ambtelijke kadernotitie IJsbaanlaan
Tekst van het document
IJsbaanlaan Ambtelijke kadernotitie – 14 januari 2025 Inhoud
1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 2 1.1 Leeswijzer ............................................................................................................................................................................. 2 1.2 Uitleg randvoorwaarden, eisen en wensen .......................................................................................................................... 3
2. Omgevingswet en -visie ...................................................................................................................................... 3 3. Ruimtelijke opzet ................................................................................................................................................ 4 4. Programma.......................................................................................................................................................... 6 4.1 Woonprogramma ................................................................................................................................................................. 6
5. Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten ...................................................................................................... 6 5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit ..................................................................................................................................... 6 5.2 Bomen .................................................................................................................................................................................. 7 5.3 Water en klimaatadaptatie .................................................................................................................................................. 7 5.4 Energie ................................................................................................................................................................................. 8 5.5 Circulariteit ........................................................................................................................................................................... 9
6. Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................................................... 9 6.1 Stikstof.................................................................................................................................................................................. 9 6.2 Bezonning ........................................................................................................................................................................... 10 6.3 Geluid ................................................................................................................................................................................. 10 6.4 Trillingen ............................................................................................................................................................................. 11 6.5 Luchtkwaliteit ..................................................................................................................................................................... 11 6.6 Bodemkwaliteit ..................................................................................................................................................................
11 6.7 Archeologie ........................................................................................................................................................................ 12
7. Mobiliteit ........................................................................................................................................................... 13 7.1 Fiets parkeren bewoners en bezoekers .............................................................................................................................. 13 7.2 Auto parkeren bewoners en bezoekers ............................................................................................................................. 13 7.3 Toegankelijkheid calamiteitendiensten, laden en lossen en verhuisdiensten ................................................................... 13
8. Privaat maaiveld ................................................................................................................................................ 14 8.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw ......................................................................................................... 14 8.2 Voortuintjes en erfafscheidingen bij woningen ................................................................................................................. 14 8.3 Collectieve buitenruimten en overgangszone collectief - privé ......................................................................................... 15
9. Gebouwen ......................................................................................................................................................... 15 9.1 Sociaal veilig en toegankelijk .............................................................................................................................................. 15 9.2 Gebouwplinten ................................................................................................................................................................... 15 9.3 Entreepartijen .................................................................................................................................................................... 16 9.4 Bergingen en collectieve stallingsruimten .......................................................................................................................... 16 9.5 Technische ruimten en installaties ..................................................................................................................................... 17 9.6 Vergroenen daken en gevels ..............................................................................................................................................
17 9.7 Beeldkwaliteit ..................................................................................................................................................................... 18
10. Participatie- en inspraak ................................................................................................................................. 18
1/18
1. Inleiding Het project IJsbaanlaan is één van de corporatieprojecten die in het kader van ‘Samen Anders’ versneld wordt opgepakt. Deze kadernotitie is een vervolg op het ingezette proces zoals weergegeven in de Startnotitie ‘Stimulering sociale woningbouw buiten de prioritaire zones’. Deze ambtelijke kadernotitie geeft de relevante kaders die van toepassing zijn voor de herontwikkeling van de het gebied tussen de Willem van Oudshoornlaan en Jan Pieterszoon Coenlaan. In lijn met de principes van de Omgevingswet worden deze kaders integraal en vooraf aan de initiatiefnemer meegegeven zodat het duidelijk is waar de gemeente aan zal toetsen. De kadernotitie gaat ter kennisname naar de gemeenteraad. De belangrijkste ambtelijke aandachtspunten voor de herontwikkeling van het gebied zijn: • • •
•
Programma; wonen; 100% in het sociale segment. Stedenbouwkundige structuur; het afmaken van de stedenbouwkundige structuur van de wijk De Krim en rekening houdend met toekomstige woningbouwontwikkeling op het parkeerterrein. Parkeervoorzieningen; Onderzocht moet worden of: o De circa 130 parkeerplaatsen die alleen op piekdagen (evenementen) worden gebruikt niet hoeven te worden gecompenseerd. o Het parkeren van de nieuwbouw kan plaatsvinden op het bestaande parkeerterrein. Sociale veiligheid en verkeersveiligheid; voldoende zicht op de openbare ruimte en levendige plinten, De locatie grenst aan een groot parkeerterrein.
