CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Bijlage I Regio analyse ZKIJ

commissie Samenleving 11 december 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: Aanvraag Regionaal Programma VSV aanvullende maatregelen voor jongeren 2026 t.m. 2029, Regio Zuid-Kennemerland en IJmond (ZKIJ)12.508 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regioanalyse Zuid-Kennemerland en IJmond - Bouwstenen voor een regionaal jongeren programma -

Opgesteld door: LPBL: Merei Lubbe en Veroni Larsen Op verzoek van: VSV-programma Zuid-Kennemerland en IJmond Datum: juni 2024

Inhoud 1. Inleiding ................................................................................................................3 1.1. Aanleiding en vraagstelling .....................................................................3 1.2. Aanpak en leeswijzer...............................................................................3 2. Regio in cijfers......................................................................................................5 2.1. Selectie benchmark .................................................................................5 2.2. Schooluitval in beeld................................................................................7 2.3. Passende plek kwetsbare jongeren ......................................................13 3. Huidig aanbod ....................................................................................................19 3.1. Overzicht reguliere ondersteuning ........................................................19 3.2. Huidige inzet vsv-programma................................................................22 4. Bouwstenen voor de toekomst ..........................................................................26 4.1. Aandachtspunten uit de analyse ...........................................................26 4.2.

Richtingen voor de toekomst.................................................................27 Bijlagen Bijlage 1. Toelichting selectie benchmark ....................................................30 Bijlage 2. Aanbod..........................................................................................36 Bijlage 3. Overzicht gebruikte data en literatuur ..........................................38

2

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en vraagstelling In de Doorstroompuntregio Zuid-Kennemerland en IJmond werken de verschillende gemeenten (Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort) samen met de onderwijsinstellingen in een regionaal programma. Doel is het voorkomen van vsv en het toeleiden naar een passende plek van kwetsbare jongeren die desondanks uitvallen. In het kader van de uitbreiding van de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk en ter voorbereiding op de nieuwe programmaperiode heef t de regio behoef te aan een analyse van de problematiek in hun gebied en een doorkijk naar de toekomst. Vragen die in de regio-analyse centraal staan zijn onder meer: waar zitten op dit moment de grootste opgaven in de regio? Hoe zit het met doorstroom en uitval in het onderwijs? Hoeveel jongeren volgen geen onderwijs en zijn ook niet aan het werk? Wat is het huidige aanbod van de verschillende betrokken partijen, wat is er al voor de ‘nieuwe’ doelgroep jongeren van 23 tot 27 jaar en hoe is de samenwerking? Is er sprake van overlap of juist witte vlekken? Waar moeten we op inzetten - gegeven de specifieke problemen in de regio? Hoe kunnen we dat zo optimaal mogelijk doen? LPBL heef t in opdracht van Ingrado en OCW een leidraad ontwikkeld voor het opstellen van een dergelijke regionale analyse.

Een belangrijk onderdeel hiervan is een tool voor het kwantitatieve deel. Leidraad en tool zijn gebaseerd op de ervaringen die wij de af gelopen jaren hebben opgedaan en de min of meer ‘gestandaardiseerde’ werkwijze die daaruit is voortgekomen. Voorliggende rapportage geeft de resultaten van deze analyse voor de regio Zuid-Kennemerland en IJmond, opgesteld met behulp van de leidraad. Ten behoeve van de leesbaarheid hebben we gekozen voor een rapportage op hoof dlijnen. Meer technische onderbouwingen en gedetailleerde analyses zijn verwezen naar de diverse bijlages.

1.2. Aanpak en leeswijzer Uitgangspunten regioanalyse Voor het beantwoorden van bovenstaande vragen hanteren we de volgende drie uitgangspunten, die samen een kader bieden voor de regionale analyse: 1.

De kracht van benchmarking. Om werkelijk inzicht te krijgen in de doorstroom, uitval en arbeidsdeelname van jongeren in de regio (is het veel of misschien juist weinig?) dient deze te worden bezien in relatie tot de bevolkingssamenstelling. Er is immers een correlatie tussen de soci aaleconomische status in een regio en het aantal jongeren dat uitvalt of anderszins extra ondersteuning nodig heef t. Een goede manier om dat inzicht te krijgen is benchmarken met regio’s die een vergelijkbare populatie hebben.

2.

Reikwijdte van de analyse sluit aan bij situatie van kwetsbare jongeren. Bij de ondersteuning van kwetsbare jongeren zijn veel partijen betrokken. In de analyse is dus aandacht voor de domeinen onderwijs, werk & inkomen en zorg. Het betekent óók dat het belangrijk is om de analyse te beperken tot de essentie en niet te verzanden in details. Het risico is dat de analyse (en het programma) anders te weinig f ocus krijgen.

3

3.

De analyse geeft de lokale situatie voldoende weer. Hoewel er vaak landelijke tendensen zijn in oorzaken van schooluitval en jeugdwerkloosheid verschillen de lokale omstandigheden. Daarbij gaat het niet alleen om de bevolkingssamenstelling (zoals opleidingsniveau, arbeidsdeelname, gemiddeld inkomen) maar ook om de organisatie in de regio: hoe is bijvoorbeeld de samenwerking tussen het Doorstroompunt en Werk & inkomen? En tussen scholen? Hoe is het bedrijf sleven betrokken?

Leeswijzer Deze regionale analyse bevat dus een kwantitatief deel, waarin met behulp van cijf ers antwoord wordt gegeven op de vraag: waar staat de regio nu? Daarnaast is er ook een kwalitatief deel waarbij de lokale context in kaart wordt gebracht. In dit tweede deel wordt onder meer gekeken naar het bestaande regionale aanbod, de sterke kanten daarvan en wat er nog beter kan, en naar overlap en witte vlekken. En tot slot is er een derde deel dat op basis van de eerste twee delen een eerste aanzet geef t voor bouwstenen voor de toekomst. Op hoof dlijnen is onze aanpak als volgt: Figuur 1.1. Aanpak regioanalyse in drie delen

1. Regio in cijfers In het eerste deel hebben we een analyse gemaakt van de situatie in de regio ten aanzien van voortijdig schoolverlaters en jeugdwerkloosheid. Hoe reizen jongeren door het onderwijssysteem? Hoeveel schooluitval is er (relatief en absoluut)? Waar zitten ze en wie zijn het, verdeeld naar schoolniveau en opleiding? Hoe vergaat het jongeren die zijn uitgevallen? Waar zitten zij één jaar later (werk, opleiding of nog steeds vsv-er)? Zijn er hierin verschillen per gemeenten? Deze vragen worden beantwoord met behulp van de tool, en bevat dus een benchmark op al deze onderdelen met gemeenten en regio’s die qua sociaaleconomische status vergelijkbaar zijn met Zuid-Kennemerland en IJmond. De resultaten van deze f ase staan beschreven in hoof dstuk 2. 2. Analyse huidige aanbod Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van het ondersteuningsaanbod voor kwetsbare jongeren in de regio. We hebben daarbij gekeken naar zowel het reguliere aanbod als de extra voorzieningen vanuit het vsv-programma, binnen én buiten het onderwijs. In aanvulling op de deskresearch hebben we in deze f ase gesprekken gevoerd met betrokkenen uit het onderwijs, bij gemeenten en de doorstroompunten. Het resultaat van deze f ase is te lezen in hoof dstuk 3. 3.

Bouwstenen voor de toekomst Op basis van het cijf ermateriaal en de analyse van het huidige aanbod zijn enkele richtingen, gef ormuleerd voor de aanpak in de toekomst. In hoof dstuk 4 beschrijven we deze.

4

2. Regio in cijfers Dit hoof dstuk geef t een overzicht van de wijze waarop leerlingen in Zuid-Kennemerland en IJmond door het schoolsysteem stromen, uitvallen en hoeveel jongeren vervolgens worden toegeleid naar een passende plek. We vergelijken dit met het gemiddelde van de benchmarkregio’s. Vanwege de centrale f unctie die Haarlem heef t in de regio, krijgt deze gemeente apart aandacht in deze analyse. We starten met een selectie van de gebieden (DSP-regio’s en gemeenten) die qua bevolkingssamenstelling lijken op die in Zuid-Kennemerland en IJmond en hetzelf de doen we voor Haarlem (paragraaf 2.1). Vervolgens vergelijken we doorstroom, schooluitval en de reis van de leerling door het schoolsysteem (paragraaf 2.2). Tot slot volgt een overzicht van de vsv-ers één jaar later en de NEET-jongeren, jongeren die niet in school zitten of aan het werk zijn (paragraaf 2.3). Hiermee volgt dit hoof dstuk de logische weg langs de betrokken partijen: onderwijs, DSP en gemeenten.

