is, anders dan bij kleine projecten, over-programmering niet zinvol.
De periode van opstart naar realisatie is hiervoor te lang en de investeringsbedragen zijn te omvangrijk. Bij daadwerkelijke realisatie van dit soort grote projecten kan dit bij teveel realisatie in een jaar ook tot doorstroomproblemen leiden in de stad. Tegelijkertijd is de inhoudelijke en financiële onvoorspelbaarheid bij dergelijke projecten groot, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering. Daarom stelt het college voor om voor deze grote projecten met een zekere ambitie te programmeren (in planning en financiering), maar in de begroting rekening te houden met een investeringsuitval van 20%. Het college streeft ernaar dit percentage in de komende jaren te verlagen naar 10%. Bij de Kadernota 2026 zal een update worden gepresenteerd van de Meerjarenprogrammering Beheer Openbare Ruimte. Generieke aanvullende maatregelen: Voor zowel de kleinere als de grote projecten in de openbare ruimte werkt het college aanvullend aan een aantal andere maatregelen om de realisatiekracht in verhouding te brengen met de groei van het investeringsvolume: Verdere verbetering van de sturing op de portefeuille en daarmee het creëren van een optimale cadans in de keten. Er moet een evenwichtige spreiding zijn van projecten in voorbereiding (start VO t/m DO) en realisatie.
Gelet op de relatief lange voorbereidingstijd moeten er jaarlijks voldoende projecten worden opgestart om over drie tot vijf jaar voldoende projecten in uitvoering te houden. Daarbij hoort een tijdig gesprek met de gemeenteraad en de stad over strategische afwegingen die gemaakt moeten worden voordat een project daadwerkelijk gestart wordt. Een goed voorbeeld is de aanpak van de Europaweg. Omdat in de eerdere jaren de inhoudelijke richting is bepaald (afwaardering tot stadstraat) kon het project zelf in een snel tempo tot besluitvorming worden gebracht. De portefeuillesturing is relatief nieuw en vraagt daarom extra inzet van organisatie en bestuur om daar gewend mee te raken. Het college stelt voor daartoe de komende jaren extra technische sessies en andere werkvormen met en voor de gemeenteraad te organiseren en aanvullende of andere rapportagevormen te ontwikkelen om de voortgang in de buurt/wijk-aanpak en de overige projecten te volgen en te sturen. Grootste investeringsprojecten 2025 Het realiseren van de totale investeringsniveaus vanuit het Investeringsplan hangt sterk samen met het realiseren van een aantal grote investeringsprojecten. Wanneer deze projecten conform planning verlopen zorgt dat voor een sterke stijging in de realisatie ten opzichte van voorgaande jaren.
Dit zijn niet per definitie de grootste posten per jaar in het Investeringsplan, omdat stelposten buiten Programmabegroting 2025-2029
39
beschouwing worden gelaten, doordat deze posten bestaan uit meerdere kleinere projecten. Denk hierbij onder andere aan posten als stedelijk water (voorheen riolering), verduurzaming van gemeentelijke vastgoed en het vervangen van (toplagen) van sportvelden. De 15 investeringsprojecten met de hoogste verwachte realisatieniveaus in 2025 zorgen samen voor een verwachte realisatie van ruim € 80 miljoen. Het gaat om de volgende projecten. Investeringsprojecten
2025*
Herstructurering Stadsstraat Europaweg
€ 17,8
Verbouwing Kruisstraat 30-32
€ 10,1
Uitbreiding Zonnewijzer, gymzaal en IKC (onderwijs)
€
6,5
Turnhal Jaap Edenlaan
€
5,6
Woonvoorziening Domusplus
€
5,5
OV Knooppunt Nieuw Zuid
€
4,5
Renovatie HMS (onderwijs)
€
4,0
Boerhaavelaan - Amerikaweg
€
3,9
IKC Valeo (onderwijs, voorheen Wadden Boerhaave)
€
3,8
Verduurzaming NME gebouw
€
3,5
Renovatie Prinsenbrug
€
3,4
Prof. Dr. Van Gilseschool (onderwijs)
€
3,4
Herinrichten Prins Bernhardlaan
€
3,0
Vervanging Havenkantoor Spaarndamseweg
€
2,7
Zuid-Schalkwijkerweg
€
2,7
Totaal grootste 15 projecten € 80,5 *: het betreft hier niet de totale omvang van de investeringsprojecten, maar het deel van de betreffende projecten waarvan de verwachting is dat deze in 2025 gerealiseerd wordt.
