35 Bijlage 7 bij Bijlage 5 Quicksscan Wet natuurbescherming Waddenbuurt
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Waddenbuurt, Haarlem
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Waddenbuurt, Haarlem A3831-03/JHO/qs1 22 maart 2023
Auteur Vrijgave Email Telefoon
: : : :
Dhr. J. den Houdijker Dhr. D. van der Meer jdhoudijker@idds.nl 06 511 344 48
Opdrachtgever
:
Stichting Pré Wonen Dhr. M. Morsink
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Stichting Pré Wonen is op 4 maart 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Waddenbuurt te Haarlem. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend.
Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied mogelijk meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Door middel van nader onderzoek moet vastgesteld worden of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor deze beschermde soorten (Tabel 1). Tevens kunnen binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden eksters en vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is
Diverse algemene vogelsoorten
Mitigerende maatregelen
Broedvogels (categorie 5)
Ekster (Pica pica)
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Ja, nader onderzoek
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Ja, nader onderzoek
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Ja, nader onderzoek
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Ja, nader onderzoek
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Ja, nader onderzoek
Vleermuizen
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding ........................................................................................................................ 6 Aanleiding ...................................................................................................................... 6 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 6
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 7 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 7 Veldonderzoek ............................................................................................................... 7 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 7
3.1 3.2
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 9 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 9 Planvoornemen ............................................................................................................ 10
4.1 4.2
Gebiedsbescherming ................................................................................................ 11 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 11 Effectbeoordeling gebiedsbescherming ....................................................................... 12
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
Soortbescherming ..................................................................................................... 13 Amfibieën ..................................................................................................................... 13 Broedvogels ................................................................................................................. 13 Flora ............................................................................................................................. 15 Libellen ......................................................................................................................... 17 Reptielen ...................................................................................................................... 17 Vleermuizen ................................................................................................................. 17 Vlinders ........................................................................................................................ 19 Weekdieren .................................................................................................................. 20 Zoogdieren ................................................................................................................... 20 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied .........
20 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 21
6.1 6.2
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 22 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 22 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 22
7.1 7.2
Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 27 Nader onderzoek ......................................................................................................... 27 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 28
8.1 8.2
Conclusie en advies .................................................................................................. 29 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 29 Soortbescherming ........................................................................................................ 29 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 32
Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 33 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 38
Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1
Aanleiding
De opdrachtgever is voornemens elf appartementencomplexen aan de Waddenbuurt te Haarlem te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2
Veldonderzoek
Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna en (beschermd) habitattype. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen, (beschermd) habitattype en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.
De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3
Effectenbeoordeling
Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden, de resultaten van het veldbezoek en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van
betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1
Ligging en algemene beschrijving van het plangebied
In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied binnen de bebouwde kom van Haarlem ligt. De omgeving van het plangebied bestaat appartementencomplexen, woningen, wegen, waterlichamen en stadsparken.
Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.
Het plangebied bestaat uit elf appartementencomplexen die opgetrokken zijn uit bakstenen (Figuur 2). De complexen zijn vier bouwlagen hoog en hebben een plat bitumen dak. De ruimten tussen de complexen zijn opgevuld met plantvakken die onder andere bestaan uit gazon, struiken en bomen (Figuur 3). Tussen de complexen lopen diverse straten en is ook veel verharding aanwezig.
Figuur 2: Eén van de appartementencomplexen binnen het plangebied.
Figuur 3: Tussen de complexen liggen diverse groenstroken met gazon, struiken en grote bomen.
3.2
Planvoornemen
De opdrachtgever is voornemens om de negen appartementencomplexen te slopen en te vervangen voor nieuwbouw. Mogelijk worden hierbij bomen of struiken gerooid. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen.
Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van bureaustudie en het veldbezoek wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is.de 4.1
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 4. In Figuur 5 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied
Afstand tot het plangebied in meters
Natura-2000 gebied
3.340 - Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
950
Bijzonder Provinciaal Landschap
310
Figuur 4: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.