2.1. Selectie benchmark De landelijke vsv-cijf ers laten de af gelopen 20 jaar - sinds er volop aandacht is voor het probleem - een f orse daling zien. Was het gemiddelde uitvalpercentage in 2001 nog 5,5 procent, inmiddels ligt het rond de 2 procent 1. In de laatste paar jaar is er geen daling meer, maar een stijging. Het meest recente percentage vsv-ers is 2,4 procent (schooljaar 2022/2023). De uitval in Zuid-Kennemerland en IJmond zat eerst boven, daarna op en het af gelopen jaar onder het Nederlands gemiddelde. Het uitvalpercentage voor Haarlem is iets hoger dan het gemiddelde van de regio (rechterkant van f iguur 2.1). Figuur 2.1. Aandeel vsv-ers Nederland afgelopen 6 jaar, versus regio en contactgemeente

Bron: DUO, bewerking LPBL.

Het is echter de vraag wat deze vergelijking (met landelijke cijf ers en ook onderling) zegt. Het is belangrijk om rekening te houden met de bevolkingssamenstelling. Er is namelijk een duidelijke correlatie 1

Daarbij zij opgemerkt dat er tussentijds een definitiewijziging heeft plaatsgevonden (rond 2012) die ook van invloed is geweest.

5

tussen sociaaleconomische kenmerken (SES) of wel de kwetsbaarheid van de inwoners en onderwijsresultaten: hoe lager de SES - of wel hoe hoger de kwetsbaarheid - hoe minder (door)stroom naar de hogere onderwijsniveaus en hoe hoger de verwachte uitval. Een ‘platte’ vergelijking van de regio met het Nederlands gemiddelde of van de gemeenten onderling zegt daarom in eerste instantie nog niet zo veel. Om inzicht te krijgen in de uitval van leerlingen in relatie tot de bevolkingssamenstelling (is het veel of misschien juist weinig?) hebben we een benchmark uitgevoerd. We maken hierbij gebruik van gegevens die beschikbaar zijn bij het CBS en DUO en hebben gebieden geselecteerd die qua bevolkingskenmerken en qua stedelijkheid lijken op de regio (DSP-regio’s) en Haarlem (gemeenten). Voor een toelichting op de gebruikte indicatoren verwijzen we naar de bijlage. Voor de mate van kwetsbaarheid hanteren we het percentage minima huishoudens in een gebied. Voor de stedelijkheid is de bevolkingsdichtheid een maat, en voor de spreiding het percentage huishoudens in de contactgemeente. Onderstaand f iguur laat de geselecteerde regio’s zien voor Zuid-Kennemerland en IJmond. De geselecteerde regio’s liggen binnen een straal van 40 procent af wijking ten opzichte van het percentage minimahuishoudens van 8,6 procent in de regio. Verder ligt de stedelijkheid boven de 30 procent.

Bij het ‘trekken van de cirkel’ letten we met name op het gemiddelde van de benchmark-gebieden. Figuur 2.2. Benchmark: selectie van regio’s

Bron: CBS / DUO, bewerking LPBL

Voor Haarlem is eenzelf de soort selectie gemaakt. De vergelijkbare gemeenten die eruit komen zijn: Alkmaar, Middelburg, Nissewaard, ‘s-Hertogenbosch, Tiel en Zwolle. Onderstaand f iguur laat de belangrijkste criteria-waarde zien. Figuur 2.3. Benchmark: selectie van regio’s/gemeenten

Bron: CBS / DUO, bewerking LPBL 6

2.2. Schooluitval in beeld In de volgende paragraf en wordt steeds een gemiddelde berekend van zowel de benchmarkregio’s als van de benchmarkgemeenten. Hier worden de cijf ers van de regio en Haarlem tegen af gezet.

2.2.1. Doorstroom schoolsysteem Primair onderwijs Vergeleken met de benchmarkregio’s krijgen leerlingen in het po in Zuid-Kennemerland en IJmond een hoger schooladvies. Met name Haarlem valt hierin op (linkerkant f iguur 2.4). Een mogelijk verklaring ligt in de hoge mate van over-advisering. Dit is het saldo van over- en onder-advisering ten opzichte van de cito-score. Dat wil zeggen dat het aandeel leerlingen met een advisering bóven hun Cito-score groter is dan het aandeel leerlingen dat een advies heef t dat ónder de Cito-score ligt. Dit positieve saldo wijkt sterk af van de benchmark (rechterkant van f iguur 2.4). Ook voor de regio is sprake van over-advisering. Ook dit is een verklaring voor de hogere schooladviezen. De regio steekt met andere woorden hoog in. Figuur 2.4. Benchmark: primair onderwijs

Bron: CBS / DUO, bewerking LPBL. Schooladviezen lopen van Pro (1) tot Vwo (11). Advisering = saldo van aandeel leerlingen met over-advisering en onder-advisering. Laag is meer onder-advisering.

Voortgezet onderwijs Het aandeel leerlingen dat naar praktijkonderwijs (Pro) of voortgezet speciaalonderwijs (Vso) gaat is in de regio als geheel hoger en in Haarlem juist lager dan in de benchmark. Het aandeel (v)mbo is zowel in de regio als in Haarlem lager dan de benchmark (en 10% lager dan het landelijk gemiddelde, ruim 50% = oranje stippellijn). In de regio gaan dus minder leerlingen via de beroepsgerichte route. Figuur 2.5. Benchmark: voortgezet onderwijs

Bron: DUO, bewerking LPBL

7

Het aandeel dat naar Pro of Vso gaat is zoals gezegd hoger dan in de benchmark. Verhoudingsgewijs is er meer instroom in het Pro en de richting vso-arbeidsmarkt. De richtingen dagbesteding en vervolgonderwijs zijn wat kleiner. Daarbij is het opvallend dat vanuit het zowel het Pro als het Vso meer doorstroomt naar onderwijs (66% en resp. 40%). Dit loopt wel allemaal via Entree. In de benchmark zitten regio’s waar waarschijnlijk al vaker een entree-diploma op de school van herkomst behaald wordt. Figuur 2.6. Benchmark: voortgezet onderwijs

Bron: DUO, bewerking LPBL

Vervolgens kijken we naar de overige instroom in het Mbo in de regio (f iguur 2.7). We zien een toename in de aantallen die instromen in de (meer werkgerichte) BBL-opleidingen bij het Nova College. Deze ontwikkeling neemt sterker toe dan in de benchmark (30% toename versus 20%). Uit de interviews blijkt dat er sprake is van een andere groep jongeren die start met een BBL-opleiding dan voorheen: ze zijn jonger en hebben vaker nog geen werkplek. De geconstateerde ontwikkeling sluit aan bij een veranderende behoef te van jongeren. Opvallend verder is de toename van vo-ongediplomeerden in de instroom. Bij het Nova College heef t in 2023 meer dan een kwart van de vo-instroom geen diploma. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2019 en daarmee een serieus aandachtspunt. Deze ontwikkeling is overigens ook in de benchmark te zien. Het gaat om circa 690 leerlingen, zie hiernaast. Het is een groep die vaak extra aandacht nodig heef t. Vaak weten leerlingen (nog) niet goed wat ze willen, is er sprake van weinig motivatie en een gebrek aan schoolse vaardigheden. Figuur 2.7. Benchmark: instroom middelbaar beroepsonderwijs

Bron: DUO, bewerking LPBL

8

In onderstaand f iguur kijken we naar stapeling: het aandeel jongeren dat met een vmbo-g/t diploma doorstroomt naar de havo. Dit ligt in de regio zo’n 3 procent hoger dan in de benchmark-gebieden. Voor Haarlem is dit verschil zelf s 8 procent. Dit is opvallend gezien het f eit dat de schooladviezen al veel hoger lagen. Daarnaast zien we dat de instroom in het Hbo vanuit het Mbo ook iets hoger is. Figuur 2.8. Benchmark: opstroom hoger onderwijs

Bron: DUO, bewerking LPBL

We merken hierbij op dat deze indicator (net als de andere indicatoren) niet impliceert dat hoger ook beter is. Veel meer gaat het over het in kaart brengen van de verschillen tussen vergelijkbare gebieden, waarbij een groot verschil de vraag oproept of en hoe jongeren op een passende plek terecht komen. Dat wil zeggen: een plek die recht doet aan hun potentie en aan het tempo van hun ontwikkeling.

