CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

7 Bijlage 6 Ontwerpbestemmingsplan toelichting plus regels

commissie Ontwikkeling 11 januari 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ter inzage leggen ontwerpbestemmingsplan Sonneborn - Bloom en bijbehorende ontwerpbesluiten (FR)25.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

70

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

4.8.2 Beleid De parkeerbehoefte (aantal benodigde parkeerplaatsen) van de nieuwe functies is bepaald aan de hand van gemeentelijke parkeernormen uit de ' Nota Parkeernormen'. In de ontwikkelvisie Spaarndamseweg stimuleert de gemeente Haarlem ontwikkelaars om met alternatieve mobiliteitsoplossingen te komen, zodat de parkeernorm onderbouwd verlaagd kan worden. 4.8.3 Onderzoek Parkeren Uit het onderzoek blijkt dat het beoogde programma een normatieve parkeerbehoefte van 93 parkeerplaatsen kent. Tabel 4.8.1 maakt dit inzichtelijk.

Tabel 4.8.1 Normatieve parkeerbehoefte In deze tabel is ook inzichtelijk gemaakt wat de behoefte is wanneer rekening wordt gehouden met aanwezigheidspercentages. In dat geval blijkt de werkdag-avond het maatgevende moment met een behoefte van 79 parkeerplaatsen. De beoogde parkeergarage met 292 parkeerplaatsen, voorziet ruimschoots in deze behoefte. Op basis van deze aantallen, blijft een aanzienlijk deel van de parkeergarage beschikbaar om te voorzien in parkeerbehoefte vanuit de omliggende buurt. In dat verband is het van belang dat bewoners van de nieuwe woningen en gebruikers van de voorzieningen, niet in aanmerking komen voor parkeerrechten in de openbare ruimte. De parkeergarage die onderdeel van het plan is, biedt immers voldoende ruimte om deze parkeerbehoefte op te vangen. Naast het autoparkeren, gelden er ook normen voor fietsparkeren. Bij de grondgebonden woningen voorzien de private bergingen daarin. Voor de appartementen is in het onderzoek berekend in hoeveel parkeerplaatsen voorzien moet worden om te voldoen aan de gemeentelijke fietsparkeer-norm. Voor blok E en F zal hierin voorzien worden met private bergingen in het 71

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

souterrain van deze blokken. Voor het resterende aantal benodigde fietsparkeerplaatsen wordt een gemeenschappelijke fietsenstalling gerealiseerd. Verkeersgeneratie Nieuwe functies genereren een bepaalde hoeveelheid verkeer als gevolg van de verplaatsingen die gemaakt worden door de gebruikers van de functies. Bewoners gaan naar het werk, doen boodschappen en krijgen familie en vrienden op bezoek. Deze verplaatsingen worden (deels) per auto gemaakt. Met behulp van CROW-kencijfers uit publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren’ is de verkeersgeneratie van de nieuwe functies in kaart gebracht. De verkeersgeneratie bestaat uit een optelling van de verkeersproductie (vertrekkend verkeer) en -attractie (aankomend verkeer). In tabel 4.8.3 is de verkeersgeneratie van deze ontwikkeling weergegeven.

Tabel 4.8.3 Resultaten verkeersgeneratie Uit de tabel blijkt dat er op een werkdag 538 motorvoertuigbewegingen per etmaal gegenereerd worden. Dit betreft uitsluitend het verkeer als gevolg van de woningen en de commerciële ruimte van het project Sonneborn. Daarnaast zal ook het parkeren in de parkeergarage door bewoners uit de omliggende buurt tot een verschuiving van verkeer leiden. In het onderzoek is berekend hoeveel verkeersbewegingen daarmee gemoeid zijn wanneer exact 79 parkeerplaatsen voor het project worden gereserveerd (zie tabel 4.8.1) en alle overige parkeerplaatsen (292 - 79 = 213) openbaar worden. Deze 213 parkeerplaatsen genereren in dat scenario 914 mvt/etmaal (werkdaggemiddelde). Overigens wordt de exacte verdeling van het aantal parkeerplaatsen voor de nieuwbouw en voor de omliggende buurt nog tussen de gemeente en de ontwikkelende partij afgesproken. De reden om in het verkeersonderzoek uit te gaan precies het aantal vereiste parkeerplaatsen voor de nieuwbouw, is

72

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

gedaan om op die manier het grootste aandeel verkeer uit de omgeving naar de parkeergarage in het verkeersonderzoek mee te nemen. Dit scenario moet daarom als 'worst-case' worden gezien. Overigens gaat het daarbij grotendeels om een verschuiving van verkeer in plaats van een toename. Naar verwachting rijdt een deel van het verkeer in de huidige situatie de omliggende buurt in en uit, en zal dit verkeer verschuiven naar de nieuwe parkeergarage als gevolg van de ontstane parkeercapaciteit. Uit een nadere kruispuntanalyse blijkt dat de verkeersintensiteiten (plan Sonneborn + openbare parkeercapaciteit) probleemloos afgewikkeld kunnen worden op de Spaarndamseweg. 4.8.4 Conclusie Parkeren Op basis van het gemeentelijk beleid zijn: minimaal 93 parkeerplaatsen nodig zonder toepassing van dubbelgebruik minimaal 79 parkeerplaatsen met toepassing van dubbelgebruik. In beide gevallen is met 292 parkeerplaatsen ruim voldoende parkeercapaciteit aanwezig. De restcapaciteit kan benut worden voor bewoners en bezoekers van de bestaande woningen in de omliggende buurt. Over de exacte verdeling tussen het aantal parkeerplaatsen dat voor het project wordt gereserveerd en dat voor de omgeving beschikbaar komt, worden tussen de gemeente en de ontwikkelende partij nog afspraken gemaakt.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling De nieuwe woningen en de parkeergarage genereren circa 1.452 motorvoertuigbewegingen tijdens een werkdagetmaal. Uit de kruispuntanalyse blijkt dat dit aantal verkeersbewegingen probleemloos afgewikkeld kan worden op de Spaarndamseweg. Het aspect verkeer en parkeren vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Waterparagraaf

