8 Cebeon rapport
Tekst van het document
Sociaal domein w.v. Participatie w.v. Jeugd / Wmo
(1) Totaal netto lasten Iv3 op Sociaal domein-clusters (Kamerbrief)
(2) Totaal netto lasten Iv3 op Sociaal domein-clusters (opgave)
16.887 5.255 11.632
16.787 5.256 11.531
(3)
(4)
Verschil als % van (1)
Idem: responsgroep met correcties
-1% 0% -1%
-2% 0% -3%
Over het geheel genomen blijken de Iv3-cijfers niet te worden betwist. Voor zover gemeenten verschillen constateren, lijken die vooral samen te hangen met een verschil in peildatum. De Iv3-gegevens die als open data beschikbaar zijn, hebben gemeenten in de zomer aan het CBS geleverd. De definitieve jaarrekening hebben zij veelal nadien opgemaakt, waardoor bepaalde cijfers nog kunnen zijn bijgesteld op basis van aanvullende inzichten. Er zijn gemeenten die hebben aangegeven dat enkele Iv3-codes incorrect aan bepaalde posten zijn toegekend vanuit hun administratie.15 Deze bevinding is bij het invullen van de vragenlijst zichtbaar geworden. Naar aanleiding hiervan melden sommige gemeenten dat corrigerende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat dit in de cijfers over 2016 opnieuw mis zou gaan. Door zulke oorzaken kunnen wijzigingen in bepaalde gevallen aanmerkelijk groter zijn. Zo laat kolom 4 al een verdubbeling zien ten opzichte van kolom 3. Bij afzonderlijke gemeenten komen correcties voor die uiteenlopen van ruim een kwart lagere lasten tot ruim 10% hogere lasten ten opzichte van de eerdere Iv3-cijfers.16
14 15 16
Bij gemeenten zonder correcties zijn in deze kolom dezelfde bedragen meegenomen als in kolom 1. Onder andere komt het voor dat lasten op bepaalde Iv3-functies zijn gesaldeerd met baten uit de integratie-uitkering sociaal domein. Uit de grootboekanalyse komen aanwijzingen dat bij sommige gemeenten met duidelijk lagere lasten de vragenlijst mogelijk niet compleet is ingevuld (zie paragraaf 4.2.2).
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
27
compleetheid: zijn aanvullende posten relevant op andere Iv3-functies? Daarnaast hebben gemeenten opgave gedaan van posten op andere Iv3-functies die zijn toe te rekenen aan de 3 gemeentefondsclusters. Voor zover dit uit de toelichting duidelijk was, zijn de hiermee samenhangende bedragen opgenomen in kolom 2 van onderstaande tabel.17 Ten opzichte van de bijgestelde stand uit de vorige tabel (kolom 1) levert dat een iets gewijzigd beeld op (kolom 3 en 4). Tabel 4.3: Sociaal domein: aanvullend relevante posten (bedragen in mln euro) (1) Totaal netto lasten Iv3 op Sociaal domeinclusters (opgave) Sociaal domein w.v. Participatie w.v. Jeugd / Wmo
(2) Relevante lasten Sociaal domein op andere Iv3
16.787 5.256 11.531
113 -4 117
(3) Totaal netto lasten Sociaal domeinclusters
(4)
Verschil als %(1)
16.900 5.252 11.648
1% 0% 1%
Ook buiten de Iv3-functies die zijn gekoppeld aan de 3 gemeentefondsclusters boeken gemeenten lasten/baten die relevant zijn voor het sociaal domein.18 De opgegeven bedragen zijn beperkte aanvullingen. Binnen de groep responsgemeenten die zulke aanvullende bedragen heeft opgegeven, zijn de effecten gemiddeld het dubbele van de genoemde percentages. Bij individuele gemeenten kunnen de effecten forser zijn (ongeveer plus of min 5%). beperkte wijziging in beeld Tweede Kamerbrief In samenhang leveren de correcties uit voorgaande tabellen beperkte wijzigingen op in het beeld van de netto-lasten zoals die waren opgenomen in de Tweede Kamerbrief. Dit is hieronder in beeld gebracht aan de hand van bedragen per inwoner voor enerzijds de stand van de Tweede Kamerbrief (linker kolommen; op basis van kolom 5 in tabel 4.1) en anderzijds de gecorrigeerde stand (rechter kolommen; op basis van kolom 3 in tabel 4.3). Naast het totaal zijn ook groepen gemeenten in beeld gebracht.