2.2.2. Voortijdig schoolverlaten In deze paragraaf vergelijken we de vsv-percentages van de regio en Haarlem met de benchmarkgebieden. Ontwikkeling uitval Terugkijkend over de af gelopen zes jaar gaat het uitvalpercentage in de regio steeds meer naar het benchmark-gemiddelde toe en is nu voor het eerst iets lager dan dat. In de af gelopen twee jaren zien we dat Haarlem onder de benchmark-gemeenten ligt. Figuur 2.9. Benchmark: ontwikkeling vsv regio en contactgemeente

Bron: DUO, bewerking LPBL

9

Het VSV-percentage in zowel de regio als in Haarlem ligt in het af gelopen schooljaar dus (iets) onder het benchmark-gemiddelde. Dit komt met name doordat er relatief minder uitval is in het Mbo (groene deel in f iguur hieronder). De belangrijkste reden hiervoor is - zoals eerder genoemd - het relatief kleine aandeel jongeren dat naar het middelbaar beroepsonderwijs gaat. Figuur 2.10. Benchmark: vsv regio en contactgemeente in 2022/2023

Bron: DUO, bewerking LPBL * vo is inclusief vavo

Uitgedrukt in percentages per niveau is de uitval in het Mbo namelijk nagenoeg gelijk aan de benchmark. De uitval in Entree is lager maar daar staat tegenover dat de uitval in het Mbo 2 juist weer iets hoger is. De vsv-ers van niveau 3 en 4 zijn vergelijkbaar met de benchmark, zie f iguur hieronder. Opgeteld gaat het om ongeveer 450 voortijdig schoolverlaters. Als we de uitvalpercentages van de benchmark zouden toepassen op de cijf ers van de regio komen we op circa hetzelf de aantal (f iguur hiernaast). Figuur 2.11. Benchmark: vsv als percentage van het totaal per niveau in het Mbo in 2022/2023

Bron: DUO, bewerking LPBL

10

Een andere manier om te kijken naar de (mogelijke) potentie voor de regio is om het werkelijke vsv percentage af te zetten tegenover het verwachte percentage. Deze verwachting is gebaseerd op een regressieanalyse: een schatting van de schooluitval op basis van minima huishoudens, bevolkingsd ichtheid en spreiding van de huishoudens in de regio. Het beeld dat uit de benchmark komt wordt bevestigd door de regressie-analyse. Het werkelijke vsv-percentage is nagenoeg gelijk aan de verwachting voor de regio. Ook de verschillen in IJmond en Zuid-Kennemerland zijn klein. Op basis van beide analyses (benchmark en regressie) komt het percentage vsv dus niet direct naar voren als een zorgpunt voor het programma. Het neemt niet weg dat verbetering uiteraard altijd mogelijk is. Figuur 2.12. Werkelijk vsv-percentage afgezet ten opzichte van de verwachting

Bron: DUO & CBS, regressie door LPBL

Herkomst vsv-ers in de regio Bijna 60 procent van alle uitvallers komt van het Nova College. Logischerwijs is dit dan ook d e belangrijkste onderwijspartner in de vsv-aanpak in de regio. Verder gaat ongeveer 40 procent van de vsv-ers buiten de regio naar school (lichtgroen en grijs). Het is belangrijk om ook met deze scholen korte lijnen te houden, met name het ROC van A’dam (15% met ROC Top samen). Andersom komt ongeveer 30 procent van buiten de regio naar school in de regio (geel). Figuur 2.13. Herkomst vsv-ers naar scholen en woonplaats

Bron: DUO, bewerking LPBL 11

Om vervolgens te kunnen beoordelen of de uitval binnen de opleidingen hoog of juist laag is, vergelijken we de opleidingen op het niveau van hoof dgroepen met overige instellingen. Zoals eerder aangegeven doet Entree het goed, ook in vergelijking met het gemiddelde van de overige instellingen in Nederland. Er is sprake van veel maatwerk. Ook de opleidingen ‘Uiterlijke verzorging’ en ‘Veiligheid en Sport’ springen eruit als goede voorbeelden. We zien geen duidelijke opleiding die het slecht doet. Figuur 2.14. Koning Willem I: opleidingen met relatief veel en relatief weinig vsv-ers

Bron: DUO, bewerking LPBL

2.3. Reis van de leerling De genoemde doorstroom- en vsv-cijf ers zijn de basis voor de ‘reis van de leerling’. Dit is een schematische weergave van de manier waarop leerlingen door het schoolsysteem gaan. Het geef t in één oogopslag een beeld van de regio. We zetten deze opnieuw af tegen het gemiddelde van de benchmark. Het maakt duidelijk waar je het uiteindelijk voor doet. Zo is in Nederland, sinds er structureel aandacht is voor het thema schooluitval, een daling van het aantal jonge mensen zonder startkwalif icatie. Om te komen van de vsv-cijf ers tot de reis van de leerling zijn de jaarlijkse vsv-cijf ers omgerekend naar de kans die een leerling heef t om uit te vallen, binnen het schooltype waar hij of zij zit. Daarnaast zijn de uiten doorstroomcijfers gebruikt. Vervolgens resulteren de uitval percentages gedurende zijn of haar volledige schoolloopbaan. Op deze manier zijn de doorstroomschema’s voor Zuid-Kennemerland en IJmond en de benchmark opgesteld. Iedere leerling start in het basisonderwijs: de instroom, die gelijk is aan 100 procent. De leerlingen verdelen zich vervolgens over verschillende schooltypen en -niveaus, waarbij er op-, af - en doorstroom kan

12

plaatsvinden. De uitstroom is weergegeven in groen (mét startkwalif icatie) en rood (zonder startkwalif icatie). Voor de regio is dit laatste 17 procent 2. Dit is nagenoeg vergelijkbaar met het percentage in de benchmark. Figuur 2.15. Reis van de leerling Zuid-Kennemerland en IJmond en de benchmark

Bron: DUO en CBS, bewerking LPBL

Het f iguur vat samen wat we in voorgaande paragraf en al zagen: in de regio reist een iets minder groot deel van de leerlingen via beroepsgerichte opleidingen door het onderwijssysteem naar een startkwalif icatie (20% versus 22%) en stroomt er andersom dus meer uit via het hoger onderwijs (63% versus 60%). Een aandachtspunt is het relatief hoog aandeel leerlingen dat naar praktijkonderwijs of speciaalonderwijs gaat. En in combinatie daarmee de hoge doorstroom naar onderwijs vanuit deze twee richtingen, met name naar entree (mbo 1). We zien dit ook terug in het stroomschema waar de instroom zo ’n anderhalf keer zo groot is. Daarbij komt dat de instroom van ongediplomeerden VO-leerlingen in deze regio zeer groot is (meer dan een kwart van de totale VO-instroom is zonder diploma). Hier is mogelijk sprake van een samenhang met de hoge mate van over-advisering in deze regio. Het is in elk geval een punt wat opvalt ook met het oog op de komende programma-periode.

2.3. Passende plek kwetsbare jongeren In de vorige paragraaf hebben we met name gekeken naar het onderwijs. Deze paragraaf gaat meer in op de doorstroompunten en de verschillende gemeenten binnen de regio. Vsv-ers één jaar later Om het beeld compleet te maken kijken we als eerste naar hoe het jongeren die zijn uitgevallen vergaat: waar zitten zij één jaar later? Er zijn daarbij drie categorieën: op school, aan het werk of nog steeds vsver. Onderstaand f iguur laat aan de linkerkant zien dat het percentage ‘nog steeds vsv-er na 1 jaar’ in Zuid-Kennemerland en IJmond de af gelopen drie jaren op eenzelf de niveau ligt als de benchmark. Voor Haarlem is dit aandeel onder het gemiddelde gekomen. Dit is ook terug te zien in f iguur 2.16 waar het gemiddelde van de af gelopen 5 jaar is weergegeven. De verdeling van de vsv-ers één jaar later is redelijk vergelijkbaar met de benchmark gebieden.