Figuur 5: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.
4.2
Effectbeoordeling gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage niet bekend.
Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 4 maart 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog J. den Houdijker. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum
Temperatuur (℃)
Overheersende windrichting (Bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
04-03-2023
7
NW 3
Half bewolkt
Geen
5.1 Amfibieën Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 4: Waargenomen amfibieënsoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (wetenschappelijke soortnaam) Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris) Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gebleken dat de aanwezigheid van de alpenwatersalamander is uitgesloten door het ontbreken van niet snel stromend, visvrij water in de direct omgeving van loofbos of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Binnen het plangebied is geen vergraafbaar zand of voortplantingswater aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied worden uitgesloten. Tevens is het plangebied omringd door diverse woonwijken, wegen, straten, sloten en waterwegen, waardoor de soort ook niet wordt verwacht. Strikt beschermde amfibieën worden niet verwacht binnen het plangebied. 5.2 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 5). In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 5) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Boomvalk (Falco subbuteo)
4
Buizerd (Buteo buteo)
4
Ekster (Pica pica)
5
Gierzwaluw (Apus apus)
2
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
3
Havik (Accipiter gentilis)
4
Huismus (Passer domesticus)
2
Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Kerkuil (Tyto alba)
3
Ooievaar (Ciconia ciconia)
3
Ransuil (Asio otus)
4
Slechtvalk (Falco peregrinus)
3
Sperwer (Accipiter nisus)
4
Steenuil (Athene noctua)
1
Wespendief (Pernis apivorus)
4
Veldbezoek De complexen hebben allen een plat bitumen dak en geen openingen in de muren of gevels waar huismussen of gierzwaluwen een nest in kunnen maken. Wel kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden in de bomen en struiken rondom de complexen (Figuur 6). In verscheidene bomen tussen de complexen zijn eksternesten aanwezig (Figuur 7).
Figuur 6: Vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden in de struiken en bomen rondom het plangebied.
Figuur 7: In de bomen rondom het plangebied zijn meerdere eksternesten aanwezig.
Boomvalk, buizerd, sperwer en havik worden niet binnen het plangebied verwacht, aangezien het gebied teveel verstoring kent door de aanwezigheid van mensen. Grote gele kwikstaart wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt broedbiotoop, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Binnen het plangebied zijn geen geschikte schuren of zolder waar de kerkuil een nestplaats kan hebben. Ooievaar wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. Slechtvalk wordt niet verwacht binnen het plangebied, aangezien binnen het plangebied geen nestkasten aanwezig zijn op zeer hoge plaatsen als kerktoren en hoogspanningsmasten. Steenuil wordt niet verwacht, aangezien geen nestkasten of geschikte holtebomen aanwezig zijn. Daarnaast ontbreekt het ook aan geschikt biotoop, namelijk kleinschalig agrarisch landschap. Ransuil is uitgesloten door het ontbreken van geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen. Ook vormen de aanwezig eksternesten geen geschikte nestplaats wegens teveel menselijke verstoring in het gebied. Tot slot wordt de wespendief niet verwacht wegens het ontbreken van geschikt biotoop, namelijk hoge loof- en naaldbossen, heide en hoogvenen. 5.3
Flora
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 6: Waargenomen soorten beschermde flora in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis)
Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Blaasvaren (Cystopteris fragilis) Blauw guichelheil (Lysimachia foemina) Dreps (Bromus secalinus) Groot spiegelklokje (Specularia speculum) Grote bosaardbei (Fragaria moschata) Honingorchis (Herminium monorchis) Kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum) Muurbloem (Erysimum cheiri) Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca) Ruw parelzaad (Lithospermum arvense) Schubvaren (Asplenium ceterach) Wilde ridderspoor (Consolida regalis)
Veldbezoek Rondom de appartementencomplexen is veel verharding aanwezig. Tussen de verharding groeien planten als Herderstasje, vogelmuur en Jacobs kruiskruid (Figuur 8). Dit duit op een voedselrijke ondergrond. Hierdoor worden planten van arme bodems niet verwacht, zoals blauw guichelheil, dreps, groot spiegelklokje, honingorchis, kartuizer anjer, naakte lathyrus, ruw parelzaad en wilde ridderspoor. Grote bosaardbei wordt eveneens niet verwacht, aangezien deze plant op kalkrijke bodems groeit. De aangetroffen planten geven aan dat de bodem een zure tot neutrale zuurgraad heeft. Binnen het plangebied zijn ook geen geschikte muren aanwezig waarop planten als blaasvaren, muurbloem en schubvaren kunnen groeien. Beschermde planten worden in deze verharding niet verwacht.