De ambtelijke kadernotitie vormt de basis voor de beoordeling van het stedenbouwkundig plan. Het gemeentebestuur behoudt echter de mogelijkheid om een bredere belangenafweging te maken en, indien nodig, van het advies af te wijken wanneer andere belangen zwaarder wegen. Deze afweging kan ook worden ingegeven door een verzoek van de ontwikkelaar om hiervan af te wijken. Bijvoorbeeld als de stapeling van ambities de (financiële) haalbaarheid in de weg zit. Indien hiervan sprake is, dient de afwijking zorgvuldig te worden onderbouwd. Deze onderbouwing moet door de ontwikkelende partij worden aangeleverd, zodat het besluit van een gedegen rechtvaardiging is voorzien. 1.1 Leeswijzer De kaders die in deze notitie behandeld worden zijn van invloed (of kunnen invloed hebben) op het plan. De onderzoeken die hierbij nodig zijn moeten in de Ontwerpfase van het Haarlems Ruimtelijke Planproces (HRPP) aangeleverd worden voor de ambtelijke toetsing. Als uit deze toetsing blijkt dat aanpassingen noodzakelijk zijn, dan dient het plan hierop aangepast te worden. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: • Omgevingswet en -visie • Ruimtelijke opzet • Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten • Milieu- en omgevingsaspecten • Programma • Mobiliteit • Privaat maaiveld • Gebouwen • Participatie
2/18
Op allerlei vlakken zit er overlap in deze thema’s. Een onderwerp als duurzaamheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de gebouwontwerpen maar ook op mobiliteit. Daarom moet de kadernotitie altijd in zijn totaliteit doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één onderwerp. Let op: deze notitie behandelt alleen de hoofdlijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan. Bij de vergunningsaanvraag dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of er ook voldaan wordt aan de andere relevante kaders die in deze notitie niet benoemd worden. Ook dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn tegen de tijd dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Een vergunningsaanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving tenzij dit in de anterieure overeenkomst (AO) anders vastgelegd wordt. 1.2 Uitleg randvoorwaarden, eisen en wensen In deze notitie wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen. Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschapsverordening van Rijnland) waar de gemeente zich aan moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden.
Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeernormen) en de beoogde kwaliteit van het maaiveld- en gebouwontwerp. Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen. Wensen zijn ambities van de gemeente waar het project bij voorkeur aan voldoet maar die niet afdwingbaar zijn. De gemeente zal de ontwikkelende partijen vragen invulling te geven aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.
2. Omgevingswet en -visie Fysieke ontwikkelingen moeten voldoen aan de Omgevingswet en moeten voldoen aan de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie. De rijksoverheid wil dat deze wet bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Randvoorwaarden • Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. • Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. • Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waar de ontwikkeling op van invloed kan zijn. Haarlem heeft dit in de Omgevingsvisie uitgewerkt in zes strategische keuzes. Drie van deze keuzes zijn primair van toepassing op de herontwikkeling van de IJsbaanlaan.
3/18
Eisen De ontwikkeling van de IJsbaanlaan draagt bij aan drie van de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie, te weten: • Mengen en verdichten: extra woningen bouwen om te zorgen dat er voor alle doelgroepen een woning is. De leefbaarheid versterken met buurtgroen. Waardevolle karakteristieken van omgeving (De Krim) worden hierbij gekoesterd en behouden. • Vergroenen en vernatten: hoewel op een bescheiden schaal, draagt de ontwikkeling bij aan het vergroenen en vernatten van Haarlem, zie paragraaf 5. Ruimte creëren voor klimaatadaptatie ten koste van ruimte voor de auto in de openbare ruimte. • Mobiliteitstransitie: stimuleren fietsgebruik en openbaar vervoer door vanuit de woning sneller bij de fiets dan de auto te zijn en voldoende fietsparkeren realiseren met een hoge gebruikskwaliteit en sociaal veilige routes naar haltes openbaar vervoer.
3. Ruimtelijke opzet Locatie:
De intieme en groene opzet van De Krim is bepaald door 5 ruimtelijke principes: 1.
T-splitsingen; Veel kruisingen van de Krim zijn T-splitsingen. De wegen komen bij deze splitsingen frontaal uit op de bebouwing of op de groene randen van het gebied.
4/18
2.
Kavelvorm; De kavels tussen de wegen zijn onregelmatig gevormd. Dit draagt bij aan het intieme karakter, maar ook aan het groene karakter omdat het ruimte geeft aan restgroentjes.
3.
Halfopen bouwblok; de bouwblokken op de Krim zijn halfopen: ze bestaan uit rijtjes van 3 tot 6 woningen (ensembles) Dit geeft lucht en een groen karakter aan de wijk.
4.
Rooilijnen; De rooilijnen van de bebouwing is gestaffeld of verspringt. Dit draagt bij aan het intieme karakter van de wijk.
