3 Bijlage 2 Verkennend onderzoek interieurs, Haarlemse Huizen vertellen verhalen
Tekst van het document
Haarlemse huizen vertellen verhalen
Zijlweg
Baan
Wagenweg
Oosterhoutlaan
Voorwoord
Voor u ligt de inventarisatie van historische Haarlemse interieurs die in 2022 en 2023 werd uitgevoerd in vier straten; de Wagenweg, de Zijlweg, de Baan en de Oosterhoutlaan. Dankzij uw enthousiaste medewerking en gastvrijheid hebben wij een prachtig overzicht in woord en vooral beeld kunnen maken van de rijkdom aan Haarlemse woonhuisinterieurs uit de periode 1875-1945. De hoeveelheid bijzondere interieurelementen was overweldigend: glas-in-loodramen, stucplafonds, decoratief tegelwerk en interieurbetimmeringen kwamen in talloze variaties voor. Elk bezocht huis is in dit verslag dan ook met minimaal één voorbeeld vertegenwoordigd. Na een korte historische inleiding over de vier straten, de architecten en de stijlkenmerken van de huizen, hebben wij naast het beeldmateriaal een aantal beknopte toelichtende teksten opgenomen over de interieurelementen die het meest voorkwamen: stucplafonds, glas-in-loodramen, houten betimmeringen en tegels. Wij hopen dat u geniet van dit verslag en dat u mede door de beelden en teksten uw bijzondere interieur met nog meer genoegen bewoont en koestert.
Vier Haarlemse straten
Vanaf 1850 beleefde Nederland een economische bloeiperiode. Door de industrialisatie en de inkomsten uit de kolonies verdienden ondernemers, bankiers en fabrikanten in de steden van Noord-Holland kapitalen. De rijk geworden families ontvluchtten de vervuilde en verpauperde binnenstad en lieten in de omgeving van Haarlem villa’s met prachtige interieurs en uitgestrekte tuinen bouwen in het duinlandschap. In het kielzog van deze nieuwe rijken ontstond in de laatste decennia van de negentiende eeuw een hogere middenklasse van notarissen, advocaten, directeuren en commissionairs van bedrijven. Ook zij konden zich nu een mooi gedecoreerd woonhuis met een tuin permitteren. Zij vestigden zich in de nieuw aangelegde straten die aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw aan de randen van het centrum van Haarlem werden aangelegd. Er verrezen vrijstaande villa’s met talloze interieurelementen die het huis tot een kunstwerk maakten. De meeste herenhuizen 3
werden echter in twee- of drietallen ontworpen en opgenomen in de gevelwand. Maar ook deze herenhuizen werden zonder uitzon dering voorzien van één of enkele bijzondere interieurelementen. De geïnventariseerde straten, de Zijlweg, de Wagenweg, de Baan en de Oosterhoutlaan, zijn alle vier voorbeelden van de laat negentiende-eeuwse stadsuitbreiding. De Zijlweg, de oost-west verbinding tussen Haarlem en Overveen, had van oudsher een bedrijfsmatige functie; er lagen weilanden aan weerszijden van de weg en er stonden molens, boerderijen en bedrijven. Na de stadsuitbreiding werd de Zijlweg een woongebied voor welgestelden en werden er vanaf 1880 zowel villa’s als herenhuizen gebouwd. Tegen Overveen aan, in het noorden, staan de grote onder architectuur gebouwde villa’s; na het spoorwegviaduct, staan naast een enkele villa, de herenhuizen in gesloten blokken richting het centrum van Haarlem. De Wagenweg, net ten zuiden van de binnenstad, werd vanaf 1850 ontwikkeld als één van de vroegste stadsuitbreidingen van Haarlem en de meeste huizen werden daar voor 1910 gebouwd. Naast een enkele nog bestaande buitenplaats, werden villa’s, maar voornamelijk herenhuizen en winkelhuizen ingebed in de oudere bebouwing. Een tiental jaren later, tussen 1872 en 1873 ontstonden tussen de Haarlemmerhout en de binnenstad de villabuurten Frederikspark en
Zoveel stijlen…
4
Florapark, bestemd voor de nieuwe welgestelden. De Baan, uitkijkend over het Frederikspark, bestaat uit een reeks met elkaar verbonden herenhuizen en maakt deel uit van deze nieuwe uitbreidingswijk. De Oosterhoutlaan ligt tussen de Haarlemmerhout en het Spaarne op de gronden van de buitenplaats Oosterhout. De buitenplaats werd met de bijbehorende gronden aan het eind van de 19e eeuw verkocht aan een exploitatiemaatschappij die er een villapark ontwikkelde. De eerste villa’s voor welgestelden verschenen vanaf 1901 aan de nieuwe Oosterhoutlaan.