Figuur 8: Rondom de appartementencomplexen is veel verharding aanwezig. Tussen de tegels groeien enkele planten als herderstasje, vogelmuur en Jacobs kruiskruid.
5.4
Libellen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande libellensoort voorkomt. Tabel 7: Waargenomen beschermde libellensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Rivierrombout (Gomphus flavipes)
Veldbezoek Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde libellensoorten worden uitgesloten. 5.5
Reptielen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande reptielen in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 8: Waargenomen beschermde reptielensoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Ringslang (Natrix natrix) Zandhagedis (Lacerta agilis)
Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de ringslang, namelijk waterrijke gebieden op de overgangen van zand- naar klei- of veengronden. Binnen het plangebied is ook geen geschikt biotoop aanwezig voor de zandhagedis, namelijk heidegebied en duinstruwelen. Reptielen worden zodoende niet verwacht binnen het plangebied. 5.6
Vleermuizen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 9: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Veldbezoek Van de elf complexen hebben slechts drie open stootvoegen op de korte zijde van het pand zitten (Figuur 11). Vleermuizen kunnen via deze open stootvoegen de spouw in kruipen en daar een verblijfplaats hebben. De open stootvoegen verschillen enorm in grootte en zijn ook bruikbaar voor de grotere vleermuissoorten als laatvlieger. De overige complexen hebben deze open stootvoegen niet. Ook hebben enkele complexen aan de achterzijde grote open stootvoegen zitten op de eerste verdieping (Figuur 12). Deze bevinden zich onder de 3 meter, waardoor deze suboptimaal zijn voor vleermuizen. Echter zijn diverse vleermuisverblijven bekend onder de 3 meter, waardoor niet uitgesloten kan worden dat deze openingen gebruikt worden door vleermuizen. Deze zijn eveneens groot genoeg voor grotere vleermuissoorten. De daklijsten sluiten goed aan en ook bij de kozijnen is geen ruimte voor vleermuizen om tussen te kruipen. In de omliggende bomen zijn geen boomholten aangetroffen. De meervleermuis wordt wel verwacht gezien de grote waterlichamen in de omgeving van het plangebied. Gezien de hoogte van de gebouwen, wordt tweekleurige vleermuis ook verwacht. De complexen zijn geschikt als zomer-, individueel winter-, massawinter-, paar- en kraamverblijfplaats
Figuur 9: Drie complexen hebben open stootvoegen aan de bovenkant van de korte zijde. Hier kunnen vleermuizen door naar de spouwmuur kruipen om daar een verblijfplaats te hebben. De daklijst sluit goed aan op de gevel.
Figuur 10: Op de eerste verdieping van enkele gebouwen zitten grote open stootvoegen aan de lange zijden van het gebouw. Hier kunnen vleermuizen door naar de spouwmuur kruipen om daar een verblijfplaats te hebben.
Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.7
Vlinders
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 10: Waargenomen beschermde vlindersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) Grote vos (Nymphalis polychloros)
Veldbezoek De duinparelmoervlinder heeft als waardplant diverse soorten viooltjes. Deze ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast ontbreekt het ook aan geschikt biotoop, namelijk open duinlandschappen, vochtige duinvalleien of open, droge, schrale graslanden en heidegebieden. De grote vos heeft als waardplant hoge vrijstaande iepen, zoete kersen en wilgensoorten. Deze boomsoorten ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast ontbreekt het in de directe omgeving aan geschikt biotoop, namelijk vochtige, open bossen, bosranden en boomgaarden met hoge vrijstaande bomen. De aanwezigheid van de grote vos is daarmee uitgesloten.
5.8
Weekdieren
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 11: Waargenomen beschermd weekdier in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Veldbezoek Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde weekdieren worden uitgesloten. 5.9
Zoogdieren
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 12: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Boommarter (Martes martes) Bunzing (Mustela putorius) Damhert (Dama dama) Eekhoorn (Sciurus vulgaris) Hermelijn (Mustela erminea) Noordse woelmuis (Microtus oeconomus) Steenmarter (Martes foina) Waterspitsmuis (Neomys fodiens) Wezel (Mustela nivalis)
Veldbezoek In het plangebied is geen geschikt habitat voor de boommarter, damhert en eekhoorn aanwezig. Binnen het plangebied ontbreekt bos, houtwallen en parkachtig landschap. Ook ontbreken holtebomen en eekhoornnesten. Kleine marters als bunzing, hermelijn en wezel worden eveneens niet verwacht wegens de grote hoeveelheid verstening en het ontbreken van struweel. De Noordse woelmuis en waterspitsmuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van zeer vochtige terreinen binnen het plangebied. De steenmarter wordt niet verwacht wegens het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen in de complexen. In de aanwezige gebouwen zijn geen openingen waar de steenmarter een verblijfplaats in kan hebben. De aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren is daarmee uitgesloten. 5.10
Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied
Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroep vissen, binnen een straal van 3
kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroep worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.11
Vrijgestelde soorten
In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1
Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 13: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)
Reden optreden mogelijke effecten
Artikel en lid Wnb
Algemene broedvogels
Vogels kunnen broeden in de bomen en struiken rondom het plangebied. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.
§3.1, lid 1, 2 en 4
Ekster (categorie 5)
De ekster broedt in de grote bomen die rondom de complexen staan. Door de werkzaamheden tijdens het broedseizoen uit te voeren, kunnen nesten verstoord worden. Negatieve effecten op broedende eksters zijn daarmee niet uitgesloten. De ekster is een “categorie 5” vogelsoort. Dit betekend dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De ekster heeft een zeer positieve trend in de stedelijk omgeving en zodoende is de nestplaats hier niet jaarrond beschermd. Daarom ontbreken zwaarwegende feiten en is het nest van de spreeuw niet jaarrond beschermd.
§3.1, lid 1
De muren van negen complexen zijn toegankelijk voor vleermuizen, waardoor vleermuizen een verblijf in de spouwmuur kunnen hebben. Door de sloop van het pand kunnen vleermuizen worden gedood en/of verstoord. Ook kunnen verblijfplaatsen worden vernietigd. Negatieve effecten op potentieel aanwezige vleermuisverblijven zijn niet uitgesloten. Complexen zonder geschikte openingen kunnen gesloopt worden zonder negatieve effecten op vleermuizen.
§3.5, lid 1, 2 en 4
Broedvogels
Vleermuis Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis.
6.2
Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 14: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën Alpenwatersalamander
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk niet te snel stromend
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten visvrij water in de direct omgeving van loofbos of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen.
Rugstreeppad
Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomerhabitat, winterhabitat en voortplantingswater. Daarnaast zijn onoverbrugbare barrières aanwezig tussen de bekende waarnemingen en het plangebied, namelijk woonwijken, wegen, straten, sloten en waterwegen.
Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik
Horsten ontbreken binnen het plangebied. Rondom het plangebied zijn eksternesten aangetroffen. De directe omgeving is echter te druk bezocht door verkeer en voetgangers, waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.