Evenals voor het totaal zijn de verschillen bij de groepen gemeenten beperkt: kleine plussen voor de kleinste en grootste gemeenten respectievelijk kleine minnen voor de tussencategorieën.
17 18
Waar de relatie met de gemeentefondsclusters niet helder was toegelicht, zijn de bedragen meegenomen in paragraaf 4.3. Diverse gemeenten geven expliciet aan dat zij geen rekening hebben gehouden met algemene personeelskosten en overhead.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
28
4.2.2
Aanvullende inzichten uit grootboekanalyse grootboekanalyse … Bij een steekproef van 19 gemeenten is een verdiepende analyse verricht naar de wijze waarop zij in hun financiële administratie een koppeling leggen met Iv3-codes. Hierin zijn we nagegaan in hoeverre: a. posten correct zijn geboekt op de relevante Iv3-functies van het sociaal domein; b. op andere Iv3-functies posten (baten/lasten) staan die betrekking hebben op het sociaal domein. Dit betreft vooral mutaties van reserves en direct toerekenbare overhead.19 Voor deze analyse zijn de 3 gemeentefondsclusters als leidraad gehanteerd ter afbakening van het sociaal domein. … levert bij meeste gemeenten beperkte correcties op De resultaten van deze analyse zijn opgenomen in onderstaande figuur. Het laat per gemeente de bedragen per inwoner zien van de netto-lasten voor het sociaal domein op basis van Iv3 (lichtblauw) en de mutaties die hierop zijn aangebracht om aansluiting te maken bij de afbakening van het gemeentefonds (rood).
Voor het sociaal domein als geheel gaat het bij de meeste steekproefgemeenten om relatief beperkte correcties.20 Bij enkele gemeenten is een grotere uitschieter zichtbaar. Dit maakt duidelijk dat gemeenten in 2015 het grootste deel van de relevante lasten op de Iv3-functies van het sociaal domein boeken. Uit gesprekken met gemeentelijke experts is naar voren gekomen dat de eenmalige accountantscontrole eind 2014 in diverse gemeenten aanleiding is geweest om de Iv3-administratie beter op orde te brengen. Hierdoor is de kwaliteit van de Iv3-cijfers in 2015 hoger dan in voorgaande jaren. vergelijking: respons vragenlijst bij meeste gemeenten bruikbaar Voor zover van steekproefgemeenten een ingevulde vragenlijst beschikbaar was, is een vergelijking gemaakt met de opgegeven rekeningcijfers. Dit levert het volgende beeld op van de mate waarin de cijfers in de vragenlijst een goede afspiegeling vormen van de financiële administratie van gemeenten voor de relevante Iv3-functies.
19 20
In aansluiting op de benadering uit de Kamerbrief is de algemene ondersteuning buiten beschouwing gelaten. Op minder geaggregeerd niveau kan er wel sprake zijn van grotere correcties.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
29
De grafiek laat zien dat de cijfers in de vragenlijst een bruikbaar beeld geven van de netto-lasten voor het sociaal domein als geheel in de financiële administratie van de meeste steekproefgemeenten. Bij de gemeenten met grote afwijkingen lijkt de opgave in de vragenlijst niet volledig te zijn geweest.