5.
Hiërarchie; behalve intiem en groen is de wijk ook duidelijk leesbaar. Dit komt doordat en een hiërarchie van straten is. In hoeken is de bebouwing georiënteerd op de belangrijkste straat.
Eisen ruimtelijke opzet: • De Bouwhoogte 3-4 lagen, aansluitend op de bestaande schaal van de wijk ‘De Krim’. • Het bouwplan maakt gebruik van de beschikbare parkeerplaatsen op het naastgelegen parkeerterrein (startnotitie d.d. 26-09-2024). Dit dient onderbouwd te worden. • Bouwplan 100% sociale huursegment. Wensen ruimtelijke opzet • Het afmaken van de structuur van de wijk De Krim rekening houdend met de genoemde principes. • De overgang tussen de woonwijk en het parkeren dient zo te worden vormgegeven dat het rustige woonkarakter van de woonwijk bewaard blijft. Het bouwplan vormt hierbij de scheiding tussen het sportgebied met parkeervoorzieningen en de woonwijk. • De groenplek langs de Van Riebeecklaan en PC Coenlaan behouden.
5/18
4. Programma De locatie krijgt een woonbestemming. De kavel biedt ruimte om 50 – 60 woningen in het sociale huursegment te realiseren. De gemeente is bereid mee te werken aan de nieuwbouw. De ontwikkeling dient daarbij te v voldoen aan het gemeentelijk beleid. In het coalitieakkoord 2022-2026 is over deze locatie het navolgende opgenomen: "Het onverharde parkeerterrein ten noorden van de Willem van Outhoornlaan ontwikkelen we voor woningbouw, waar 100% van de woningen sociale huur zal zijn." 4.1 Woonprogramma Randvoorwaarde • Alle woningen worden gerealiseerd binnen het sociale huursegment conform eerdere afspraken. Eisen • De ontwikkeling dient te voldoen aan de actuele Woonvisie en de Actualisatie Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering nieuwbouw sociale huur en middensegment. • De vraag naar woningen kan veranderen in de tijd. Realiseer daarom levensloopbestendige woningen die flexibel in gebruik zijn en daarmee geschikt voor meerdere doelgroepen in de toekomst.
5. Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders waar de ontwikkeling op de volgende aspecten aan moeten voldoen: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Circulariteit 5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). Doelstelling voor iedere ontwikkeling in Haarlem is het behouden en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Randvoorwaarden • Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. • De ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quick-scan ecologie plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Eisen • Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op niveau ‘Brons’: o Voor dit grootschalig project (oppervlak ≥ 2000 m2) realiseren of behouden hoogwaardige habitat voor ten minste drie soorten categorieën (gebouwbewonend, boombewonend, struweel gebonden). o Per soortcategorie wordt aangegeven welke maatregelen worden genomen voor realisatie of behoud van een hoogwaardige habitat.
• De te nemen maatregelen moeten voldoen aan het volgende: o Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten. o Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn.
6/18
o Daken en/of gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, natuurdaken, gevelgroen etc.). Zie ook paragraaf 9.6. • Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: o Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. o Op deskundige wijze worden uitgevoerd. o In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. o Zijn goedgekeurd door de gemeente. • Bij werkzaamheden die van invloed zijn op flora en fauna wordt gewerkt volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. Wensen • Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op niveau ‘Zilver/Goud’: Hoogwaardige habitat creëren voor meer soorten dan geëist bij brons. • Het horizontale en vertikale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht met minimaal 30% biodivers en hoogwaardig groen. 5.2 Bomen Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom dienen monumentale en gezonde bomen behouden te blijven en worden bomen toegevoegd in de openbare ruimte en op privaat terrein. Let hierbij op dat conform de Bomenverordening gezonde bomen van 50 jaar en ouder ook als waardevolle bomen behandeld dienen te worden. Eisen • Bomeninventarisatie van alle bomen in het plangebied.
Hierbij dient te worden geïnventariseerd wat de leeftijdsverwachting, gezondheid, beheerbaarheid, kroonprojectie en eventuele verplantbaarheid is van de bomen binnen de invloedsfeer van het project. • Er wordt ontworpen volgens het ‘groen, tenzij’ principe: bestaande bomen blijft behouden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn. Te kappen bomen dienen een-op-een vervangen te worden. • Kapvergunningen en herplant conform Bomenverordening. • Groeiplaatsverbeteringen bestaande bomen aanbrengen waar nodig. • Monumentale bomen en gemeentelijk waardevolle bomen dienen behouden te blijven. • Bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft bij de te behouden bomen onaangetast. • Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie HIOR hoofdstuk 7, paragraaf 7.2.4. • Zodra het ontwerp is vastgesteld dient er een Boom Effect Analyse (BEA) te worden gedaan. 5.3 Water en klimaatadaptatie De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. De ontwikkeling moet in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst.