Linksboven Console met vrouwen kopje in neorenaissance stijl Rechtsboven Stucplafond in neoLodewijkstijl Midden links Rijkversierde trappaal in art-decostijl Midden rechts Glas-in-loodraam met gestileerde bloem in art-nouveaustijl Linksonder Trappenhuis in Amsterdamse school stijl Rechtsonder Delfts blauw betegelde Zaanse smuiger
De villa’s en herenhuizen die tussen 1880 en 1945 in de uitbreidingswijken werden gebouwd, werden zowel qua exterieur als interieur in heel verschillende architectuurstijlen vormgegeven. Veel huizen en interieurs in de vier geïnventariseerde straten zijn eclectisch van stijl. Dit betekent dat niet alleen de gevels in verschillende stijlen vertonen, maar dat ook in de verschillende interieurs heel uiteenlopende ‘modes’ herkenbaar zijn. Met name in de laatste decennia van de negentiende eeuw waren de traditio-
Linksboven Trappenhuis met ramen en lichtkoepel in glas in lood
Rechtsboven In sjabloon geschilderd cassettenplafond in art-nouveaustijl
Rechts, derde van boven Glas-in-loodraam in grillige art-decostijl
Linksonder Houten ‘cosy corner’ bij open haard
Rechts, tweede van boven Glas-in-loodraam met gestileerde hyacint in art-decostijl
Rechtsonder Stenen schouw met maskerkop
nele interieurstijlen populair, zoals imitaties van de Lodewijkstijlen, geïnspireerd op de Franse kastelen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Dit is goed te zien in de uitbundige stucplafonds met bloemtrossen, vazen en guirlandes die in veel interieurs aan met name de Wagenweg en de Zijlweg voorkomen. Architecten en aannemers pasten ook veelvuldig de neorenaissancestijl, oftewel Oudhollandse architectuur, toe in de bouw van villa’s en herenhuizen. Natuurstenen banden of blokken in de gevels en tuit- en trapgevels refereerden aan de zeventiende-eeuwse grachtpanden. In het interieur zien we kamers met houten lambriseringen en -schouwen, soms prachtig versierd met kopjes van middeleeuwse figuren of karakters. Ook in het interieur van twee villa’s aan de Oosterhoutlaan vinden we een interieur geïnspireerd door het Hollandse 17e-eeuwse interieur met een grote Zaanse smuiger, bekleed met Delfts blauwe tegels in Oudhollandse voorstellingen. Rond 1900 kwamen de meer oorspronkelijke interieurstijlen op, zoals de Amsterdamse School, de Art Nouveau of Jugendstil en de uit Engeland overgewaaide Arts and Crafts. Villa’s en herenhuizen werden veelvuldig voorzien van erkers, torentjes, houten veranda’s en vakwerk, geïnspireerd door Engelse landhuizen en Zwitserse chalets.
In het interieur pasten architecten en aannemers decoratief houtsnijwerk toe, met name in de trappenhuizen waar rijkversierde trap palen en deurlijsten deze mode illustreren. In sommige villa’s en herenhuizen werd, net als in de Engelse landhuizen, een grote ‘hall’ als centrale ruimte vormgegeven en verschenen ingebouwde zitjes rond de open haard. Aan de Wagenweg vinden we een prachtig voorbeeld van een Engels geïnspireerd interieur, ontworpen in 1908 door de architect B. Hagen, die rond een centrale hal alle vertrekken plaatste. Aan de Oosterhoutlaan liggen drie geschakelde herenhuizen van architect J.B. van Loghem, met rijke door hem vormgegeven kamers met houten lambriseringen en houten zitjes, ‘cosy corners’, rondom de haard. Rond 1900 werd het interieur wat ingetogener, kwam uitbundig pleisterwerk op plafonds minder vaak voor en ook het glas in lood in
het interieur kreeg een eenvoudiger aanzien, met op de natuur geïnspireerde vloeiende vormen en patronen uit de Art Nouveau of juist sobere, geometrische Art Deco lijnen. Na 1900 kwamen nieuwe materialen voor het interieur in zwang, zoals geglazuurde tegels, die steeds vaker werden toegepast in keukens, portalen en gangen, op de vloer, als lambrisering en soms ook als afwerking voor schouwen. Een bijzonder mooi voorbeeld daarvan vonden we aan de Wagenweg waar een schouw, betegeld in verschillende kleuren en patronen, de blikvanger in de hal is! Heel bijzonder zijn de interieurs waarin de architect met behulp van een glazenier, of steenhouwer, het beroep van de opdrachtgever/bewoner in het interieur illustreert. Aan de Wagenweg inspireerde het beroep van de eigenaar, een bloembollenhandelaar, de Haarlemse architect J.B. van Loghem tot de vormgeving van gestileerde hyacinten en tulpen in glas-in-loodramen in dit luxe woonhuis. Aan de Baan verwerkte de eveneens Haarlemse architect J.A.G. van der Steur in de schouwen van een woonkamer Javaanse maskerkoppen te midden van vlammen. Deze decoratie lijkt te verwijzen naar de opdrachtgever die als marine kapitein naar onder meer Nederlands-Indië voer.