4.9.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

73

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Voor de beoogde ontwikkeling is door middel van een watertoets onderzocht wat de effecten zijn op de waterhuishouding in het plangebied en welke maatregelen er bij de ontwikkeling van het plan getroffen moeten worden om aan de eisen vanuit het Hoogheemraadschap van Rijnland en de gemeente Haarlem te voldoen. Deze watertoets is toegevoegd als bijlage 10 bij dit bestemmingsplan. 4.9.2 De waterbeheerder in het plangebied Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. 4.9.3 Beleid 4.9.3.1 Beleid waterbeheerder Aanvullend op hetgeen opgenomen in het SPvE wordt gebruik gemaakt van de eisen omtrent een alternatieve berging; Wanneer een alternatieve waterberging wordt aangelegd hoeft er geen oppervlaktewater gegraven te worden; De alternatieve waterberging dient een bergingscapaciteit van 55 mm per m² te hebben; De alternatieve waterberging dient een afvoer van 0,6 liter/uur/m² te hebben. Het hoogheemraadschap gaat in beginsel niet akkoord met een waterberging op daken. Zij zijn in dit geval akkoord met de waterberging op het dak van de parkeergarage, aangezien de garage onderdeel uitmaakt van de VVE.

In de splitsingsakte, waar ook de gemeente in opgenomen is, is vastgelegd dat dit dak altijd toegankelijk is voor het Hoogheemraadschap. Op die manier is het beheer en onderhoud van de berging voor het hoogheemraadschap gegarandeerd. Vanaf 2024 dient een plan getoetst te worden aan de klimaateis vanuit de waterschapsverordening: Het totale plangebied dient 90 mm berging te bevatten; Binnen het bestaande oppervlaktewater is 30 mm berging aanwezig; In onverharde bodem is 40 mm berging aanwezig; Aanvullende berging is benodigd om de 90 mm berging te bereiken. 4.9.3.2 Gemeentelijk beleid Op basis van de Hemelwaterverordening Haarlem 2023 gelden op gemeentelijk niveau de volgende eisen en randvoorwaarden: Een hemelwaterberging dient op eigen terrein te liggen of voor ontwikkelingen die meerdere gebouwen en omliggende verhard oppervlak beslaan is een gezamenlijke hemelwaterberging toegestaan, mits 74

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

aantoonbaar aan onderstaande eisen wordt voldaan. 1. Een hemelwaterberging heeft minimaal een capaciteit van 70 mm berging m² verhard oppervlak; 2. Loost maximaal 3 mm per m² verhard oppervlak met een maximum van 3 m³/uur per perceel; 3. Heeft 24 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 28 mm per m² verhard oppervlak; 4. Heeft 60 uur na afloop van de neerslag gebeurtenis weer een capaciteit van ten minste 70 mm per m² verhard oppervlak Gezien de discrepantie tussen de ledigingseis van de gemeente op de gemeentelijke berging en de ledigingseis van het waterschap op de alternatieve berging is er een gezamenlijke (berekenings)methode opgesteld waarin deze bergingseisen gecombineerd kunnen worden. Dit document 'Combineren van bergingseisen Waterschapsverordening en Hemelwaterverordening, conceptversie juli 2023' is als onderdeel van de Watertoets gebruikt en de ontworpen waterberging bij voor het project Bloom is daaraan getoetst. 4.9.4 Beschrijving watersysteem In het verleden heeft op de locatie een fabriek gestaan en was de locatie volledig verhard. Dit pand is in 2010 gesloopt en gesaneerd. Het verhard oppervlak uit die periode is verjaard en het terrein dient voor deze ontwikkeling daarom als braakliggend beschouwd te worden. De bodemopbouw bestaat uit een ophooglaag van zand met een laagdikte van ca.

1,0 meter tot plaatselijk maximaal 2,0 meter, gemeten vanaf maaiveld (toekomstig maaiveld gemiddeld ca 0,50 m+NAP). Deze zandlaag is aangebracht als aanvulling van de ontgraving welke heeft plaatsgevonden in het kader van de bodemsanering. Onder deze zandlaag bevind zich een klei en veen pakket tot ca. 18 m-NAP. Onder het klei- en veenpakket bevind zich het eerste watervoerende pakket van ca. 18m– NAP tot en met 38m-NAP. Het te ontwikkelen gebied valt binnen het peilbesluit met een zomerpeil van 0,61 m-NAP en een winterpeil van 0,64 m-NAP. Dit betekent dat de drooglegging momenteel 1,0 meter betreft. 4.9.5 Toetsing waterberging In de Watertoets is een berekening opgenomen van de omvang aan verharding in de toekomstige situatie. Deze komt neer op 9.546 m2 aan verhard oppervlak. Aangezien het terrein in de bestaande situatie volledig onverhard is, wordt deze gehele oppervlakte als nieuwe verharding aangemerkt.

