Bijlage 1 Het bestemmingsplan Sonneborn Bloom
Tekst van het document
42
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
met inachtneming van reeds gemaakte afspraken. Bevorderen gezonde leefomgevingen Extra groen en water zorgen voor een betere luchtkwaliteit, biodiversiteit en nodigen uit tot sporten, fietsen, wandelen, spelen, ontspannen en het ontmoeten van anderen. In deze omgevingsvisie worden de recreatieve routes door de stad gecombineerd met de groen- en waterstructuren. Als de stad groeit, neemt het belang van het omliggende landschap evenredig toe. Er moeten in de omgeving meer natuurgebieden komen om de gebieden met de hoogste natuurwaarden, zoals de Kennemerduinen, te beschermen tegen teveel bezoekers. In de omgeving van Haarlem zorgen we voor meer natuurwaarde en mogelijkheden voor recreatie. Dat doet de gemeente door: meer kwaliteit toe te voegen in het buitengebied: onder andere door het opwaarderen van de natuur-waarde van landbouwgrond; het versterken van ecologische verbindingen door en om de stad tussen hotspots. Ruimte voor de energietransitie Duurzame energie en warmtewinning kosten ruimte, zowel boven- als ondergronds. De benodigde voorzieningen kunnen niet allemaal in het stedelijke gebied landen. Bedrijventerrein Waarderpolder en het omliggende landschap spelen hierbij een belangrijke rol. Ook vraagt de ruimteclaim die de energietransitie met zich meebrengt afstemming met de beschikbare ruimte in de ondergrond.
Deze enorme puzzel kan alleen worden gelegd als er integrale ontwerpen voor het omliggende landschap worden gemaakt en de regie wordt genomen op de ondergrond. In deze omgevingsvisie reserveren we ruimte waar we weten dat deze nodig is. Dat doet de gemeente door: ruimte te reserveren en vrij te maken voor energietransitie. Mobiliteitstransitie Om een groeiende stad bereikbaar en in beweging te houden, zet Haarlem in op andere vormen van mobiliteit. Binnen de stad reizen we zoveel mogelijk te voet of met de fiets, de reizen van en naar de stad doen we zoveel mogelijk met het openbaar vervoer en de fiets en we gebruiken de (elektrische) auto alleen als het niet anders kan. De HOV knooppunten zijn essentieel onderdeel van de mobiliteitstransitie en de verdichting van de stad. Er komt een nieuw OV knooppunt aan de oostkant van de stad en bestaande OV knooppunten worden verbeterd. Dat doet de gemeente door: regionale fietsverbindingen te verbeteren en te verbinden met het tien-minuten netwerk; knooppuntontwikkelingen in combinatie met verbeteren van de HOV
43
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
bereikbaarheid.
Figuur 3.1: Integrale visiekaart gemeente Haarlem, bron: Gemeente Haarlem Het plangebied valt volgens de omgevingsvisie binnen het gebied 'ontwikkelzones'. De gemeente Haarlem werkt er in de ontwikkelzones aan dat er op korte termijn aantrekkelijke en toekomstbestendige nieuwe gebieden in de stad zijn. In de zones is ruimte voor minimaal 10.000 woningen. Deze toevoeging zorgt voor een kwaliteitsimpuls, bijvoorbeeld in de vorm van meer differentiatie in het lokale woningaanbod en een groter draagvlak voor nabije voorzieningen. In de ontwikkelzones staat duurzaamheid voorop. Ook vormen ze de eerste schakel in het realiseren van de integrale opgaven uit de omgevingsvisie. Behalve de nieuwe woningen maken we ook ruimte voor werken, komen er goed functionerende stadsstraten, is aandacht voor het tien-minuten netwerk, voor ontmoetingsplaatsen en klimaatadaptatie. Toetsing De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, draagt bij aan de doelen uit de Haarlemse Omgevingsvisie. Het plangebied is aangemerkt als integraal te ontwikkelen woongebied, waar dit
44
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
bestemmingsplan met een mix van wonen en klimaatadaptief openbaar groen in voorziet. Die mix zet in op het aantrekken van zowel bewoners, als bezoekers, waarmee het onderdeel wordt van de huidige buurt en wijk. In de openbare ruimte is er aandacht voor voetgangersverbindingen en groen. Deze combinatie van functies en fysieke inrichting maken dat het plangebied de verbinding tussen andere stadsdelen versterkt wordt. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Omgevingsvisie. 3.3.2 Structuurvise openbare ruimte De "Structuurvisie Openbare Ruimte" is opgesteld om de openbare ruimte van Haarlem toekomstbestendig te maken. Hoofddoelen voor Haarlem zijn 'Vitale stad', 'Metropolitane economie' en 'Duurzame mobiliteit'. Op basis van de Structuurvisie Openbare Ruimte is de stad gezoneerd en een duurzaam mobiliteitsmodel opgesteld. De nieuwe structuur voor de openbare ruimte en ambitie ten aanzien van bereikbaarheid zorgt ervoor dat Haarlem ook in de toekomst groen en bereikbaar blijft en plek biedt aan de uitdagende verstedelijkingsopgave. In de SOR 2040 is het regionale schaalniveau leidend. De recente bevolkingsprognoses van de provincie Noord-Holland (zie de Haarlemse woonvisie en het Regionaal Actieprogramma Wonen) laten zien dat de verstedelijkingsopgave in de MRA en vooral ook voor de aantrekkelijke regio Haarlem – Amsterdam uitdagend is.