Zoveel architecten… Verreweg het grootste deel van de huizen en interieurs in de nieuwe straten van Haarlem werd ontworpen door de ruim veertig architecten, aannemers en bouwbedrijven die begin twintigste eeuw in Haarlem waren gevestigd. De meeste van hen zijn in de vergetelheid zijn geraakt. Van slechts een aantal architecten, aannemers en bouwkundigen (de termen werden willekeurig door elkaar gebruikt) die in de vier onderzochte straten werkzaam waren, is de naam wel overgele7
verd; sommigen van hen waren ook landelijk bekend en kregen opdrachten uit heel Nederland. J.B. van Loghem (1881-1940) is één van de Haarlemse architecten van naam die niet alleen in Haarlem en omgeving veel heeft gebouwd, maar ook in de rest van het land. In Haarlem is hij bekend door zijn ontwerp van woonwijken zoals Tuinwijk-Zuid en door zijn ontwerp van ongeveer twintig villa’s en herenhuizen in Haarlem en Heemstede. Hij liet zich vooral inspireren door Berlage, de Engelse landhuisbouw en de oude Hollandse bouwtradities en zette zich af tegen historiserende architectuur. In de vier geïnventariseerde straten staan meerdere villa’s met prachtige interieurs van zijn hand. Het huis voor de bloembollenhandelaar aan de Wagenweg en de drie geschakelde herenhuizen aan de Oosterhoutlaan noemden we al. Aan deze laan ontwierp hij bovendien een vrijstaande villa. Kenmerkend voor de interieurs die hij ontwierp voor de huizen aan de Oosterhoutlaan is het vele houtwerk dat hij toepaste. Naast de al eerder genoemde ‘cosy corners’, ontwierp Van Loghem ingebouwde houten kasten met vensterglas voor serviesgoed of de uitstalling van siervoorwerpen en mooi vormgegeven houten trapportalen. Ook de zwartwitte, geometrisch patronen zijn kenmerkend voor Van Loghems interieurs. J.
van den Ban (1860-1943) was eveneens een bekende Haarlemse architect die tussen 1890 en 1920 tientallen villa’s en herenhuizen, winkels, fabrieksgebouwen, kantoren, bankgebouwen in verschillende stijlen ontwierp in Haarlem en omgeving. Van den Ban ontwierp ten minste negen villa’s en herenhuizen aan de Zijlweg en enkele exemplaren aan de Wagenweg en de Oosterhoutlaan. De door hem ontworpen huizen kenmerken zich door een interieur in eclectische stijl, dat wil zeggen verschillende stijlkenmerken binnen één woonhuis. Aan de Oosterhoutlaan vinden we twee prachtige voorbeelden van deze eclectische stijl. Het interieur van twee zeer grote geschakelde, bijna identieke villa’s laat een mengeling van Art Nouveau en Art Deco elementen zien, die in verschillende vertrek8
ken zijn toegepast. Een stucornament in een plafond met zeer natuurgetrouwe kastanje bladeren en kastanje bloesem in vloeiende Art Nouveau stijl, wordt gecombineerd met een gestileerde tegellambrisering van blauwwitte bloemen in Art Deco stijl en gestileerde koperkleurige bloemfiguren in de schouwen. Aan de Zijlweg geven een tochtdeur in geëtst glas in neorenaissance stijl en een glasin-lood raam in geometrische Art Deco stijl ook een mooi beeld van de variëteit in stijlen die Van den Ban, al dan niet in overleg met de huiseigenaar, toepaste. Een andere Haarlemse architect van naam was J.A.G van der Steur (1865-1945), telg uit een gereputeerde Haarlemse architecten familie. Zijn bekendste werk is de Haarlemse Stadsschouwburg uit 1918, maar hij ontwierp ook een groot aantal villa’s in Haarlem, Bloemendaal en Aerdenhout. Soms deed hij dat in neorenaissance stijl, maar hij werkte voor namelijk in de Engelse landhuisstijl. Bepaalde interieurelementen zijn kenmerkend voor zijn werkwijze, zoals rondbogen in geglazuurde bakstenen, betimmerde trappenhuizen en zware deuren met smeedijzeren sierbeslag. Architect J. A. van Straaten (1862-1920) was rond 1900 ėėn van de vooraanstaande architecten van ons land. Van Straaten was in de leer geweest op het bureau van de beroemde P.J.H. Cuypers in Amsterdam en zou samen met Cuypers werken aan het ontwerp van Kasteel de Haar.
