CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

38 Bijlage 10 bij Bijlage 5 Nader onderzoek - Inventarisatierapport - Adviesbureau ECOlogisch

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)4.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NATUURONDERZOEK MOLENWIJK-NOORD HAARLEM Broedvogels, marterachtigen en vleermuizen

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 14-1-2025

VERANTWOORDING Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Gemeente Haarlem Mevr. E. Hin Postbus 511 2003 PB Haarlem 0646215572 ehin@haarlem.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

J.I. Andringa MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

P.R.D. Conrad MSc. ing. S. van Lieshout

Projectcode: Datum:

GHVW2401 14-1-2025

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is aangesloten bij brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 4 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 4 1.2.1 Soortbescherming ................................................................................................................. 5 2 Onderzoeksmethodiek................................................................................................................ 7 2.1 Broedvogels ............................................................................................................................. 7 2.2 Kleine marterachtigen............................................................................................................... 7 2.3 Vleermuizen ............................................................................................................................. 7 2.3.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen............................................................................................ 8 2.3.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ..................................................................................

8 2.3.3 Winterverblijfplaatsen ............................................................................................................ 8 2.3.4 Vliegroutes en foerageergebieden ......................................................................................... 8 2.4 Overzicht inventarisaties........................................................................................................... 8 3 Resultaten................................................................................................................................. 10 3.1 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten ........................................................................ 10 3.2 Kleine marterachtigen............................................................................................................. 10 3.3 Vleermuizen ........................................................................................................................... 10 3.3.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen.......................................................................................... 10 3.3.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ................................................................................ 11 3.3.3 Winterverblijfplaatsen ..........................................................................................................

11 3.3.4 Vliegroutes en foerageergebieden ....................................................................................... 11 3.4 Beschermde functies projectgebied ........................................................................................ 11 4 4.1 4.2

Conclusie en aanbevelingen .................................................................................................... 13 Conclusie ............................................................................................................................... 13 Aanbevelingen t.a.v. de natuurwetgeving ................................................................................ 13

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5:

Kaart broedvogels met nesten in bomen .............................................................................. 14 Kaart broedvogels met nesten in gebouwen ......................................................................... 15 Kaart locaties cameravallen................................................................................................. 16 Kaart resultaten vleermuizen ............................................................................................... 17 Foto’s ................................................................................................................................. 18

3

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens om het gebied Molenwijk-Noord te herontwikkelen. Hierbij worden er elf portiekflats en een winkelpand gesloopt. Daarnaast vindt er bomenkap plaats en worden er werkzaamheden uitgevoerd aan de openbare ruimte. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. In 2023 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. verkennend natuuronderzoek uitgevoerd middels een quickscan ecologie 1. Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen en vleermuizen. In 2023 is door IDDS voor negen gebouwen aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd2. In opdracht van Gemeente Haarlem is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het projectgebied door broedvogels met jaarrond beschermde nesten en kleine marterachtigen. Er is eveneens onderzoek gedaan naar gebouwbewonende vleermuizen voor drie gebouwen, die niet zijn onderzocht door IDDS en onderzoek naar boombewonende vleermuizen voor vier bomen met holtes. Op afbeelding 1 is een kaart weergegeven met het onderzoeksgebied voor de verschillende soortgroepen. Dit rapport bevat de resultaten van het natuuronderzoek en aanbevelingen ten opzichte van de natuurwetgeving.

Afbeelding 1: Onderzoeksgebied onderzoek beschermde soorten

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING

Natuurbescherming is opgenomen in de Omgevingswet. Dit beslaat gebiedsbescherming, soortbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Omgevingswet zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen en Rode lijstsoorten. Middels een provinciale verordening kunnen de nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de bepalingen uit de natuurbeschermingswetgeving. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. De voor flora- en fauna-activiteiten meest relevante onderdelen van de natuurbeschermingswetgeving zijn hier opgenomen.

1

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. (2023). Quickscan Wet natuurbescherming Molenwijk-Noord te Haarlem (Projectcode: GHNA2205). 14 maart 2023. 2 IDDS (2023) Nader onderzoek vleermuis Wet natuurbescherming Waddenbuurt Haarlem, 24 oktober 2023.

