Bijlage 1 bij Bijlage 1 Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen
Tekst van het document
Bijlage 1 – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen Deel A - Lesgebouwen De voorzieningen genoemd onder A.3 (vervangende bouw), A.4.1 (uitbreiding schoolgebouw) en A.4.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.
A.1. Nieuwbouw De noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: i.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 10 jaar kunnen worden verwacht, of
ii.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en
c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.2. Renovatie De noodzaak van renovatie is aanwezig als de renovatie is opgenomen op het vigerende en door de gemeenteraad vastgestelde Integraal Huisvestingsplan Onderwijs.
A.3. Vervangende bouw De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: a. de vervangende bouw is opgenomen op het vigerende en door de gemeenteraad vastgestelde Integraal Huisvestingsplan Onderwijs of; b. dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie of; c. dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:
1
i. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 10 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of ii. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en d. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en e. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.4. Uitbreiding A.4.1. Uitbreiding schoolgebouw De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als: a. de overeenkomstig bijlage 3, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage 3, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage 3, deel C, en i.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens tien jaar kunnen worden verwacht,
ii.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of
iii.
de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en
b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en c. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
2
A.4.2. Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs met een speellokaal De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als: a. tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar, of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; b. de school volgens een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat de school minstens tien jaar zal blijven bestaan; c. in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is; d. medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en f.het naar het oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage 3, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage 3, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.
A.5. In gebruik nemen van een bestaand gebouw De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: i.
als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft en een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens tien jaar kunnen worden verwacht, of
ii.
als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft en een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en
c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en e. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.
3
A.6. Verplaatsen tijdelijk gebouw De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als: a. er op basis van een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien; b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; c. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en d. de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.
A.7. Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage 3, deel D.
A.8. Eerste inrichting 1. De noodzaak voor de voorziening eerste inrichting ontstaat wanneer het onderwijsleerpakket, het meubilair of de leer- en hulpmiddelen niet vóór 1 januari 2026 zijn bekostigd. 2. De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal. 3. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.
4
A.9. Medegebruik 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage 3, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage 3, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C; en b. een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage 3, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is. 2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2000 meter hemelsbreed. 3. Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste één gebouw.
A.10. Herstel van constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een constructief rapport, opgesteld door een onafhankelijk raadgevend ingenieur/constructeur die is ingeschreven in het register van het Constructeursregister (Stichting Constructeursregister) of een daarmee gelijkgesteld erkend kwaliteitsregister, uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
A.11. Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
5
Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs B.1. Noodzaak van nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en ingebruikneming. 1. De noodzaak tot het realiseren van nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is uitsluitend aanwezig indien het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer bestaande lokalen bewegingsonderwijs, of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs. 2. Van onmogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is sprake indien een beschikbaar lokaal bewegingsonderwijs niet voldoet aan de hieronder opgenomen normen voor afstand en — voor zover van toepassing — klokuren of groepen: a. voor scholen voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs: 1°. ten minste 20 klokuren binnen 1 kilometer; 2°. ten minste 15 klokuren binnen 3,5 kilometer; 3°. ten minste 5 klokuren binnen 7,5 kilometer. b. voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs: 1°. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 kilometer; 2°. ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 kilometer; 3°. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 kilometer; 4°. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 kilometer. c. voor scholen voor voortgezet onderwijs: – binnen 2 kilometer.
6
3. Indien de noodzaak als bedoeld in het eerste lid is vastgesteld, kan het college besluiten dat sprake is van: a. nieuwbouw indien: i. ii.
de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; en een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste tien jaar de groepen leerlingen aanwezig zijn of verwacht kunnen worden waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is.
b. vervangende nieuwbouw indien: i.
ii.
of
iii.
op basis van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat de kosten voor renovatie disproportioneel zijn in verhouding tot een levensduurverlenging van 25 jaar, zulks ter beoordeling van het college; en een overeenkomstig bijlage 2 opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste tien jaar de groepen leerlingen aanwezig zijn of verwacht kunnen worden waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is; de vervangende nieuwbouw het gevolg is van een herschikkingsoperatie
c. ingebruikneming indien: i. ii. iii.
de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of de kosten van ingebruikneming en eventuele aanpassing naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw.
B.2. Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.
B.3. Eerste inrichting De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als: a. nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en
7
b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.
B.4. Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.
B.5. Medegebruik De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.
B.6. Herstel constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een constructief rapport, opgesteld door een onafhankelijk raadgevend ingenieur/constructeur die is ingeschreven in het register van het Constructeursregister (Stichting Constructeursregister) of een daarmee gelijkgesteld erkend kwaliteitsregister,een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
B.7. Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
B.8. Aanpassing gymnastieklokalen PO en (V)SO B.8.1 Er kunnen aanpassingen aan gymnastiekruimten plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage 2, aantoont dat gedurende ten minste tien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. B.8.2 Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.
8
B.8.3 De aanpassingen bestaan uit: a. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; b. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; c. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage 3, delen A en D; d. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; e. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.
B.9. Noodzaak aanpassing gymnastieklokalen PO en (V)SO B.9.1 De noodzaak van de aanpassing genoemd in B.8.3 onder a van deze bijlage blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. B.9.2 De noodzaak van de aanpassing genoemd in B.8.3 onder b van deze bijlage blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. B.9.3 De noodzaak van de aanpassing genoemd in B.8.3 onder c van deze bijlage blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd in artikel 16, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. B.9.4 De noodzaak van de aanpassing genoemd in B.8.3 onder d van deze bijlage blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven. B.9.5 De noodzaak van de aanpassing genoemd in artikel B.8.3 onder e van deze bijlage blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.