Zijn opdrachten varieerden van ontwerpen voor landhuizen en grachtenpanden tot winkels en opslagloodsen. Zijn bekendste ontwerp is dat van De Bijenkorf in Amsterdam. Naast meerdere herenhuizen in Haarlem-Zuid heeft hij ook aan de Ooster houtlaan een prachtige villa ontworpen in Engelse landhuisstijl met witgepleisterde gevels, hoog opgaande schoorstenen en overstekende dakkappen. In het interieur vinden we een robuust in donker hout uitgevoerd trappenhuis met op het bordes een zeer groot, lichtgekleurd glas-in-loodraam met een vlucht vliegende vogels in Art Nouveau stijl. Ook de rest van het huis is voorzien van een serie prachtig Art Nouveau glas-in-lood ramen.
De architect C. van der Leek ontwierp ruim 70 woningen in Haarlem, waarvan drie aan de Wagenweg, die ook in eclectisch stijl met zowel neorenaissance als Engelse landhuisstijl elementen. In het interieur van de drie panden aan de Wagenweg bevonden zich bijvoorbeeld een Engelse ‘hall’, een stook-nis en erkers met houten zitbanken. Ofschoon deze onderdelen zijn verdwenen, herinneren enkele glas-in-loodramen ons nog aan de vroegere rijkdom van het interieur. J. Stuyt (1868-1934) was een van de belangrijkste architecten van kerken in Nederland. Zijn belangrijkste bouwwerken in Haarlem en omstreken zijn het Seminarie Hageveld (1919) en het Raadhuis in Heemstede. We vinden ook woonwijken, scholen, villa’s en herenhuizen van zijn hand door heel Nederland. Stuyt bouwde bij voorkeur in neoromaanse en Byzantijnse stijl, zijn handelsmerk. We bezochten zes geschakelde herenhuizen die door hem zijn ontworpen aan de Zijlweg. Ofschoon typische neoromaanse en Byzantijnse kenmerken niet (meer) zijn terug te vinden in de interieurs, troffen we, naast stucplafonds, deurbeslag en glas-in-loodramen, in één van de huizen nog een prachtige betegelde keuken aan met originele keukenkastjes uit de bouwtijd.
kleurstelling. Ook ontwierp Groen een herenhuis op de hoek van de Wagenweg met in het interieur een monumentale houten schouw in neorenaissancestijl. De schouw heeft een reliëf van bloemenranken, kopjes en een wapenschild dat in een groot landhuis niet zou misstaan. Het is overigens zeker niet zo dat alleen de architecten van naam de meest rijk gedecoreerde interieurs ontwierpen. Anoniem gebleven bouwmeesters en aannemers ontwierpen in samenwerking met glasateliers, stucbedrijven, houtbewerkers en tegelfabrikanten de mooiste interieurelementen die in veel Haarlemse interieurs zijn overgeleverd. Hieronder volgen enkele beknopte paragrafen over de interieurelementen die het meest werden aangetroffen in de interieurs van de vier onderzochte straten: glas-in-lood, stucornamenten, wand- en vloertegels en interieur betimmeringen. Na elke paragraaf over een interieurelement volgt een center fold waarin een overzicht in beeld wordt gegeven van de interieurelementen.