2

Exclusief eventuele terugstroom naar school na verloop van tijd. Cijfers van het CBS laten zien dat van de vsv -ers gemiddeld 25% binnen 5 jaar alsnog een startkwalificatie haalt.

13

Figuur 2.15. Benchmark: positie vsv-er één jaar later (periode van vijf jaar)

Bron: DUO, bewerking LPBL

Het gemiddelde van de af gelopen vijf jaar is in Haarlem vergelijkbaar met de benchmark. Voor de regio ligt het aandeel dat nog steeds vsv-er is iets hoger. Opvallend hier is dat er meer jongeren terug naar school gaan en dat er minder jongeren aan het werk zijn (34% versus 37%) dan in de benchmark 3. Hier ligt mogelijk een aanknopingspunt voor de toekomst, zie ook deel 2 ‘aanbod in de regio’. Figuur 2.16. Vergelijking van de regio: positie vsv-er één jaar later (periode van vijf jaar)

Bron: DUO, bewerking LPBL

Een analyse van de onderliggende cijf ers laat verder grote verschillen zien binnen de regio. Opvallend is met name het aandeel jongeren dat na uitval aan het werk gaat in Beverwijk en Velsen (37% en 40%).

3

Hierbij merken we op dat het aandeel jongeren dat het aan het werk is, hoger is dan de eigen streefcijfers van de regio, terwijl het aandeel naar school juist lager ligt. De benchmark kijkt puur naar de feitelijke situatie: in de regio ZK-IJ is het aandeel werkend lager dan in vergelijkbare regio’s, het aandeel naar school hoger.

14

Figuur 2.17. Vergelijking binnen de regio: positie vsv-er één jaar later (periode van vijf jaar)

Bron: DUO, bewerking LPBL

Ook tussen IJmond enerzijds en Zuid -Kennemerland anderzijds zien we een groot verschil. Dit vraagt om een verdere analyse naar wie die jongeren zijn die aan het werk gaan. Het is niet alleen het gevolg van het aanbod, maar kan ook samenhangen met een meer op werkgerichte mentaliteit van de bevolking. Inzicht in de bevolkingssamenstelling kan een eerste indicatie geven. Hiernaast het verschil tussen IJmond en Zuid-Kennemerland. Het kan een positieve ontwikkeling zijn dat jongeren zonder startkwalif icatie niet langer vsv-er zijn, maar tegelijkertijd is het ook een aandachtspunt als het gaat om het behouden van (duurzaam) werk in de toekomst. Verder valt op dat in Heemskerk juist veel jongeren naar school terug gaan. Het aandeel jongeren dat na één jaar nog steeds vsv-er is, ligt in Bloemendaal en Zandvoort boven het gemiddelde van de hele regio. De vraag is wie dit zijn en waarom zij na een jaar niet aan het werk of op school zijn. Het kan dat er relatief veel jongeren niet geregistreerd aan het werk zijn. Ook hiervoor geldt dan dat een duurzame positie op de arbeidsmarkt een aandachtspunt is . Eerste overzicht NEET-jongeren Wanneer we naar alle jongeren kijken in de leef tijd van 15 tot 27 jaar zien we dat in de regio iets meer NEET-jongeren zijn. Er zijn met name minder jongeren in onderwijs. Dit is een punt voor nader onderzoek.

Voor Haarlem zien we overigens geen sterk af wijkend beeld met de benchmark.

15

Figuur 2.18. Benchmark: percentage NEET-jongeren (Not in Education, Employment or Training) 2022

Bron: CBS, bewerking LPBL

Niet alleen het meest recente jaar, o ok het gemiddeld aandeel NEET-jongeren over de af gelopen 3 jaar is voor de regio hoger dan het gemiddelde. Daarbij zien we dat het percentage het af gelopen jaar sterker toeneemt dan in de benchmark-regio’s. Figuur 2.19. Ontwikkeling NEET afgelopen 3 jaar en het gemiddelde van 3 jaar

Bron: CBS, bewerking LPBL

Wanneer we kijken naar het gemiddelde van drie jaar voor de verschillende gemeenten in de regio zien we dat het percentage NEET-jongeren dichtbij elkaar zit: gemiddeld rond de 8 procent (blauwe staven). Of dit percentage voor een bepaalde gemeente veel of juist weinig is hangt opnieuw af van kenmerken van de huishoudens in een gemeente. Om deze reden hebben we ook hier een regressie-analyse uitgevoerd. In de gearceerde staven is te zien wat het verwacht percentage NEET-jongeren is in de betref f ende gemeente. Hieruit blijkt dat de gemeenten Bloemendaal en Heemstede relatief veel NEETjongeren hebben ten opzichte van de verwachting. Voor de regio in zijn geheel blijkt dat er per saldo meer NEET-jongeren zijn dan de verwachting is op basis van de populatie. Hier ligt mogelijk nog potentie voor verbetering. Een startpunt is in elk geval om deze jongeren (beter) in beeld te krijgen.

16

Figuur 2.20. Vergelijking binnen de regio: NEET-jongeren

Bron: CBS, bewerking LPBL

Niet alleen het percentage NEET-jongeren verschilt, maar ook de verdeling van het aandeel met en zónder uitkering. Dit is interessant omdat het een verdere invulling geef t van de jongeren zonder opleiding en werk. De jongeren mét uitkering zijn namelijk al bekend bij W&I. Voor de hele regio gaat het om ongeveer 34 procent. Maar ook van de overige 66 procent is het niet zo dat deze jongeren alle niet in beeld zijn. Overigens zijn het met name deze NEET-jongeren (zonder uitkering) die maken dat het totale percentage hoog is in de regio (in vergelijking met de benchmark). Op basis van leef tijdsgegevens, een nieuwe indeling van het CBS, de vsv -aantallen en een inschatting van de pro/vso uitstroom in de NEET-aantallen die niet in beeld zijn, is een verder invulling gemaakt. Onderstaand f iguur laat dit zien. Ongeveer 43 procent is tussen de 23 en 27 jaar. Hiervan is iets minder dan de helf t zonder startkwalif icatie (nieuwe doelgroep en geel gearceerd). Figuur 2.21. Inkleuring van de NEET-jongeren zonder uitkering4

Bron: CBS, bewerking LPBL

Uit onderzoek komt eenzelf de beeld naar voren. De NEET-doelgroep is vaak ouder dan 18 jaar en meer dan de helf t heef t geen startkwalif icatie. Het is verder geen homogene groep. Een deel van de jongeren lukt het inderdaad niet om werk te vinden. Daarnaast zijn er jongeren die niet deelnemen aan onderwijs

4

O.a. op basis van NEET-onderzoek in Amsterdam

17

of arbeidsmarkt omdat zij kampen met een chronische ziekte of beperking, of omdat zij zorgtaken hebben. Anderen bevinden zich tussen twee opleidingen in, of hebben net een opleiding af gerond. Dit beeld wordt bevestigd in de Enquête Beroepsbevolking, waaruit blijkt dat ruim de helf t van de NEET-jongeren op dit moment niet beschikbaar is voor werk vanwege arbeidsongeschiktheid, de zorg voor gezin, een opleiding of om andere redenen5. Dit is ook bekend uit een evaluatie van een gerichte NEET-aanpak 6. Minder dan 10 procent bleek open te staan voor ondersteuning. De grootste groep is (bij navraag) aan het werk (40%), aangemeld voor een opleiding, al dan niet particulier (20%), in een zorgtraject (10%) of wil geen hulp (10%). Voor de nieuwe doelgroep voor het DSP gaat het in de regio om circa 950 jongeren. Figuur 2.22. JWL: NEET-jongeren in aantallen

Bron: CBS, bewerking LPBL

5 6

CBS, NEETs: jongeren die geen opleiding volgen en niet werken (2018) LPBL, Evaluatie NEET-aanpak in West-Brabant, 2023

18

3. Huidig aanbod Er is een breed aanbod aan ondersteuning en begeleiding beschikbaar voor jongeren die nu nog naar school gaan maar dreigen uit te vallen of die (recent) uitgevallen zijn. In dit hoof dstuk brengen we in kaart om welke reguliere ondersteuning het gaat (paragraaf 3.1) en wat het aanvullende aanbod is vanuit het vsv-programma (paragraaf 3.2). Dit is gebaseerd op deskresearch en interviews met de belangrijkste betrokkenen.