Randvoorwaarde • Conform de Waterschapsverordening van Rijnland dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd in de vorm van open water of een alternatieve waterberging binnen een straal van 5km van de ontwikkelinglocatie (en binnen hetzelfde peilgebied).
7/18
Eisen • Conform het Plan Stedelijk Water Haarlem gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte en hitte: o De ontwikkeling vindt plaats volgens een grondwaterneutraal ontwerp. Dit vereist geohydrologisch onderzoek. o Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de verblijfsruimtes in de directe omgeving. o De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. o Maatregelen in het ontwerp opnemen die schade door bodemdaling tegengaan. o Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van de omgeving en gebouwen zelf te verminderen. • Conform de Hemelwaterverordening, gelden de volgende kaders: o Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m2). o Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn.
De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte is inhoudelijke overlap en/of samenhang aanwezig. In overleg met Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase aangeleverd te worden: • Berekening areaal verhardingscompensatie. • Waterbergingsberekening volgens Rekentool Hoogheemraadschap Rijnland. • Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatvorm Klimaatadaptatie. 5.4 Energie De gebouwde omgeving is een grote energiegebruiker maar ook een potentiële energieproducent. Uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en de potentiële duurzame energieopwekking zo veel mogelijk wordt benut. Haarlem streeft ernaar om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw te halen. Randvoorwaarden • Bij grondgebonden woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling 55kWh/m 2/jaar, aandeel fossiele energie < 0 (BENG2) en aandeel duurzame energie 100% (BENG3). Bij gestapelde woningen is dit 65kWh/m2/jaar (BENG1).
• Bij grondgebonden woningen is het minimaal aandeel hernieuwbare energie 50%, bij gestapelde woningen is dit 40% (BENG3), aandeel fossiele energie < 20 (BENG2) en aandeel duurzame energie 80% (BENG3). Eisen • De toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties, zoals lucht-water-warmtepompen, elektrische boilers, conventionele koelmachines en gasverbranders, zijn niet toegestaan. • Trafo’s, WKO-installaties, warmtehubs e.d. worden niet in de openbare ruimte, maar binnen de gebouwen geplaatst, zie paragraaf 9.6. • Duurzame energieopwekking wordt in samenhang met groen, natuur en waterberging uitgewerkt en
8/18
geïntegreerd in het architectonisch ontwerp. Wens • Er dient onderzocht te worden of de omliggende bestaande bebouwing aangesloten kunnen worden op de te realiseren warmtevoorziening van de nieuwbouw. 5.5 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Met het Actieprogramma Circulaire Economie kiest Haarlem voor het niveau ‘Zilver’ bij circulair bouwen uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPGscore) is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Randvoorwaarde • MPG-score van 0,8 (en 0,5 vanaf 2030). Eisen • Massapercentage van de grondstoffen dat is hergebruikt (non-virgin) en/of hernieuwbaar (biobased) bedraagt > 45%. • Vanaf 2025 wordt minimaal 20% van de nieuwe gebouwen in hout gerealiseerd conform het Convenant Houtbouw MRA. • Gebouwen worden opgenomen in Madaster en er wordt een demontageplan opgesteld. • Adaptief en demontabel bouwen: scheiden van drager en inbouw en droge verbindingen/prefab zodat het gebouw flexibel en toekomstbestendig is en de indeling desgewenst aangepast kan worden. • Voldoen aan 3 indicatoren van het “Nieuwe normaal”, waaronder voldoen aan Paris-proof – materialen < 200 kg CO²/m².
• Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt/gefaciliteerd, zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wens • Faciliteren op kavel dat bewoners hun afval kunnen scheiden zodat we het gescheiden afval kunnen inzamelen via de ondergrondse afvalcontainers in de openbare ruimte.
6. Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. Stikstof 2. Bezonning 3. Geluid 4. Luchtkwaliteit 5. Bodemkwaliteit 6. Archeologie 6.1 Stikstof Door middel van een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) moet onderzocht worden of het project kan voldoen aan de Omgevingswet.
