CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

37 Bijlage 9 bij Bijlage 5 Quickscan Wet natuurbescherming Adviesbureau ECOlogisch

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)8.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN MOLENWIJK-NOORD TE HAARLEM Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 14-3-2023

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail: Uitvoering: Adres:

Gemeente Haarlem Mevr. E. Hin Postbus 511 2003 PB Haarlem 06 46215572 ehin@haarlem.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

J.I. Andringa MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. S.T.J. Kuip ing. S. van Lieshout

Projectcode: Status: Datum:

GHNA2205 Concept 14-3-2023

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

SAMENVATTING

De initiatiefnemer is voornemens om het gebied Molenwijk-Noord te herontwikkelen. Hierbij worden er elf portiekflats gesloopt, vindt er bomenkap plaats en worden er werkzaamheden uitgevoerd aan de openbare ruimte. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. In het projectgebied zijn vier bomen met holtes aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuizen. In 19 bomen in het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig, welke gebruikt kunnen worden door individuen van de boomvalk, buizerd, ransuil of de sperwer als nestlocatie. In de bebouwing van Zuiderzeelaan 20 is er een nest van de huismus vastgesteld. Dit adres maakt onderdeel uit van een woonblok met pannendak, welke potentieel broedbiotoop bieden voor individuen van de gierzwaluw en de huismus. Aan deze woonblokken vinden geen werkzaamheden plaats, derhalve worden negatieve effecten op de gierzwaluw en de huismus uitgesloten voor te komen. In het projectgebied is er dicht struikgewas aanwezig wat potentiële verblijfplaatsen bieden voor de bunzing, hermelijn en de wezel.

In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Het projectgebied is niet gelegen in beschermde natuur, derhalve kunnen directe effecten op beschermde natuur worden uitgesloten. Indirecte nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling tijdens de bouwfase kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid”. Voor de sloopwerkzaamheden aan de bebouwing in het projectgebied is er aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen nodig. Indien er bomen met holtes worden gekapt, is er onderzoek nodig naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Indien er bomen met nesten worden gekapt is er aanvullend onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten nodig. Indien er verwijdering van dicht struikgewas plaatsvindt, dient er aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel te worden uitgevoerd.

Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaats moeten vinden (globaal maart – augustus), dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 9

3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Zoogdieren ......................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 12 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 12 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 12 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 12 3.2.6 Ongewervelden...................................................................................................................

13 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 13 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 14 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 14 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 14 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 15 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 15 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 15 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 16 4 4.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 17 Effecten ................................................................................................................................. 17

5

Houtopstanden ......................................................................................................................... 18

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 19 Conclusies ............................................................................................................................. 19 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 19

7

Literatuur .................................................................................................................................. 21

Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 22 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 24 Bijlage 3: Kaart resultaten habitatscan ................................................................................................ 26

4

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens om het gebied Molenwijk-Noord te herontwikkelen. Hierbij worden er 11 portiekflats gesloopt, vindt er bomenkap plaats en worden er werkzaamheden uitgevoerd aan de openbare ruimte. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

5

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

7

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Haarlem in kilometerhokken: X: 104 / Y: 485 en X: 105 / Y: 485 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied betreft een gebied in het noorden van de Molenwijk te Haarlem. De bebouwing in het projectgebied bestaat onder andere uit portiekflats van twee en vier bouwlagen hoog, galerijflats van zeven, negen en 16 bouwlagen hoog, rijtjeshuizen, permanente woonwagens, twee basisscholen, een apotheek, bedrijfspand, kerk, kringloopwinkel, makelaardij, salon, snackbar, tandartsenpraktijk en een onderstation van Liander. Onderstaand wordt de aanwezige bebouwing in het projectgebied besproken. In het westen van het projectgebied is een portiekflat aanwezig van twee bouwlagen hoog met een plat dak en een bakstenen gevel. Ten noorden van de portiekflat is een pand aanwezig van één tot drie bouwlagen hoog welke is opgebouwd uit een combinatie van bakstenen en beton. In het westen van het projectgebied zijn daarnaast vijf permanente woonwagens aanwezig, opgebouwd uit bakstenen of beton. In totaal zijn er 11 portiekflats aanwezig in het projectgebied welke vier bouwlagen hoog zijn met een gevel opgetrokken uit bakstenen en een plat dak. De portiekflats bevinden zich in het westelijke, noordelijke en oostelijke deel van het projectgebied. In het noordwesten van het projectgebied is er één galerijflat van negen bouwlagen aanwezig, welke is opgebouwd uit een combinatie van bakstenen en beton met een plat dak.