3.1. Overzicht reguliere ondersteuning Een inventarisatie van de reguliere ondersteuning van schoolgaande en uitgevallen jongeren gaat noodzakelijkerwijs verder dan alleen het onderwijs. Immers, uitval gaat vaak gepaard met problemen op meerdere leef gebieden. De betref f ende jongeren hebben dan ook te maken met meerdere wettelijke regimes en met prof essionals uit verschillende organisaties. De schema’s die bij deze inventarisatie horen zijn vanwege de leesbaarheid opgenomen in de bijlage. Ze laten het reguliere aanbod en de betrokken actoren op hoof dlijnen zien voor het Nova College en voor de verschillende regiogemeenten (met een kleur als het aanwezig is). In onderstaande paragraf en volgt een toelichting op de schema’s aangevuld met bevindingen uit de interviews ten aanzien van de opgaven in de regio . Opgave en ondersteuning in het onderwijs: vo, pro en vso Het vo in de regio Zuid Kennemerland en IJmond heef t te maken met veel afstroom. Dit hangt mogelijk samen met de hoge mate van over-advisering in de regio. Omdat er in de regio weinig brede scholen of brugklassen zijn gaat deze af stroom gepaard met veel schoolwisselingen en zij-instroom. Voor de betrokken leerlingen (en scholen) levert dit onrust op en moeten ‘landen’ in een nieuwe omgeving.

De regio heef t een vso school, Daaf Geluk, die zich specif iek richt op jongeren tussen 12 en 20 jaar die te maken hebben met prikkelgevoeligheid, angst en/of autisme. Desondanks constateert het samenwerkingsverband dat er op dit moment relatief veel jongeren met dit soort problematiek thuis zitten en dat zij tussen wal en schip lijken te vallen. Ze hebben nog wel een schoolinschrijving, maar gaan niet naar school. Voor hen ontbreekt op dit moment een passend aanbod om de schoolgang weer op te starten. Daarnaast ontbreekt voor jongeren die bij Daaf Geluk, met ondersteuning, een havo of vwo diploma halen vaak een goede vervolgplek. Terwijl voor deze groep geldt dat zij over voldoende cognitieve mogelijkheden beschikken en, met een duwtje in de rug, op de wat langere termijn wel in staat zijn om duurzaam werk te vinden en te behouden. Een andere vso-voorziening, De Prof . Dr. Gunning school, is bedoeld voor jongeren die externaliserende problematiek hebben. Een deel van de leerlingen heef t, om goed te kunnen f unctioneren, extra jeugdhulp nodig, het lief st (ook) op school. De wachtlijsten voor jeugdhulp zijn in de regio echter sterk opgelopen en er is minder capaciteit beschikbaar voor inzet op de scholen dan voorheen. Op de Gunningschool leidt dit tot grote werkdruk voor de docenten en een potentieel negatief ef f ect op het leerklimaat.

Het lijkt dan ook moeilijker leerkrachten te vinden en te behouden voor deze vso ten opzichte van de Daaf Geluk. Met beperkte (vso)budgetten is het de vraag deze zo optimaal mogelijk te verdelen zodat dit recht doet aan de zwaarte van de doelgroep. Geïnterviewden noemden in dit verband de mogelijkheid voor een klasje binnen een reguliere school (tegen reguliere bekostiging) voor leerlingen die

19

te maken hebben met overprikkeling. Dit zou de instroom in Daag Geluk kunnen beperken en dus extra ruimte bieden voor de ondersteuning op de Gunning school. Uit de gesprekken blijkt ook dat het aantal nieuwkomers in de regio sterk is toegenomen. Een deel van deze jongeren beheerst na twee jaar ISK de taal nog onvoldoende om regulier onderwijs te volgen of om goed de overstap naar werk te kunnen maken. In het vsv -programma zijn daarom enkele interventies opgestart, zoals de opvang van ISK leerlingen in het praktijkonderwijs en het bieden van een half jaar extra ondersteuning gericht op de overgang naar regulier vo (zie ook hieronder). Voor jongeren die het praktijkonderwijs en vso verlaten is er een sluitende aanpak. Voor degenen die doorgaan in het onderwijs is een samenwerking met de intakers van het Nova College. Jongeren die regulier gaan werken worden in nauw overleg overgedragen aan werkgevers (meestal uit het vaste netwerk van de scholen). En voor de meer kwetsbare groep die niet regulier aan het werk kan is er een directe overdracht aan het doorstroompunt of de re-integratiepartners van Agros, Spaarne Werkt en IJmond werkt. Dit sluit aan bij de nazorg zoals die in de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk verplicht wordt gesteld. Overigens geven geïnterviewden aan dat dit in het praktijkonderwijs al meer gangbaar is dan in het vso.

Opgave en ondersteuning in het onderwijs: mbo Uit het overzicht in de bijlage én uit de interviews blijkt dat het Nova College een zeer breed en gevarieerd aanbod aan zorg en ondersteuning heef t. In de begeleiding van de student is de studieloopbaanbegeleider (mentor) de spil. Waar nodig kan extra ondersteuning worden ingezet door de tweede lijn, georganiseerd in pluspuntteams. Het Nova College beschikt over onder meer trajectcoaches (voor jongeren met gestapelde problematiek), coaches voor passend onderwijs (bij beperkingen), vsv-coaches voor verzuim onder 18-plussers, een heroriëntatieprogramma voor switchers, een time-out programma voor jongeren (onder de 18) die tijdelijk geen onderwijs kunnen volgen, schoolmaatschappelijk werk en een schoolpsycholoog, en een extra taal- en rekenpedagoog. Deze extra ondersteuning is decentraal georganiseerd en daardoor ingebed in de regionale of gemeentelijke zorgstructuur. Het voorkomen van voortijdig schoolverlaten is voor het Nova College een speerpunt : in de af gelopen jaren is een ontwikkelagenda gef ormuleerd op dit gebied. Daarin wordt onder meer ingezet op het verbreden en ondersteunen van het handelingsrepertoire van docenten en mentoren, met nadruk op aanwezigheid en ondersteuning zoveel mogelijk op maat en in de klas.

In aansluiting op de kwantitatieve analyse wordt ook in de interviews geconstateerd dat er een toenemend aantal jongeren is dat ongediplomeerd vanuit het vo naar het mbo gaat. Zij hebben vaak beperkte ‘schoolse’ vaardigheden en motivatie. Het vraagt f lexibiliteit en tijd om hen goed te laten landen in het mbo. Het Nova College heef t inmiddels een speciaal (oriëntatie)-programma voor havo 4, waar jongeren f lexibel kunnen instromen van januari tot en met april. Sinds enkele jaren heef t het Nova College Entree en mbo -2 opleidingen gecombineerd in My Talent . My Talent heef t drie locaties en kenmerkt zich door veel f lexibiliteit, maatwerk en een breed aanbod. Er is laagdrempelige toegang, waardoor de voorziening snel groeit. Er is een goed contact met de vo scholen zodat jongeren zoveel mogelijk warm worden overgedragen. Instromen is het hele jaar door mogelijk en voor havisten is er een ‘kick-start’. Docenten geven les op zowel Entree als mbo -2, zodat 20

zij de leerlingen die doorstromen al kennen en andersom. My Talent wil didactisch goed en aantrekkelijk onderwijs bieden dat zoveel mogelijk op maat is. Jongeren kunnen in een half jaar hun Entree diploma halen en vervolgens in een jaar mbo 2 doen. Maar een schakeltraject met eerst meer Nederlands is ook mogelijk (bijvoorbeeld voor ISK-leerlingen). Voor verschillende richtingen (onder meer techniek en logistiek) is het eerste jaar van de niveau 2 opleiding een breed oriëntatiejaar, zodat daarna nog makkelij k geswitcht kan worden. Tot slot biedt Nova College ook werk-leertrajecten aan in de bouw en horeca, in samenwerking met Spaarne Werkt en RBL Leerplein. De wens is om dit uit te breiden naar andere sectoren. De f inanciering van BBL onderwijs is hierin echter een knelpunt: groepen van minder dan 14 leerlingen zijn niet rendabel. Het is nog wel de vraag wat de snelle groei van My Talent op termijn betekent voor de resultaten van de Entree en mbo 2 opleidingen. Door de laagdrempelige toegang is het immers mogelijk dat er meer deelnemers zijn die eigenlijk niet in staat zijn om een startkwalif icatie te halen. Dat leidt mogelijk tot een toename van het risico op schooluitval.

