CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

47 Bijlage 19 bij Biijlage 5 Plan-mer-beoordeling Waddenbuurt Haarlem

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)4.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANMELDNOTITIE Aan:

Gemeenteraad van de gemeente Haarlem

Projectnr:

Van:

MEES Ruimte & Milieu, namens Pré Wonen

Datum:

Betreft:

25227 9 maart 2026

Aanmeldnotitie plan-mer-beoordeling voor de herontwikkeling van de Waddenbuurt in Haarlem

1. INLEIDING Voor het plangebied Waddenbuurt is Pré Wonen (hierna: de Ontwikkelaar) van plan om elf portiekflats te slopen en in de plaats nieuwe woningen te realiseren. In de huidige situatie zijn er 264 sociale huurwoningen aanwezig die gesloopt worden. In samenwerking met de gemeente Haarlem is het voornemen om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De woningen bestaan uit zowel sociale huurwoningen, middensegment woningen en woningen in het hogere segment. Per saldo worden 281 woningen toegevoegd in het plangebied. Daarnaast worden er voorzieningen gerealiseerd zoals een buurtkamer van 90 m2 BVO in blok 2, kleinschalige daghoreca van 200 m2 BVO in blok. Ten slotte wordt ‘Ruimte voor Werk’ opgenomen in blok 7. Zo kan je hier een plek bieden aan kleine ondernemers, creatieve starters en buurtbewoners die een werkplek zoeken. Een goed voorbeeld is een makelaardij, die een lokale functie bezit. De functie krijgt een maximale omvang van 200 m2 BVO. Voor het plangebied is in juni 2025 door de gemeenteraad van Haarlem een Programma van Eisen voor de Leefomgeving (hierna: PvEL) vastgesteld. Figuur 1. Plangebied Waddenbuurt Haarlem (bron: PvEL Waddenbuurt)

Omgevingsplan gemeente Haarlem Ter plaatse van het plangebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Haarlem” (/akn/nl/act/gm0392/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd laatst versie in werking getreden per 1 januari 2026. Het plangebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende omgevingsplan (tijdelijk deel). Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplankaart (Plankaart Schalkwijk)

Bestemmingsplan ‘Schalkwijk’ Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan “Schalkwijk” geldend. Dit plan is op 27 juli 2009 onherroepelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlem. Het plangebied heeft de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Woondoeleinden en ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’. Er gelden bouwvlakken, waarbinnen gebouwd mag worden met verschillende bouwhoogten. De geplande ontwikkeling van 410 sociale huurwoningen, verdeeld over zes bouwblokken, aangevuld met 100 middensegmentwoningen en 35 vrijesectorwoningen, is in strijd met het geldende bestemmingsplan. De locatie heeft de enkelbestemmingen ‘Tuin’, ‘Woondoeleinden’ en ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’. De ontwikkeling wordt gedeeltelijk buiten de bestaande bestemming ‘Woondoeleinden’ gerealiseerd en buiten het bouwvlak gerealiseerd. Daarnaast vindt op een aantal locaties een wijziging plaats in de openbare ruimte, waardoor bijvoorbeeld een grasveld met de bestemming ‘Tuin’ een parkeerterrein wordt of juist een voetpad c.q. weg omgezet wordt naar groenvoorzieningen. Daarnaast wordt de maximale bouwhoogte bij sommige bouwblokken overschreden door het nieuwbouwplan. Om deze reden wordt een planologische procedure doorlopen aan de hand van een wijziging van het omgevingsplan. Aanleiding aanmeldnotitie Om het voorgenomen project mogelijk te maken wordt een omgevingsplanprocedure doorlopen.