Voor de aanpak van deze complexe opgave is een goede samenwerking met MRA partners als Amsterdam, Almere, Zaanstad en Noord-Holland. Haarlem wil samen met Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer goede afspraken maken binnen de MRA over de versterking van het hoogwaardige woon-werkmilieu, recreatief gebruik van het groene buitengebied en betere infrastructurele verbindingen met Amsterdam en Schiphol. Toetsing en conclusie Beoogd wordt om naast verbeteringen aan het gebouw ook de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren, zie paragraaf 2.2. Daarmee ligt het plan dus in lijn met de SOR 2040. 3.3.3 Stedenbouwkundig kader Het stedenbouwkundig kader voor de voorliggende ontwikkeling is vastgelegd in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) Sonneborn, waar in paragraaf 2.2 reeds op in is gegaan. Het SPvE is tevens opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Het Stedenbouwkundig Plan dat met het SPvE als vertrekpunt is uitgewerkt (zie paragraaf 2.2.3), is eveneens als bijlage bij deze toelichting opgenomen, te weten in bijlage 2. 45
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
3.3.4 Notitie Hoogbouwprincipes: Kansen voor Hoogbouw in Haarlem Op 20 december 2018 is de Notitie Hoogbouwprincipes vastgesteld. Daaruit komt naar voren dat besloten is dat de grenzen van de stad zijn bereikt en de groene zoom rond Haarlem behouden moet worden. Met de toenemende woonvraag dient een oplossing dus ook in de hoogte gezocht te worden. Met hoogbouw moet er ook kwaliteit worden toegevoegd aan de stad. Hiermee is het mogelijk een stedelijk gebied te realiseren en veel woningen op relatief weinig grond te bouwen. Omdat hoge gebouwen meer impact op de omgeving hebben dan lage bebouwing moet met het realiseren hiervan zorgvuldig worden omgegaan. De hoogbouwprincipes bieden een richtlijn voor gebouwen van meer dan tien verdiepingen (vanaf 30 meter) en in het beschermd stadsgezicht vanaf zeven verdiepingen (20 meter). Om hoogbouw toe te voegen moet er een proces van drie stappen worden doorlopen. Deze stappen zijn in figuur 3.2 weergegeven.
Figuur 3.2 Stappenplan hoogbouwvisie Haarlem Stap 1 benadert stadsbreed het vraagstuk waar hoogbouwinitiatieven kansrijk zijn. De Spaarndamseweg is een locatie waar hoogbouw kansrijk is. Stap 2 bekijkt waar hoogbouw op een specifieke plek ingepast kan worden (historisch en stedenbouwkundig) en wat de effecten zijn hiervan. Hiervoor wordt ook een Hoogbouw Effecten Rapportage opgesteld (HER). 46
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Als hier een positief advies uitkomt, komt stap 3. Hier wordt op gebouwniveau gekeken hoe een gebouw vorm krijgt. Toetsing en conclusie De nieuwbouw die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kent een hoogteaccent van circa 40 m. Om die reden dient getoetst te worden aan de Notitie Hoogbouwprincipes. Toetsingsaspecten die uit deze notitie volgen om bij hoogbouw (> 30m) aan te toetsen, zijn cultuurhistorie, stedenbouwkundige inpassing, windhinder, schaduwwerking en hoogtebeperkingen als gevolg van Schiphol, straalpaden en zendstations. In plaats van hier een separate HER voor op te stellen, is er voor gekozen om de genoemde aspecten in de toelichting van dit bestemmingsplan te toetsen. Daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 4.14. Uit deze toetsing blijkt dat er sprake is van een passende ontwikkeling en dat de genoemde aspecten uit de Notitie Hoogbouwprincipes geen belemmering vormen voor de uitvoering. 3.3.5 Ruimtelijke kwaliteit De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (NRK) geeft een integrale stadsbrede visie op ruimtelijke kwaliteit die voor ieder nieuw ruimtelijk plan de basis vormt. De gemeenteraad stelde de nota op 28 juni 2012 vast. Het bestaat uit twee delen. In het eerste deel draagt Haarlem uit waar haar kracht en ambitie liggen.