4

1.2.1

SOORTBESCHERMING

Het is conform artikel 5.1, lid 1g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht een ieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen. Alle nestlocaties van broedvogels zijn op Europees niveau beschermd. De bepalingen voor wat betreft broedvogels zijn opgenomen in artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Alle vleermuizen zijn op Europees niveau beschermd. Bepalingen voor de bescherming van vleermuizen zijn opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De bunzing, hermelijn en de wezel zijn beschermd op nationaal niveau. Bepaling met betrekking tot de bescherming van de bunzing, hermelijn en de wezel zijn opgenomen in artikel 11.54 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Europees beschermde soorten - Vogels De bepalingen voor wat betreft Europees beschermde vogels zijn opgenomen in artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.

Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De bepalingen voor wat betreft overige Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

5

Nationaal beschermde soorten De bepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.54 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.

6

2

ONDERZOEKSMETHODIEK

2.1

BROEDVOGELS Het onderzoek naar broedvogels bestaat uit een inventarisatie van nesten en territoria binnen de invloedssfeer van het projectgebied. Het gaat hierbij om categorieën 1-5 uit de herziene vogellijst van het Ministerie van E, L & I welke 26 augustus 2009 is gepubliceerd. De methode voor het inventariseren van broedvogels is gebaseerd op de BMPmethode van SOVON3. Om de aanwezigheid van broedgevallen en territoria vast te stellen zijn vijf bezoeken aan het projectgebied gebracht. Ten minste één ronde is uitgevoerd vanaf één uur voor zonsopkomst om de activiteit van nachtactieve soorten te kunnen onderzoeken. Tijdens elke inventarisatie zijn alle potentieel jaarrond beschermde nesten gecontroleerd op bezetting. Het inventariseren van broedvogels heeft plaatsgevonden in de periode 15 maart – 15 juli 2024. De inventarisaties zijn verspreid over de aangegeven onderzoeksperiode uitgevoerd met een minimale tussenpose van 10 dagen, teneinde de trefkans op zowel vroeg als later in het seizoen aanwezige soorten te vergroten. In paragraaf 2.4 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden.

2.2

KLEINE MARTERACHTIGEN De groep kleine marterachtigen bestaat uit de bunzing, hermelijn en de wezel. Het onderzoek naar de hermelijn en de wezel is uitgevoerd met behulp van zogenaamde cameravallen, buiscamera’s of wezelcamera’s. De buiscamera en wezelcamera zijn standaard cameravallen welke in een behuizing worden geplaatst. In de behuizing is vervolgens een lokstof aangebracht. De cameravallen kunnen ook zonder behuizing worden ingezet. De cameravallen zijn minstens acht weken actief geweest in de periode 1 juni – 15 november 2024, waarbij ze periodiek zijn uitgelezen en de batterijen en de lokstof ververst zijn. De wezelcamera’s zijn geschikt voor het in beeld brengen van de wezel en in mindere mate ook de bunzing en de hermelijn. De buiscamera’s en losse cameravallen vormen voor alle soorten marterachtigen een geschikte cameraopstelling. De cameraval locaties zijn ter plaatse in het veld bepaald aan de hand van het voorkomen van geschikt habitat. De verschillende inventarisatiemethoden vullen elkaar aan en geven een nauwkeurig beeld van de verspreiding weer. Het voorkomen van de wezel en de hermelijn is naast de aanwezigheid van voldoende dekking ook afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende prooidieren. Om die reden is bij de plaatsing en bij de controles ook specifiek gelet worden op sporen, prooiresten en individuen van prooidiersoorten voor de marterachtigen.

Het onderzoek naar kleine marterachtigen is uitgevoerd conform het Kennisdocument Kleine marterachtigen 4. In paragraaf 2.4 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden.

2.3

VLEERMUIZEN Onderzoek naar vleermuizen is te verdelen in het inventariseren van zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Per onderzochte functie is er onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 20215. In verband met de omvang en het overzicht in het projectgebied zijn de inventarisaties naar boomholtes en de drie gebouwen uitgevoerd in een team van zes onderzoekers. Dit aantal onderzoekers is benodigd om te voldoen aan de overzichtsregels in het vleermuisprotocol. De twee inventarisaties die vanaf middernacht aanvingen, zijn in een team van twee onderzoekers uitgevoerd. De andere negen gebouwen die eveneens worden gesloopt, maar al zijn onderzocht door IDDS, zijn tijdens het onderzoek meegenomen. Het betreft geen protocolonderzoek, maar bij elke inventarisatie is er door een onderzoeker voor of na de inventarisatie een ronde door het hele projectgebied gelopen om een beeld te krijgen van alle vleermuisactiviteit in het gebied. Onderstaand is beschreven op welke wijze het onderzoek voor verschillende functies uitgevoerd is.