Architect-aannemer A. Groen ontwierp aan de Wagenweg geschakelde herenhuizen met vakwerkgevels in Engelse landhuisstijl, voorzien van opvallende veranda’s met zuilen van groen geglazuurde baksteen. In het interieur van een van deze huizen vinden we nog prachtige geglazuurde tegels in art-nouveaustijl, met een decor van een bloemslinger in een groen, bruin en turquoise
Linksboven Stucplafond met kastanjebladeren in art-nouveaustijl
Links midden ‘Cosy corner’ met ingebouwde servieskast boven haard en bankje Linksonder Geëtst glas in tochtdeur in neo-Lodewijkstijl
Rechtsboven Rijkversierde trappaal in art-decostijl Rechtsonder Trappenhuis met glas-in-loodraam in art-nouveaustijl
10
Stucornamenten Stucornamenten aan plafonds en wanden werden in de zeventiende en achttiende eeuw handmatig of met gietmodellen gevormd en door gespecialiseerde stukadoors aangebracht. Eind negentiende eeuw en begin twintigste eeuw, toen stucornamenten mechanisch gefabriceerd konden worden, werd stucwerk in het interieur commercieel steeds interessanter en ook steeds populairder. Bedrijven specialiseerden zich in deze geprefabriceerde gipsen stucornamenten en boden die via catalogi aan. Een Haarlems bedrijf dat stucdecoraties fabriceerde is niet bekend. Een van de eerste bedrijven die vanaf 1850 in Nederland op grote schaal geprefabriceerde gipsornamenten aanbracht, was het Amsterdamse bedrijf Silberling & zoon. Het bedrijf leverde door het hele land en was vanaf 1905 aan de Haarlemmerweg gevestigd. Veel welgestelde Haarlemse herenhuiseigenaren zullen vrijwel zeker, al dan niet op advies van hun architect of aannemer, hun stucdecoraties voor plafonds en wanden hebben uitgezocht bij deze firma. De collectie losse catalogusbladen uit het modelboek had voor elk wat wils. De stijlen varieerden van traditioneel stucwerk in uitbundige Franse neo-Lodewijkstijlen, tot moderne, zwierige Art Nouveau decoraties en rechthoekige, simpele Art Deco elementen.
In een aantal van de geïnventariseerde interieurs vinden we nu nog steeds de plafonds met stucornamenten die voorkomen in de grote Silberling catalogus. Met name aan de Wagenweg en de Zijlweg werd in verschillende herenhuizen voor Art Nouveau plafonds uit de Silberling catalogus gekozen met zeer natuurgetrouwe reliëfs van kastanje bladeren, irissen en rozentrossen. Oorspronkelijk waren de stucornamenten voorzien van een kleurrijke beschildering, vaak in lichtgroene-, roze- en gele kleurstellingen, die het reliëf van de decoratie benadrukten. Deze kleurstellingen zijn in de afgelopen decennia bijna zonder uitzondering verdwenen toen de stucplafonds wit werden geschilderd, onder invloed van de mode voor lichte, moderne interieurs. Er zijn in Haarlem slechts enkele stucplafonds bekend die aan de witkwast zijn ontsnapt; ook tijdens de inventarisatie vonden we aan de Zijlweg een plafond in neorenaissancestijl dat zijn oorspronkelijke kleurstelling heeft behouden. De volgende pagina’s geven een overzicht van de rijkdom en diversiteit van het stucwerk dat in de Haarlemse woonhuizen werd aangetroffen.
11
Glas in lood en geëtst glas Glas in lood had haar bloeitijd in de Middeleeuwen toen het veelvuldig in kerken werd toegepast. Rond 1800 had het zijn populariteit verloren en werd het nauwelijks meer gemaakt. Eind negentiende eeuw werd glas in lood in het interieur weer populair onder invloed van de neogotische stijl die in de nieuwe katholieke kerken werd toegepast en de neorenaissance stijl, die teruggrijpt op de beroemde zeventiende-eeuwse Hollandse interieurs met glas-in-loodramen. Glas in lood werd aangebracht in bovenlichten, tochtdeuren, serres, schuifdeuren van kamers en suite en in lichtkoepels. De filtering van het licht gaf kleur en sfeer aan het interieur, wat in plaats van zware gordijnen een hygiënische manier was om het interieur aan te kleden. Vaak werd het glas in lood verder gedetailleerd ingevuld en verfijnd met gebrandschilderde decoraties, die aan de binnenzijde van het glas in lood werden aangebracht om te voorkomen dat regen ze zou aantasten. Er ontstonden gespecialiseerde glas ateliers, zoals de beroemde glasfabriek J.J.B.J. de Bouvy in Dordrecht en ’t Prinsen hof in Delft, die zich richtten op de beglazing van de woonhuisinterieurs voor welgestelden. Eind negentiende eeuw ontwierpen deze ateliers glas in lood in neorenaissance stijl, met afbeeldingen van zeilschepen en ambachten.