In het noordelijke deel van het projectgebied zijn drie galarijflats aanwezig welke zeven verdiepingen hoog zijn. Deze galerijflats hebben een plat dak en zijn opgebouwd uit een combinatie van bakstenen en beton. Centraal in het projectgebied, gelegen aan de Zuiderzeelaan, zijn rijtjeshuizen aanwezig. De rijtjeshuizen zijn drie woonlagen hoog, met een bakstenen gevel en een dakpannen zadeldak. In het oostelijke deel van het projectgebied staan twee galerijflats, een kerk en een tandartsenpraktijk. De twee galerijflats zijn 16 bouwlagen hoog, zijn opgebouwd uit een combinatie van bakstenen en beton en hebben een plat dak. De tandartspraktijk is één tot twee bouwlagen hoog met een plat dak en een gevel bestaande bakstenen. De kerk is één bouwlaag hoog met een plat dak en een bakstenen gevel. In het zuidelijke deel van het projectgebied, ten zuiden van de Frieslandlaan, zijn een apotheek, basisschool en salon aanwezig. De apotheek is twee bouwlagen hoog met een plat dak, stenen gevelbekleding en een ingang bestaande uit glasplaten. De basisschool en de salon zijn één bouwlaag hoog met een plat dak en een bakstenen gevel. Ten noorden van de Frieslandlaan bevindt zich een basisschool, kringloopwinkel, makelaardij, snackbar en 8

een onderstation van Liander. De basisschool is één tot twee woonlagen hoog met een plat dak en een gevel bestaande uit een combinatie van bakstenen en metalen gevelbekleding. De kringloopwinkel is twee bouwlagen hoog, met een plat dak en een gevel bestaande uit een combinatie van bakstenen en metalen gevelbekleding. De makelaardij is één bouwlaag hoog met een plat dak en een gevel bestaande uit bakstenen en glas. De snackbar is een bouwlaag hoog met een bakstenen gevel en een plat dak. Het onderstation van Liander bestaat uit drie gebouwen. Eén gebouw heeft een plat dak en een gevel bestaande uit metalen gevelbekleding. Eén gebouw heeft een plat dak met een bakstenen gevel. Het derde gebouw heeft een plat dak en een gevel bestaande uit een combinatie van bakstenen en metalen gevelbekleding. In het projectgebied zijn er op diverse locaties parkeerruimtes aanwezig. In het projectgebied zijn meerdere recreatieve voorzieningen aanwezig, zoals sportvelden en speeltuinen met klimtoestellen. Verspreid over het projectgebied zijn groenstroken aanwezig met onder andere gazon, struweel en bomen. In het projectgebied zijn onder andere bomen aanwezig zoals de gewone plataan, Hollandse iep, ruwe berk, zomereik, zwarte den en verschillende variaties van de sierkers. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De initiatiefnemer is voornemens herontwikkelingswerkzaamheden uit te voeren aan de Molenwijk-Noord te Haarlem. Dit bestaat onder andere uit de sloop van 11 portiekflats, welke in afbeelding 2 zijn genummerd als “1”. Gebied nummer “2” zal worden ontwikkeld voor woningbouw. Voor de gebouwen met de nummers “3 t/m 7” zijn de exacte werkzaamheden nog onbekend. Aan de gebouwen welke niet genummerd zijn vinden geen werkzaamheden plaats. Naast de werkzaamheden aan de bebouwing vinden er herontwikkelingswerkzaamheden plaats aan de openbare ruimte waarbij tevens bomen worden gekapt. Het is nog niet bekend welke bomen worden gekapt. Derhalve is er tijdens het veldbezoek er vanuit gegaan dat alle bomen worden gekapt.