De relatie tussen duurzaamheid, in de zin van toekomstbestendigheid en de kwaliteit van de leefomgeving, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit, is een belangrijk thema van de visie. Er zijn tien gouden regels geformuleerd die een prioriteit voor ruimtelijke ontwikkeling in Haarlem uitspreken. Relevante gouden regels zijn onder andere: Kiezen voor toekomstbestendigheid. Haarlem legt de prioriteit bij toekomstbestendigheid: duurzame verstedelijking in relatie tot ruimtelijke kwaliteit; Synergie tussen toekomst-, gebruiks- en belevingswaarde staat centraal in de planvorming. Bij elk ruimtelijk initiatief in de stad staat de vraag centraal hoe de mensen dit zullen ervaren; Bestaande kwaliteit is het vertrekpunt. Prioriteit ligt in Haarlem bij het vasthouden aan bestaande kwaliteit; De gebiedstypologie moet meegenomen worden in afwegingen. Vragen en opgaven moeten in hun onderlinge samenhang worden opgepakt op een manier waarbij de gebiedsidentiteit en gebiedskenmerken centraal staan. Dit zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en maakt afwegingsprocessen en consequenties transparant. De geconsolideerde stad Het stadslandschap van Haarlem is in vier delen ingedeeld: de beschermde stad, de geconsolideerde stad, de stad in transformatie en de lange lijnen die alles samenbinden, oriëntatie geven en de stad als één geheel leefbaar maken.
47
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Figuur 3.3: Uitsnede kaart 'Het karakter van Haarlem'. Bron: Haarlem Nota Ruimtelijke Kwaliteit, 2012. De projectlocatie ligt in het deelgebied 'De Geconsolideerde stad'. De consolidatie regie richt zich op de gebieden in Haarlem waar niet zo snel iets zal veranderen aan de stedelijke structuur. Het gaat om een schakering aan buurten uit verschillende tijdsperiodes met elk hun eigen karakteristiek. De openbare ruimte wordt gevormd door een stelsel van woonstraten, breder en smaller maar altijd sober en doelmatig ingericht met een trottoir, parkeervakken, vaak gecombineerd met de plaatsing van bomen en een rijbaan voor fiets en auto. De consolidatie regie is gericht op behoud van het onderscheidende karakter van de buurten en - daarbinnen - vrijheid voor individuele invullingen. Plannen en ontwikkelingen moeten zich voegen naar de stedenbouwkundige context: naar het stratenpatroon, het bouwbloktype en de bestaande massa- en gevelopbouw. Er is vrijheid mogelijk in architectonische expressie en materialisering op pandniveau. In het algemeen geldt hier: hoe meer een plan zich voegt naar zijn context, hoe groter de vrijheid op pandniveau. Bij panden die deel uitmaken van een serie (vrijwel) identieke gebouwen kunnen ingrepen afwijken van de buurpanden, zolang het verbouwde pand blijft passen binnen de maat- en schaalverhoudingen van de wand als geheel.
In de openbare ruimte is de opgave een samenhangende inrichting te ontwerpen, waarbij de parkeerdruk in combinatie met de behoefte aan groen en speelruimte wordt aangepakt. Bebouwing langs belangrijke structuurlijnen en op bijzondere plekken valt onder de bijzondere regie, en heeft in de beoordelingskaders een aantal ‘extra’ criteria gekregen die te maken hebben met de gewenste samenhang van het straatbeeld en met de grotere maat van de openbare ruimte, waardoor de dakcontour goed zichtbaar is.
48
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Figuur 3.4: Ruimtelijke nota deelgebieden Indischewijk De bebouwing is twee bouwlagen met kap hoog. De hoogte van de bouwlaag varieert echter. Soms is er in zijstraten ook bebouwing van één bouwlaag met kap te vinden. Hoekpanden worden door een iets groter volume geaccentueerd. Kapvormen variëren van zadeldak of schilddak tot plat dak. In de Transvaalwijk staat de nokrichting vaak haaks op de straat, in de Indischewijk is het dak evenwijdig aan de straat geplaatst. Dakopbouwen komen veel en in allerlei gedaanten voor, waardoor het straatbeeld onrustig is geworden. Bij de vroeg naoorlogse bebouwing zoals aan het Van Zeggelenplein springen de geschilderde betonnen ornamenten van de wederopbouwarchitectuur in het oog. Conclusie De projectlocatie ligt in het deelgebied ‘De geconsolideerde stad’ en in het gebiedstype ‘Eerste uitbreidingen buiten de vestinggracht (1870-1920)'. Dit gebiedstype wordt in de Nota al volgt getypeerd: Orthogonaal stratenpatroon op vroegere poldersloten, gesloten bouwblokken. Weinig openbare ruimte, pleinen zijn eigenlijk restruimtes. Bebouwing in aaneengesloten gevelwanden direct in de rooilijn, bestaande uit individuele panden of kleinere ensembles. Verticaliteit overheerst in gevelwand.” De nota is betrokken bij het opstellen van het SPvE dat als vertrekpunt heeft gediend voor het nu uitgewerkte SP. Dit is in paragraaf 2.2.2 en 2.2.3 reeds beschreven.