In artikel 16.36, eerste lid, van de Omgevingswet is opgenomen dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan een milieueffectrapport wordt opgesteld als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een mer(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tevens maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als bij de voorbereiding van het plan een passende beoordeling moet worden gemaakt (artikel 16.36, tweede lid). Indien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben (artikel 16.36, derde lid). In de jurisprudentie is bepaald dat van een klein gebied sprake is bij projecten die kleiner zijn dan 1% van het totale grondgebied van een

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 2

gemeente (zie bijvoorbeeld Bestemmingsplan N65 Vught, ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL: RVS:2022:39100). Om tot deze conclusie te komen beoordeelt het bevoegd of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, in een zogeheten plan-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn (artikel 16.36, vijfde lid). Daarnaast raadpleegt het bevoegd gezag de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Natuur en Stikstof, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan. In voorliggende aanmeldnotitie is deze beoordeling opgenomen en gemotiveerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten, waardoor een plan-mer-beoordeling volstaat. In hoofdstuk 2 wordt de relatie met het projectplan beschreven. In hoofdstuk 3 is het advies van de wettelijke adviseurs opgenomen. Deze aanmeldnotitie wordt in hoofdstuk 4 afgesloten met een verzoek aan het bevoegd gezag.

2. RELATIE MET PLAN In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de projecten aangewezen waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt (zie onderstaande tabel). Het voorgenomen project is onder J.11 opgenomen in kolom 1 van bijlage V, maar uit kolom 2 blijkt dat een mer-plicht niet van toepassing is. Op grond van kolom 3 is een m.e.r.-beoordeling wel nodig. Kolom 1 Projecten

J.11

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Kolom 2 Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Niet van toepassing

Kolom 3 Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Aanleg, wijziging of uitbreiding

Kolom 4 Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit Het omgevingsplan

Het plangebied omvat circa 127.340 m2. Het grondgebied van de gemeente Haarlem is circa 32.090.000 m2 en daarmee is het plangebied circa 0,40% van het totale grondgebied van de gemeente Haarlem. Het plangebied is daarmee klein te noemen in verhouding tot het totale grondgebied. Vanwege het feit dat het plangebied kleiner is dan 1% van het gemeentelijke grondgebied, is het doorlopen van de plan-mer-beoordeling noodzakelijk. Deze plan-mer-beoordeling is doorlopen aan de hand van de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn. De inhoud waar een plan-mer-beoordeling aan moet voldoen is in de smb richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG) opgenomen. In de plan-mer-beoordeling dient de volgende inhoud te zijn vermeld: 1. 2.

Kenmerken van plannen; Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed.

Onderstaand worden deze onderdelen nader toegelicht.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 3

2.1. Kenmerken van plannen Voor een weloverwogen beoordeling is het van belang dat de kenmerken van het plan vermeld zijn, in het bijzonder gelet op:  de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;  de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;  de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;  milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;  de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap (bijv. plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming). Algemeen Het plangebied bevindt zich in de Waddenbuurt te Haarlem. De Waddenbuurt is een onderdeel van Molenwijk, één van de wijken van Schalkwijk, het naoorlogse stadsdeel in het zuidoosten van Haarlem. De buurt ligt ingeklemd tussen de Europaweg (hoofdweg van Schalkwijk) aan de noordzijde, de Zwemmerslaan aan de westkant, de Amelandstraat en Frieslandlaan aan de zuidkant en de Groningenlaan aan de oostkant.

De beoogde ontwikkeling ligt in sectie Y van de kadastrale gemeente: Haarlem (gemeentecode: HLM02). Figuur 3. Luchtfoto plangebied (bron: QGIS, eigen bewerking)

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 4

Vormt het plan een kader voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot ligging, aard, omvang en toewijzing van hulpbronnen De ontwikkeling bestaat uit de sloop van de elf woongebouw en een herinrichting van het omliggend openbaar gebied. Binnen het plangebied worden in totaal 545 nieuwbouwwoningen gerealiseerd in zeven blokken. Het plan is specifiek gericht op deze ontwikkeling en in het plan zijn geen kaders voor andere projecten en andere activiteiten opgenomen met betrekking tot ligging, aard, omvang en toewijzing van hulpbronnen. Voor de realisatie van het project worden reguliere hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout en staal. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De mate waarin het plan andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel Het plan leidt tot een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Haarlem, binnen het begrenzingsgebied van de Waddenbuurt in Molenwijk-Noord in Haarlem. Het plan beïnvloedt geen andere plannen en programma’s dan het omgevingsplan van de gemeente Haarlem. De relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling In het plan worden in het kader van duurzame ontwikkeling verschillende maatregelen getroffen.