4.3
Afbakening sociaal domein: landelijk versus lokaal lokale ‘plussen en minnen’: bedragen … De analyses uit de vorige paragraaf vallen binnen de gebruikelijke afbakening en werkwijze van het gemeentefonds, zoals die ook ten grondslag ligt aan de Tweede Kamerbrief. Door de vergelijking breder te trekken dan alleen de IU sociaal domein (nieuwe budgetten) is echter onbedoeld ook discussie ontstaan over de afbakening van het sociaal domein. Waar de rijksoverheid hiervoor aansluit bij de 3 gemeentefondsclusters hanteren veel gemeenten een afwijkende afbakening. Dit wordt zichtbaar in onderstaande tabel, waarin de opgaven van gemeenten zijn verwerkt over: posten op de Iv3-functies van de 3 clusters die lokaal niet tot het sociaal domein worden gerekend (kolom 2); posten op andere Iv3-functies (gekoppeld aan andere gemeentefondsclusters) die lokaal tot het sociaal domein worden gerekend (kolom 3). Deze bedragen zijn afgezet tegen de gecorrigeerde netto-lasten uit kolom 3 in tabel 4.3 (kolom 1). Tabel 4.6: Sociaal domein: landelijke versus lokale afbakening (bedragen in miljoenen euro) (1) Totaal netto lasten op Sociaal domeinclusters Sociaal domein w.v. Participatie w.v. Jeugd / Wmo
16.900 5.252 11.648
(2) w.v. niet Sociaal domein volgens gemeente
811 363 449
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
(3) overige lasten Sociaal domein op andere Iv3 volgens gemeente
560 36 522
(4) Totaal netto lasten Sociaal domein volgens gemeente
16.649 4.925 11.721
(5)
Verschil als% (1)
-1% -6% 1%
30
De voorgestelde correcties vanuit een lokale optiek op het sociaal domein hebben in omvang een grotere betekenis. Tegelijkertijd vallen de plussen (kolom 3) en minnen (kolom 2) grotendeels tegen elkaar weg, waardoor per saldo beperkte verschillen resteren (kolom 5). Bij individuele gemeenten is er sprake van soms forse effecten. Een aantal gemeenten heeft relatief grote correcties opgegeven, die kunnen uiteenlopen van een halvering tot een verhoging met ruim een kwart van het netto-lastenniveau conform de gemeentefondsafbakening (3 clusters). … en soort posten Een deel van de gemeenten heeft buiten de Iv3-functies van de 3 clusters andere posten genoemd die zij lokaal tot het sociaal domein rekenen (kolom 3 in tabel 4.6). Dit betreft onderdelen die binnen het gemeentefonds worden gekoppeld aan andere clusters, met name de taakvelden educatie en kunst & ontspanning/groen. De belangrijkste onderdelen die een deel van de gemeenten niet tot het sociaal domein rekent (kolom 2 in tabel 4.6), zijn –voor zover gemeenten dit hebben toegelicht– hieronder met een vierdeling zichtbaar gemaakt voor zowel Participatie als Jeugd/Wmo.
Deze figuren maken duidelijk dat diverse gemeenten andere keuzes maken en lokaal –delen van– de bijstand, WSW, armoedebeleid, algemene voorzieningen (welzijn), openbare/jeugdgezondheidszorg, vreemdelingenbeleid en specialistische/maatwerkvoorzieningen buiten het sociaal domein laten. betekenis voor monitoring Vanuit deze lokale ‘mindmap’ is het begrijpelijk dat gemeenten vragen hebben bij de gehanteerde afbakening van het sociaal domein binnen het gemeentefonds. Naarmate meer gemeenten een vergelijkbare afwijkende afbakening hanteren, kan dit de behoefte oproepen tot herbezinning op de clustergrenzen in het gemeentefonds. Het is wenselijk ook op dit punt te blijven monitoren in hoeverre de afbakening in het gemeentefonds voldoende aansluit op ontwikkelingen in de lokale praktijk. Tijdige helderheid hierover kan voorkomen dat een volgende analyse in het kader van het reguliere POR onnodige ruis/discussie oproept. Tevens kan het bijdragen aan de beoogde integrale benadering van het sociaal domein binnen het gemeentefonds.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