In dat licht hanteert de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) voor dit project het SPvE als beoordelingskader. De verdere toetsing op beeldkwaliteit vindt plaats bij de beoordeling van de omgevingsvergunning voor 49
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
het bouwen. 3.3.6 Wonen Haarlem heeft veel wijken en panden met een gewilde identiteit. De woningvoorraad is gevarieerd en van relatief goede kwaliteit. De kwaliteit van de woningvoorraad, ook in aandachtswijken, wordt verbeterd door herstel van de gevolgen van de palenpest, het opheffen van bouw- en woontechnische achterstand, het realiseren van veilige en energiezuinige woningen, bevorderen van ‘wonen boven winkels’ en het realiseren van een veilige en mooie woonomgeving. Differentiatie van de soms eenzijdige voorraad zal daarbij in bepaalde wijken een bijdrage leveren aan het verbeteren van de leefbaarheid. Woonvisie 2021-2025 In de Woonvisie Haarlem 2021 - 2025 'Samen Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis' geeft richting aan het woonbeleid op de lange termijn tot 2030 en handvatten voor de uitvoering ervan in de periode 2021-2025. Belangrijkste doel is een toegankelijke, diverse en inclusieve stad te zijn die een duurzaam (t)huis biedt aan een breed scala van doelgroepen. De komst van voldoende (betaalbare) woningen is hierbij een randvoorwaarde. De bouwambitie tot 2030 ligt hoog.
Gelet op de resterende opgave van de ambitie 2016 tot en met 2025 (7.200 woningen 2020-2025), de actualisatie van de raming van de aanvullende woningbehoefte (8.000 woningen 2019-2030) en de beschikbare plancapaciteit waarvoor visies zijn vastgesteld, wordt de ambitie voor de periode 2020-2030 vastgesteld op 8.000-10.000 woningen. De ambitie is dat er 3.200 tot 4.000 sociale huurwoningen bij komen. Doorstroming moet worden gestimuleerd door naast het bouwen van middeldure woningen ook voorrang te geven aan doorstromers vanuit sociale huurwoningen. Haarlem wil een inclusieve stad zijn, een stad voor iedereen. Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen is extra aandacht. Door de gemeente en partners worden woonvormen ontwikkeld voor Haarlemmers die uit de maatschappelijke opvang of een beschermde woonvorm komen. Op het gebied van duurzaamheid wordt gestreefd naar het voorkomen van hittestress en wateroverlast. Spelregels voor woningbouwprogrammering Er zijn in de Nota Kaders en instrumenten sociale huur en middensegment spelregels vastgesteld voor de realisatie van sociale- en betaalbare huur en koopwoningen. Sinds 30 november 2022 is er een actualisatie van deze spelregels van toepassing. Deze actualisatie houdt in dat er op stedelijk niveau gestuurd wordt op een verdeling van 40% sociaal / 40% middelduur/ 20% vrij.
Voor alle nieuwe initiatieven en projecten (met meer dan 9 woningen) ten oosten van het Spaarne geldt een woningbouwprogrammering van 40% sociaal / 40% middelduur / 20% vrij. Voor alle nieuwe initiatieven en projecten (met meer dan 9 woningen) aan de westkant van het Spaarne geldt een 50
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
woningbouwprogrammering van 50% sociaal / 50% vrij met daarin wel een nadrukkelijke inspanningsverplichting om binnen het vrij in te vullen programmadeel ook ca. 30% te ontwikkelen en te realiseren in het (lage) middeldure segment, zodat hiermee een gedifferentieerd woonprogramma ontstaat en diverse doelgroepen kunnen worden bediend. De geactualiseerde spelregels voorzien in meerdere uitzonderingen, waarvan er één betrekking heeft op projecten waar voor de vaststelling van de geactualiseerde spelregels reeds programmatische afspraken zijn gemaakt. De uitzondering is als volgt geformuleerd: De uitgangspunten 40-40-20 voor het oostelijk deel van het Spaarne en de 50-50 voor het westelijk deel van het Spaarne zijn niet van toepassing bij lopende projecten en gebieden aan de westkant van de stad waarin voorafgaand aan de vaststelling door de raad van de geactualiseerde spelregels meer dan 40% sociale huur als uitgangspunt is opgenomen. Voor het project Bloom is reeds voor de vaststelling van de geactualiseerde spelregels een programma afgesproken. Daar is in paragrafen 2.2.1 en 2.2.3 reeds op ingegaan.