75

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.9.1 Overzicht verhard oppervlak in plansituatie Voor het totaal aan verhard oppervlak á 9.546 m² moet 70 mm aan berging gerealiseerd worden ofwel 668 m³. Bergingsvoorziening Door het dak van de parkeergarage in te richten als intensief groendak wordt een berging van 310 m³ gerealiseerd . Hiernaast wordt in een waterbergende fundering en wadi op maaiveld niveau nog eens 358 m³ berging gerealiseerd. Met deze berging van in totaal 668 m³ wordt voldaan aan de bergingseis van de gemeente. Door middel van een stuwingsregelaar op het groendak en een vernauwde afvoer naar de Spaarne wordt een ledigingstijd van 60 uur gewaarborgd. Hierdoor kan de volledige berging eveneens gerekend worden als berging conform de eisen van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voor een volledig inzicht in deze berekening en de toetsing aan de eisen van zowel de gemeente als het Hoogheemraadschap, wordt verwezen naar de watertoets in bijlage 10. 4.9.6 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.10 Cultuurhistorie 4.10.1

Inleiding In deze paragraaf is beschreven hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot het aanwezig cultureel erfgoed. Er is gekeken naar cultuurhistorisch waardevolle gebouwen / objecten en naar de omgeving van de locatie: het stadsgezicht. Op het aspect archeologie wordt ingegaan in paragraaf 4.11.

4.10.2

Effect ontwikkeling op cultuurhistorie Het plangebied valt buiten alle, door de gemeente gedefinieerde cultuurhistorische gebieden. Het Spaarne is aangegeven als 'lange lijn' en loopt langs het plangebied. Omdat deze niet aangetast wordt en de ontwikkeling hier geen effect op uitoefent, is deze ook niet relevant.

76

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Gebouwen / objecten De voormalige bedrijfsgebouwen zijn geheel gesloopt. Er zijn op de locatie zelf geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen (meer) aanwezig. Ten zuiden van de locatie liggen aan de Spaarndamseweg meerdere geschakelde bedrijfsgebouwen met woningen uit het interbellum, die zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De ontwikkellocatie grenst niet direct aan deze bebouwing. De ontwikkeling is (alleen) van betekenis voor deze bebouwing als onderdeel van de ruimere omgeving van het stadsgezicht, zie hieronder. In de nabijheid van de locatie zijn verder geen panden aangewezen als monument of beeldbepalend pand (orde 2). Stadsgezicht, de ligging en omgeving van de locatie De locatie ligt niet in een beschermd stadsgezicht. Het stadsgezicht (de ruimere omgeving van locatie) is cultuurhistorisch wel van betekenis voor Haarlem. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Haarlem is op hoofdlijn de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Haarlem beschreven en zijn voor een aantal deelgebieden en lange lijnen cultuurhistorische kernkwaliteiten benoemd. Ook worden een aantal voor de geschiedenis van de stad belangrijke thema’s benoemd o.a. wonen, industrie en bedrijvigheid.

In de cultuurhistorische hoofdstructuur is in relatie tot de ontwikkeling het volgende relevant: De locatie grenst aan de Indischewijk en maakt onderdeel uit van de lange lijn die gevormd wordt door Het Spaarne. De Indischewijk is van betekenis als voorbeeld van een particulier ontwikkelde buurt uit de eerste decennia van de 20e eeuw voor de huisvesting van arbeiders die werkzaam waren in de aangrenzende industrie langs het Spaarne. Ruimtelijke continuïteit, als ruggengraat van de stad, wordt als kernkwaliteit van Het Spaarne genoemd. Aangegeven is dat voor het Noorder Buiten Spaarne de voormalige bedrijvigheid en industrie, afgewisseld met volkswoningbouw van betekenis is voor Haarlem. Als belangrijke kwaliteit wordt de afleesbaarheid van de historische gelaagdheid langs de oevers door bebouwing en elementen uit verschillende tijden genoemd. Met het volledig ‘schoonvegen’ van de locatie en de sloop van alle bedrijfsgebouwen is de referentie naar de industrie aan het Noorder Buiten Spaarne en de historische gelaagdheid op deze plek grotendeels verloren gegaan. Voor de nieuwe invulling wordt, met de gekozen ontwerpprincipes uit het SPvE (stedelijke wand langs het Spaarne, en ‘aanhelen’ achterkanten), aangesloten op de ruimtelijke karakteristiek van de Indischewijk en continuïteit van Het Spaarne.

Herontwikkeling van het nu braakliggende terrein is niet van negatieve invloed op de benoemde kernkwaliteiten zoals beschreven in de cultuurhistorische hoofdstructuur. 4.10.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

77

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

4.11 Archeologie 4.11.1

Inleiding Deze paragraaf beschrijft het aspect archeologie. Als eerste komt het relevante beleid aan bod. Daarna komen de Haarlemse bodem en de verwachtingswaarde in het plangebied aan de orde.

4.11.2

Beleid Archeologische Beleidskaart Haarlem Om uitvoering te geven aan de wettelijke taken, met de intentie op een werkbare en doelmatige manier zorg te dragen voor het bodemarchief, zijn een beleidsnota Archeologie en een Archeologische Beleidskaart Haarlem opgesteld. Hierdoor is voor alle betrokkenen inzichtelijk in welke gevallen rekening dient te worden gehouden met het archeologisch erfgoed. Op de kaart staan gebieden waar waarschijnlijk archeologische voorwerpen aangetroffen kunnen worden bij bodemwerkzaamheden. Er zijn verschillende categorieën. De categorie en de grootte van het project bepalen of archeologisch onderzoek verplicht is. Per categorie (kleur) staat het aantal m2 en de diepte van de werkzaamheden waarbij het verplicht is een archeologisch rapport aan te leveren.