31
4.4
Achtergronden bestedingen 2015 In de toelichting op de ingevulde vragenlijst en tijdens gesprekken en bijeenkomsten hebben gemeenten gewezen op uiteenlopende achtergronden ter verklaring van het per saldo achterblijvende lastenniveau voor het sociaal domein in 2015. deels ‘erfenis’: saldi op oude taken Bij oude taken, zoals hulp bij het huishouden (veelal positief saldo) en bijstand (veelal negatief saldo), was in veel gemeenten ook vóór 2015 al sprake van een lastenniveau dat afweek van beschikbare budgetten. Dit strookt met het landelijke beeld dat uit de periodieke onderhoudsrapporten van het gemeentefonds naar voren komt (zie hoofdstuk 2.3). deels tijdelijke effecten: transitie Door de transities en daarmee samenhangende opgaven voor gemeenten zijn er in 2015 ook nieuwe, deels tijdelijke ontwikkelingen geweest die hebben bijgedragen aan het achterblijven van de realisatie in het sociaal domein. Concreet wijzen gemeenten op de volgende effecten: vanuit het perspectief van krimpende budgetten en andere financiële risico’s hebben gemeenten ingezet op scherpere inkoop van zorg en ondersteuning, waardoor gemiddelde ‘prijzen’ omlaag zijn gegaan; belemmeringen in de inkoop van capaciteit bij belangrijke specialistische aanbieders waar cliënten/zorg die uit andere financiële kaders worden bekostigd (Zvw, Wlz) voorrang krijgen.
Hierdoor konden bepaalde budgetten niet worden besteed, maar zijn er tegelijkertijd wachtlijsten van cliënten die niet de ondersteuning kregen die nodig wordt geacht; tijdelijk lager beroep op zorg en ondersteuning (aantal cliënten en/of gebruik per cliënt): zowel burgers als professionals moesten tijdens de transitie hun weg (her)vinden in een geheel nieuwe institutionele omgeving. Ook de late en deels ondeugdelijke gegevensoverdracht speelde gemeenten parten: in het begin hadden zij minder goed zicht op welke cliënten en aanbieders bij de overgedragen zorg en ondersteuning betrokken waren. 21 Hiermee in lijn is de bevinding uit ander onderzoek dat ongeveer 8% van de meerderjarige zelfstandig wonenden in 2015 behoefte had aan meer zorg en ondersteuning.22 Het merendeel van deze mensen ontvangt wel een vorm van zorg en ondersteuning, maar geeft aan meer nodig te hebben. Dit betreft vooral hulp bij het huishouden en begeleiding; tijdelijk hogere baten uit eigen bijdragen dan –op basis van de overdrachtsbestanden– was verwacht/geraamd; aanvullende toekenning van budgetten (bijvoorbeeld voor huishoudelijke hulptoelage) op een zodanig moment, dat het niet goed mogelijk was om hieraan in 2015 nog concrete invulling te geven in de uitvoeringspraktijk; gemeenten voeren een strikter beleid op de verantwoording van geleverde zorg en ondersteuning.
In de praktijk blijken tal van aanbieders moeite te hebben (gehad) om te voldoen aan de nieuwe eisen/randvoorwaarden en tijdig en adequaat te factureren (zie ook hierna). Daarnaast brengt de dbcsystematiek in de ggz mee dat kosten pas na afsluiting van een traject (over de jaargrens) worden gefactureerd. cijfermatig beeld: facturering zorg in natura en verzilvering persoonsgebonden budgetten Bij enkele achtergronden heeft ongeveerde tweederde van de responsgemeenten ook cijfermatig inzicht geboden. Dit lichten we toe met informatie uit de vragenlijsten. Een eerste achtergrond betreft de mate
21 22
Ook bleek een deel van de cliënten in overdrachtsbestanden niet meer in zorg te zijn dan wel te zijn overgegaan naar de Wlz. SCP, Zorg en ondersteuning in Nederland: kerncijfers 2015.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
32
waarin de kosten van zorg in natura Jeugd en Wmo feitelijk zijn gefactureerd door aanbieders van zorg en ondersteuning.