Soms zijn glas-in-loodramen heel persoonlijk en werden op verzoek van de huiseigenaar familiewapens of de geboortedata van kinderen in het glas verwerkt. Aan de Oosterhoutlaan vonden we in een villa uit 1903 prachtige ronde glas-in-loodramen met een signatuur van de glas firma Bouvy. Na 1900 werd het glas in lood, geïnspireerd door de Art Nouveau, moderner met natuurvoorstellingen in vloeiende lijnen. Een heel mooi voorbeeld van een dergelijk raam vinden we eveneens aan de Oosterhoutlaan. Rond 1915 kwamen daar de Art Deco en de Amsterdamse School bij met glas in lood met geo metrische vormen in secundaire kleurstellingen zoals paars, groen en oranje. Glas in lood en geëtst glas werd ook toen al seriematig geproduceerd, in modelboeken aan de man gebracht en in bijna elk woonhuis toegepast. De keus voor bepaalde kleuren en decoraties zal door een architect of opdrachtgever uit modelboeken, of op basis van verschillende voorbeeldtekeningen, zijn gemaakt. Na 1930 verdwijnt het glas in lood en geëtste glas al vrij snel helemaal uit het interieur.
Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw waren er in Haarlem ruim tien glas ateliers gevestigd die naast glas in lood ook geëtst glas maakten. Een aantal huizen aan de Wagenweg en de Zijlweg hebben nog prachtige voorbeelden in het interieur van dit geëtste glas. Het glas werd meestal in tochtdeuren toegepast en vaak in neo-Lode wijkstijlen, met guirlandes en vazen gevuld met bloemen en fruit. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we aan de Zijlweg. Eén van de oudste glasbedrijven in Haarlem, is het bekende Haarlemse glasatelier van Willem Bogtman dat vanaf 1912 tot 2004 in bedrijf was. Tijdens de inventarisatie werd een prachtig voorbeeld van gesigneerd glas in lood uit het Bogtman atelier aangetroffen in een villa aan de Oosterhoutlaan, waar de ramen in grillige art-decostijl in bruin, zwart en oranje kleurstelling zijn vormgegeven. Niet iedere Haarlemmer in goeden doen gaf een stadsgenoot opdracht glas-in-lood te maken voor het nieuw te betrekken huis. Op een hoek aan de Wagenweg namen de eigenaren rond 1906 de landelijk bekende Amsterdamse glasfirma Le Nobel in de arm. Le Nobel ontwierp voor een herenhuis op de hoek van de Wagenweg een schitterende serie glas-in-loodramen in bovenlichten van deuren en ramen, in uitbundige kleuren met afbeeldingen van natuurgetrouwe en zeer gedetailleerde vogelafbeeldingen.
Aangezien glas vanwege zijn kwetsbaarheid regelmatig door opvolgende bewoners werd vervangen, is het lastig om vast te stellen of het geëtste glas of het glas-in-lood dat in de interieurs werd gevonden, uit de bouwtijd dateert of door latere bewoners is aangebracht. Ook naar de herkomst van het meeste glas in lood dat geïnventariseerd werd moeten we vaak raden. Glas in lood werd meestal niet voorzien van een firmanaam of signatuur en kan door een glas atelier, een kunstenaar of de architect zelf zijn ontworpen. Soms duiken, als verrassing voor de bewoners, ontwerptekeningen van glas-in-loodramen in bedrijfsarchieven van architecten of in de bouwdossiers bij de gemeente op. Het hele bedrijfsarchief van Bogtman bijvoorbeeld is bewaard gebleven, inclusief model- en inventaris boeken, en te vinden bij het Noord-Hollands Archief. De volgende pagina’s geven een overzicht van de rijkdom en diversiteit van het glas in lood dat in de Haarlemse woonhuizen werd gevonden.
18
Interieurbetimmeringen Houtbetimmeringen zijn een veelvoor komend onderdeel van het interieur in de periode 1880-1945. Betimmeringen bleven bijna altijd onbeschilderd en het onbewerkte hout werd toegepast voor wanden (lambrisering), op deuren, binnenkozijnen, trappen en trappalen, buffet-en opbergkasten, bankjes, zitjes en schouwen. Een prachtig voorbeeld van een houten trappenhuis met trappalen en balusters vonden we aan de Oosterhoutlaan; zelfs de traploper uit de bouwtijd vervult nog altijd zijn functie! Ook aan de Wagenweg werd in een dubbele villa een prachtig houten trappenhuis in combinatie met tegelwerk aangetroffen. Al vanaf de zestiende eeuw werden Nederlandse interieurs afgewerkt met houten lambriseringen om muren te beschermen tegen vocht en vuil. Ook hielden lambriseringen warmteverlies door de muren tegen en deelden en-suite deuren de woonkamers in tweeën, waardoor deze efficiënt en onafhankelijk van elkaar konden worden verwarmd. Door gebruik te maken van rijke, tropische houtsoorten, gecombineerd met stoffen wandbespanning en versieringen in reliëf, werd het interieur niet alleen beschermd maar ook verfraaid door de houten afwerking. Ook in de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw werd in de villa’s en rijkere herenhuizen nog veel aandacht besteed aan betimmeringen.