Daarnaast gelden op basis van de spelregels kwalitatieve eisen ten aanzien van de woningen, zoals de minimale oppervlakte per woning, zoveel mogelijk worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan, maar ook in de koopovereenkomst die wordt gesloten bij de verkoop van de gronden van het plangebied. Hierin wordt ook de programmeringseis opgenomen. Doelgroepenverordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. Het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen, kan door het opstellen van een doelgroepenverordening. De doelgroepenverordening heeft primair betrekking op nieuwbouw. De gemeente kan hierdoor sturen op een goede mix aan aanbod van (huur)woningen. De mogelijkheid om te sturen op de bouw van een bepaald percentage van categorieën woningen, de woningbouwplannen, de volkshuisvestelijke doelen van de gemeente Haarlem en specifiek de Woonvisie 2021-2025 en de Nota Kaders en instrumenten sociale huur en middensegment van 18 december 2018 vormen de uitgangspunten voor deze doelgroepenverordening.
Om de doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan vastgelegd worden. In deze verordening zijn de sociale huurwoning, middeldure huurwoning en sociale koopwoning omschreven aan de hand van de huur en koopprijsgrenzen. De doelgroepenverordening geeft tevens aan voor welke doelgroepen de te bouwen sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen bedoeld zijn. De doelgroepen worden bepaald aan
51
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat de sociale en middeldure huurwoning en sociale koopwoning gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroepen. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. De beoogde ontwikkeling voorziet in meerdere segmenten van woningen. De realisatie van de 163 woningen voorziet in een bijdrage aan de toevoeging van 10.000 woningen tot en met 2025. De realisatie van 45% sociale huurwoningen, draagt bij aan de te realiseren sociale huurwoningen binnen Haarlem. Daarnaast wordt een deel van het programma in het middensegment gerealiseerd, zodat per saldo meer dan 60% in de categorie betaalbaar valt. Planspecifiek De voorliggende herontwikkeling is in lijn met de Woonvisie en het gemeentelijk woonbeleid. Er wordt gebouwd naar de behoefte die er bestaat, zowel op het gebied van wonen als op het gebied van duurzaamheid.
52
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
M er-beoordeling In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Door enkele veranderingen in de wettelijke bepalingen met betrekking tot milieueffectrapportages (Besluit m.e.r.) kan sinds enkele jaren niet meer worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde voor m.e.r.(-beoordeling) ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Voor elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moeten de volgende procedurestappen doorlopen worden: door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit; het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen bekend worden gemaakt; het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van het ruimtelijk plan. Toetsing Dit bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. Het plan blijft ver onder de drempel van 2.000 woningen. Er worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht, zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In het kader van dit bestemmingsplan zijn alle relevante milieueffecten onderzocht en is vervolgens ook een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (zie bijlage 3). Hieruit lijkt dat belangrijke negatieve milieugevolgen als gevolg van dit plan kunnen worden uitgesloten. Op basis van deze aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag vervolgens het m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, waarin besloten is dat geen verdere m.e.r.-procedure voor dit plan doorlopen hoeft te worden. Dit besluit is opgenomen als bijlage 4.
53
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
4.2
M ilieuzonering
4.2.1 Inleiding In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.2.2 Beleid Nota milieuzonering, gemeente Haarlem Sinds 2008 hanteert de gemeente Haarlem de In november 2002 is de 'Nota milieuzonering bedrijven' als uitgangspunt voor toegestane vormen van bedrijvigheid. Met dit beleid wordt in de basis de VNG-publicatie 'bedrijf en milieuzonering' als uitgangspunt gehanteerd. De nota voegt daar zelf een gebiedsindeling aan toe van uiteenlopende gebieden in de stad en welke categorie bedrijvigheid ze daar maximaal toe wilt staan. 4.2.3 Onderzoek De directe omgeving van het plangebied is voornamelijk bestemd als 'Wonen en 'Tuin'. Ten noorden van het plangebied zijn woningen en een kinderspeeltuin gelegen. Ten oosten grenst het plangebied aan de doorgaande Spaarnsdamseweg. Het zuiden is gekenmerkt door woningbouw met enkele percelen bestemd als 'gemengde functie' en 'bedrijf'. Westelijk ligt de woonwijk 'de Indischewijk'. Het plangebied kan zodoende worden getypeerd als een 'gemengd gebied'.