Ondersteuning Doorstroompunt Het Leerplein is het Regionaal Bureau in de regio Zuid -Kennemerland en IJmond (ZKIJ) en voert het beleid leerplicht, doorstroompunt (ten dele ook al voor jongeren van 23 tot 27) en voortijdig schoolverlaten uit voor jongeren uit de zeven gemeenten. De uitvoering Leerplicht voor IJmond wordt gedaan vanuit de betref f ende gemeenten. Er is een gemeenschappelijke regeling ‘schoolverzuim en vsv’ en een gezamenlijk meerjarenbeleidsplan, die de bestuurlijke en beleidsmatige basis zijn voor de uitvoering. Hoof dthema’s van het Leerplein zijn de vsv-aanpak, de aanpak Jongeren in Kwetsbare positie, verzuim & schoolaanwezigheid, aanpak thuiszitters en aansluiting met de arbeidsmarkt. Ook oud-vsv-ers behoren tot de doelgroep. Daarnaast ondersteunt het doorstroompunt ook jongeren tussen de 23 en 27 jaar, met bijvoorbeeld de aanpak Jongeren in Kwetsbare Positie, leerwerktrajecten en leerwerkmakelaars. In Zuid-Kennemerland loopt op dit moment een pilot met het actief benaderen van deze doelgroep met behulp van het instrument Jongeren in Beeld. Het Leerplein beschikt over een groot aanbod aan ingekochte trajecten, van activering en (bliksem)stages tot leerwerktrajecten en jobhunting. Voor jongeren die geen leerwerkplek kunnen vinden of deze verliezen tijdens de opleiding zijn er leerwerkmakelaars (waarvan er één is gepositioneerd op het Nova College).

De doorstroomcoaches werken nauw samen met de scholen in de regio en met de af delingen Werk en Inkomen van de zeven gemeenten. Ze f ungeren als belangrijke schakel en verbinder tussen de verschillende partijen in de regio. Een voorbeeld is het beschikbaar stellen van een passende werkervaringsplek in een naburige gemeente als de eigen gemeente zo’n traject voor de betref f ende jongere niet heef t (inclusief de bijbehorende f inanciering). Ondersteuning Werk en Inkomen Voor jongeren die van Pro en Vso komen is er in de hele regio een sluitende aanpak. Jongeren worden al op school ‘opgepakt’ door re-integratiepartners van Agros, Spaarne Werkt (Zuid-Kennemerland) of IJmond Werkt (IJmond). Een aandachtspunt hierbij zijn de werksoorten in deze ontwikkelbedrijven.

21

Naast nieuwe mogelijkheden in de zorg en de kinderopvang gaat het nog vaak om werken in de groenvoorziening of verpakkingen. Dit sluit (nog) niet goed aan bij de interesse en motivatie van jongeren. Daardoor bestaat het risico dat zij al snel af haken en toch uit beeld verdwijnen. Ook voor jongeren die niet van pro of vso komen is er ondersteuning. Meestal gaat het daarbij om jongeren die een uitkering hebben aangevraagd, al is het aanbod in principe ook toegankelijk voor jongeren zonder een uitkering. Voor jongeren zonder startkwalif icatie zijn er trajecten beschikbaar bij het Leerplein, maar er wordt ook aanbod ingekocht door het Leerplein en gemeenten gezamenlijk (zoals Young Heroes, specif iek voor kwetsbare jongeren met problemen op meerdere leef gebieden in IJmond, en de inzet van Agros in Zuid-Kennemerland) of door gemeenten zelf (zoals bijvoorbeeld de Herstelling voor jongeren tot 35 jaar met complexe gedragsproblematiek of criminaliteit). Een aandachtspunt bij de inzet van de trajecten is de monitoring van de effectiviteit. Het is niet altijd duidelijk of de bereikte ef f ecten (en de bijbehorende maatschappelijke baten) opwegen tegen de soms hoge kosten. Omdat de beschikbare middelen beperkt zijn, is dit wel van belang. Een ander aandachtspunt is de toegankelijkheid van de trajecten voor jongeren uit andere gemeenten.

Soms is een traject uit Haarlem het meest passend voor een jongere uit Velsen of andersom. Nu wordt dat opgelost via maatwerkaf spraken en f inanciering vanuit bijvoorbeeld DSP-middelen. Echter, het maken van aanvullende structurele af spraken door de gemeente met de re-integratiepartners hierover is aan te bevelen en sluit beter aan bij de behoef te van jongeren en de compactheid van de regio. Niet alle gemeenten beschikken bij de af delingen Werk en Inkomen over klantmanagers specif iek voor jongeren. Het werken met en voor jongeren wordt in Velsen en Heemskerk wel gezien als een specialisme, maar gezien de kleine aantallen is een aparte f unctie tot nu toe niet haalbaar. Jeugdhulp en jongerenwerk De inkoop van de jeugdhulp in de regio Zuid -Kennemerland en IJmond is recent herzien. Voor de meer complexe jeugdhulp is de zorg per 1 januari 2024 aanbesteed aan vier consortia, die tijd nodig hebben om zich goed te organiseren. Tegelijkertijd zijn er budgetplaf onds ingesteld voor de enkelvoudige jeugdhulp. Geïnterviewden geven aan dat de jeugdhulp in de regio (mede door deze ontwikkelingen) inmiddels zeer lange wachttijden kent. Een direct gevolg is dat er minder zorg beschikbaar is op de scholen. Dit is met name voor het speciaal onderwijs een zorgpunt, zoals hierboven werd geconstateerd voor bijvoorbeeld de Prof . Gunningschool.

Het jongerenwerk in de regio is georganiseerd op gemeentelijk niveau. Hoe uitgebreid dat is, hangt samen met de lokale problematiek. In de meeste gemeenten organiseert het jongerenwerk niet alleen groepsactiviteiten, maar zijn zij ook beschikbaar voor individuele coaching.

3.2. Huidige inzet vsv-programma Naast deze reguliere ondersteuning is er (jaarlijks) extra budget beschikbaar specif iek gericht op het (voorkomen van) voortijdig schoolverlaten, het toeleiden van vsv-ers naar school of werk en het monitoren, ondersteunen en begeleiden van jongeren in kwetsbare positie. Hiervoor was in de periode van 2021 tot nu jaarlijks ruim 1 miljoen euro beschikbaar.

22

Verdeling van middelen Het programma gaat uit van een gezamenlijke visie van de betrokken partijen. Het benoemt daarbij nadrukkelijk dat het bedoeld is als aanvulling op de reguliere inzet van het RBL, het mbo en het vo. Voor ieder van de doelstellingen (verminderen vsv, toeleid en vsv-ers naar school of werk en ondersteunen van jongeren in kwetsbare positie) zijn duidelijk onderbouwde streef cijf ers benoemd. Ze zijn gebaseerd op de ambitie om eerdere resultaten in de regio te verbeteren. Vooraf gaand aan het lopende programma is een analyse opgesteld van de regio, inclusief een evaluatie van het voorgaande programma. Dit heef t geleid tot een aanpak in drie programmalijnen en een plusvoorziening. Onderstaand f iguur laat de verdeling van de middelen over deze onderdelen zien. Daarnaast is inzichtelijk gemaakt wat de verdeling is over RBL, mbo en vo. Slechts een heel klein deel van het beschikbare budget (€ 20.000) is gereserveerd voor beheer en monitoring. Vrijwel al het geld gaat dus naar de uitvoering van maatregelen. Figuur 3.1. Verdeling programmamiddelen (2021-2024)

Bron: Brede VSV aanpak en aanvraag 2021 t/m 2024, Regio Zuid -Kennemerland en IJmond, bewerking LPBL

Hieronder volgt een korte beschrijving van de drie programmalijnen en de plusvoorziening: 1.

Het voorkomen van nieuwe vsv-ers (preventief werken). Maatregelen die hieronder vallen zijn een heroriëntatieprogramma van twee weken voor switchers op het Nova College en vsv -coaches, ook op het Nova College. Preventieve spreekuren op het mbo en huisbezoeken worden uitgevoerd door het RBL/Leerplein.