Afbeelding 2: Projectgebied met als (1) 11 Portiekflats, (2) Gebied bestemd voor woningbouw (3) Bedrijfspand (4) Portiekflat (5) Groenstrook (6) Basisschool (7) Bedrijfspand

9

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4.9 van de “Omgevingsverordening NH 2020” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op woensdag 8 februari 2023 en is uitgevoerd door ing. S.T.J. Kuip. Tijdens de habitatscan was het droog en onbewolkt met een temperatuur van circa 4 °C en een windkracht van 2 Bft. 3.2.1

ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, damhert, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en de wezel bekend voor te komen. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bossen. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden, maar leeft ook in natuurlijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen in het projectgebied zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Er zijn geen ondergrondse holen aangetroffen in het projectgebied, waar de boommarter of steenmarter gebruik van zouden kunnen maken. In het projectgebied zijn geen takkenhopen of takkenrillen aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen bieden voor de boommarter of de steenmarter. Verblijfplaatsen van de boommarter en de steenmarter worden niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel gebruiken onder andere dicht struikgewas, takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. Op meerdere locaties verspreid over het projectgebied zijn er groenstroken met dicht struikgewas aanwezig, wat gebruikt kan worden door kleine marterachtigen als verblijfplaats (afbeelding 3).

De groenstroken met dicht struikgewas in het projectgebied liggen geïsoleerd en staan derhalve niet in verbinding met elkaar. Hierdoor is het projectgebied suboptimaal geschikt voor verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen kunnen derhalve niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.

10

Afbeelding 3: Dicht struikgewas

Afbeelding 4: Boomholte

Het damhert komt voornamelijk voor in loofbossen, graslanden en in parkachtige bosgebieden. In de omgeving van het projectgebied is het damhert bekend voor te komen in de duingebieden van Kennemerland. Het projectgebied biedt geen beschermde functies voor het damhert. Individuen van de damhert kunnen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In het projectgebied zijn geen nesten of individuen van de eekhoorn waargenomen. Het huidige bekende verspreidingsgebied bevindt zich op circa één kilometer ten westen van het projectgebied. Beschermde functies voor de eekhoorn kunnen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen aanwezig zijn in ruimtes in de spouwmuur, onder de dakpannen, achter daklijsten en achter gevelbeplating. Ruimtes in de spouwmuur kunnen onder andere worden bereikt via open stootvoegen, ventilatievoegen, ruimtes onder de metalen daktrim of ruimtes onder kozijnen (afbeelding 5 en 6). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen aanwezig zijn in ieder gebouw binnen het projectgebied. De bebouwing aan de Frieslandlaan 1, 3 en 5 is suboptimaal geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

Deze gebouwen zijn namelijk voor een groot deel voorzien van metalen gevelbekleding. De gevelbekleding op de bebouwing is te glad om als landingsplaats door vleermuizen te kunnen worden gebruikt, waardoor potentiële verblijfplaatsen niet kunnen worden bereikt. In het projectgebied zijn vier bomen met geschikte holtes aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuizen zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis (afbeelding 4). De bomen met geschikte holtes zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. De groenstructuren in en om het projectgebied bieden luwte en trekken insecten aan en kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. De lijnvormige elementen van de bebouwing in het projectgebied kunnen worden gebruikt als vliegroute door vleermuizen.

Afbeelding 5: Ventilatievoegen

Afbeelding 6: Ruimte onder raamkozijn

11

3.2.2

VOGELS

Een aantal gebouwen in het projectgebied bieden potentie voor jaarrond beschermde nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. In de bebouwing van Zuiderzeelaan 20 is er een nest van de huismus vastgesteld. Het nest bevindt zich onder de kantpannen ter hoogte van de schoorsteen van de zuidelijke kopgevel. Deze ruimtes onder de kantpannen bieden tevens geschikt broedbiotoop voor individuen van de gierzwaluw. De woonblokken met dakpannen bieden potentieel broedbiotoop voor de gierzwaluw, huismus en de spreeuw en zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. De boerenzwaluw maakt zijn nesten vrijwel uitsluitend in open schuren of onder brede dakoverstekken. De huiszwaluw maakt het nest vaak tegen de gevel aan onder het dakoverstek. De boerenzwaluw en de huiszwaluw nestelen vaak in de omgeving van het foerageergebied. Foerageergebied betreft locaties waar veel kleine vliegende insecten zijn zoals weilanden, waterpartijen of boerderijen. Het projectgebied biedt geen geschikt broedbiotoop door de afwezigheid van open schuren of brede dakoverstekken en biedt suboptimaal foerageergebied. In het projectgebied zijn geen nesten of sporen van de boerenzwaluw en de huiszwaluw aangetroffen. Nestlocaties van de boerenzwaluw en de huiszwaluw worden niet verwacht voor te komen in het projectgebied.