54
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Het bestemmingsplan maakt 163 woningen en circa 70 m2 aan commerciële ruimte mogelijk. De functies zijn als volgt getoetst: Woningen Het dichtstbijzijnde bedrijvenperceel ligt zuidelijk op een afstand van circa 150 meter. Op deze percelen zijn bedrijven of bedrijfsactiviteiten toegestaan van categorie A, B en C zoals vastgesteld in de VNG lijst functiemenging, hierbij is het maximale belastende aspect (geluid) vastgesteld met een richtafstand van 30 meter. De huidige invulling betreft een denksport- en biljartcentrum 't Spaerne en Garage Ooms. Het plangebied voldoet aan de richtafstanden van deze bedrijven. Ten oosten op een afstand van circa 210 meter ligt het bedrijventerrein Waarderpolder. In het vigerende bestemmingsplan van het bedrijventerrein wordt er rekening gehouden met de woonbebouwing aan de Spaarndamseweg. Bedrijventerrein de Waarderpolder is inwaarts gezoneerd. Op kortere afstand van de (woon)functies worden alleen wat lichtere categorieën (max. categorie 3.2 van de richtafstandenlijst) toegestaan. Vervolgens komen de zwaardere bedrijven tot en met maximaal categorie 4.2. Gestreefd wordt naar een minimale afstand van 100 m respectievelijk 200 en 300 m tot gevoelige functies. Het plangebied voldoet aan de richtafstanden van dit bedrijventerrein. Commerciële voorzieningen Het plan biedt ruimte aan commerciële functies in een deel van de plint aan de Spaarndamseweg.
De invulling kan een diversiteit aan voorzieningen betreffen, zoals dienstverlening, educatieve voorzieningen, levensbeschouwelijke voorzieningen, (para)medische voorzieningen, praktijkruimte of verenigingsleven. Gelet op deze functies en de relatief beperkte omvang van het betreffende vlak, gaat dit om functies die op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 0 m kennen in het gebiedstype 'gemengd gebied'. Deze functies zijn direct naast woningen mogelijk. 4.2.4 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Bodem
4.3.1 Inleiding Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden 55
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Gemeentelijk beleid Binnen de Nota bodembeheer (5-9-2013, BBVnr: STZ/MIL 2013/232071) staat gebiedsspecifiek beleid vastgesteld. Middels de bodemkwaliteitskaart wordt het beheergebied van de gemeente weergegeven en wordt inzichtelijk gemaakt wat de kwaliteit van de verschillende bodems zijn. 4.3.2 Onderzoek Het terrein is middels sanering geschikt gemaakt voor de woonfunctie. Er zijn geen sterke verontreinigingen in de grond op het terrein achtergebleven. Het grondwater was na de sanering grotendeels schoon; op enkele plekken was het grondwater hooguit licht verontreinigd. Dit was geen aanleiding voor verdere maatregelen. In bijlage 6 is de rapportage daarvan, 'Bodemsanering Sonneborn Fase 1, prj. 16546', opgenomen. Hierin is de toegepaste aanpak en het saneringsresultaat beschreven.
De gemeente Haarlem heeft ingestemd met de sanering middels een beschikking. Deze is als bijlage 5 opgenomen. Hieruit blijkt dat de grond geschikt is voor het gebruikt 'Wonen met (moes)tuin'. Behalve ondiep zijn onder het voormalige bedrijfsterrein diepe grondwaterverontreinigingen (vanaf 10 m-mv) aanwezig van benzeen en VOCI. Conform het saneringsplan zijn deze verontreinigingen bewust niet gesaneerd. Sanering van de verontreiniging was niet spoedeisend. De bron van de VOCl-verontreiniging leidt op de saneringslocatie niet tot risico's voor de mens of het ecosysteem. De verontreinigingen kunnen beschouwd worden als restverontreiniging. Actieve nazorg is voor deze verontreinigingen niet noodzakelijk. Wel moet rekening worden gehouden met deze restverontreiniging in het geval er op deze diepte leidingen worden aangelegd voor bijvoorbeeld bodemenergiesystemen. Bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zal een actualiserend bodemonderzoek ingediend moeten worden, zodat vast kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit niet is verslechterd sinds de sanering.