Zo is in alle woonstraten van de Waddenbuurt de auto ondergeschikt gemaakt aan groen, fietsers en voetgangers. De rijwegen worden versmald, met langsparkeren aan één zijde. Dankzij een centrale route en diverse dwarspaden ontstaat een logisch netwerk van langzaamverkeersroutes. Bij bouwpercelen met sociale woningbouw (Pré Wonen) wordt ruimte gereserveerd voor Warmte-Koude Opslag (WKO) als onderdeel van de duurzame energievoorziening (Blok 1, 2, 4, 5 en 6b). De Waddenbuurt is aangewezen als toekomstig gebied voor een zeer-lage-temperatuur warmtenet. Bij de herinrichting van openbare ruimte hiermee rekening gehouden, zodat nieuwe en bestaande gebouwen hierop kunnen aansluiten. De Waddenbuurt draagt met haar robuuste groenstructuur bij aan de stedelijke biodiversiteit, met ruimte voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het Waddenpark vormt de groene hoofdas voor flora en fauna en sluit aan op het omliggende groen. De beplanting versterkt de biodiversiteit en draagt bij aan de wateropvang en -infiltratie, terwijl het park tegelijk de leefkwaliteit voor bewoners verhoogt. Bomen, hagen, kruidenrijke bermen, heesters en binnentuinen vormen een aaneengesloten groen netwerk door de hele buurt. De gebouwen worden duurzaam, efficiënt en flexibel ontworpen, met aandacht voor kosten, materiaalgebruik en toekomstig aanpasbaar wonen.

De casco’s zijn gebouwd voor de lange termijn, terwijl de inbouw eenvoudig te vervangen en te hergebruiken is. Alle onderdelen worden demontabel ontworpen, zodat materialen hoogwaardig hergebruikt of gerecycled kunnen worden. Waar mogelijk worden hernieuwbare en circulaire materialen toegepast om de uitputting van grondstoffen te beperken. Ten slotte zijn de gebouwen en buitenruimten in de Waddenbuurt ontworpen om bestand te zijn tegen de effecten van klimaatverandering, waarbij zowel hevige piekbuien als langdurige hete en droge periodes voorkomen. Regenwater wordt zo veel mogelijk lokaal hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem, waardoor het waterbeheer duurzaam en efficiënt verloopt. Het Waddenpark speelt hierbij een centrale rol; het park bestaat grotendeels uit wadi’s en mogelijk een vijver, die gezamenlijk zorgen voor wateropvang en infiltratie voor de gehele buurt. Milieuproblemen die relevant zijn voor het plan Er is in het kader van het plan onderzoek gedaan naar onder andere de bodemkwaliteit. Hieruit volgt dat een omvang van maximaal 6 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met PAK. Als deze grond echter vrijkomt bij herinrichting wordt de grond gesaneerd via het afdekken van de verontreiniging met een afdeklaag of het verwijderen en afvoeren van aanwezig bodemverontreiniging.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 5

Daarnaast is het kader van natuur onderzoek gedaan voor effecten in het kader van stikstofdepositie. Uit de voortoets is gebleken dat het project een projectbijdrage kent hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zijn significant negatieve effecten binnen de omliggende Natura 2000gebieden niet op voorhand uit te sluiten, en dus dient er een passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er aan de voorwaarden voor interne saldering wordt voldaan, is deze als mitigerende maatregel toegepast. Deze passende beoordeling is betrokken bij de beoordeling of het plan niet evident onuitvoerbaar is. In de stikstofberekeningen is intern gesaldeerd met de emissies verbonden aan de bestaande elf woongebouwen die stikstofemissies uit verkeersgeneratie en gasverbruik hebben. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat om dit gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie als interne salderingsmaatregel in de passende beoordeling te betrekken. Uit de stikstofberekeningen volgt dat in de gebruiksfase per saldo geen sprake is van een toename in de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden (de berekende stikstofdepositie is op geen enkel relevant hexagoon hoger dan 0,00 mol/ha/jaar).