Ook in de jaren 2026 tot en met 2028 zijn de grootste 15 projecten goed voor een groot deel van de totale investeringsvolumes in die jaren met verwachte realisaties van € 64 miljoen (2026), € 80 miljoen (2027) en € 82 miljoen (2028). Voorbeelden van enkele van die grote projecten in deze drie jaren zijn het OV knooppunt Nieuw-Zuid (€ 41 miljoen in 2026 t/m 2028), Zwembad Noord (€ 36 miljoen) en de parkeergarage Sonneborn (€ 13 miljoen). Onderhoud- en vernieuwingsopgave sociaal-maatschappelijke voorzieningen De instandhouding en vernieuwing van sociaal-maatschappelijke voorzieningen is in zekere zin vergelijkbaar met de beheeropgave in de openbare ruimte, zoals in de vorige paragraaf beschreven. Hoewel deze notitie feitelijk niet gaat over de vraag wélke investeringen moeten worden gedaan, is het toch goed om te weten hoe het investeringsprogramma voor deze sociaal-maatschappelijke voorzieningen tot stand komt. Duidelijkheid in de voorbereiding en besluitvorming is een belangrijke basis voor zekerheid in het tempo van de uitvoering en bijbehorende investeringen. Onderwijs Voor de onderwijshuisvesting is het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (SHO) 2023 – 2038 (2023/9349) opgesteld, waarin de vernieuwings- en uitbreidingsopgave op dit gebied in beeld is gebracht.
Door de voorgestelde vernieuwingsprojecten wordt beoogd de bestaande portefeuille onderwijshuisvesting technisch en functioneel up-to-date te houden en daar waar nodig uit te breiden. Het betreft hier een continue en fasegewijze vernieuwing van de schoolgebouwen die inmiddels een hoge leeftijd hebben (en daardoor ook technisch en functioneel gedateerd zijn). In de verordening onderwijshuisvesting van de gemeente Haarlem is de procedure belegd om op projectniveau te komen tot vernieuwing (wanneer besloten is tot realisatie van een project). Programmabegroting 2025-2029
40
Planvorming vindt plaats op basis van een op het stichtingskostenbudget gebaseerd voorbereidingskrediet (dat de schoolbesturen als bouwheer kunnen aanwenden voor projectrealisatie). Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd wanneer het project in het Investeringsplan is opgenomen. In overleg met de schoolbesturen wordt een zo realistisch mogelijke planning opgesteld wanneer welke projecten in uitvoering kunnen worden gebracht, rekening houdend met de aard van het project; solitaire vervangende nieuwbouw, renovatie en/of integrale gebiedsontwikkeling (zie ook de volgende paragraaf). Dit krijgt zijn weerslag in de opstelling van het Investeringsplan en het hierop gebaseerde jaarlijks onderwijshuisvestingsplan (JOP). In het Investeringsplan is een stelpost Prijsstijging c.a. Onderwijshuisvesting opgenomen om effecten van dergelijke tegenvallers op te vangen of te dempen. Sport Op het gebied van de buitensport en zwemsport is de vernieuwingsopgave ook in beeld en vastgelegd in een MJIP sport met een doorkijk van tien jaar. Het beheer en onderhoud van de sportvelden wordt door SRO uitgevoerd. SRO beoordeelt jaarlijks de staat van de velden en dient bij de gemeente een aanvraag en planning in voor de noodzakelijke vervangingen. Voor de buitensport vindt vervanging plaats op basis van eisen en richtlijnen van de sportbonden.