3 Vergeer, J.W., Boele, A., van Bruggen, J. & van Turnhout, C. (2023). Handleiding Sovon Broedvogelmonitoring: Broedvogel Monitoring Project en kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. 4 BIJ12 (2024). Kennisdocument Kleine marterachtigen, versie 1.0. januari 2024. 5 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2020). Vleermuisprotocol 2021. Oktober 2020.

7

De inventarisaties met betrekking tot vleermuizen zijn met behulp van een zogenaamde batdetector uitgevoerd. Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt standaard met de Pettersson D240X. Dit apparaat vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt het apparaat de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. Het onderzoek wordt daarnaast ondersteund door het gebruik van warmtebeeldcamera’s van het type Hikmicro Owl, Lynx, Pulsar Axion XM30s of Accolade. In paragraaf 2.4 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden. De toegepaste methodiek wordt hier per functie nader toegelicht.

2.3.1

ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN

In de periode 1 juni – 15 juli 2024 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit drie rondes, waarvan er één in de vroege ochtend vanaf circa drie uur voor zonsopkomst is uitgevoerd (i.v.m. mogelijke aanwezigheid meervleermuis en watervleermuis). De overige twee rondes zijn 's avonds vanaf zonsondergang tot 2,5 uur na zonsondergang uitgevoerd (i.v.m. laatvlieger en gewone grootoorvleermuis). Eén ronde is in juni uitgevoerd.

2.3.2

PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN

In de periode 15 augustus – 15 september 2024 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit twee rondes, waarvan er één vanaf middernacht is uitgevoerd. De overige ronde is vanaf zonsondergang uitgevoerd. De ronde vanaf middernacht is gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar de aanwezigheid van zwermende dieren in het kader van massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

2.3.3

WINTERVERBLIJFPLAATSEN

In de periode 1 augustus – 10 september 2024 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zwermende dieren in het kader van massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit twee rondes van twee uur, die vanaf middernacht zijn uitgevoerd. Eén ronde is gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen van vleermuizen. In de periode 1 december 2023 – 1 maart 2024 zijn de boomholtes in het projectgebied, die potentieel geschikt zijn als winterverblijfplaats, onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen, de geschiktheid van de holte en de aanwezigheid van sporen van vleermuizen die kunnen duiden op het gebruik van de boomholte als verblijfplaats. Het onderzoek is uitgevoerd in een team van twee deskundigen op het gebied van vleermuizen. De deskundigen zijn eveneens gecertificeerde klimmers. Er is voor het onderzoek gebruik gemaakt van een ladder, zaklamp, spiegel, endoscoop en klimmaterialen.

2.3.4

VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN

Het onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen is simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd en bestaat uit twee rondes. Eén ronde is in de kraamperiode van vleermuizen uitgevoerd. De overige ronde is in de paarperiode van vleermuizen uitgevoerd.

2.4

OVERZICHT INVENTARISATIES In tabel 1 is een overzicht gegeven van de data en weersomstandigheden van het onderzoek. De inventarisaties zijn uitgevoerd door ing. B.G. Aalbers, ing. C.J. Aalbers, E. Oosterlee BSc., F.H.W. Whitton, ing. J.C.H. den Hollander, ing. W.J.J. van der Bijl, J.J. van der Meulen, ing. E.M. van Leur, L.E. Kramer, M. Joustra, ing. M.R. Hansma, N. Guida, P.R.D. Conrad MSc., R.M. Waij, S.W.A. Osinga, S. Breur en Y. Coolen MSc. Tabel 1: Overzicht inventarisaties Datum

Tijd

Hoofdgroep

Activiteit

Weersomstandigheden

11-01-2024

n.v.t.

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen, controle

Zwaar bewolkt, 2 Bft, 10 °C

boomholtes met boomcamera 27-03-2024

05:25 – 08:25

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Geheel bewolkt, 3 Bft, 11 °C

10-04-2024

05:53 – 08:53

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Zwaar bewolkt, 3 Bft, 13 °C

07-05-2024

04:58 – 07:58

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Zwaar bewolkt, 3 Bft, 17 °C

11-06-2024

22:03 – 00:33

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

Vrijwel geheel bewolkt, 3 Bft, 11 °C

8

11-06-2024

n.v.t.

Kleine

Camera’s plaatsen

marterachtigen

Vrijwel geheel bewolkt, 3 Bft, 13 °C

12-06-2024

04:19 – 07:19

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Geheel bewolkt, 3 Bft, 13 °C

12-06-2024

02:19 – 05:19

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

Geheel bewolkt, 3 Bft, 11 °C

02-07-2024

04:24 – 07:24

Vogels

Jaarrond beschermde nesten

Geheel bewolkt, 3 Bft, 16 °C

02-07-2024

22:06 – 00:36

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

Geheel bewolkt, 3 Bft, 13 °C

02-07-2024

n.v.t.