Grote gele kwikstaart
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.
Huismus
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren.
Ooievaar
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, zeer hoge bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.
Ransuil
Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Rondom het plangebied zijn eksternesten aangetroffen. De directe omgeving is echter te druk bezocht door verkeer en voetgangers, waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.
Slechtvalk
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens.
Steenuil
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie van heggen, weitjes en knoestige bomen. Ook zijn er geen holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten aanwezig.
Wespendief
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk loofbos of gemengd bos met open plekken, hoogvenen, heide, moerasbos en kleinschalig cultuurlandschap met bos hoogvenen.
Flora
Akkerboterbloem
Akkerboterbloem groeit op zonnige, open plaatsen op vrij droge tot vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, leemrijke grond (leem, zandige klei, klei, mergel en löss). De soort komt voor in akkers (wintergraanakkers), zelden op ruderale plaatsen en op omgewerkte grond. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Blaasvaren
Blaasvaren groeit op vochtige, niet te voedselarme tot niet te voedselrijke, kalkrijke muren of rotsen, oude vochtige muren (grachtmuren & kademuren). De soort komt voor in beschaduwde hellingen, rotsen, bossen (hellingbossen, loofbossen, hellingen langs holle wegen, op de voet van bomen en langs bosgreppels). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Blauw guichelheil
Blauw guichelheil groei op open, zonnige, matig droge tot vochtige, matig voedselrijke zand- leem- en mergelbodems zoals in graanakkers, op stoppelvelden, zelden in akkers met hakvruchten, op braakliggend terrein, in moestuinen, op omgewerkte grond en ruderale plaatsen bij korenmolens, graanpakhuizen en meelfabrieken. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Dreps
Dreps groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel), akkers (wintergraanakkers en speltakkers), langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en stortterreinen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Groot spiegelklokje
Groot spiegelklokje groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke,
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten kalkrijke grond (zand, leem, zavel, lichte klei, löss en mergel). De soort komt voor in akkers, bermen en dijken, braakliggende grond, als adventief nabij graansilo’s en langs spoorwegen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Grote bosaardbei
Grote bosaardbei groeit op half beschaduwde plaatsen op vrij droge tot vrij vochtige, matig voedselrijk, kalkrijke grond. De soort komt voor in lichte loofbossen, struwelen, bosranden, houtwallen, langs holle wegen en bermen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Honingorchis
Honingorchis groeit in zeeduinen (duinvalleien, noordhellingen in de duinen, langs duinpaden en langs drinkpoelen aan de binnenduinrand) en grasland (klakgrasland en schraal grasland). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Kartuizer anjer
Kartuizer anjer groeit in zonnige, matig voedselrijke en uitgesproken stikstofarme bodems in grasland (schraal grasland en kalkgrasland), bermen en rotsachtige plaatsen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Muurbloem
Muurbloem groeit op rotsachtige plaatsen (rotswanden), klippen, mijnsteenbergen, afgravingen (oude steengroeven), kademuren, kerkhofmuren, oude stadsmuren en ruïnes die met een zachte kalkspecie gemetseld zijn. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Naakte lathyrus
Deze soort komt voor op zonnige, warme, open plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, soms kalkarmere, lichte grond (leem, zandig leem en mergel). De soort komt voor in akkers (graanakkers en klavervelden), bermen, dijken, langs holle wegen, omgewerkte grond, ruderale plaatsen, bosranden, struwelen en langs spoorwegen (spoorbermen en spoorwegterreinen). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Ruw parelzaad
Ruw parelzaad prefereert zonnige, open plaatsen (pioniersvegetatie) op matig vochtige, matig voedselrijke, basische en kalkrijke grond. De soort komt voor op akkers (graanakkers en akkerranden), omgewerkte grond, braakliggende grond, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), bermen en waterkanten (oeverwallen en stroomruggen langs rivieren). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Schubvaren
Schubvaren groeit op oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Wilde ridderspoor
Wilde ridderspoor groeit op zonnige plaatsen en heeft vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, omgewerkte zandige klei gronden nodig. Deze soort komt voor in akkers en soms op ruderale plaatsen, bij graansilo's en graanoverslagbedrijven. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Libellen Rivierrombout
Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Reptielen
Ringslang
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Ook zijn geen broeihopen aangetroffen binnen het plangebied. De ringslang wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.