9/18
Randvoorwaarden • Er moet voldaan worden aan de zorgplicht als bedoeld in de Omgevingswet en artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht betreft het zo veel mogelijk beperken van uitstoot door middel van inzet van schoon en emissieloos materieel. • Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Omgevingswet. • Als de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet worden uitgezocht welke stappen gevolgd moeten worden om te kunnen voldoen aan de randvoorwaarden van de Omgevingswet. 6.2 Bezonning De nieuwbouw zorgt voor een goede afwisseling van zon en schaduwplekken zodat er ruimte is voor verkoeling in de zomer en opwarming in de winter. De nieuwbouw heeft een acceptabel effect op de bezonning van de directe woonomgeving. Eisen • Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNO-normen in relatie tot de bestaande (woon)bebouwing in de omgeving. • Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNO-norm.
• Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNO-norm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden. • Voor verblijfsgebieden binnen en rondom de te ontwikkelen locatie, zoals zitplekken in de openbare ruimte en balkons moet worden aangetoond dat sprake zal zijn van voldoende zonuren. • Bij nieuwbouw grenzend aan bestaande woningbouw dient voldaan te worden aan het Standaard Haarlems Bouwblok (=2 lagen met opbouw en een tuin van 10 meter). Dergelijke bouwblokken hebben, staand tegen de achtergevel, vanaf ooghoogte (1,6 meter tov maaiveld) een kijkhoek van minimaal 20 graden tot de dakrand van het tegenoverliggende gebouw. 6.3 Geluid Er moet worden voldaan aan de geluidsnormen zodat een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder van toepassing met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels en opvolgend beleid. Randvoorwaarde • Er moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd op basis van de Omgevingswet. Eis ontwerpproces • Op basis van het schetsontwerp wordt een oriënterend akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Eisen kwaliteitsniveau • Bij overschrijding van de standaardwaarde geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): o Een woning dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. o Eenzijdig georiënteerde geluidgevoelige gebouwen zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een geluidluwe gevel. o Bij een geluidsbelasting 5dB hoger dan de standaardwaarde vanwege wegverkeer moet ten minste één
10/18
slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen. Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de Gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in de volgende volgorde: • Geluidcompenserende maatregelen. Bij geluid compenserende maatregel kan gedacht worden aan een loggia voorzieningen als alternatief voor een geluidsluwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen. • Alternatieve compenserende maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Bij alternatieve compenserende maatregelen kan gedacht worden aan extra groen rondom de woning, wat kan worden toegepast als aanvulling op de geluid compenserende maatregelen. Met een combinatie van bovengenoemde maatregelen wordt zodoende een acceptabel alternatief kwaliteitsniveau bereikt. 6.4 Trillingen Haarlem kiest voor het beperken van trillingshinder als gevolg van treinverkeer ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Eisen • Indien er binnen een afstand van 60 meter van het spoor wordt gebouwd zijn niet alle gebouwtypen mogelijk. • Indien er dichter bij het spoor wordt gebouwd, is een nader trillingsonderzoek noodzakelijk om zodoende eventuele aanvullende maatregelen aan de bebouwing te treffen. 6.5 Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu.
Aan de huidige Rijksomgevingswaarden dient overal in het plangebied te worden voldaan (o.a. voor fijnstof en stikstofdioxide). Ook beneden deze waarden zijn gezondheidseffecten voor kwetsbare of gevoelige groepen niet uitgesloten. Daarom werken Haarlem samen met andere overheden en het Rijk aan een verdere, permanente verbetering van de luchtkwaliteit in het ‘Schone Lucht Akkoord’ waarin een groot aantal maatregelen staan vermeld. Randvoorwaarde • Er dient overal in het plangebied te worden voldaan (oa voor fijnstof en stikstofoxide) aan de huidige Rijksomgevingswaarden. Eis • Om zeer plaatselijke blootstelling aan houtrook tegen te gaan worden in grondgebonden nieuwbouw geen rookgaskanalen voor houtstook aangebracht. 6.6 Bodemkwaliteit Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Met de Nota Bodembeheer 2023-2028 regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond en in Haarlem.
11/18
Locatiespecifiek In de wijk De Krim worden verhoogde concentraties Arseen in het grondwater gemeten. Randvoorwaarden • De wetgeving over het onderwerp is opgenomen in de Omgevingswet. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels die van toepassing zijn op de uitvoer van werkzaamheden in de bodem. • Om in het kader van de Omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten, is het nodig om een Verkennend Bodemonderzoek volgens de NEN 5740 uit te voeren. Eisen • Het bodembeheer mag niet leiden tot nieuwe gevallen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen van ernstige verontreiniging. • Met de Nota Bodembeheer 2023-2028 regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond in Haarlem. Grondverzet moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota bodembeheer. • Aan het begin van de planvorming rekening houden met het ontwerp van de ondergrondse ruimte waarin gekeken wordt naar de ruimtevraag van kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging een grondwatervoorzieningen. Wensen • Mocht tijdens de uitvoering blijken dat er historische ernstige verontreinigingen zijn dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem 2023-2030 worden aangevraagd.