In het projectgebied zijn 20 potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen aangetroffen (afbeelding 7). Deze nesten kunnen mogelijk worden gebruikt als nestlocatie door de boomvalk, buizerd, ransuil of de sperwer. In één boom zijn er twee nesten aangetroffen (afbeelding 8). Daarnaast is er één bezet nest van de ekster aangetroffen in het projectgebied. De locatie van de potentieel jaarrond beschermde nesten zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. De bomen in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels zoals de ekster, houtduif en de zwarte kraai.

Afbeelding 7: Potentieel jaarrond beschermd nest

3.2.3

Afbeelding 8: Twee potentieel jaarrond beschermde nesten in gewone plataan

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied zijn de Alpenwatersalamander en de rugstreeppad bekend voor te komen. In het projectgebied is geen potentieel voortplantingswater voor beschermde amfibieën aanwezig. In het projectgebied is eveneens geen geschikt overwinteringsbiotoop of landbiotoop voor de rugstreeppad aanwezig. Derhalve worden er geen beschermde amfibieën in het projectgebied verwacht voor te komen. In de groenstructuren in of nabij het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied is de zandhagedis bekend voor te komen. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. De zandhagedis komt voor in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland ten westen van het projectgebied. In het projectgebied zijn onvoldoende schuilplaatsen en geen zonplaatsen in de nabijheid van schuilplaatsen aanwezig. In het projectgebied worden geen beschermde functies voor de zandhagedis verwacht voor te komen.

3.2.5

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn er geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het voorkomen van beschermde vissoorten in het projectgebied kan worden uitgesloten. 12

3.2.6

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de aardbeivlinder, bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos en de platte schijfhoren bekend voor te komen. De aardbeivlinder komt onder andere voor in Zuid-Kennemerland. De soort komt voor in zowel droge als vochtige gebieden. De waardplanten van de aardbeivlinder betreffen voornamelijk tormentil en dauwbraam. Wegens de afwezigheid van waardplanten van de aardbeivlinder, wordt de soort niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De bruine eikenpage komt zowel in het binnenland als in de duinen voor op zandgronden. In het binnenland komt hij voor in open loofbossen en jonge eikenaanplant. De waardplant van de bruine eikenpage is in het bijzonder de zomereik. Verspreid over het projectgebied zijn meerdere zomereiken aanwezig. De bruine eikenpage legt de eieren op kleine eiken van een halve tot anderhalve meter hoog. In het projectgebied zijn grote volwassen exemplaren van de zomereik aanwezig, maar geen kleine eiken. Door de afwezigheid van geschikte waardplanten van de bruine eikenpage wordt de soort niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De duinparelmoervlinder komt voornamelijk voor in de duinen van Noord-Holland en op de Waddeneilanden.

Door het ontbreken van de waardplant van de duinparelmoervlinder (duinviooltje) wordt deze vlinder in het projectgebied niet verwacht voor te komen. De grote vos is een zeldzame vlinder met een zwervend karakter. De soort komt voornamelijk voor in open bossen of langs bosranden waar voldoende foerageergelegenheid is in de vorm van bloedende bomen of nectar van bloeiende wilgen. Waardplanten van de grote vos betreffen voornamelijk iepen, populieren en wilgen. In het projectgebied zijn iepen, populieren en wilgen aanwezig, welke als waardplant gebruikt kunnen worden. Het projectgebied biedt echter suboptimaal foerageergebied voor de grote vos. Zwervende individuen van de grote vos in het projectgebied kunnen niet worden uitgesloten, echter beschermde functies van de grote vos worden niet verwacht voor te komen. De gevlekte witsnuitlibel komt voornamelijk voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen met een ontwikkelde water- en oevervegetatie. De platte schijfhoren komt voor in wateroppervlakken met een ontwikkelde watervegetatie. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater in het projectgebied, kan het voorkomen van beschermde functies van de gevlekte witsnuitlibel en de platte schijfhoren worden uitgesloten.