4.11.3

Verwachtingswaarde plangebied In figuur 4.11.1 is een uitsnede van de Archeologische Beleidskaart Haarlem opgenomen die de archeologische (verwachtings)waarden voor het projectgebied weergeeft. Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat de grond binnen het projectgebied is aangeduid als 'geel: categorie 4'. Het betreft hier de oostelijk gelegen strandvlakte die grenst aan de Haarlemse strandwal. De vondsten zijn, blijkens onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied, aanwezig in een relatief lagere dichtheid. Om die reden geldt voor deze categorie een minder strikt regime en dient waardestellend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodem verstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld.

78

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.11.1 Archeologische Beleidskaart Haarlem. Rode omkadering geeft plangebied weer. 4.11.4

Onderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door IDDS archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 11 toegevoegd. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied ligt op een opstapeling van lagunaire afzettingen, overstromingsklei en een veenpakket welke allemaal een lage archeologische verwachting hebben. Deze lage archeologische verwachting vervalt in het grootste deel van het plangebied als gevolg van intensieve saneringen. Alleen het noordoostelijke deel van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Op basis van deze verwachtingen adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnisch werkzaamheden. Door Team Erfgoed van de gemeente Haarlem is ingestemd met bovenstaande bevindingen en het advies om het plangebied vrij te geven.

4.11.5

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

79

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

4.12 Groenparagraaf 4.12.1

Inleiding Op 17 februari 2022 is de startnotitie voor het project vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlem. Bij het vaststellen van deze startnotitie zijn twee moties aangenomen, een inspanningsverplichting voor het maken van middeldure woningen en maximaal inzetten op het ecologisch en functioneel vergroenen binnen het plangebied. Voor het vergroenen worden de inpassingsplannen getoetst aan het relevante beleid.

4.12.2

Beleid Structuurplan Haarlem 2020 De hoofdgroenstructuur ligt vast in het Structuurplan Haarlem 2020. Doelstelling is zowel versterking van groen met ecologische waarde als van groen met stedelijke waarde. Dit wordt bereikt door het in stand houden en versterken van de bestaande groene gebieden en lijnen. In het structuurplan worden keuzes gemaakt voor de verdeling van de ruimte die Haarlem heeft. Bij deze verdeling wordt in lagen gedacht. De eerste laag is groen en water. Het groen- en blauwnetwerk is belangrijk voor de duurzame kwaliteit van de stad. Bij stedelijk ontwikkeling in Haarlem mag er hoge kwaliteit verwacht worden van water, groen en openbare ruimte. De tweede laag is bereikbaarheid en infrastructuur. Deze vormen het fundament voor stedelijke ontwikkeling. Met deze twee lagen is er een ruimtelijke hoofdstructuur bepaald voor gebruiksfuncties en bebouwde functies. Specifiek voor de Spaarndamseweg is vastgelegd dat beide oeverstroken van het Spaarne mogelijkheid bieden voor verbetering en intensiever gebruik. Deze zone is in het structuurplan reeds aangewezen als verandergebied. Uitgangspunten voor dit gebied hierbij zijn onder andere een algehele upgrade tot een aantrekkelijk verblijfsgebied en identiteitsbepaler van Noord waarbij wonen, werken en recreëren in een goede mix aanwezig is. Hoogbouw wordt hierbij kansrijk geacht.

De oevers langs het Spaarne bestaan nu beperkt uit groen(elementen). De mogelijkheid om langs het Spaarde een sterke verblijfsfunctie te realiseren in combinatie met recreatieve routes, vraagt daarom om toevoeging van groen om de belevingswaarde hier te verbeteren. Bomenbeleidsplan Bomen vormen een belangrijk tegenwicht voor de verstening van onze leefomgeving. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Uitgangspunt voor de bomenstructuur is de verdere uitbouw en verbetering van het Haarlemse bomenbestand.

80

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.12.1 Hoofdbomenstructuur gemeente Haarlem De gemeente Haarlem beschikt verder over een Haarlemse Monumentale Bomenlijst (2009). Vanwege de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend voor deze bomen. De Bomenverordening beschermt monumentale bomen. Aangezien het in dit geval een braakliggend plangebied betreft, is van monumentale bomen geen sprake. Ontwikkelvisie Spaarndamseweg De bouwregel binnen de ontwikkelvisie Spaarndamseweg met betrekking tot 81

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

groen luidt als volgt: Nieuwe ontwikkelingen voegen kwalitatief hoogstaande buitenruimte toe in de vorm van openbaar toegankelijke, groene verblijfsplekken. 4.12.3

Beschrijving groen in het plangebied Het plangebied betreft een braakliggend terrein zonder noemenswaardig groen. In de omliggende buurten bestaat de buitenruimte hoofdzakelijk gevormd door kleinschalige woonstraten. Er is een beperkt aantal pleinen, plantsoenen en groene bermen. Er zijn twee waardevolle verblijfsplekken aan de Spaarndamseweg: een speeltuin op hoek Zaanenstraat/Obistraat en een plantsoen op de hoek Archipelstraat/Spaanhovenstraat. Deze dragen bij aan de ruimtelijke opening van de buurt naar het Spaarne.

4.12.3.1 Monumentale bomen Vanaf 2015 bieden Haarlemse bestemmingsplannen bescherming aan de groeiplaatsen van monumentale en waardevolle bomen. Omdat er binnen het plangebied geen monumentale bomen aanwezig zijn, wordt daar in dit plan niet nader op ingegaan.