Kleine

Controle camera’s

Geheel bewolkt, 3 Bft, 16 °C

Controle camera’s

Zwaar bewolkt, 3 Bft, 24 °C Vrijwel geheel bewolkt, 3 Bft,

marterachtigen 31-07-2024

n.v.t.

Kleine marterachtigen

01-08-2024

00:00 – 02:00

Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

16-08-2024

00:00 – 02:00

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en

19 °C Geheel bewolkt, 3 Bft, 19 °C

zwermplaatsen Massawinterverblijfplaatsen 16-08-2024

n.v.t.

Kleine

Controle camera’s

Geheel bewolkt, 3 Bft, 20 °C

Ophalen camera’s

Geheel bewolkt, 5 Bft, 21 °C

Paarverblijfplaatsen en

Half bewolkt, 3 Bft, 18 °C

marterachtigen 22-08-2024

n.v.t.

Kleine marterachtigen

05-09-2024

20:19 – 23:19

Vleermuizen

zwermplaatsen

9

3

RESULTATEN

3.1

BROEDVOGELS MET JAARROND BESCHERMDE NESTEN Binnen het projectgebied zijn er 20 potentieel jaarrond beschermde nestlocaties van broedvogels in de bomen onderzocht. Tijdens het onderzoek zijn op vier nesten broedgevallen van de ekster vastgesteld. Op de andere zestien nesten zijn geen broedgevallen vastgesteld of is het nest niet meer aanwezig. Nesten van de ekster behoren tot categorie 5 en zijn alleen beschermd als in de omgeving onvoldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig zijn om een (nieuw) nest te realiseren. In de directe omgeving van het projectgebied zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig waar de ekster nestlocaties kunnen bouwen, zoals in het Romolen Heempark ten noorden van het projectgebied en in de woonwijken ten zuiden van het projectgebied. De vier aangetroffen nestlocaties van de ekster zijn door de aanwezigheid van voldoende alternatieven niet jaarrond beschermd. In bijlage 1 zijn de resultaten van het onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten in de bomen op kaart weergegeven. Overige waarnemingen In het projectgebied is geen protocolonderzoek gedaan naar nestlocaties van gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de categorieën 1-4 uit de herziene vogellijst van het Ministerie van E, L & I.

Er is geen protocolonderzoek uitgevoerd omdat er geen werkzaamheden zullen plaatsvinden aan de gebouwen met potentie voor nesten van de huismus. Gedurende de inventarisaties zijn in de gebouwen wel broedgevallen van vogels met jaarrond beschermde nesten vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn er vier nestlocaties van de huismus in de gebouwrij aan de Zuiderzeelaan vastgesteld. Er is één bezet nest van de huismus vastgesteld aan de noordzijde van het gebouw aan Zuiderzeelaan 2. Er is één bezet nest van de huismus vastgesteld aan de zuidoostzijde van het gebouw aan Zuiderzeelaan 8 onder een nokpan ter hoogte van een regenpijp. Er zijn twee bezette nesten van de huismus vastgesteld aan de zuidkant van het gebouw aan Zuiderzeelaan 20, één tussen de bovenste dakpan en de schoorsteen aan de westzijde en het andere onder de derde dakpan van boven bij de schoorsteen aan de oostzijde. In de bebouwing zijn daarnaast een broedgevallen van de kauw, koolmees en pimpelmees vastgesteld. De waarnemingen zijn op kaart weergegeven in bijlage 2. In bijlage 5 zijn afbeeldingen van de nestlocaties van de huismus toegevoegd.

3.2

KLEINE MARTERACHTIGEN In het projectgebied zijn geen individuen van de beschermde marterachtigen waargenomen. Er zijn tijdens het onderzoek met cameravallen individuen van de gewone bosmuis, bruine rat, egel, huiskat, huisspitsmuis, merel, roodborst en de zanglijster vastgesteld. In bijlage 3 zijn de locaties van de cameravallen op kaart weergegeven en in bijlage 5 zijn beelden van de cameravallen toegevoegd. 3.3