Uit de figuur blijkt dat bij ruim de helft van de responsgemeenten ongeveer 95% of meer van de zorg en ondersteuning in 2015 is gefactureerd. Daartegenover stond bij ongeveer een derde van de gemeenten eind 2015 nog tot een kwart van de facturen open. Bij Jeugd vormde de toepassing van het woonplaatsbeginsel hierbij vaak een complicerende factor. Omdat de realisaties niet compleet waren, hebben gemeenten bij het opmaken van hun jaarrekening voor een deel van deze kosten inschattingen moeten maken (bijvoorbeeld op basis van prognoses van onderhanden werk). Er zijn gemeenten die de kosten maximaal (voor het totaal van hun verplichtingen) op het jaar 2015 hebben laten drukken, maar veel gemeenten hebben een zo reëel mogelijke inschatting gemaakt van nog te verwachten kosten. De werkelijke lasten aan zorg en ondersteuning blijken in de praktijk vaak hoger of lager uit te vallen.23 Bij afzonderlijke gemeenten kan het gaan om enkele procenten van de lasten op deze clusters binnen het sociaal domein.24 Door nagekomen facturen kan er in 2016 en 2017 nog sprake zijn van ‘transitorische’ kosten uit 2015, aangezien kosten tot drie jaar na dato in rekening kunnen worden gebracht. Cliënten kunnen ook zorg en ondersteuning van de gemeente ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In de praktijk blijken cliënten een toegekend pgb niet altijd (volledig) te verzilveren.
Gemeenten hebben een opgave gedaan van de mate waarin toegekende pgb’s aan Jeugd- en Wmocliënten daadwerkelijk zijn verzilverd in 2015. Dit levert het volgende beeld op.
Bij minder dan de helft van de gemeenten zijn pgb’s voor ongeveer 95% of meer verzilverd. Bij de andere gemeenten bleef het verzilveringspercentage duidelijk achter, met name bij Jeugdcliënten en overgangscliënten Wmo. Een aantal gemeenten merkt op dat de definitieve realisatiecijfers van de Sociale Verzekeringsbank pas medio 2016 zijn ontvangen. Evenals bij zorg in natura kan dit effect bij afzonderlijke gemeenten enkele procenten omvatten van de lasten op deze clusters binnen het sociaal domein. Ook dit heeft bijdragen aan een achterblijvend lastenniveau in 2015.
23 24
In 2016 kan een soortgelijk na-ijleffect zich ook voordoen als gevolg van regionale vereveningsafspraken voor 2015. In absolute zin kan dit bedragen betekenen in de orde van (meer dan) een miljoen euro.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
33
5
Bestemming positieve saldi voor sociaal domein Het vorige hoofdstuk heeft duidelijk gemaakt dat er landelijk in 2015 substantiële positieve saldi zijn op het sociaal domein. Aansluitend hierop schetsen we in dit hoofdstuk op basis van door gemeenten verstrekte rekeningcijfers 2015: hoe gemeenten deze positieve saldi hebben bestemd (paragraaf 5.1); welke overwegingen zij hierbij hebben gebruikt (paragraaf 5.2); wat de omvang en samenstelling is van de gereserveerde middelen voor het sociaal domein (paragraaf 5.3).
Hoofdpunten
5.1
eigen opgaven van gemeenten met een positief saldo voor 2015 laten zien dat zij gezamenlijk een bedrag aan saldi op het sociaal domein hebben in dezelfde orde van grootte als in de Tweede Kamerbrief; deze saldi zijn voor het overgrote deel ondergebracht in reserves met een bestemming sociaal domein. Waar een expliciete reservering voor het sociaal domein ontbreekt, hangt dat vaak samen met lokaal beleid om zo min mogelijk specifieke ‘potjes’ aan te houden en/of bestemmingsreserves in omvang te limiteren; gemeenten doen veel toevoegingen aan (bestemmings)reserves vóórdat het rekeningresultaat wordt opgemaakt. Dit wijst op een sterk commitment om positieve saldi voor het sociaal domein in te zetten; met deze toevoegingen komen de reserves voor het sociaal domein van de gezamenlijke gemeenten in totaal uit op een bedrag in de orde van 1,3 miljard euro. Ruwweg de helft hiervan is in het verleden opgebouwd of in de begroting extra gevoed vanuit de algemene middelen met het oog op een zorgvuldige transitie.