2.

Het bieden van (extra) begeleiding aan jongeren. Hiervoor zijn twee leerwerkmakelaars aangesteld bij het RBL Leerplein en het Nova College, die jongeren die dat nodig hebben ondersteunen bij het vinden en behouden van stageplekken (BOL en BBL). Ook is er budget gereserveerd voor het begeleiden van jongeren mét en zonder startkwalif icatie naar duurzaam werk.

3.

Doorontwikkelen van een sluitend vangnet. Binnen deze programmalijn is budget beschikbaar gesteld voor ontwikkeling van My Talent, voor het creëren en uitvoeren van maatwerktrajecten voor jongeren in kwetsbare positie en voor extra ondersteuning voor ISK jongeren. Deze laatste maatregel valt uiteen in twee delen: de overgang van het ISK naar het vo (door hen daar extra tijd voor te bieden) en de opvang van ISK-jongeren in het pro (o.a. door extra taalondersteuning).

23

4.

De plusvoorziening krijgt in het programma vorm door aanstelling van trajectcoaches in het mbo. Zij bieden ondersteuning op maat aan studenten met meervoudige problematiek. Dit is aanvullend op de reguliere ondersteuningsstructuur en beschikbaar voor niveau 1 tot en met 4.

Evaluatie en monitoring De voortgang van het programma wordt gevolgd door te monitoren of de streef cijf ers worden behaald. Daarnaast worden er half jaarlijks evaluatief ormats ingevuld voor de verschillende maatregelen. In deze ingevulde f ormats vallen een paar dingen op: -

Het f ormat bevat voornamelijk kwalitatieve vragen over de voortgang van de maatregel. Het is op basis van de aangeleverde inf ormatie echter niet mogelijk om uitspraken te doen over de ef f ectiviteit ervan. Met andere woorden: wat zijn de resultaten van de interventie en welk deel van de resultaten is ook daadwerkelijk toe te schrijven aan het project?

-

Het f ormat heef t, terecht, ook de vraag of de maatregel na 2024 is geborgd en hoe hierin is voorzien. Echter, in vrijwel alle gevallen is het antwoord op deze vraag dat wordt uitgegaan van nieuwe programmamiddelen om de maatregel te kunnen voortzetten. Dit gaat voorbij aan de bedoeling van het programma (en de strekking van de vraag). Dat is immers vooral gericht op initiëren, aanjagen en tijdelijk extra investeren. Door steeds te rekenen op voortzetting van de programmamiddelen, worden deze ingezet voor zaken die eigenlijk regulier gef inancierd zouden moeten worden (maar waar de middelen ontoereikend zijn c.q. eerst herschikt moeten worden). Het is belangrijk om hier als programmamanagement en -bestuur scherp op te zijn en indien nodig in bij te sturen.

De invulde f ormats bevatten ook inf ormatie over het aantal bereikte jongeren. Dit is door ons gekoppeld aan de bedragen per maatregel uit de begroting. Onderstaand f iguur toont het resultaat: de kosten per bereikte deelnemer voor ieder van de maatregelen. Een aandachtspunt zijn de kosten per deelnemer voor de opvang van ISK-leerlingen in het pro (maatregel 7b). Volgens het evaluatief ormat ging het in 2023 om slechts 6 ISK-leerlingen, maar zijn de middelen ten goede gekomen aan andere NT-2 leerlingen die al op de praktijkschool zaten. Als het budget wordt toegerekend aan de 6 ISK leerlingen is het bedrag per leerling € 13.000, als we rekenen met alle 25 NT-2 leerlingen gaat het om € 3.200 – nog steeds aanzienlijk meer dan de rest van de maatregelen. Figuur 3.2. Maatregelen vsv-programma: kosten per deelnemer

Bron: evaluatie aanvullende vsv-maatregelen 2023, bewerking LPBL.

24

Voor de overige maatregelen lopen d e kosten per deelnemer sterk uiteen, gemiddeld gaat het om ongeveer € 1.200. Op zich hoeven deze verschillen geen probleem te zijn: een maatregel mag best veel kosten als de maatschappelijke baten die daar tegenover staan (bijvoorbeeld in de vorm van voorkomen zorgkosten of uitkeringen) ook groot zijn. Op basis van de huidige evaluaties kunnen daar voor de regio Zuid-Kennemerland en IJmond geen uitspraken over worden gedaan. Uit onderzoeken weten we echter dat de grootste maatschappelijke impact - of wel de grootste maatschappelijke baat - ontstaat als met een interventie daadwerkelijk voorkomen kan worden dat een jongere maatschappelijke uitvaller wordt.

25

4. Bouwstenen voor de toekomst In de vorige hoof dstukken hebben we gezien dat in de regio Zuid -Kennemerland en IJmond al heel veel goed gaat. De uitval ligt, voor zowel de regio als voor Haarlem, op dit moment onder het niveau van de benchmark. Datzelf de geldt ook voor het aandeel jongeren dat na een jaar nog steeds vsv-er is. Er is een breed aanbod beschikbaar voor jongeren die extra ondersteuning nodig hebben, zowel binnen het onderwijs als daarbuiten. Daarbij is het Doorstroompunt een belangrijke schakel in de samenwerking tussen de verschillende partijen en heef t een breed aanbod aan trajecten en mogelijkheden voor maatwerkondersteuning. Kortom: de basis is duidelijk op orde! Daarnaast komen uit de analyse een aantal opgaven voor de komende jaren. In dit hoof dstuk halen we deze nog eens naar voren (paragraaf 4.1). Deze opgaven bieden aanknopingspunten voor de nieuwe programmaperiode. We vertalen ze daarom naar een aantal mogelijke richtingen vo or de toekomst (paragraaf 4.2).

4.1. Aandachtspunten uit de analyse Regio in cijfers Om een goed beeld te krijgen van de situatie in Zuid -Kennemerland en IJmond kijken we verder dan een ‘platte’ vergelijking met het Nederlands gemiddelde. We zetten de regio af tegen regio’s die werkelijk vergelijkbaar zijn, zowel qua kwetsbaarheid van de b evolking als qua stedelijkheid (de benchmark). Uit de kwantitatieve analyse blijkt dat de regio Zuid -Kennemerland en IJmond, en met name de gemeente Haarlem, veel over-advisering kent. Minder jongeren dan in de benchmark doorlopen de beroepsgerichte route. Tegelijkertijd (en waarschijnlijk mede daardoo r) is er in de regio sprake van veel af stroom. Omdat er weinig brede scholen zijn, gaat dit gepaard met veel schoolwisselingen en zij -instroom. Ook zien we een sterke toename van de instroom van ongediplomeerden in het mbo. Inmiddels bedraagt dit een kwart van de totale instroom uit het vo. Terugkijkend over de af gelopen zes jaar gaat het totale uitvalpercentage in de regio steeds meer naar het benchmark-gemiddelde toe en is nu voor het eerst iets lager dan dat. Opvallend zijn de goede resultaten van Entree in de regio. De nieuw ingeslagen weg met onderwijs op maat bij My Talent van het Nova College is hiervoor een mogelijke verklaring. Het is nog wel de vraag hoe de resultaten zich op langere termijn zullen ontwikkelen.

Door de laagdrempelige toegang is er sprake van een hele gevarieerde instroom, waaronder ook jongeren die mogelijk niet in staat zijn om een diploma of startkwalif icatie te halen. Eén jaar na uitval zijn er evenveel jongeren als in de benchmark nog steeds vsv-er (ongeveer 40 procent). Dat wil zij zeggen dat zij niet terug zijn gestroomd naar het onderwijs of aan het werk zijn. Dit percentage is de af gelopen jaren redelijk stabiel.