VLEERMUIZEN In het projectgebied zijn gedurende het onderzoek de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis waargenomen. Per onderzochte functie is het gebruik van het projectgebied nader toegelicht. In het projectgebied en in de directe omgeving zijn gedurende het onderzoek vier boomholtes vastgesteld. Er is beoordeeld dat de holtes geschikt zijn als zomer-, kraam-, paar- of winterverblijfplaats voor de ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en de watervleermuis. In bijlage 4 zijn de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen en de locaties van de boomholtes op kaart weergegeven. 3.3.1

ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN

Er zijn geen kraamverblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen vastgesteld. Er zijn twee zomerverblijfplaatsen van vleermuizen in de relevante gebouwen waar genomen. Er is één zomerverblijfplaats van één individu van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de Texelhof 389. Deze bevindt zich aan de zuidzijde van gebouw 345 - 391 op de bovenverdieping onder de dakrand (afbeelding 5). Er is één zomerverblijfplaats van één individu van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de Texelhof 399. De bevindt zich aan de oostzijde van gebouw 357 - 399 onder de dakrand (afbeelding 6).

10

Er zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen in de vier onderzochte boomholtes vastgesteld. Tijdens het onderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen zijn foeragerende en passerende individuen van de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen.

3.3.2

PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN

Er zijn geen paarverblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen vastgesteld. Er is één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis buiten het projectgebied vastgesteld ter hoogte van Waddenstraat 142. De verblijfplaats bevindt zich aan de oostzijde van gebouw 134 - 144 in een open stootvoeg aan de bovenkant van het gebouw, zuidelijk van de noordelijkste streep (afbeelding 7). Er zijn geen paarverblijfplaatsen in de vier onderzochte boomholtes vastgesteld. Er zijn drie baltsterritoria van vleermuizen buiten het onderzoeksgebied vastgesteld. Er is één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld ter hoogte van Prattenburg 105 - 167, één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis ter hoogte van Vlielandhof 80 en één baltsterritorium van de ruige dwergvleermuis ter hoogte van Waddenstraat 188. Op deze drie locaties is langdurig een baltsend individu waargenomen waarbij binding met de bebouwing is vertoond op basis van gedrag. Dit duidt op de aanwezigheid van een paarverblijfplaats. De exacte locaties van de paarverblijfplaatsen zijn tijdens de inventarisatie niet vastgesteld. Tijdens het onderzoek naar paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen zijn foeragerende en passerende individuen van de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en van de ruige dwergvleermuis.

Er zijn daarnaast passerende individuen van de laatvlieger en één foeragerend individu van de watervleermuis waargenomen. Het individu van de watervleermuis is vastgesteld buiten het projectgebied aan de waterkant van het Romolen Heempark.

3.3.3

WINTERVERBLIJFPLAATSEN

Er zijn geen winterverblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen vastgesteld. Er zijn twee massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis buiten het projectgebied vastgesteld. Er is één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de westgevel van Waddenstraat 293, boven het zuidelijkste raam onder de dakrand (afbeelding 8). Bij deze gevel zijn gelijktijdig twaalf zwermende individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Er is daarnaast één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de westgevel van Waddenstraat 777A (afbeelding 9). Er zijn gelijktijdig drie zwermende individuen van de gewone dwergvleermuis bij deze gevel waargenomen. Er zijn geen winterverblijfplaatsen in de vier onderzochte boomholtes vastgesteld. Tijdens de controle van boomholtes met de endoscoop zijn er in de boomholtes in het projectgebied geen individuen of sporen van vleermuizen aangetroffen. In bijlage 5 zijn er afbeeldingen als impressie van de controle van boomholtes toegevoegd.

3.3.4

VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN

In het onderzoeksgebied zijn geen vaste vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Buiten het onderzoeksgebied zijn tijdens het onderzoek een aantal passerende individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen. Er zijn verschillende vliegrichtingen waargenomen, deze volgen hierbij geen lijnvormig element. De gedragingen en het aantal individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis duiden niet op een vaste vliegroute. De drie onderzochte gebouwen in het projectgebied en de directe omgeving wordt door circa twee individuen van de gewone dwergvleermuis, één individu van de rosse vleermuis en één individu van de ruige dwergvleermuis gebruikt als foerageergebied. In de directe omgeving zijn soortgelijke of geschiktere foerageergelegenheden aanwezig. Door de aanwezigheid van voldoende alternatieven en het beperkte gebruik is het foerageergebied in het projectgebied niet van essentieel belang voor de staat van instandhouding van de lokale populaties vleermuizen.