Men vond de ambachtelijke en chique uitstraling geschikt voor met name woonkamers en de betimmering werd passend gemaakt bij de meubels en de stoffering van de kamers. Twee prachtige voorbeelden van een woonkamer met lambrisering in neorenaissance stijl met kopjes van middeleeuwse figuren in reliëf, troffen we tijdens de inventarisatie aan in twee villa’s aan de Zijlweg en de Wagenweg. Wanneer het budget van de opdrachtgever te klein was voor duur tropisch hout, gebruikten architecten en aannemers vaak simpel grenen of kersenhout dat ‘gehout’ werd. Bestreken met een bruine lakverf en bewerkt met een speciale kam door de natte laag die de fijne nerfstructuur van het tropisch hout imiteerde, leek het net alsof het nieuwe herenhuis was afgewerkt met duur mahonie- of teakhout. Een prachtig voorbeeld van een dergelijke ‘gehout’ interieur bevindt zich aan de Zijlweg, waar alle deuren
23
en trappen in het huis aan het begin van de twintigste eeuw werden gelakt en met de kam bewerkt. Er waren in Nederland aan het eind van de negentiende eeuw verschillende grote gespecialiseerde meubelmakerijen en timmerfabrieken die het hele land bedienden met machinaal vervaardigd houtwerk en ingebouwde meubels voor het interieur. Deze bedrijven, zoals de fabrieken en Horrix en Mutters uit Den Haag en de firma H. Pander & Zonen in Amsterdam, kregen grote opdrachten waarbij hele blokken herenhuizen werden voorzien van houten lambriseringen, deuren en trappenhuizen. Naast deze grote firma’s waren er in de steden, zo ook in Haarlem, meerdere timmerbedrijven en meubelateliers die vooral handwerk maakten. Verder leverde zeker een 15-tal aannemers, machinaal timmerwerk. Sommige aannemers zoals bijvoorbeeld de firma G. Metselaar en De Paus, opgericht in 1913, brachten hun timmer- en meubelwerkzaamheden al vrij snel onder in een apart bedrijf met een toonkamer aan de Herensingel. In de Gierstraat was vanaf 1921 de firma A.M. Randoe gevestigd, die meubilair voor de nieuwe gebouwde herenhuizen en villa’s ontwierp en ook moderne houten meubels ontworpen door architecten van naam, vervaardigde. Meubelatelier Van Zutphen aan de Ridderstraat maakte vanaf 1924 betimmeringen en houten meubilair, onder meer de meubels die Van Loghem speciaal ontwierp voor zijn Haarlemse villa’s en herenhuizen.
Het grote woninginrichtingsbedrijf Het Oosten aan de Barteljorisstraat leverde eveneens betimmeringen en ingebouwde ameublementen voor de huizen van de gegoede Haarlemse burgerij. Voor wat betreft de herkomst van het houtwerk in het interieur geeft, heel soms, een naamplaatje, firmastempel, signatuur op het houtwerk uitsluitsel over de herkomst van het houtwerk. Maar bij verreweg de meeste betimmeringen tasten we in het duister over de naam van de ontwerper. Na 1945 verdwenen, onder invloed van het moderne, Nieuwe Bouwen, de vaste kamerbetimmeringen uit het interieur. Dat er nog veel bewaard is gebleven in de Haarlemse interieurs tonen de volgende pagina’s die een overzicht geven van de rijkdom en diversiteit van de houtbetimmeringen in de woonhuizen.
Wand- en vloertegels Wand- en vloertegels worden al eeuwen in Nederlandse interieurs toegepast, voornamelijk in de keuken en in schouwen waar witte en blauwwitte Delftse tegels werden gebruikt. In de late negentiende eeuw en in het begin van de twintigste eeuw wordt de toepassing van de tegel in het woonhuis steeds populairder. Architecten en sierkunstenaars maakten gebruik van tegels om het woonhuis te decoreren en af te werken. Door hun slijtvastheid en gladde oppervlak waren tegels ideaal om vanuit hygiënisch oogpunt te gebruiken als afwerking in ruimtes die gauw vuil of vochtig zijn, zoals keukens, bijkeukens, serres, vestibules, gangen en badkamers. In woonvertrekken vond men tegels minder chique en gebruikte men liever hout, stuc of behang. Door technologische vernieuwingen in de productiemethoden werd de variëteit in tegelvormen en -decoraties steeds groter. Tegels werden, voornamelijk fabrieksmatig, geproduceerd door de landen om ons heen; Nederlandse tegelhandels importeerden deze vervolgens en verkochten ze hier in het land. Pas aan het einde van de negentiende eeuw ging Nederland ook zelf tegels produceren; op grote schaal, maar ook in kleinere ambachtelijke ateliers. De bekendste fabrieken waren Rozenburg in Den Haag, de Porceleyne Fles in Delft en Holland in Utrecht.