56
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
4.3.3 Conclusie Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg
4.4
Geluid Bij besluit van 8 september 2009 heeft BenW beleidsregels Hogere Waarden Geluidhinder vastgesteld (STZ/MIL Reg.nr. 2009/163223). In de regels wordt indien nodig een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
4.4.1 Inleiding Het bureau LBP Sight heeft een akoestisch onderzoek gedaan in opdracht van VORM naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer en industrielawaai op de gevels van de nieuw te realiseren woningen op het Sonneborn-terrein. Het rapport is toegevoegd als bijlage 7. Hierin is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting op de gevels vanwege alle akoestisch relevante (gezoneerde) geluidbronnen. Het doel van het onderzoek is om te bepalen hoe de nieuwbouw met inachtneming van de Wet geluidhinder en het beleid van de gemeente Haarlem gerealiseerd kan worden. 4.4.2 Onderzoek De locatie is geluidbelast vanwege de ligging van het plan binnen de geluidzone van de Spaarndamseweg en de Zaanenstraat en de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Waarderpolder. Om die reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 7. Daarin is ook de geluidbelasting van omliggende 30 km/u wegen inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.3 Resultaten Uit het akoestisch onderzoek geluidbronnen het volgende:
blijkt
voor
de
verschillende
relevante
Wegverkeer Zaanenstraat: De berekende geluidbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn vanuit de Wet geluidhinder vanwege deze weg geen belemmeringen voor de komst van woningen. Spaarndamseweg: De berekende geluidbelasting is ten hoogste 62 dB na toepassing van de wettelijke aftrek. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde met 14 dB overschreden. Er wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB, dus gevels hoeven niet uitgevoerd te worden met een dove gevel. 30km/u-weg Floresstraat: Vanwege de Floresstraat is de geluidbelasting ten hoogste 38 dB na toepassing van 5 dB aftrek. Industrie De hoogst, berekende geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein Waarderpolder is 52 dB(A) op de oostgevels van blok G. 57
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Ook bij blok H en E zijn er overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde na toepassing van 1 dB(A) redelijke sommatie. Gelet op de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde en het feit dat deze de uiterste grenswaarde niet overschrijden, stelt de gemeente Haarlem voor dit project hogere waarden vast voor de geluidbelasting vanwege de Spaarndamseweg en het industrieterrein Waarderpolder. Hiervoor is parallel aan dit bestemmingsplan een hogere waardenbesluit opgesteld. Daar zijn op basis van het gemeentelijk geluidbeleid wel voorwaarden aan verbonden. Daar zal in het kader van de omgevingsvergunningprocedure invulling aan moeten zijn gegeven. Om de haalbaarheid van het plan te toetsen, is in het onderzoek reeds onderzocht of het plan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid voldoet. Daaruit is gebleken dat bij de woningen uit blok B, C en F wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Ook woningen in blok A, D, E en G, die (mede) gelegen zijn aan de achtergevel, voldoen aan de voorwaarden van het gemeentelijk geluidbeleid. De woningen aan de Spaarndamsewegzijde in woningblok E, G en H voldoen niet zondermeer aan de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid van Haarlem.
Door bij deze woningen buitenruimtes afgesloten dan wel afsluitbaar uit te voeren in combinatie met een geluidgedempt rooster in de borstwering en absorptie voor de wanden en het plafond wordt voor deze woningen eveneens voldaan aan de voorwaarden uit het geluidbeleid van Haarlem. 4.4.4 Conclusie Het plan voldoet aan het wettelijk kader en het gemeentelijk geluidbeleid ten aanzien van geluid. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De gemeente Haarlem zal in dit geval een hogere waarde voor de geluidbelasting vaststellen vanwege het gezoneerde industrieterrein Waarderpolder en de Spaarndamseweg.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Inleiding In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5.1 weergegeven.
58
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Tabel 4.5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) 1)
fijn stof (PM 2,5)
toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 max. 35 keer per jaar meer dan 45 µg/m3 25 µg/m3
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekende mate (nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm3); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.
4.5.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van verkeer van 485 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Dit betreft uitsluitend het verkeer als gevolg van de nieuwbouw. Doordat de parkeergarage ook extra capaciteit biedt voor de omgeving, is hier ook een stuk verkeersgeneratie mee gemoeid, namelijk 824 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Dit tweede deel zal in hoofdzaak auto's betreffen die nu reeds in de omgeving van het plangebied rijden en parkeren. Om die reden kan gesteld worden dat dit in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet, of in ieder geval niet volledig, als extra verkeer beschouwd moet worden ten opzichte van de bestaande situatie. Volledigheidshalve is in de berekening toch met het totale aantal voertuigen van 1309 mvt/etmaal gerekend vanuit de worst-case benadering. Uit de nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van
59
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
het gehalte stikstof in de lucht van 0,93 µg/m³ en van fijn stof van 0,21 µg/m³ (zie tabel 4.5.2). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Tabel 4.5.2 Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Spaarndamseweg. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen ter hoogte van het projectgebied bedragen 16,5 µg/m³ voor NO2, 17,9 µg/m³ voor PM10 en 9,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.5.3 Conclusie en aanbevelingen Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
60
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Inleiding Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale 61
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
4.6.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt kwetsbare objecten mogelijk. De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de nabije omgeving van het plangebied enkele risicobronnen gelegen (figuur 4.6.1).