Ten opzichte van de referentiesituatie is in de gebruiksfase geen sprake van een toename in de stikstofdepositie waardoor is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden worden aangetast. In de aanlegfase is gebleken dat er tijdelijk een potentieel effect optreedt in vergelijking met de referentiesituatie. Hiervoor wordt een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of dit potentiële effect leidt tot een significatie negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Deze ecologische beoordeling wordt in de procedure nog aangevuld. De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap (bijv. in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming) Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen. In het projectgebied worden woningen voorzien en enkel locatie voorzieningen. Indien bij de lokale voorzieningen sprake is van werk/bedrijf gerelateerd afval, dan wordt dit conform de geldende normen beheerd en afgevoerd. Wat betreft milieuhinder wordt voldaan aan de wettelijke normen dan wel maatregelen getroffen om gevolgen te voorkomen/beperken. De afvoer van regen- en vuilwater zal conform de daarvoor geldende eisen worden ontworpen.

Het vuilwater wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, hemelwater mag niet worden geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. Het nieuwe rioolstelsel dient nog aangelegd te worden. De vuilwater productie zal binnen het plangebied toenemen met 4,21 l/s (10,91 l/s – 6,70 l/s), echter leidt dit niet tot een verslechtering van de waterveiligheid of afvoercapaciteit van het watersysteem. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op de waterveiligheid, wateroverlast of waterkwaliteit. 2.2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed Voor een weloverwogen beoordeling is het van belang dat het plan wordt beschouwd op de onderstaande onderdelen:      

de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten; de cumulatieve aard van de effecten; de grensoverschrijdende aard van de effecten; de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen); de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: o bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed o de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden o intensief grondgebruik

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 6

o

de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.

De waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten De realisatie van het plan is tijdelijk van aard. Daarmee zijn de effecten van de bouwfase op bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden, maar ook effecten vanuit verkeer op het omliggend gebied tijdelijk van aard voor de duur van enkele jaren. Indien het plan is gerealiseerd, zijn de effecten in principe onomkeerbaar totdat het bevoegd gezag voor het plangebied een ander doel dan wel visie heeft. In de eindsituatie is echter sprake van een positief (milieu)effecten ten opzichte van de huidige situatie als we kijken naar duurzaamheid, biodiversiteit, lagere stikstofuitstoot, groen en ecologie. Cumulatie aard van de effecten De ontwikkeling van Waddenbuurt heeft geen cumulatie met andere projecten. Voor zover bekend zijn er dus geen andere concrete plannen in de omgeving die gezamenlijk met dit project mogelijk tot aanzienlijke milieueffecten kunnen leiden. De grensoverschrijdende aard van de effecten De effecten van het plan zijn niet grensoverschrijdend van aard maar lokaal van aard en op het aspecten van bijvoorbeeld stikstofdepositie regionaal van aard.

De risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen) Risico voor de menselijke gezondheid De ontwikkeling maakt de realisatie van woningen mogelijk en de realisatie van enkele lokale voorzieningen mogelijk, zoals een buurtkamer of een makelaarskantoor. Daarnaast bestaat de ontwikkeling uit het herinrichten van het openbaar gebied. Dit betreffen geen activiteiten die leiden tot risico’s voor de menselijke gezondheid. De beoogde woningen in het plangebied worden daarnaast in het kader van externe veiligheid volledig buiten de aandachtsgebieden en PR 10-6-contouren van de nabijgelegen risicobronnen gesitueerd, waardoor er voor de beoogde nieuwe bewoners in het plangebied vanuit externe veiligheid geen risico’s bestaan voor de menselijke gezondheid. Ten slotte ontstaat er voor de beoogde woningen geen risico’s voor de menselijke gezondheid voor overige omgevingsaspecten, zoals luchtkwaliteit en geluidsaspecten. In het kader van de luchtkwaliteit blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 in het plangebied ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Met optelling van de verkeersbijdrage die ontstaat door toevoeging van extra woningen in het plangebied, blijft men nog steeds ruim onder de grenswaarden. Zodoende ontstaat er vanuit de luchtkwaliteitseisen geen risico voor de menselijke gezondheid in het plangebied.

In het kader van de geluidbelasting worden geluidmaatregelen getroffen bij de woningen, waardoor vanuit de geluidbelasting door wegverkeer een acceptabel geluidsniveau in de woning te realiseren dat niet leidt tot een risico voor de menselijke gezondheid. Vervolgens blijkt dat activiteiten binnen de Waddenbuurt niet leiden tot onaanvaardbare geluidniveaus en daarmee de menselijke gezondheid niet schaden. Risico’s voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen) Het plan bestaat uit de realisatie van 545 woningen en een herinrichting van het plangebied, waar o.a. de toevoeging van veel groenvoorzieningen. De risico’s voor het milieu zijn daarmee niet te verwachten. Er is in het kader van het plan onderzoek gedaan naar onder andere de bodemkwaliteit. Hieruit volgt dat een omvang van maximaal 6 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd is met PAK. Als deze grond vrijkomt bij herinrichting wordt de grond gesaneerd via het afdekken van de verontreiniging met

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 7

een afdeklaag of het verwijderen en afvoeren van aanwezig bodemverontreiniging naar een erkend verwerker. Dit leidt niet tot een risico voor het milieu. Er is tevens onderzoek gedaan naar de effecten van het plan op de wateropgave. Binnen het plangebied is sprake van een afnemend verhard oppervlak (75.160 m² in de toekomstige situatie vergeleken met 79.920 m² in de huidige situatie). Met het vigerende beleid van het hoogheemraadschap hoeft geen waterberging binnen plangebied gerealiseerd te worden. Ter plaatse van de te handhaven percelen (verhard oppervlak 10.500 m²) veranderen de oppervlakken niet. Daarom hoeft, conform de hemelwaterverordening, geen waterberging op het eigen terrein gerealiseerd te worden. Voor de openbare ruimte geldt dat bij een neerslagsituatie van 70 mm (over de verharding in het hele plangebied) geen water in de panden mag stromen. Dit resulteert in de onderstaande benodigde waterberging: 75.160 m² * 70 mm = 5.261 m³. Deze waterberging wordt met de herontwikkeling van het openbaar gebied gerealiseerd door middel van wadi’s. Hierdoor wordt voorkomen dat neerslag te snel afstroomt naar het oppervlaktewater en blijft het planeffect op de wateropgave beperkt. Het plangebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

De Europese Kaderrichtlijn water (KRW), de Nota Waterhuishouding (NW4) en de Omgevingswet stellen eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater. Schoon water draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, ook voor ruimtelijke plannen is waterkwaliteit daarom een aandachtspunt. Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen voorkomen conform beleid gemeente en waterschap. In het grondwaterplan is het aanbevolen om met de riolering in de openbare ruimte tevens drainage mee aan te leggen. Door het aanleggen van de drainage wordt grondwaterpieken afgevlakt. Door middel van de drainage blijft het huidige maaiveldniveau geschikt voor de ontwikkeling. Ten slotte is het plangebied niet gelegen binnen het gebied waar een kans op een overstroming is. De beoogde ontwikkeling heeft op zichzelf staand geen mogelijkheden om deze kans te verminderen. Daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat een overstroming tijdens een mensenleven zal gebeuren, waardoor geen risico voor de beoogde ontwikkeling wordt verwacht. De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) De omvang van de effecten zijn lokaal van aard en beperken zich alleen tot het plangebied of de omgeving rondom het plangebied.