26

Het aandeel NEET-jongeren (jongeren tussen de 15 en 27 jaar zonder werk of opleiding) ligt daarentegen boven het benchmark gemiddelde. Het is de af gelopen jaren ook sterker gestegen dan in de benchmark. Dit is een belangrijk punt van aandacht en mogelijk een aanknopingspunt voor de nieuwe programmaperiode. Aanbod in de regio Onderdeel van de analyse is een inventarisatie van het huidige aanbod aan ondersteuning en begeleiding voor jongeren die nu nog naar school gaan maar dreigen uit te vallen of die (recent) uitgevallen zijn. Daarmee zijn witte vlekken, overlap en eventuele knelpunten in kaart gebracht. We kijken breder dan alleen het onderwijs. Immers, uitval en/of kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt gaat vaak gepaard met problemen op meerdere leef gebieden. De belangrijkste aandachtspunten uit deze inventarisatie zijn: -

Er zijn in de regio weinig brede scholen en brugklassen. Omdat er sprake is van veel af stroom leidt dat ieder jaar tot veel schoolwisselingen, met alle onrust voor leerlingen en scholen die daarbij hoort. Een ander aandachtspunt in het vo is het aantal thuiszitters met problematiek rondom autisme en angst. Het gaat om jongeren zónder diploma die volledig zijn uitvallen, maar ook om jongeren met een havo of vwo diploma die (nog) niet in staat zijn om aan een vervolgopleiding te beginnen.

-

Het Nova College beschikt over een zeer uitgebreide zorgstructuur en ondersteuningsaanbod. Deze is decentraal georganiseerd, zodat het zo goed mogelijk aansluit bij de lokale inf rastructuur. Bijzonder is dat er een oriëntatie-mogelijkheid is voor leerlingen vanuit havo 4, met f lexibele instroommomenten. Gezien de toename van de ongediplomeerde vo -instroom is uitbreiding hiervan mogelijk nodig.

-

Voor de af delingen Werk en Inkomen van de gemeenten is het bereiken van en versterken van de ondersteuning aan NEET-jongeren boven de 23 jaar en zonder uitkering een aandachtspunt. Daarnaast kunnen meer jongeren op een passende plek komen door gemeentelijke trajecten ook open te zetten voor jongeren uit andere gemeenten binnen de regio.

-

Het lopende vsv-programma is gebaseerd op een regionale analyse, op basis waarvan maatregelen zijn gef ormuleerd die aansluiten bij de opgave in de regio. In het programma is aandacht nodig voor ef f ectmeting en verduurzaming (d.w.z. overgaan op reguliere f inanciering) van de maatregelen.

4.2. Richtingen voor de toekomst Deze opgaven vragen om een antwoord. In dit hoof dstuk vertalen we dit voor de drie belangrijkste punten die naar voren zijn gekomen naar mogelijke richtingen voor het nieuwe programma. Daarbij houden we er rekening mee dat een deel van de opgaven onder de reguliere taken van het onderwijs en de gemeente vallen. Het programma is immers vooral bedoeld om te initiëren, aan te jagen en tijdelijk extra te investeren. Afstroom en uitval in het voortgezet onderwijs Het eerste punt betref t de vermindering van de af stroom en de uitval in het voortgezet onderwijs. De geconstateerde ontwikkeling hangt samen met de grote mate van over-advisering in de regio en het

27

beperkte aanbod aan brede brugklassen en scholengemeenschappen. Naast veel schoolwisselaars binnen het vo leidt het ook tot een toename van de ongediplomeerde instroom in het mbo. Het antwoord hierop moet vooral komen van het onderwijs zelf . Het vsv-programma kan daarin wel signaleren, agenderen en kennis bevorderen. Bijvoorbeeld door goede voorbeelden (ook van andere regio’s , zoals de OSB in Amsterdam) te verzamelen en verspreiden en werkbezoeken te organiseren. Een specif iek punt dat uit de analyse naar voren komt betref t de benodigde versterking van het v(s)o om jonge leerlingen binnenboord te houden en zo te voorkomen dat zij zonder diploma terecht komen in het mbo. Dit vraagt om (tijdelijk) onderwijs op maat en (extra) zorg in de school en in de klas. Goede voorbeelden zijn bijvoorbeeld de werkwijze van de tussenvoorziening Connect in de gemeente Goeree-Overf lakkee, onderwijs op maat van het Vista-college en de pedagogisch medewerker op het Bredero College in Breda. Gegeven de grote personele tekorten in het onderwijs en de jeugdzorg ligt hier een potentiële taak voor het nieuwe programma. Aansluiting op de arbeidsmarkt Het tweede punt is de gewenste versterking van de aansluiting op de arbeidsmarkt, gezien het hoge aantal NEET-jongeren. Dit is ook een belangrijk onderdeel van de nieuwe wet ‘van school naar duurzaam werk’ die medio 2025 van kracht wordt.

Voor kwetsbare jongeren uit pro, vso en Entree is er al een sluitende aanpak. Ook voor ándere jongeren, die het onderwijs verlaten met een startkwalif icatie maar desondanks kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt, is er in de regio een aanpak: de re-integratiepartners overleggen op het mbo over jongeren voor wie een ondersteuningsbehoef te voor toeleiding naar werk is geconstateerd. Dit kan echter nog worden geïntensiveerd, onder andere met een aangescherpte beschrijving van de werkwijze en de taken, rollen en verantwoordelijkheden. -

In de wet krijgen de mbo’s een verplichting tot nazorg voor deze groep. Resultaten uit eerder onderzoek laten zien dat deze nazorg vooral ef f ectief is als er een goede selectie is van de doelgroep. Hierbij kan het beste gebruik worden gemaakt van de kennis die (vaak impliciet) bij mentoren, docenten en ondersteuners aanwezig is. Dat betekent - zoals in ZK-IJ gebeurt - dat de nazorg start als de jongeren nog op school zitten, dan zijn zij immers nog in beeld. En, net als bij de sluitende aanpak voor jongeren uit pro, vso en Entree, is het van belang om hierin (nog intensiever) samen te werken met het Doorstroompunt en de re-integratiepartners van de gemeenten. Zij beschikken immers over instrumenten om de jongeren een passende plek te laten vinden op de arbeidsmarkt, zoals leerwerktrajecten, loonkostensubsidies, begeleiding op de werkvloer en/of jobhunting.

-

Van de gemeenten en de re-integratiepartners vraagt de gewenste versterking dat zij meer gaan inzetten op het vinden en ondersteunen van niet-uitkeringsgerechtigde jongeren, met name in IJmond. Een concreet verbeterpunt is het toegankelijk maken van gemeentelijke trajecten voor jongeren uit ándere gemeenten. Dit geldt voor de hele regio. Een convenant waarin dit wordt vastgelegd en waarin af spraken worden gemaakt over f inanciering kan daarbij een eerste stap zijn. Het programma kan een rol spelen door dit te initiëren en te voorf inancieren.

Effectmeting en verduurzaming in het programma Tot slot is in het programma aandacht nodig voor ef f ectmeting en verduurzaming van de ingezette interventies. Ef f ectmeting betekent concreet dat de maatregelen worden geëvalueerd met aandacht voor hoe groot de ef f ecten van de interventie zijn. Bijvoorbeeld: hoeveel jongeren zijn na af loop weer terug naar school, hebben een startkwalif icatie gehaald of zijn aan het werk? Dit zijn de bruto -ef f ecten. Het is belangrijk om ook een inschatting te maken van het netto-ef f ect. Dit is het extra ef f ect ten opzichte van

28

het zogeheten nulalternatief , het resultaat in de situatie zónder extra interventie. Met andere woorden: welk deel van de resultaten is ook daadwerkelijk toe te schrijven aan het project? Immers, ook zonder interventie was een deel van de jongeren weer naar school of aan het werk gegaan. Om dit te bepalen kunnen de resultaten van het project worden af gezet tegen bijvoorbeeld een groep vergelijkbare jongeren die géén interventie hadden (controlegroep), worden vergeleken met het verleden (toen er nog geen interventie was) of worden af gezet tegen kengetallen voor vergelijkbare groepen. Een andere optie is om (steekproef sgewijs) per jongere een inschatting te maken van het nulalternatief : wat zou er anders zijn gebeurd? Vaak is er weinig bekend over wat de ef f ecten zijn op de lange(re) termijn, omdat onbekend is waar jongeren na verloop van tijd zitten, terwijl dit wel relevant is om uitspraken te kunnen doen over de ef f ectiviteit. We adviseren dan ook om gezamenlijk (o nderwijs, doorstroompunt en Werk & Inkomen) te volgen wat de situatie is na verloop van tijd van de deelnemers aan de projecten uit het programma. Het programma is, zoals gezegd, vooral bedoeld om te initiëren, aan te jagen en tijdelijk extra te investeren. Het is dus een aanvulling op de reguliere middelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16299132/1