4.12.3.2 Effect ontwikkeling op het groen Huidige situatie Momenteel is het terrein braakliggend en niet functioneel. Totdat er definitieve (her)ontwikkeling plaatsvindt, vinden er tussentijds wisselende, tijdelijke functies plaats Zowel in de voormalige situatie, toen het perceel in gebruik was al fabriekscomplex, als in de huidige situatie is er geen sprake van groen binnen het plangebied. Nieuwe siuatie Voor de groenstructuur binnen het plan is aansluiting gezocht bij de spelregel uit de Ontwikkelvisie Spaarndamseweg. Deze houdt in dat kwalitatief, hoogstaande buitenruimte toegevoegd wordt in de vorm van openbaar toegankelijke, groene verblijfsplekken. Uit het SP (bijlage 2) en zoals beschreven in paragraaf 2.2.3, bestaat de groenstructuur bij deze ontwikkeling uit: een openbare, parkachtige inrichting van het openbaar gebied op maaiveld tussen de appartementen en grondgebonden woningen; een daktuin op het dak van de parkeergarage en blok F; tuinen van de grondgebonden woningen, die veelal aansluiten op de achtertuinen en -paden van de omliggende, bestaande woningen. Impressies van deze groenstructuur zijn opgenomen in figuur 4.12.2. De daktuin

82

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

en het parkachtige middengebied, vervullen met hun inrichting ook een rol in het waterbergend vermogen van het plan, zoals toegelicht in paragraaf 4.9.

Figuur 4.12.2 Impressies toekomstige groenstructuur De landschappelijke inrichting is nader uitgewerkt in een landschapsplan. Dit landschapsplan is opgesteld op basis van uiteenlopende wensen en eisen, waaronder waterberging, voldoende private en openbare ruimte voor de nieuwe bewoners, toegevoegde waarde voor de omliggende buurt en doelmatig 83

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

beheer. In het landschapsplan worden deze en andere aspecten nader toegelicht en wordt gemotiveerd hoe dit in het plan verwerkt is. Een overzichtstekening van het landschapsplan is opgenomen in figuur 4.12.3. Voor het landschapsplan zelf wordt verwezen naar bijlage 3.

Figuur 4.12.3 Overzichtstekening uit landschapsplan

4.12.4

Conclusie Door middel van de ontwikkeling in voorliggend bestemmingsplan ontstaat nieuw openbaar groen. De wensen en eisen vanuit verschillende belangen zijn samengebracht in één landschapsplan. Hiermee is sprake van een passende en kwalitatieve inpassing van groen in het plan. Het aspect groen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.13 Natuurwaarden 4.13.1

Inleiding Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van net Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

84

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

4.13.2

Beleid Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De provincie Noord-Holland werkt aan de aanleg van het Noord-Hollandse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur, EHS). Dit doet zij samen met natuurbeherende organisaties, particuliere terreineigenaren zoals agrariërs, gemeenten en waterschappen. Door het NNN hebben dieren meer ruimte om zich te verspreiden, voedsel te zoeken en soortgenoten te vinden. Hierdoor nemen hun overlevingskansen toe. De ligging van het NNN is vastgelegd in de Structuurvisie. De ecologische ambitie van het NNN is opgenomen in het natuurbeheerplan. Ruimtelijke ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, natuurverbindingen en weidevogelleefgebieden aantasten, staat de provincie in beginsel niet toe. Hierop kan de provincie een uitzondering maken wanneer de ontwikkeling een groot openbaar belang dient en er geen reële alternatieven zijn. Dit staat toegelicht in artikel 19 en 25 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV).

Als een ingreep wordt toegestaan, moet de initiatiefnemer de (potentiële) natuurwaarden die verloren gaan, op eigen kosten compenseren. Dit uitgangspunt wordt 'natuurcompensatie' genoemd. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is 85

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met 86

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. 4.13.3

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd natuurgebied zoals Natura2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Van directe effecten zoals versnippering of areaalverlies is daarom geen sprak. Voor Natura2000-gebieden geldt daarentegen dat ook ontwikkelingen buiten het aangewezen natuurgebied tot negatieve effecten kunnen leiden als gevolg van stikstofdepositie. Om die reden is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofuitstoot en - depositie als gevolg van dit plan. De onderzoeksrapportage daarvan is opgenomen in bijlage 12. De achterliggende stikstofberekeningen van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, zijn respectievelijk opgenomen in bijlagen 13 en 14. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. In de aanlegfase leidt de inzet van machines en transportbewegingen in het maatgevende 1e bouwjaar tot een tijdelijke depositie van maximaal 0,05 mol/ha/jr op reeds (bijna) overbelaste stikstofgevoelige delen van 3 Natura 2000-gebieden. Dit betreft de gebieden Kennemerland-Zuid, Noorhollands Duinreservaat en Polder Westzaan. Om die reden kunnen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

87

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Voor het plan is een voortoets uitgevoerd om te bepalen of een passende beoordeling nodig is ingevolge artikel 2.8 Wnb vanwege de tijdelijke stikstofdepositie in de aanlegfase. Uit deze voortoets van Bureau Waardenburg, opgenomen als bijlage 15, blijkt dat het op basis van de uitgevoerde ecologische beoordeling uitgesloten is dat de tijdelijke stikstofbijdrage als gevolg van het project ‘Sonneborn’ leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling kan om die reden verder achterwege blijven. Soortenbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Adviesbureau E.C.O. logisch B.V. een quickscan beschermde planten- en dierensoorten uitgevoerd. Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (bijlage 16). Uit de quickscan blijkt dat het projectgebied bestaat uit een braakliggend terrein. Het terrein biedt potentiële standplaatsen voor het glad biggenkruid. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen er mogelijk exemplaren van beschermde vaatplanten verloren gaan. De bebouwing in de omgeving biedt potentiële nestlocaties voor gierzwaluw en huismus en potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen Deze potentieel aanwezige nestlocaties en verblijfplaatsen zullen tijdens de geplande ontwikkeling behouden blijven. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen.

Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Vervolgonderzoek glad biggenkruid Op basis van de quick scan kwam naar voren dat nader onderzoek naar glad biggenkruid noodzakelijk is. Hiertoe is een nader onderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage als bijlage 17 is toegevoegd. Uit dit nader onderzoek, uitgevoerd in de voor deze soort aangewezen onderzoeksperiode, is gebleken dat de soort 'glad biggenkruid' binnen het plangebied niet voorkomt. Overige aanbevelingen Om te voorkomen dat aanvliegroutes van en naar nestlocaties en verblijfplaatsen niet worden verstoord, is het aan te bevelen binnen drie meter van bestaande bebouwing geen nieuwe woningen te plaatsen. Ook is het niet toegestaan om tijdens de realisatie van het plan,de gevels en daken van omliggende woningen te blokkeren met (bouw)materialen, aangezien dit mogelijk de aanvliegroutes van en naar nestlocaties en verblijfplaatsen kan verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient er nader onderzoek naar de gierzwaluw, 88

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

huismus en/of vleermuizen te worden uitgevoerd. Het is in het algemeen aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. 4.13.4

Conclusie Gelet op de resultaten uit het stikstofonderzoek, de voortoets en de ecologische quick scan met de daarin opgenomen aanbevelingen, is het plan op basis van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar.

4.14 Hoogbouweffectrapportage Voor nieuwe bebouwing aan de Spaarndamseweg zijn de hoogbouwprincipes van de stad relevant. Er is besloten dat de grenzen van de stad zijn bereikt en de groene zoom rond Haarlem behouden moet worden. Met de toenemende woonvraag dient een oplossing dus ook in de hoogte gezocht te worden. Met hoogbouw moet er ook kwaliteit worden toegevoegd aan de stad. Hiermee is het mogelijk een stedelijk gebied te realiseren en veel woningen op relatief weinig grond te bouwen. Omdat hoge gebouwen meer impact op de omgeving hebben dan lage bebouwing moet met het realiseren hiervan zorgvuldig worden omgegaan. Op basis van het raadsbesluit 'Notitie Hoogbouwprincipes, kansen voor hoogbouw in Haarlem' van 20 december 2018 zijn bouwplannen van meer dan 10 verdiepingen (30 m) en in het beschermd stadsgezicht vanaf zeven verdiepingen (20 meter) verplicht tot het opstellen van een Hoogbouweffectrapportage (HER). Binnen de ontwikkeling van het Sonnebornterrein is een woontoren van circa 40 meter opgenomen. Om die reden worden in deze paragraaf de beoordelingspunten onderbouwd die op basis van het genoemde besluit behandeld dienen te worden. De overige blokken blijven onder de 30 m.

In plaats van een zelfstandige hoogbouweffectrapportage, is er gelet op de mate van overschrijding (één bouwblok van circa 40 m binnen het gehele plan) voor gekozen om de onderwerpen die in een HER aan de orde horen te komen te behandelen in deze paragraaf van het bestemmingsplan. 4.14.1

Cultuurhistorie, stedenbouw en zichtlijnen Het plangebied is voordat het braak kwam te liggen in gebruik geweest als industrieel complex met de daarbij behorende bebouwing. Een luchtfoto uit 2009 toen deze functie en bebouwing nog aanwezig waren, is opgenomen in figuur 4.14.1.

89

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.14.1 Luchtfoto 2009 In deze situatie was er een strikte scheiding tussen het terrein dat nu braak ligt en de omliggende straten en de achterliggende wijk. Met het plan voor het Sonnebornterrein is op verschillende manieren de nieuwbouw en omliggende bebouwing en straten op passende wijze op elkaar aan te laten sluiten. Hier is in paragraaf 2.2 op ingegaan, waarbij met name het 'aanhelen van de achterkanten' en het openbaar verblijfsgebied centraal in het plan ervoor zorgen dat de nieuwbouw en omliggende bebouwing een nieuw samenhangend weefsel vormen. De keuze om het hoogste accent, met een bouwhoogte van 40 m, aan de Spaarndamseweg te situeren is ook in dat licht gemaakt. Hier bevindt dit bouwblok zich het zo ver als mogelijk van de bestaande bebouwing af. De ligging van dit blok aan de Spaarndamseweg sluit ook aan bij de uitstraling van deze weg. In tegenstelling tot de kleinschalige woonwijken die daar achter liggen, is de Spaarndamseweg te definiëren als een stedelijke wand. Deze heeft op de meeste plekken een hoogte van 3 – 4 bouwlagen met verspreid meerdere hoogteaccenten. Dit blijkt ook uit figuur 4.12.2, waar de

90

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

hoogteaccenten met zwarte blokjes zijn weergegeven.