6.7 Archeologie De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. Zie nota Haarlems Erfgoed, Verbindende kracht in de stad. Randvoorwaarden • Als de voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen worden overschreden moet een bureau- en verkennend archeologisch booronderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dat onderzoek zal door de gemeente bepaald worden of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn. • Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf (BRL SIKB 4000, voor de betreffende activiteit). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Aanpak (PvA) voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek.
Eis • Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, moet ernaar gestreefd worden om die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Als dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven.
12/18
7. Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten behandeld: 1. Fietsparkeren bewoners en bezoekers 2. Autoparkeren bewoners en bezoekers 3. Toegankelijkheid calamiteitendiensten, laden en lossen en verhuisdiensten De ontwikkelaar onderbouwd de uitwerking van deze aspecten in een mobiliteitsplan. Het Haarlems Mobiliteitsbeleid is hiervoor de basis. 7.1 Fietsparkeren bewoners en bezoekers Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voldoende en kwalitatief goede fietsparkeervoorzieningen zijn een belangrijke voorwaarde om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren zodat de buitenruimte beschikbaar is voor andere doeleinden (groen en ontmoeten). Parkeervoorzieningen van de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk en in voldoende mate aanwezig zijn. Eisen • Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. • Voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. Zie ook paragraaf 9.4. • Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse Beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. • Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleidsregels bergingen geldt: o De entree tot het inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van de woningen.
o De fietsenstalling toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar zijn vanuit de buitenruimte en bewoners gestimuleerd worden de fietsen inpandig te stallen. 7.2 Auto parkeren bewoners en bezoekers Onderzoeken of het bouwplan gebruik kan maken van de beschikbare parkeerplaatsen op het naastgelegen parkeerterrein. (zie parkeeronderzoek RemoManagement BV d.d. 07-11-2023) Eisen • Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. • Voor parkeerplaatsen gelegen op parkeerterreinen en in parkeergarages geldt NEN 2443, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages. 7.3 Toegankelijkheid calamiteitendiensten, laden en lossen en verhuisdiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de gebouwen. Het gebouwontwerp en het mobiliteitsplan zal beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen. Randvoorwaarden • Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. • Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters).
13/18
• Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is het maaiveld rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten. Eis • Verhuisdiensten dienen tot 20 meter van een (hoofd)entree te kunnen komen.
8. Privaat maaiveld Deze paragraaf geeft de kaders waaraan de inrichting van het private maaiveld rond de gebouwen moet voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw 2. Erfafscheidingen bij woningen 3. Collectieve buitenruimten en overgangszone collectief - privé 8.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw De overgangszone tussen straat en gebouw moet zorgvuldig vormgegeven worden. De inrichting ervan is namelijk van grote invloed op het straatbeeld en of mensen zich er prettig in voelen. De inrichting en afmeting van deze zone bepaald ook of bewoners en gebruikers voldoende privacy ervaren zodat de plinten van gebouwen een levendige uitstraling krijgen. Eis • Tussen de openbare ruimte en privéterrein moet een duidelijke scheiding zijn i.v.m. aansprakelijkheid. Wensen • Bij de (hoofd)entrees van appartementengebouwen worden op eigen terrein voldoende opstelplekken voor fietsen van bezoekers geplaatst. • Het ontwerp van de entreezone wordt zorgvuldig afgestemd op het ontwerp van de (hoofd)entree van het gebouw. 8.2 Voortuintjes en erfafscheidingen bij woningen Eengezinswoningen en appartementen op de begane grond krijgen bij voorkeur voortuinen met hagen als erfafscheiding.
Dit verhoogd de woonkwaliteit, is positief voor een groen en levendig straatbeeld en het creëren van voldoende afstand tussen de woonvertrekken en de straat (privacy). Het bevordert ook informele contacten tussen bewoners en sociaal toezicht op de straat. Eisen • •
Erfafscheidingen worden in principe als haag of heesterstrook uitgevoerd, maximaal 1 meter hoog aan de voorzijde en maximaal 2 meter aan de zij- en achterzijde (Nota Ruimtelijke kwaliteit). De corporatie dient de hagen of heesterstroken te onderhouden.