62
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Figuur 4.6.1 Risicokaart omtrent externe veiligheid. Zwarte cirkel geeft plangebied weer. Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied ligt de risicovolle inrichting Prins Staalhandel BV, een bedrijf waarbij er sprake is van vervaardiging van metalen constructiewerken. De maatgevende factor betreft opslag van vloeibaar brandbaar gas (bijvoorbeeld Propaan) hierbij is er sprake van een PR 10-6 contour van 25 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 230 meter en is niet gelegen binnen de PR 10-6 contour. Ten zuidoosten ligt de risicovolle inrichting MSD Merck Sharp & Dohme BV, een biofarmaceutisch bedrijf. De maatgevende factor betreft opslag van giftige stoffen. Hierbij is er geen sprake van een plaatsgebonden risico. Aan de Maus Gatsonidesweg 3 zijn er twee propaantanks aanwezig, de PR 10-6 contour betreft 25m en ligt op een afstand van circa 500m. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6 contour.
63
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
De windmolens ten oosten van het plangebied hebben een risico-contour van 500 meter, zie onderstaand figuur. De molens liggen op afstand van circa 1km.
Figuur 4.6.2 Risicokaart windmolens en plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontouren van de bovengenoemde inrichtingen en zodoende is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Niet gesprongen explosieven Daarnaast geldt voor een gedeelte van het perceel dat er een lage kans is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, zie figuur 4.6.3. Vanuit de Beleidskaart Niet Gesprongen Explosieven van gemeente Haarlem wordt geadviseerd bij grondwerkzaamheden het protocol 'spontaan aantreffen explosieven' te hanteren.
64
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Figuur 4.6.3 Uitsnede beleidskaart Niet Gesprongen Explosieven. Zwarte omsingeling geeft plangebied weer. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Duurzaamheid en energie Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd.
Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór
65
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
bestuurlijke vaststelling (college van BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het Omgevingsplan (OP) en worden de uitgangspunten juridisch geborgd. Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2020 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030.
Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma) Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of 66
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
een versnelde toename van de af- en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag.
Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018)
67
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8. Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft.
Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020). Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij 68
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
(ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen).
Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW ,publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving. Toetsing In het SP is op uiteenlopende manieren invulling gegeven aan duurzaamheidsdoelstellingen. Dit komt ook in het SP zelf aan de orde (bijlage 2)Ten aanzien van de genoemde randvoorwaarden geldt het volgende: Aardgasvrij bouwen: het duurzaam energiesysteem van het SP gaat uit van gasloos bouwen; Bijna energieneutraal bouwen (BENG): het duurzaam energiesysteem van het SP sluit aan bij de landelijke BENG-eisen; Watertoets en watercompensatie: bij het opstellen van het SP is rekening gehouden met de toename aan verhard oppervlak en de mate van watercompensatie die als gevolg daarvan nodig is. Paragraaf 4.9 gaat hier nader op in;
69
bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (vastgesteld)
Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie: in het kader van dit bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar zowel beschermde soorten als de mogelijke impact op (op afstand gelegen) beschermde gebieden. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.13; Milieu Prestatie Gebouwen: deze toetsing maakt verplicht onderdeel uit van de aanvraag omgevingsvergunning. Uit de dan in te dienen stukken zal moeten blijken dat aan de dan geldende waarde wordt voldaan. In aanvulling daarop zijn er nog diverse andere maatregelen te benoemen die onderdeel uitmaken van het SP. Dit betreft: natuurinclusief bouwen: onder natuurinclusief bouwen wordt verstaan dat een gebouw zo vormgegeven wordt dat er een bijdrage plaats vindt aan de biodiversiteit en de natuurwaarden. In het project vindt dit plaats door nestkasten, vleermuiskasten, vergroening van gevels, groene erfafscheidingen, groene daken met kruidenmengsels, beschutte plaatsen en insectenhotels; hittestress: zeer verharde buitenruimtes zijn plekken waar hittestress kan optreden. Het groen ingerichte middengebied, groen in/aan de gevels en de groene daken dragen bij aan het verminderen van dit effect. Voor elke parkeerplaats (fiets en auto) wordt rekening gehouden met de benodigde infrastructuur ten behoeve van laadpalen voor nu en- in de toekomst.
De traforuimte is voldoende groot om de mogelijke toekomstige uitbreiding van de laadbehoefte op te vangen. 4.7.1 Conclusie Gelet op de toegepaste maatregelen in het SP en de formele toetsing van diverse aspecten in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag, voldoet het plan aan de door de gemeente gestelde eisen ten aanzien van duurzaamheid.
4.8
Verkeer en parkeren
4.8.1 Inleiding Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaat er extra verkeer dat mogelijk van invloed is op de bestaande verkeerssituatie. Daarnaast zullen er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden om in de extra parkeerbehoefte als gevolg van het plan te voorzien. In dat licht heeft Goudappel B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de volgende onderwerpen: aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor de toekomstige functies; het aantal verkeersbewegingen dat de nieuwe functies genereren; een beoordeling van de verkeersafwikkeling op de Spaarndamseweg Het volledige verkeersonderzoek is toegevoegd in bijlage 8.