3.4

BESCHERMDE FUNCTIES PROJECTGEBIED Het projectgebied bevat elementen welke worden benut door beschermde soorten. In tabel 2 is weergegeven welke beschermde functies zijn aangetroffen in het relevante projectgebied. In tabel 3 is weergegeven welke beschermde functies zijn aangetroffen buiten het relevante projectgebied. 11

Tabel 2: Beschermde functies in het projectgebied Bescherming Nederlandse naam Artikel 11.46 lid 1 (Bal) Gewone dwergvleermuis Artikel 11.37 lid 1 (Bal) Huismus

Wetenschappelijke naam Pipistrellus pipistrellus Passer domesticus

Tabel 3: Beschermde functies buiten het projectgebied Bescherming Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Artikel 11.46 lid 1 (Bal)

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Artikel 11.46 lid 1 (Bal)

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Functie Zomerverblijfplaats (2) Nestlocaties (4)

Functie Baltsterritorium (2) Massawinterverblijfplaats (2) Baltsterritorium Paarverblijfplaats

12

4

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN

4.1

CONCLUSIE Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels in de bomen in het projectgebied aangetroffen. Tijdens de inventarisatie zijn binnen het projectgebied vier jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus aangetroffen. De gebouwen met de vastgestelde nestlocaties van de huismus blijven behouden. Beschermde functies of individuen van kleine marterachtigen zijn niet in het projectgebied aangetroffen. In het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen zijn er twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen met holtes waargenomen. In het onderzoeksgebied zijn geen vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen aanwezig. Er zijn twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis en één baltsterritorium van de ruige dwergvleermuis vastgesteld, waarvan de bijbehorende paarverblijfplaatsen buiten het projectgebied verwacht kunnen worden. Daarnaast zijn er buiten het onderzoeksgebied twee massaverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld.

4.2

AANBEVELINGEN T.A.V. DE NATUURWETGEVING De zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis kunnen door de werkzaamheden worden aangetast en vernield. Daarnaast kunnen individuen worden verstoord en gedood gedurende de geplande ontwikkeling. Om overtreding van bepalingen in de natuurwetgeving ten aanzien van beschermde soorten te voorkomen dient in ieder geval een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor de bepalingen opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving te worden aangevraagd. Aan een omgevingsvergunning kunnen bepaalde voorwaarden verbonden zijn, zoals het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. In het algemeen is het aan te bevelen om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart tot en met augustus). De globale periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Actieve broedgevallen mogen door de werkzaamheden niet verstoord worden of verloren gaan. Mocht het niet mogelijk zijn de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren, dan is een aanvullende inspectie op broedvogels door een deskundig ecoloog benodigd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet en/of het snoeien en kappen van groenstructuren kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood.

De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten. Indien groenstructuren worden aangetast is het noodzakelijk om een ecologisch werkprotocol op te stellen voor de werkzaamheden. Ondanks dat de aanvraag van een vergunning voor het verwijderen van bomen en struwelen niet noodzakelijk is, valt in het algemeen aan te bevelen deze elementen terug te laten keren in de toekomstige situatie door het aanplanten van bomen en groenstructuren in het projectgebied. De benodigde mitigerende maatregelen worden omschreven in het ecologisch werkprotocol dat voor het projectgebied moet worden opgesteld.

13

Bijlage 1: Kaart broedvogels met nesten in bomen

14

Bijlage 2: Kaart broedvogels met nesten in gebouwen

15

Bijlage 3:

Kaart locaties cameravallen

16

Bijlage 4:

Kaart resultaten vleermuizen

17

Bijlage 5:

Foto’s

Afbeelding 1: Roepend mannetje huismus Zuiderzeelaan 2

Afbeelding 2: Roepend mannetje huismus op nok van Zuiderzeelaan 8

Afbeelding 3: Twee nestlocaties Zuiderzeelaan 20

Afbeelding 4: Roepend vrouwtje huismus onder dakpan van Zuiderzeelaan 20

Afbeelding 5: Zomerverblijfplaats Texelhof 389

Afbeelding 6: Zomerverblijfplaats Texelhof 399

Afbeelding 7: Paarverblijfplaats Waddenstraat 142

Afbeelding 8: Massawinterverblijfplaats Waddenstraat 293

18

Afbeelding 9: Massawinterverblijfplaats Waddenstraat 777A

Afbeelding 10: Impressie controle boomholtes

Afbeelding 11: Impressie controle boomholtes

Afbeelding 12: Roodborst op buiscamera

Afbeelding 13: Bosmuis op wezelcamera

Afbeelding 14: Huisspitsmuis op wezelcamera

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788200/1