Wensen • Uitgangspunt bij grondgebonden woningen en appartementengebouwen is een voortuin met een diepte van minimaal 2,0 meter inclusief erfafscheiding. • Daar waar nodig kan voor de haag of heesterstrook een opstaande rand of laag muurtje geplaatst worden.
14/18
8.3 Collectieve buitenruimten en overgangszone collectief - privé Eisen
• Inrichten met het Groen-tenzij principe; alleen verharding waar noodzakelijk. • Inrichting draagt maximaal bij aan de vereiste waterberging op eigen kavel. • Inrichting draagt maximaal bij aan het voorkomen van hittestress. Wensen • Overgangszone tussen collectieve buitenruimte en aangrenzende woningen wordt zorgvuldig vormgegeven en het private deel (tuin en/of terras) heeft een diepte van minimaal 1,5 meter. • Erfscheiding tussen privaat-collectief en collectief/openbaar in de vorm van een haag of heesterstrook.
9. Gebouwen De algemene kaders voor de gebouwontwerpen zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig en toegankelijk 2. Gebouwplinten 3. Entreepartijen 4. Bergingen en (collectieve) stallingsruimten 5. Parkeergarages 6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels 8. Beeldkwaliteit 9.1 Sociaal veilig en toegankelijk Gebouwen dienen zodanig ontwerpen te worden dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat bewoners en gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het tegengaan van anonimiteit en vereenzaming. Randvoorwaarden • Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk. • Gebouwen zijn toegankelijk voor personen met een handicap en voldoen aan de betreffende eisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Eisen • Gebouwen worden zodanig ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit en vereenzaming. • Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat overlastsituaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk voorkomen wordt. • Alle gevels grenzend aan de openbare ruimte dienen als een voorkant te worden ontworpen.
Aan de zijde van de parkeerplaats dient hierbij rekening te worden gehouden met woningbouwontwikkeling. 9.2 Gebouwplinten De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare ruimte - de zogenaamde gebouwplint, draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving waar het zowel overdag als ’s avonds sociaal veilig is. Uitgangspunt hierbij zijn de ’10 geheimen van een goede plint’ (stipo).
15/18
Algemene eisen gebouwplinten • Plinten met doods programma zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, fietsparkeren, technische ruimten, etc. • Plinten met te veel technische ruimten naast elkaar zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan ruimten voor trafo’s en WKO’s. • Begane grondgevels worden zorgvuldig vormgegeven met als doel het creëren van een sterke relatie en interactie tussen gebouw en openbare ruimte. Eisen woonplinten • Woningen op de begane grond krijgen een eigen voordeur aan de straat zodat de openbare ruimte direct geactiveerd wordt. • Woningen op de begane grond hebben een vrije hoogte van minimaal 3,5 meter (van vloer tot plafond). • Aan de kant van de openbare ruimte zijn alleen levendige functies toegestaan. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn op de begane grond aan de kant van de openbare ruimte niet toegestaan. • Kozijnen worden voorzien van een borstwering van voldoende hoogte (geeft privacy en draagt bij aan het voorkomen dat ramen afgeplakt of met gordijnen of lamellen dichtgezet worden). 9.3 Entreepartijen De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is een belangrijk aandachtspunt. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers waardoor anonimiteit wordt verminderd.
Bij woongebouwen moet het aantal woningen op één entreepartij niet te hoog zijn. Algemene eisen entreepartijen • Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar en toegankelijk. • Een entreepartij is transparant, overzichtelijk en ’s avonds goed verlicht. • Entreepartijen krijgen royale afmetingen in breedte en hoogte passend bij de grootte van de voorziening of het aantal woningen dat vanuit deze entree wordt ontsloten. • Een entreepartij is integraal onderdeel van de architectuur en worden verfijnd en aantrekkelijk vormgegeven. Eisen entreepartijen woongebouwen • Maximaal 50 woningen ontsluiten op één entreepartij en bij voorkeur niet meer dan 35. 9.4 Bergingen en collectieve stallingsruimten Goed toegankelijke fietsenstallingen zijn cruciaal voor de Haarlemse mobiliteitstransitie. Fietsenstallingen voor bewoners en werknemers worden inpandig bij de (hoofd)entrees van de gebouwen geplaatst. Eis bergingen • Bergingen zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar en leiden niet tot een dode plint. Eisen collectieve stallingsruimten • Overdekte stallingsruimten voor fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden bij de (hoofd)entrees geplaatst. • Openbare en collectieve stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht.