Zandhagedis
De zandhagedis leeft in open struikheideterreinen, open struweelduin en heidegebieden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Vleermuizen
Bosvleermuis
Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn de twee bekende kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in boomholtes (enkele malen is een solitair mannetje in een gebouw aangetroffen) en in het oosten van het land.
Baardvleermuis, Brandts vleermuis
Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.
Franjestaart
Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied met waterpartijen in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.
Gewone grootoorvleermuis
Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn.
Grijze grootoorvleermuis
De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.
Rosse vleermuis
Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.
Vale vleermuis
Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien een warme zolder ontbreekt binnen het plangebied. En holtebomen afwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.
Watervleermuis
Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.
Vlinders
Duinparelmoervlinder
De duinparelmoervlinder heeft als waardplant duinviooltje en hondsviootlje. De vlinder komt voor in open duingraslanden, vochtige duinvalleien en open, droge, schrale graslanden en droge kruidenrijke heide. Deze waardplanten en biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten
Grote vos
De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Binnen het plangebied zijn geen waardplanten aanwezig van de grote vos.
Weekdieren Platte schijfhoren
Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Zoogdieren Boommarter
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook ontbreken holtebomen binnen het plangebied.
Bunzing
De bunzing komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen, waarbij een sterkte voorkeur is voor natte gebieden. De soort hecht grote waarde aan voldoende dekking in de vorm van houtwallen, struwelen en ruigte. In open gebieden ontbreekt de soort evenals in aaneengesloten bossen. De soort komt vaak voor in de buurt van rommelige bebouwing in het buiten gebied. Deze habitateisen zijn niet aanwezig in het plangebied. Tevens zijn geen (oude)holen (van mollen, ratten, dassen, vossen of konijnen) gevonden die de bunzing kan gebruiken als verblijfplaats.
Damhert
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte ondergroei waar voldoende gras aanwezig is.
Eekhoorn
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; loofbos, naaldbos en gemengd bos of tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ook zijn geen bomen holtebomen en eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied.
Hermelijn
De hermelijn komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen die de volgende kenmerken hebben; natte, open en waterrijke gebieden. Er moet voldoende dekking zijn waarbij ze vooral gebruik maken van rand-zones zoals struweelranden, ruige ongemaaide bermen, rietvelden en ruige slootkanten. Opengebieden worden enkel betreden mits er voldoende dekking is in de vorm van grote graspollen of mollengangen. In bossen ontbreekt de soort volledig. Intussen zijn hermelijnen verdwenen uit de duinen en gebieden met hoge zandgronden in het zuiden en oosten van Nederland. Het voorkomen van de woelrat als prooidier is een vereiste, hier zijn geen sporen van aangetroffen. Tevens zijn er geen holen (van woelratten, mollen of konijnen) aanwezig die als verblijfplaats en jachtterrein kunnen dienen en ontbreekt het aan de overige habitateisen binnen het plangebied.
Noordse woelmuis
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig; namelijk natte terreinen met een hoge vooral grasachtige vegetatie. De soort leeft in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. In gebieden waar geen andere woelmuizen leven, wordt hij ook aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs in droog naaldbos. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen.
Steenmarter
Binnen het plangebied zijn geen schuilplaatsen aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, toegankelijke zolders of kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekking met een minimale opening van 5-6 centimeter. Ook zijn er geen prooiresten of latrines aangetroffen binnen het plangebied.