Bestemmingsrichtingen positieve saldi omvang en samenstelling saldi Gemeenten hebben opgave gedaan van het saldo dat voor het sociaal domein beschikbaar was op basis van de rekening 2015. Een minderheid van de responsgemeenten heeft te maken met een negatief saldo voor het sociaal domein. Deze gemeenten blijven in het vervolg buiten beschouwing. De positieve saldi van de andere gemeenten bevatten een aantal componenten, waarvan de betekenis tussen gemeenten kan variëren: het niet-bestede deel van de IU-sociaal domein. Door de focus op de nieuwe taken gaat de aandacht veelal uit naar dit deel; eventuele effecten van vereveningen op grond van regionale afspraken voor nieuwe taken. Naast de feitelijke bestedingen aan regionaal ingekochte zorg voor de eigen inwoners kunnen deze afspraken leiden tot hogere dan wel lagere lasten als gevolg van compensatie van dan wel door buurgemeenten; eventuele saldi op oude/andere taakonderdelen die uit andere (algemene/eigen) middelen worden bekostigd; eventuele toevoegingen uit het gemeentelijk rekeningresultaat, op grond van een raadsbesluit.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
34
Uit hun opgaven kan worden afgeleid dat gemeenten met een positief saldo gezamenlijk een bedrag aan saldi hebben voor het sociaal domein in dezelfde orde van grootte als uit de Tweede Kamerbrief naar voren komt.25 bestemmingen In de figuur hieronder is zichtbaar hoe deze saldi door gemeenten zijn bestemd. Binnen de bestemmingen is onderscheid gemaakt tussen: reserveringen voor het sociaal domein: de bestemmingsreserve en reserveringen binnen de algemene reserve. Laatstgenoemde middelen zijn gereserveerd zonder dat er een verplichting op rust om ze aan het sociaal domein te besteden. Zonder bestuurlijke besluitvorming kunnen ze echter niet worden uitgegeven aan andere doeleinden; overheveling naar de –vrij besteedbare– algemene reserve; een categorie ‘overig’.
Ongeveer driekwart van de positieve saldi is in 2015 (of 2016) toegevoegd aan reserves met een bestemming sociaal domein (zie ook paragraaf 5.3). In hoofdzaak betreft dit de bestemmingsreserve en daarnaast een reservering binnen de algemene reserve. Ook zonder expliciete reservering heeft de algemene reserve betekenis voor het sociaal domein. Diverse gemeenten voeren als beleidslijn om geen specifieke bestemmingsreserves (‘potjes’) aan te houden, maar de algemene reserve te gebruiken voor het opvangen van financiële risico’s. Daarnaast heeft een aantal gemeenten melding gemaakt van algemene middelen die bij de begroting extra waren vrijgemaakt voor het sociaal domein en –nu zij niet nodig blijken te zijn– via de bestemming van het positieve saldo weer terugvloeien in de algemene reserve. Een deel van de gemeenten heeft de overige bestemmingen niet nader toegelicht. Waar dat wel is gebeurd, betreft deze categorie overwegend reserveringen voor doeleinden binnen het sociaal domein, zoals een egalisatiereserve voor onderdelen van Participatie (zoals bijstand en WSW) of Wmo (zoals centrumgemeentelijke taken).
25
Een uitsplitsing naar clusters ontbreekt in een aanzienlijk aantal gevallen of is onhelder. Voor zover hierop zicht is, hangt het grootste deel samen met Jeugd/Wmo.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
35
5.2
Overwegingen bij wijze van bestemming soort overwegingen Gemeenten is gevraagd naar de overwegingen die zij hebben gehad bij de wijze waarop positieve saldi zijn bestemd. Ongeveer tweederde van de resonsgemeenten heeft deze vraag beantwoord. Hieronder is aangegeven of genoemde overweging een rol heeft gespeeld in de besluitvorming.