Figuur 4.12.2 Hoogteaccenten binnen stedelijke wand

91

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Zowel de functie van de Spaarndamseweg als doorgaande ontsluitingsweg voor autoverkeer, als de bouwhoogte van de 'stedelijke wand', maken dat de beleving op voetgangersniveau en de zichtlijnen sterk gerelateerd zijn aan het Spaarne. Het zicht op en langs het Spaarne (in noord-zuidrichting) zijn om die reden de voornaamste punten om vanuit cultuurhistorie en stedenbouw rekening mee te houden. In dat licht bezien past de stedelijke wand met hoogteaccent van 40 m in de grotere stedenbouwkundige structuur en worden er geen karakteristieke zichtlijnen geblokkeerd. Het plangebied stadsgezichten.

ligt

daarnaast

op

ruime

afstand

van

beschermde

Conclusie Vanuit cultuurhistorisch en stedenbouwkundig perspectief past de beoogde ontwikkeling en de situering van de hoogbouw van 40 m binnen de bestaande structuur.

4.14.2

Vliegverkeer Inleiding Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) is een algemene maatregel van bestuur en bevat de ruimtelijke regels op rijksniveau rondom de luchthaven Schiphol. In het Luchthavenindelingbesluit (LIB) worden beperkingen gesteld aan het gebruik van gronden (gebruiks- en bouwmogelijkheden) vanwege vliegveiligheid, externe veiligheid en geluid, in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw aan de Spaarndamseweg in Haarlem. Het plangebied valt binnen beperkingsgebieden van het LIB, binnen deze gebieden gelden eisen aan de maximale bouwhoogtes. Toetshoogte i.v.m. radar De planlocatie ligt binnen het beperkingsgebied 'Toetshoogte i.v.m. radar' van het LIB. In figuur 4.14.3 is het projectgebied aangeduid met een rode stip; binnen de groene contour is de maximale bouwhoogte vastgesteld op 76m NAP. Met een bouwhoogte van circa 40 m blijft het plan daar ruimschoots onder.

92

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.14.3 Bijlage 4a van het LIB - Toetshoogte i.v.m. radar. Projectgebied is aangeduid met rode stip. Conclusie Het aspect vliegverkeer staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.14.3

Bezonning Inleiding Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop het plan effect heeft op de bezonning van de omgeving als gevolg van de nieuwbouw die plaats zal vinden. Daartoe is een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de toekomstige mate van bezonning en schaduwhinder. In Nederland bestaat geen wetgeving ten aanzien van bezonning. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect bezonning of schaduwwerking te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Onderzoek

93

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Het bezonningsonderzoek is opgenomen als bijlage 18 en is uitgevoerd door Actiflow. De bezonnigsstudie in deze rapportage volgt de richtlijnen van de ‘lichte‘ TNO-norm en analyseert het verschil in direct zonlicht wat wordt ontvangen door de omliggende gebouwen tussen de bestaande en toekomstige situatie op de referentiedag 19 februari. Deze norm stelt dat de woonkamers van de omliggende gebouwen tenminste 2 bezonningsuren per dag dienen te hebben in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Het zonlicht wordt te midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam gemeten. In onderhavige studie is, in lijn met best-practice, enkel 19 februari beschouwd als worstcase en dus maatgevend. Er is een schaduwanalyse uitgevoerd om te bepalen welke van de omgevingsgebouwen een reductie in zonlicht zullen ervaren na de plaatsing van de nieuwbouw. Hieruit blijkt dat de onderstaande adressen worden beïnvloed door de nieuwbouw: Spaarndamseweg 484 t/m 490 Obistraat 30 t/m 54 Molukkenstraat 2 t/m 52 & 1 t/m 53 Atjehstraat 84 t/m 96 & 87 t/m 97 Floresstraat 79 t/m 111. Resultaten De resultaten tonen dat het project de grootste invloed heeft op de woningen die in de directe nabijheid van het gebouw staan.

Het aantal bezonningsuren vermindert het meest voor de woningen 484 t/m 490 in de Spaarndamseweg, de woningen in het midden en het oostelijke uiteinde van de Obistraat en de woningen 2 t/m 52 in de Molukkenstraat. Bijna alle onderzochte woningen behouden na realisatie van het plan tenminste 2 zonuren per dag. Uit het onderzoek volgt dat één woning hier niet aan voldoet, dat is de woning aan de Obistraat 54. Op het maatgevende moment op 19 februari volgt uit het onderzoek dat deze woning 1:45 directe bezonning ontvangt. Echter krijgt deze woning vanaf 21 februari, dus 2 dagen na het toetsmoment van 19 februari, wel meer dan 2 uur zon. Er is geen of verwaarloosbaar verschil gemeten in het aantal zonuren tussen de bestaande en toekomstige situatie voor de woningen van 1 t/m 53 in de Molukkenstraat, van 84 t/m 96 & 87 t/m 97 in de Atjehstraat en voor de woningen in de Floresstraat. Deze woningen krijgen circa tussen de 3:00 en 7:30 zonuren per dag. Een schaduwanalyse is uitgevoerd voor de dagen 19 februari, 21 maart, 21 juni en 21 december om inzichtelijk te maken hoe en wanneer de nieuwbouw het directe zonlicht op de omgevingsgebouwen vermindert. De schaduw valt in de ochtend van 19 februari en 21 maart op de huizen in de Molukkenstraat en de Obistraat. 's Middags valt de schaduw ook op de huizen in de Obistraat en de Spaarndamseweg.