16/18
• Stallingsruimten fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat ze de gebouwplint niet domineren en niet tot een dode plint leiden. 9.5 Technische ruimten en installaties Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, e.d. worden binnen de gebouwen opgelost. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Ook installaties en liftopbouwen op het dak zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw (zie Nota Dak) Randvoorwaarden • Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magneetveld op de omliggende verblijfsruimten binnen de richtlijnen blijft. • Brandwerendheid van traforuimten dient te voldoen aan de richtlijnen. Eisen technische ruimten op de begane grond • De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, stadsverwarming, WKOinstallaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden waaronder toegankelijkheid. • Technische ruimten voor trafostations, stadsverwarming, WKO-installaties (inclusief bronputten), etc. worden niet in de openbare ruimte en niet op maaiveld geplaatst, maar inpandig opgelost.
• Technische ruimten en toegangen daartoe worden zo veel mogelijk uit het zicht geplaatst. Als ze toch in de (zichtbare) gebouwplint opgenomen moeten worden dan worden ze zodanig gepositioneerd en geïntegreerd in de gebouwontwerpen dat ze de kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk verstoren. • Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. • Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden. Eisen installaties en andere opbouwen op het dak • Installaties en ander opbouwen op het dak zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte en/of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw (worden mee-ontworpen). • Installaties dienen zoveel mogelijk te zijn geïntegreerd in het daklandschap en in ieder geval niet zichtbaar te zijn vanaf de straat. Wens • De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. 9.6 Vergroenen daken en gevels Zoals in paragraaf 6.1 beschreven staat, is natuurinclusief-ontwikkelen vereist. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als Natuurdak uitgevoerd worden.
Voor de gevels wordt ontwikkelaars gevraagd nest- en rustplekken te realiseren voor gebouwbewonende soorten. Eisen daken • Platte en licht hellende daken worden minimaal als (extensief) natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met het plaatsen van zonnepanelen. Dit betekent een bodemdikte van minimaal 15cm waarop een sedum-
17/18
en/of kruidenmengel wordt aangelegd met een ruim assortiment aan plantsoorten. Dit levert het heel jaar door een aantrekkelijk beeld op inclusief seizoenswisselingen. Zie ook paragraaf 6.1. • Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw dat voldoet aan de betreffende waterbergingseisen. Eis gevels • Gevels en dakranden worden voorzien van voldoende nestkasten en rustplekken voor vogels, vleermuizen, solitaire bijen en vlinders. Deze worden op een zodanige manier in de gevelontwerpen integreren dat het een verrijking van de plastiek en textuur van de gevels oplevert. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen op de diersoorten van de te realiseren natuurhabitat. Wensen gevels • Daar waar mogelijk gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de te realiseren natuurhabitat. 9.7 Beeldkwaliteit De Krim is primair een woonbuurt aan de rand van de stad met overwegend eengezinswoningen uit de jaren '30 en '50. Een woonbuurt met een tuinstedelijk karakter met een hoge woon- en leefkwaliteit. In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit valt De Krim onder gebiedstype ‘Gebieden 1920-1960’. De eerder genoemde principes ondersteunen deze typologie. De architectuur dient aan te sluiten op dit tuinstedelijke karakter. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK) zal hieraan toetsen.
Daarnaast gelden de volgende Eisen: • Kwetsbare materialen of kleuren die gevoelig zijn voor vernielingen of graffiti, worden niet toegepast op plekken bereikbaar vanaf de openbare ruimte. • Alle toe te passen materialen, kleuren en detaillering dragen ertoe bij dat de gebouwen op een mooie manier verouderen. Materialen die dit niet in zich hebben, bijvoorbeeld kunststoffen zoals pvc, worden niet toegepast of aan het zicht onttrokken door materialen die wel mooi verouderen. • Indien voor gebouwonderdelen beton moet worden toegepast, dan dient de kwaliteit, afwerking en detaillering ervoor te zorgen dat algengroei en streepvorming zo min mogelijk optreedt en dient de kleur te passen in het architectonische concept van het gebouw. • Toe te passen materialen zijn kleurvast en doorstaan weersinvloeden zoals uv-straling van de zon goed. • Voor kozijnen in zuid- en westgevels buitenzonwering standaard toepassen en integreren in gebouwontwerp.
10. Participatie- en inspraak Conform de Omgevingswet en het Haarlems ruimtelijk planproces (HRPP) stelt de initiatiefnemer een Participatie- en inspraakplan (PIP) op. De corporatie/ontwikkelaar is verantwoordelijk voor het opstellen en het uitvoeren van de participatie en inspraak. In het Participatie en Inspraakplan wordt aangegeven hoe de omgeving en de verschillende stakeholders worden betrokken. Deze plannen worden door de ambtelijke organisatie beoordeeld.
18/18