Door middel van keuringen wordt bepaald of een veld al dan niet vervangen moet worden. Over het algemeen is de levensduur van een sportveld goed te voorspellen en is vervanging hierdoor goed te plannen. Voor de binnensport wordt de vernieuwingsopgave momenteel in kaart gebracht en de uitbreidingsopgave geactualiseerd. Veel gymzalen en sporthallen in Haarlem zijn verouderd en bereiken in de komende jaren het einde van hun levensduur. Op basis van deze informatie wordt een MJIP voor de binnensport opgesteld en voorgelegd aan de raad. Welzijnsvoorzieningen Met het Strategisch Huisvestingsplan Gewoon in de Wijk (2024/907669) is samen met Buurts inzichtelijk gemaakt welke uitbreidings- en vervangingsopgaven de komende jaren nodig zijn om het aanbod van maatschappelijke vastgoed Gewoon in de Wijk kwalitatief en kwantitatief op orde te krijgen. Dit is een nieuwe ontwikkeling in Haarlem, aangezien er de afgelopen jaren vanuit het Sociaal domein, buiten onderwijs en sport, nog weinig proactief gekeken werd naar het maatschappelijk vastgoed in relatie tot de maatschappelijke opgave. Het Strategisch Huisvestingsplan Gewoon in de Wijk resulteert in een stevige investeringsopgave de komende jaren, maar hiermee is wel een goede basis gelegd.
Wat is er al gedaan? In de vorige paragraaf (over de investeringen in de openbare ruimte) is een voorstel gedaan voor een vorm van portefeuillesturing op de kleinere onderhoudsprojecten, waarbij gezocht is naar een zekere vorm van flexibiliteit en overprogrammering. Voor de onderwijshuisvesting is nu al sprake van een (relatief) flexibele programmering. Met de schoolbesturen is voor de eerste uitvoeringsfase van het SHO een prioritering opgesteld van de te realiseren projecten. Tevens is de afspraak gemaakt dat, wanneer er sprake is van vertraging in de uitvoering van deze projecten, er reeds gestart wordt met de planvorming van projecten die geen onderdeel waren van de prioriteitenlijst eerste fase of een aantal renovatieprojecten uit de tweede uitvoeringsfase. Op die wijze wordt in samenwerking met schoolbesturen: a. het beschikbare investeringsvolume ingezet en; b. blijft er sprake van een continue vernieuwing van de onderwijshuisvesting. Datzelfde geldt voor onderhoud en vervangingen in de buitensport. Binnen het Investeringsplan is in alle jaarschijven krediet beschikbaar voor de vervanging van toplagen en onderlagen van sportvelden. Op basis van de aanvraag van SRO wordt het krediet jaarlijks ingezet. De veilige bespeelbaarheid van de velden is daarin de belangrijkste graadmeter; als een veld wordt afgekeurd kan het niet meer bespeeld worden.
En daar waar werkzaamheden efficiënt gecombineerd kunnen worden, gaat dit ook voor op de technische levensduur (waardoor investeringen dus eerder of later Programmabegroting 2025-2029
41
plaatsvinden). Op het moment dat de kredieten beschikbaar zijn gesteld, is er vrijwel geen ruimte meer om te schuiven, het grootste deel van de investeringen moet in de zomerperiode plaatsvinden: dan worden velden niet gebruikt. Wat moet/gaat er nog gebeuren? Het maken van een realistische planning én een adequate bepaling van de benodigde investering voor de diverse projecten is een belangrijke garantie voor het daadwerkelijk in de beloofde tijd uitvoeren van die investeringen. Aanpassing van planning of benodigd investeringsbudget vraagt veelal aanvullende besluitvorming voor o.a. extra financiering, hetgeen kan leiden tot vertraging en/of herprioritering in overleg met bijvoorbeeld de schoolbesturen of sportverenigingen. In dat licht is het wenselijk om in de exploitatie een structureel budget op te nemen voor de uitvoering van relevante onderzoeken in de initiatieffase (o.a. haalbaarheidsonderzoeken) voor alle maatschappelijke voorzieningen; uitgaven die daarmee niet perse activeerbaar hoeven te zijn (als onderdeel van het nog beschikbaar te stellen krediet). De resultaten van deze fase zijn immers bepalend voor: a. de omvang van de benodigde investering en; b. de planning.