Bij een ruime meerderheid van de gemeenten hebben de meeste overwegingen een rol gespeeld in de besluitvorming over de bestemming van het positieve saldo, waaronder de verwachte financiële druk in de jaren na 2015 (c). Slechts een kwart van de gemeenten ziet zulke saldi als vrij besteedbare middelen die daarom worden ondergebracht in de algemene reserve (a). Vaak ligt hierachter de beleidslijn om geen specifieke bestemmingsreserves (‘potjes’) aan te houden. Van belang is om op te merken dat gemeenten veel toevoegingen aan (bestemmings)reserves doen voordat het rekeningresultaat wordt opgemaakt. Hieruit spreekt een sterk commitment om positieve saldi voor het sociaal domein in te zetten. prioritering Als één of meer van de genoemde overwegingen een rol heeft gespeeld, konden gemeenten aangeven hoe belangrijk die overweging voor hen is geweest.26 Hieronder is zichtbaar welke prioriteit de responderende gemeenten hebben toegekend aan elke overweging.
De hoge score bij overweging (a) is vaak van gemeenten die als regel zo weinig mogelijk ‘potjes’ willen aanhouden. Afgezien hiervan is er niet een overweging die er echt uitspringt. De andere overwegingen krijgen steeds hoge prioriteit bij ongeveer de helft van de responderende gemeenten. Gemeenten merken op dat de wijze van bestemming uiteindelijk een politieke afweging vraagt, op basis waarvan de gemeenteraad een besluit neemt. 26
Ruwweg de helft van de betreffende gemeenten heeft deze vraag niet beantwoord (nvt), bijvoorbeeld omdat zij alle overwegingen even belangrijk vonden..
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
36
5.3
Omvang en samenstelling reserves sociaal domein omvang Op basis van de opgaven van gemeenten kan een indicatieve inschatting worden gemaakt van de omvang en samenstelling van de gereserveerde middelen voor het sociaal domein. Gezamenlijk beschikten gemeenten eind 2015 over een bedrag in de orde van 1,3 miljard euro aan reserves die beschikbaar zijn voor het sociaal domein.27 Ruwweg de helft hiervan was al begin 2015 beschikbaar. Deels waren deze reserves opgebouwd vanuit toevoegingen van ‘oude’ middelen in het verleden, waaronder algemene middelen (via het rekeningresultaat). Dit bevestigt het beeld dat gemeenten op hun oude taken vóór 2015 gezamenlijk een positief saldo hadden op het sociaal domein als geheel (zie hoofdstuk 2.3). Voor een ander deel betreft het algemene middelen die de gemeenteraad bij de begroting extra had vrijgemaakt voor het sociaal domein met het oog op een zorgvuldige transitie en de hiermee gepaard gaande financiële risico’s. De overige middelen zijn per saldo (met inachtneming van onttrekkingen) later toegevoegd en hangen veelal samen met de gerealiseerde positieve saldi. Gemeenten verwachten deze reserves vanaf 2016 nodig te hebben om de toenemende kosten én teruglopende rijksbudgetten te kunnen opvangen. Ook dient een deel van deze middelen voor de bekostiging van overlopende lasten uit 2015 naar latere jaren.
Ter nuancering van bovengenoemd bedrag merken we op dat diverse gemeenten expliciet aangeven dat zij, naast de bestemde reserves, ook een beroep kunnen/zullen doen op de algemene reserve om eventuele toekomstige financiële risico’s op het sociaal domein op te vangen. Dit hangt vaak samen met de beleidslijn om de omvang van bestemmingsreserves te limiteren. samenstelling De reserves voor het sociaal domein zijn samengesteld uit een drietal onderdelen, in de volgende indicatieve verhouding.
Ruim driekwart van de gereserveerde middelen blijkt te zijn belegd in de bestemmingsreserve sociaal domein, die een sterke relatie heeft met de nieuwe taken.
27
Onduidelijk is of gemeenten altijd de toevoegingen hebben meegenomen vanuit het rekeningresultaat als deze toevoegingen in 2016 hebben plaatsgevonden.
Nadere kwantitatieve analyse cijfers sociaal domein 2015
37