3.2.7

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn groeiplaatsen van de blaasvaren, bokkenorchis, dreps, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, kartuizer anjer, kleine ereprijs, kluwenklokje, muurbloem, naakte lathyrus, rood peperboompje, schubvaren, stijve wolfsmelk, stofzaad en wilde ridderspoor aanwezig. De blaasvaren en de schubvaren groeien op oude, vochtige (kade)muren met kalkrijke specie in stedelijke gebieden. Buiten de stedelijke gebieden kan de schubvaren op kalkstenen muurtjes langs kerkhoven en wegen aangetroffen worden. De muurbloem groeit op zonnige plaatsen op oude en verweerde muren die met een zachte kalkspecie zijn gevoegd. Wegens de afwezigheid van oude (kade)muren met kalkrijke specie in het projectgebied kan het voorkomen van de blaasvaren, schubvaren en de muurbloem in het projectgebied worden uitgesloten Bokkenorchis, glad biggenkruid, kleine ereprijs, kluwenklokje, stofzaad en wilde ridderspoor groeien voornamelijk op zandgronden en zijn in de omgeving bekend voor te komen in het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid, ten westen van het projectgebied. Standplaatsen van dreps zijn beperkt tot graanakkers. Kartuizer anjer groeit op zonnige en droge plaatsen op voedselarme en kalkrijke gronden. Rood peperboompje groeit op beschaduwde plaatsen op kalkhoudende leemgronden.

Standplaatsen van rood peperboompje betreffen loofbossen en hellingbossen op plaatsen waar het bladerdak niet gesloten is. Naakte lathyrus groeit op zonnige open plaatsen op kalkhoudende leemgronden. Groot spiegelklokje en stijve wolfsmelk groeien op zonnige open plaatsen op vochtige en kalkrijke gronden. De groenstructuren in en om het projectgebied betreffen voornamelijk gazon, heggen, wintergroen struweel en bomen. De open plaatsen in het projectgebied worden intensief beheerd en bieden geen geschikt habitat voor plantensoorten die groeien op open plaatsen. Wegens het ontbreken van geschikte standplaatsen worden er geen groeiplaatsen van beschermde vaatplanten verwacht voor te komen

13

3.2.8

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene amfibieën*

Leefgebied

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A)

Groenstructuren

Algemene zoogdieren*

Leefgebied

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A)

Groenstructuren

Algemene broedvogels

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Groenstructuren, daken en ruimtes in de

Broedvogels met

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bomen in projectgebied (19)

Gierzwaluw

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Openingen bij dakrand

Huismus

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

gevel jaarrond beschermde nesten

Functioneel leefgebied

Ruimtes onder pannendak Groen rond woningen

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen

Artikel 3.10 (Wnb bijlage A)

Struweel

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing

spouwmuur/dakrand

en

boomholtes Vliegroutes

Lijnvormige bebouwing/groenstructuren

Foerageergebied Groenstructuren *Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)

3.3

EFFECTEN

Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de woonblokken welke potentieel broedbiotoop bieden voor individuen van de gierzwaluw en de huismus. Er worden derhalve geen negatieve effecten verwacht voor te komen op broedgevallen van de gierzwaluw en de huismus. Indien er geen struweel of dicht struikgewas wordt verwijderd, worden er geen negatieve effecten verwacht op de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Indien er geen bomen met holtes of nesten worden gekapt, worden er geen negatieve effecten verwacht op boombewonende vleermuissoorten of broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de algemene soorten amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Indien er in de actieve periode van vleermuizen gebruik wordt gemaakt van nachtelijke lichtbronnen, kunnen negatieve effecten optreden op de potentieel aanwezige vliegroutes en delen van foerageergebied van vleermuizen.