9
B.10. Onderhoud gymnastieklokalen PO en (V)SO B.10.1 Noodzakelijk onderhoud aan permanente gymnastiekruimte komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in Bijlage 2, de ruimte nog ten minste vier jaren voor de school nodig is. B.10.2 Noodzakelijk onderhoud aan tijdelijke gymnastiekruimte komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in Bijlage 2, de ruimte nog ten minste vier jaren voor de school nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik binnen een straal van 1500 meter hemelsbreed. B.10.3 Voor alle voorzieningen genoemd in B.10.6 geldt dat het moment van de bouwkundige opname maatgevend is voor de beoordeling van de bouwkundige staat. B.10.4 Indien er echter sprake is van de feitelijke mogelijkheid om bij een vroegtijdige realisatie van een onderhoudsvoorziening aantoonbare efficiencywinst te behalen en overlast te beperken door de uitvoering van deze voorziening te combineren met de uitvoering van andere goedgekeurde of goed te keuren voorzieningen, dan kan het college besluiten om deze voorziening vroegtijdig goed te keuren.
B.10.5 Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van het betreffende onderdeel is in het geval genoemd in lid 4 van dit artikel het voorziene moment van oplevering van de andere goedgekeurde voorziening(en) maatgevend. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. B.10.6 De voorziening onderhoud gymnastiekruimten bestaat uit: a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover het betreft vervangen van: -
dakbedekking hemelwaterafvoer dakrand, daklichten dakvoorzieningen (lichtkoepels, voetlood, spouwlood, lichtstraat, dakraam, schoorsteen, luifels, lekdorpels, waterslagen, etc.) buitenberging c.q. dak buitenberging rijwielstalling c.q. rijwielstaanders brandtrap buitentrap erfscheiding (indien gymnastieklokaal op afzonderlijk terrein gelegen is) vervangen/herstellen buitenriolering (indien lokaal op afzonderlijk terrein gelegen is) bestrating (indien gymnastieklokaal op afzonderlijk terrein gelegen is) hang- en sluitwerk (renovatieactiviteit) buitendeuren (renovatieactiviteit)
10
b. c. d. e.
buitenkozijnen (renovatieactiviteit) betonnen/natuurstenen buitengevelelementen (lateien, dorpels, etc.), dakpannen inclusief houtwerk dakrand en goten boeiboorden armaturen buitenverlichting voegen metselwerk anti-duivenvoorzieningen broekscheurders buitenwandbekleding (rabatdelen, stucwerk, etc.) bliksemafleiders monumentale wandkunst of andere cultuurhistorische waardevolle onderdelen, waarvan het behoud op aanwijzing van Monumenten en Archeologie gewenst is
(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en sluitwerk); algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale verwarming; vervangen luchtbehandelingsinstallaties; onderhoud, aanpassing en vervanging van de brandmeld-, en inbraakinstallatie van inpandige of aangebouwde gymnastieklokalen
Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
B.11. Noodzaak onderhoud gymnastieklokalen PO en (V)SO B.11.1 De noodzaak van onderhoud genoemd in B.10.6 sub a van deze bijlage blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement ten minste in een matige conditie verkeert volgens een bouwkundige opname opgesteld conform de norm NEN2767, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. De conditie van het gevraagde onderhoudselement wordt beoordeeld op basis van 75% van het gehele gebouw, c.q. bouwdeel. B.11.2 De noodzaak van onderhoud genoemd in B.10.6 sub b van deze bijlage blijkt uit het feit dat de conditie van ten minste 75% van de binnenkozijnen en binnendeuren volgens een bouwkundige opname opgesteld conform de norm NEN2767, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen. De conditie van het gevraagde onderhoudselement wordt beoordeeld op basis van 75% van het gehele gebouw, c.q. bouwdeel. B.11.3 De noodzaak van onderhoud genoemd in B.10.6 sub c van deze bijlage blijkt uit het feit dat de conditie van ten minste 75% van de radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, volgens een bouwkundige opname opgesteld conform de norm NEN2767, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen.
De conditie van het gevraagde onderhoudselement wordt beoordeeld op basis van 75% van het gehele gebouw, c.q. bouwdeel. B.11.4 De noodzaak van vervanging genoemd in B.10.6 sub e van deze bijlage blijkt uit het feit dat de conditie van de brandmeld- en inbraakmeldinstallatie, volgens een bouwkundige opname
11
opgesteld conform de norm NEN2767, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen. De conditie van het gevraagde onderhoudselement wordt beoordeeld op basis van 75% van het gehele gebouw, c.q. bouwdeel. B.11.5 De noodzaak van onderhoud genoemd in B.10.6 sub d van deze bijlage blijkt uit het feit dat de conditie van de luchtbehandelingsinstallatie, volgens een bouwkundige opname opgesteld conform de norm NEN2767, zo slecht is dat niet door adequaat onderhoud een redelijke verlenging van de levensduur kan worden verkregen. De conditie van het gevraagde onderhoudselement wordt beoordeeld op basis van 75% van het gehele gebouw, c.q. bouwdeel.
12