Alleen strekken de effecten in het kader van stikstofdepositie zich regionaal uit, omdat hierdoor stikstofdepositie optreedt vanuit het plan op o.a. het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid”. Uit de passende beoordeling blijkt dat in de gebruiksfase de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden niet door het plan worden aangetast. In de aanlegfase is gebleken dat er tijdelijk een potentieel effect optreedt in vergelijking met de referentiesituatie. Hiervoor wordt een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of dit potentiële effect leidt tot een significatie negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Deze ecologische beoordeling wordt in de procedure nog aangevuld. De effecten van het plan op het aspect verkeer zijn bijvoorbeeld lokaal van aard. Door Goudappel is onderzoek gedaan naar de verkeersgeneratie die veroorzaakt wordt door de beoogde ontwikkeling. De verkeersgeneratie per gemiddelde weekdag bij 545 woningen ligt op basis van de CROW-normen publicatie 744 op een (gesaldeerde) generatie van 1.034 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal en 947 per weekdagetmaal.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 8

Goudappel heeft de toename aan verkeer geanalyseerd met het vigerende verkeersmodel NoordHolland Zuid (2040). Het woningbouwprogramma is toegevoegd aan het verkeersmodel. Het verkeersmodel heeft vervolgens het extra verkeer toegedeeld aan het omliggende / regionale wegennet. Uit de vergelijking tussen de 2040-referentiesituatie en de 2040-plansituatie blijkt dat de toename van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (Europaweg, Zwemmerslaan, Zuiderzeelaan en Groningenlaan) relatief gering is, zowel in het etmaal als in de ochtend- en avondspits. Het extra verkeer verspreidt zich over meerdere aansluitende wegen, waardoor nergens sprake is van een sprongsgewijze of onevenredig grote toename van de intensiteiten. Het planeffect op netwerkniveau kan daarmee als beperkt en beheersbaar worden aangemerkt. Ten slotte zijn de akoestisch effecten van het plan, de lokale activiteiten op de omliggende bestaande woningen in kaart gebracht. De effecten zijn lokaal van aard en de omvang van de geluideffecten beperkt zich tot de woningen rondom de beoogde lokale voorzieningen. Uit akoestisch onderzoek volgt dat de activiteiten binnen de Waddenbuurt niet leiden tot onaanvaardbare geluidniveaus voor de omliggende woningen.

De waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed Bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd stadsgezicht. Daarnaast is het plangebied geen onderdeel van het werelderfgoed, waardoor het plan geen invloed heeft op het cultureel erfgoed. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect. Uit het onderzoek blijkt dat de graafwerkzaamheden voor de funderingen en de inrichting van de openbare grond zeer waarschijnlijk niet reiken tot in de archeologische niveaus. Mogelijk dat alleen met de riolering de top van het veen geraakt wordt. De heipalen gaan echter dwars door alle archeologische niveaus heen (top veen, top van een eventueel duintje op de strandvlakte). Afhankelijk van hun aantal en de tussenafstand tussen de heipalen, kan een eventuele vindplaats hierdoor worden aangetast. Om deze reden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen dat nader archeologisch onderzoek vereist bij het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden, waardoor wordt voorkomen dat gebouwd wordt zonder dat de archeologische verwachtingswaarden volledig in kaart zijn gebracht. Hiermee wordt voorkomen dat archeologische waarden negatief worden beïnvloed. Ten slotte is het projectgebied niet gelegen in een Natura 2000-gebied, NNN-gebied, weidevogelleefgebied of ander kwetsbaar gebied.

De overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden Het beoogde plan leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden in het kader van luchtkwaliteitsnormen, maar leidt wel tot in eerste instantie tot een overschrijding van stikstofnormen. Zoals eerder vermeld blijkt uit de passende beoordeling dat met interne saldering van het bestaande gebruik de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet door het plan worden aangetast. De realisatie van het plan nabij onder andere de Europaweg leidt in het kader van geluid tot een overschrijding van de standaardwaarde op de gevel van de beoogde woningen, maar niet tot een overschrijding van de grenswaarde. Voor die gevels waar niet wordt voldaan aan de standaardwaarde, worden geluidreducerende maatregelen opgenomen in het ontwerp. Daarmee wordt ervoor gezorgd dat bij de woningen nog steeds een goed woon- en leefklimaat beoogd en wordt de overschrijding van de normen aanvaardbaar geacht. De geluidbelasting van activiteiten in het plangebied, zoals lichte horeca, een buurtkamer of een makelaarskantoor naar bestaande woningen overschrijdt niet de normen of grenswaarden.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 9

Intensief grondgebruik In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied in gebruik als een woonwijk met een openbaar gebied tussen de woongebouwen. Het grondgebruik wordt in de toekomstig situatie in eenzelfde mate intensief gebruikt, omdat dezelfde activiteiten beoogd zijn zoals woonfuncties, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Echter zal het aandeel inwoners in het plangebied toenemen, waardoor bijvoorbeeld het verkeersgebruik lichtelijk zal toenemen. Uit een mobiliteitsonderzoek is gebleken dat de toename van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (Europaweg, Zwemmerslaan, Zuiderzeelaan en Groningenlaan) relatief gering is, zowel in het etmaal als in de ochtend- en avondspits. Het extra verkeer verspreidt zich over meerdere aansluitende wegen, waardoor nergens sprake is van een sprongsgewijze of onevenredig grote toename van de intensiteiten. Het planeffect op netwerkniveau kan daarmee als beperkt en beheersbaar worden aangemerkt. De effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN.

De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Wel kan het project effecten van stikstof op het nabijgelegen Natura 200-gebied Kennemerland-Zuid hebben. Uit de voortoets is gebleken dat het project een projectbijdrage kent hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zijn significant negatieve effecten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten, en dus dient er een passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er aan de voorwaarden voor interne saldering wordt voldaan, is deze als mitigerende maatregel toegepast. Deze passende beoordeling is betrokken bij de beoordeling of het plan niet evident onuitvoerbaar is.

In de stikstofberekeningen is intern gesaldeerd met de emissies verbonden aan de bestaande elf woongebouwen die stikstofemissies uit verkeersgeneratie en gasverbruik hebben. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat om dit gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie als interne salderingsmaatregel in de passende beoordeling te betrekken. Uit de stikstofberekeningen volgt dat in de gebruiksfase per saldo geen sprake is van een toename in de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden (de berekende stikstofdepositie is op geen enkel relevant hexagoon hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Ten opzichte van de referentiesituatie is in de gebruiksfase geen sprake van een toename in de stikstofdepositie waardoor is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden worden aangetast. In de aanlegfase is gebleken dat er tijdelijk een potentieel effect optreedt in vergelijking met de referentiesituatie. Hiervoor wordt een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of dit potentiële effect leidt tot een significatie negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Deze ecologische beoordeling wordt in de procedure nog aangevuld.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 10

3. ADVIES WETTELIJKE ADVISEURS Op grond van artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet, moet het bevoegd gezag bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister voor Natuur en Stikstof, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan) raadplegen. Bij het besluit over de beoordeling worden de wettelijke adviseurs geraadpleegd.

4. VERZOEK Middels voorliggende aanmeldnotitie is op basis van de twee criteria uit bijlage II van de smb-richtlijn geoordeeld dat het plan niet leidt tot een aanzienlijk milieueffect en dat hiervoor geen MER hoeft opgesteld te worden. Aan het bevoegd gezag wordt verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere plan-MER nodig is. Bij het besluit worden de wettelijke adviseurs op grond van artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet nog geraadpleegd.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.MM

Pagina | 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788156/1