Waterspitsmuis
De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oever. De waterspitsmuis komt enkel voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is, waar de oever voldoende schuilmogelijk heeft en waar binnen een straal van 500 meter water te vinden is. Deze habitatseisen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Wezel
De wezel komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen met de volgende kenmerken; open, droge gebieden zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Hierbij heeft de soort een voorkeur voor open gebieden. Er moet voldoende dekking zijn wat al kan worden bereikt door grote graspollen. Open, aaneengesloten agrarische gebieden worden gemeden. De soort ontbreekt in uitgestrekte heidegebieden, zandverstuivingen en dennenbossen. De aanwezigheid van woelmuizen als prooidier is een vereiste, hier zijn geen sporen van aangetroffen. De habitateisen die de wezel aan zijn omgeving stelt zijn niet aanwezig.
Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1
Nader onderzoek
Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet worden uitgesloten (Figuur 11). Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar deze soorten voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en of maatregelen noodzakelijk zijn.
Figuur 11: Potentiële verblijfplaatsen vleermuizen binnen het plangebied.
Vleermuizen: de opstal binnen het plangebied is geschikt als zomer-, individueel winter-, massawinter-, paar- en kraamverblijfplaats voor tweekleurige vleermuis, meervleermuis. laatvlieger, kleine, gewone en ruige dwergvleermuis. Nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten moeten uitwijzen of het plangebied een functie vervult voor vleermuizen. Gedurende een jaar gebruiken vleermuizen hun leefgebied op verschillende manieren (zie onderstaande tabel). Daarom dient nader onderzoek naar vleermuizen altijd op meerdere momenten (Tabel 15) tijdens het actieve seizoen van vleermuizen uitgevoerd te worden. Hiervoor gelden specifieke eisen, zoals voorgeschreven tussenpozen, vanuit het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus). Door dit, door de Omgevingsdiensten voorgeschreven, protocol te volgen, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en
maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van het plangebied in het geding zijn. In onderstaande tabel is weergegeven welke potentiële verblijfplaatsen binnen het plangebied aanwezig zijn, wanneer het onderzoek moet plaatsvinden en hoeveel bezoeken noodzakelijk zijn. Tabel 15: Functie verblijfplaats gedurende het jaar voor vleermuis. Type verblijfplaats
Periode waarin verblijfplaats functie vervult
Aantal onderzoeken
Zomerverblijfplaats
15 april – 15 augustus
Kraamverblijfplaats
15 mei – 15 juli
2 avondbezoeken en 1 ochtendbezoek
Paarverblijfplaats
15 augustus – 1 oktober
2 avondbezoeken
Massawinterverblijfplaats
1 augustus – 10 september
2 avondbezoeken
7.2
Mitigerende maatregelen
Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden staan bomen waar algemene broedvogels in kunnen broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Ekster: de ekster maakt zelf een bolvormig nest in de bomen die rondom de te slopen complexen staan. Deze vogelsoort is gedurende het broedseizoen beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan.
Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huisspitsmuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord worden. • Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Hierdoor worden vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.
Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage niet bekend. 8.2
Soortbescherming
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is, voor andere soorten kan worden volstaan met mitigerende maatregelen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 16: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep
Amfibieën Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris)
Nee
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Slechtvalk (Falco peregrinus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Steenuil (Athene noctua)
Nee
Wespendief (Pernis apivorus)
Nee
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 5)
Ekster (Pica pica)
Mitigerende maatregelen
Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis)
Nee
Blaasvaren (Cystopteris fragilis)
Nee
Blauw guichelheil (Lysimachia foemina)
Nee
Dreps (Bromus secalinus)
Nee
Groot spiegelklokje (Specularia speculum)
Nee
Grote bosaardbei (Fragaria moschata)
Nee
Honingorchis (Herminium monorchis)
Nee
Kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum)
Nee
Muurbloem (Erysimum cheiri)
Nee
Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca)
Nee
Ruw parelzaad (Lithospermum arvense)
Nee
Schubvaren (Asplenium ceterach)