Op 21 juni heeft de nieuwbouw bijna geen invloed op de omliggende gebouwen. De tegenovergestelde situatie wordt geregistreerd op 21 december. Tijdens deze dag valt de schaduw op de woningen in de Molukkenstraat gedurende de ochtend, op de woningen in de Obistraat bijna de 94

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

gehele dag en gedurende Spaarndamseweg.

de

middag

op

de

woningen

aan

de

Conclusie Het plan leidt tot een afname aan bezonning in de omgeving. De TNO-norm, die bij gebrek aan een wettelijk kader als uitgangspunt is gehanteerd, wordt bij één woning in de omgeving niet gehaald. In plaats van het minimum van 2 uur bezonning per dag, waar de norm van uitgaat, kent deze woning 1u45 aan bezonning op het maatgevende moment van 19 februari. Uit een nadere analyse blijkt dat de betreffende woning 2 dagen later, op 21 februari, alsnog aan de betreffende norm voldoet. Aan het eind van de toetsingsperiode, als de dagen weer korter worden, betekent dit dat de betreffende woning ook 2 dagen onder de norm van 2 uur uitkomt. Omdat een wettelijk kader ontbreekt, betreft het hier een afweging in het kader van goede ruimtelijke ordening. Rekening houdend met het aantal woningen waar de norm niet gehaald wordt (1), de afwijking van de norm (15 minuten) en de duur waarover deze overschrijding plaatsvindt (4 dagen per jaar) vindt de gemeente het acceptabel om met deze overschrijding in te stemmen gelet op het belang van woningbouw, de extra parkeergelegenheid en de toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in algemene zin die met het plan gemoeid is. 4.14.4

Windhinder Inleiding Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop het plan effect heeft op het windklimaat in de omgeving. van de omgeving als gevolg van de nieuwbouw die plaats zal vinden. Daartoe is een vergelijking gemaakt tussen het huidige en toekomstige windklimaat. In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Onderzoek Het windhinderonderzoek is opgenomen als bijlage 19 en is uitgevoerd door Actiflow. Het onderzoek hanteert de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de functie van de betreffende openbare ruimte (doorlopen, slenteren of langdurig zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat.

Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat

95

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Als richtwaarden voor het windklimaat wordt het volgende aangehouden: Op locaties met voor voetgangers een verkeersfunctie dient windhinder bij voorkeur klasse A, B of C te zijn. Klasse D biedt een matig niveau. Klasse E biedt een slecht niveau en dient vermeden te worden; Op locaties die gezien kunnen worden als verblijfsgebied voor voetgangers, bijvoorbeeld een winkelstraat of park dient windhinder bij voorkeur klasse A of B te zijn. Klasse C biedt een matig niveau en klassen D en E bieden een slecht niveau. Deze twee hoogste klassen dienen op deze locaties vermeden te worden; Ter plaatse van gebouwentrees dient bij voorkeur klasse A behaald te worden. Klasse B biedt een matig niveau. Klassen C, D en E bieden een slecht niveau en dienen vermeden te worden op deze locaties; Windgevaar dient bij voorkeur voorkomen te worden. Een beperkt risico kan lokaal geaccepteerd worden. Resultaat Een overzicht van de berekende windklassen is opgenomen in figuur 4.14.4.

Figuur 4.14.4 Windhinder kaart Het windonderzoek laat het volgende zien: 96

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Het heersende windklimaat in het projectgebied varieert van windhinderklasse A (geschikt voor alle activiteiten) t/m D (enkel geschikt voor de activiteit doorlopen). In de Molukkenstraat, de Floresstraat en in de Obistraat heersen kalme windcondities gekenmerkt door windklassen A en zeer beperkt B. De condities in deze klasse zijn voor alle voetgangersactiviteiten geschikt. Tussen blokken A, B en C heersen uitsluitend kalme condities die geschikt zijn voor alle voetgangersactiviteiten (klasse A). Tussen blokken D en E heersen condities die geschikt zijn om door te slenteren en te lopen (klasse A, B en C). Aan de kade van de Spaarne heersen relatief windrijke condities die gekenmerkt worden door klasse C en zeer beperkt klasse D. Er wordt aangenomen dat deze windcondities reeds aanwezig zijn, aangezien deze ook in de ruimere omgeving grenzend aan de Spaarne worden gevonden en dat de nieuwbouw hier slechts een marginaal aandeel in heeft. Het onderzoekt zoomt nog nader in op de daktuin, zoals weergegeven in figuur 4.12.5.

97

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

Figuur 4.12.5 Windhinderkaart daktuin Hier komen afwisselende condities voor die behoren tot klasse A t/m C. Ook zijn er enkele gebieden van een te verwaarlozen omvang waargenomen waar klasse D heerst. Omwille van het beoogde gebruik van de daktuin als kijktuin en niet als verblijfsgebied, worden deze windcondities acceptabel geacht. Er is in het plangebied geen risico op windgevaar waargenomen. De gevonden windcondities rondom het plangebied zijn geschikt voor beoogd gebruik. Daarmee is het toepassen van maatregelen niet benodigd is om het windklimaat te verbeteren. In aanvulling op dit windhinderonderzoek, heeft er ook windhinderonderzoek 98

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

plaatsgevonden naar het windklimaat op de balkons van de nieuwbouw. Het rapport van dat onderzoek is opgenomen in bijlage 20. Daaruit blijkt dat de private buitenruimten van blokken A,D,F,G en H een goed windklimaat (klasse A&B) kennen dat voldoet. Blok E kent enkele private buitenruimten met windrijke condities. Hiervoor zijn maatregelen te treffen om het windklimaat te verbeteren. Op geen van de private buitenruimten is er kans op windgevaar gebleken uit het onderzoek. Conclusie Het aspect windhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.15 Kabels, leidingen straalpaden en andere belemmeringen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

99

bestemmingsplan "Sonnebornterrein - Bloom" (ontwerp)

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13657684/1