14

Permanente effecten Tijdens de sloop van de bebouwing in het projectgebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Hierbij kunnen individuen van vleermuizen worden gedood. Indien er bomen met holtes of nesten worden gekapt, kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten of jaarrond beschermde nesten van broedvogels verloren gaan. Hierbij kunnen individuen van vleermuizen en broedvogels worden gedood. Indien er struweel of dicht struikgewas wordt verwijderd, kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen verloren gaan. Hierbij kunnen individuen van kleine marterachtigen worden gedood. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene amfibieën*

Opzettelijk doden

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Algemene zoogdieren*

Opzettelijk doden

Artikel 1.11 (Zorgplicht)

Algemene broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Broedvogels met jaarrond

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

beschermde nesten

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Wnb A) Lid 1a

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Wnb A) Lid 1b

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Kleine marterachtigen Vleermuizen

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4 * Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland, zorgplicht blijft van toepassing (Artikel 1.11)

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor kleine marterachtigen, vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van broedvogels. Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de ruige dwergvleermuis, watervleermuis en de rosse vleermuis. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient afgestemd te zijn op de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en de wezel.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig in bomen die worden gekapt of die zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.

15

-

-

-

-

3.4.3

Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig in de groenstructuren binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

16

4

GEBIEDSBESCHERMING

Het projectgebied is niet gelegen in beschermde natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim drie kilometer van het projectgebied en betreft Kennemerland-Zuid (afbeelding 9). Op circa één kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft een kerngebied.

Afbeelding 9: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (geoapps.noord-holland.nl)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Tijdens de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase en de emissie in de gebruiksfase. De sloop van de portiekflats, de nieuwbouwplannen en de herinrichtingswerkzaamheden zullen leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied. Daarnaast zullen er mobiele werktuigen worden gebruikt tijdens de werkzaamheden. Het verkeer en de werktuigen zorgen voor een tijdelijke toename in de emissie van stikstof. In de gebruiksfase wordt er geen toename in stikstofemissie verwacht voor te komen. De te realiseren nieuwbouw zal beter geïsoleerd zijn dan de huidige portiekflats, welke energielabel G hebben. De nieuwbouw zal naar verwachting energieneutraal zijn, waardoor er een afname in stikstofemissie ontstaat ten opzichte van de huidige situatie. Details over de nieuwbouwplannen zijn bij het schrijven van dit rapport niet bekend.

Tijdens de bouwfase wordt er een toename in stikstofemissie verwacht voor te komen. Gezien de grote schaal van dit project, kunnen significant negatieve effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Kennemerland Zuid” kunnen niet worden uitgesloten voor te komen. Er is een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op het Natura 2000-gebied.

17

5

HOUTOPSTANDEN

De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde bebouwde kom (afbeelding 10). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen. Wel dient er rekening te worden gehouden met het gemeentelijk beleid voor het kappen van bomen.

Afbeelding 10: Grens bebouwde kom Haarlem (geoapps.noord-holland.nl)

18

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. In het projectgebied zijn vier bomen met holtes aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuizen. In 19 bomen in het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig, welke gebruikt kunnen worden door individuen van de boomvalk, buizerd, ransuil of de sperwer als nestlocatie. In de bebouwing van Zuiderzeelaan 20 is er een nest van de huismus vastgesteld. Dit adres maakt onderdeel uit van een woonblok met pannendak, welke potentieel broedbiotoop bieden voor individuen van de gierzwaluw en de huismus. Aan deze woonblokken vinden geen werkzaamheden plaats, derhalve worden negatieve effecten op de gierzwaluw en de huismus uitgesloten voor te komen. In het projectgebied is er dicht struikgewas aanwezig wat potentiële verblijfplaatsen biedt voor de bunzing, hermelijn en de wezel. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Het projectgebied is niet gelegen in beschermde natuur, derhalve kunnen directe effecten op beschermde natuur worden uitgesloten.

Indirecte nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling tijdens de bouwfase kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid”. De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

6.2

AANBEVELINGEN Voor de sloopwerkzaamheden aan de bebouwing in het projectgebied is er aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen nodig. Het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Indien er bomen met holtes worden gekapt, is er onderzoek nodig naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het onderzoek naar boombewonende vleermuizen dient afgestemd te zijn op de aanwezigheid van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Indien er bomen met nesten worden gekapt is er aanvullend onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten nodig en dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer. Indien er verwijdering van dicht struikgewas plaatsvindt, dient er aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel te worden uitgevoerd. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaats moeten vinden (globaal maart – augustus), dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd.

Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode maart t/m augustus

gewerkt wordt Broedvogels met jaarrond

Nesten

Februari t/m augustus

beschermde nesten

19

Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen

Gehele jaar

Vleermuizen

Zomer- en kraamverblijfplaatsen

15 mei t/m 15 juli

Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

1 augustus t/m 10 september

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen

15 augustus t/m 1 oktober

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december t/m 28 februari

20

7

LITERATUUR

BIJ12 (2017) Kennisdocument buizerd, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2022) Kennisdocument huismus, versie 2.0, BIJ12 juni 2022. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geoapps.noord-holland.nl www.gbif.org www.ravon.nl www.sovon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl

21

Bijlage 1:

Foto-impressie

22

23

Bijlage 2:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in de omgeving van het projectgebied Soortgroep Naam Bescherming

Afstand

Amfibieën

alpenwatersalamander

Wnb A

< 5km

Amfibieën

bastaardkikker1

Wnb A

< 5km

Amfibieën

bruine kikker

1

Wnb A

< 3km*

Amfibieën

gewone pad1

Wnb A

< 5km

1

Amfibieën

kleine watersalamander

Wnb A

< 5km

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 2km*

Ongewervelden

aardbeivlinder

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

bruine eikenpage

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

duinparelmoervlinder

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

gevlekte witsnuitlibel

HR IV & Bern II

< 5km

Ongewervelden

grote vos

Wnb A

< 5km

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 3km

Reptielen

hazelworm

Wnb A

< 5km

Reptielen

zandhagedis

HR IV & Bern II

< 5km

Vaatplanten

blaasvaren

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

bokkenorchis

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

dreps

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

glad biggenkruid

Wnb B

< 5km*

Vaatplanten

groot spiegelklokje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kartuizer anjer

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kleine ereprijs

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kluwenklokje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

muurbloem

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

naakte lathyrus

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

rood peperboompje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

schubvaren

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

stijve wolfsmelk

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

stofzaad

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

wilde ridderspoor

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

franjestaart

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

gewone baardvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 1km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 5km

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 1km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 1km*

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 1km*

Vogels

blauwe reiger

Cat. 5

< 5km

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

bonte vliegenvanger

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomklever

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 3km*

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 5km

Vogels

bosuil

Cat. 5

< 3km*

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 3km*

Vogels

ekster

Cat. 5

< 3km*

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 3km*

Vogels

glanskop

Cat. 5

< 5km

24

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Vogels

grauwe vliegenvanger

Cat. 5

< 5km

Vogels

groene specht

Cat. 5

< 3km*

Vogels

grote bonte specht

Cat. 5

< 3km*

Vogels

grote gele kwikstaart

Cat. 3

< 5km*

Vogels

havik

Cat. 4

< 5km*

Vogels

huismus

Cat. 2

< 2km*

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

ijsvogel

Cat. 5

< 5km

Vogels

kerkuil

Cat. 3

< 2km*

Vogels

kleine bonte specht

Cat. 5

< 5km

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 3km*

Vogels

oeverzwaluw

Cat. 5

< 5km*

Vogels

ooievaar

Cat. 3

< 5km

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 3km*

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 3km*

Vogels

slechtvalk

Cat. 3

< 5mm

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 5km

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 3km*

Vogels

tapuit

Cat. 5

< 5km*

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km*

Vogels

wespendief

Cat. 4

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 3km*

Vogels

zwarte roodstaart

Cat. 5

< 5km

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km*

1

Zoogdieren

bosmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

damhert

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

dwergmuis

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

dwergspitsmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

eekhoorn

Wnb A

< 3km*

Zoogdieren

egel1

Wnb A

< 2km*

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 2km*

Zoogdieren

gewone bosspitsmuis

Zoogdieren

haas1 1

1

Zoogdieren

huisspitsmuis

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

konijn1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

1

ree

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

rosse woelmuis1

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

steenmarter

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

vos

1

Wnb A

< 3km*

Zoogdieren

wezel

Wnb A

< 5km*

Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren

< 5km

25

Bijlage 3:

Kaart resultaten habitatscan

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788196/1