Voor wat betreft de stijlontwikkeling gingen tegels gelijk op met de interieurmodes tussen 1880 en 1945. Fabrieken produceerden Delfts blauwe tegels op traditionele wijze, voorzien van oudhollandse motieven, maar maakten ook technisch vernieuwende tegels met speciale glazuur en kleur-effecten, voor bijvoorbeeld tegels met florale art-nouveau- en geometrische art-decomotieven.
In Haarlem waren aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw acht bedrijven in bouwmaterialen gevestigd waar architecten, aannemers en huiseigenaren tegels konden uitzoeken. Sinds 1932 was er één gespecialiseerde tegelhandel in Haarlem, de firma Kol, die overigens nog steeds bestaat. Op de volgende pagina’s vindt u een overzicht van de rijkdom en diversiteit van de tegels die in de Haarlemse woonhuizen zijn aangetroffen. In het bijzonder moeten nog even de bijzondere cloisonné tegels worden genoemd, geglazuurde tegels waarop in reliëf prachtige decoraties worden aangebracht.
Hoewel tegels begin twintigste eeuw uit de handelscatalogi konden worden uitgekozen, waren er ook altijd sierkunstenaars en architecten die zelf tegellambriseringen of tegelvloeren ontwierpen voor het interieur. Ook sommige tegelhandelaren tekenden zelf ontwerpen voor vloeren, schouwen en lambriseringen, zoals de bekende Amsterdamse tegelfirma van A.A.M Heystee. Haarlemse architecten en aannemers zullen hun tegels vaak betrokken hebben bij deze grote landelijke firma’s. Een blik aan de onderkant van een loszittende oude tegel in de gang of keuken geeft soms prijs van welke fabriek de tegel afkomstig is
29
En nog veel meer… Wij vonden, naast al het moois dat hierboven werd beschreven en afgebeeld, nog talloze andere, bijzondere interieurelementen. Bijna te veel om op te noemen, maar hier volgt een kleine greep. Stenen uiltjes verwerkt in de schouw. Porseleinen fonteintjes in de gangen van de herenhuizen. Oude deurbellen, vaak nog prima functionerend. Een met kurk betimmerde kamer in Oosterse stijl, leren lambriseringen met goudverf gedecoreerd. Prachtig hang- en sluitwerk aan de vensters, verfijnde handgrepen aan tochten suitedeuren. Hardstenen schouwen met allerlei kleine verschillen in decoraties. Een prachtige wandbetimmering met een geïntegreerde klok. Marmeren gangen, stenen keldertrappen en houten parketvloeren in bestorven kleuren. En nog veel meer…
35
Nawoord De rijkdom van de overgeleverde historische interieurelementen in deze vier straten heeft onze verwachtingen overtroffen en hopelijk gaat toekomstig historisch interieur onderzoek in Haarlem nog veel meer mooie vondsten opleveren. Beste bewoners van de Baan, Oosterhoutlaan, Wagenweg en Zijlweg, nogmaals hartelijk dank voor uw medewerking aan dit mooie onderzoek!
41
Bronnen
Colofon
Bogtman bedrijfsarchief, Noord Hollands Archief (NHA), Haarlem, toegang nrs. 1138 en 1703.
Haarlem, 2025 Auteur: Esther de Haan (Erfgoed Noord-Holland) In opdracht van: Gemeente Haarlem
Bulte, M., Bosch en Vaart, van Heemsteedse buitenlaats naar Haarlems stadskwartier, Haarlem 1992. Bulte M., e.a, Van oude nijverheid tot nieuwe Zakelijkheid, Geschiedenis van de belangrijkste zelfstandige ondernemingen die zich in Haarlem vestigden, Haarlem 1998 Bosch en Vaart 1901-2001, Amsterdam 2001. Eggink, R., J.B.Van Loghem, architect van een optimistische generatie, Rotterdam 2022. Haan, de E., ‘Inleiding’, in Laan B., De Haan E., Westra A., Interieurportretten van stadshuizen en villa’s 1875-1945, Zuid-Kennemerland, Amsterdam 2017. Koldewey E. (red.), Stuc, Kunst en Techniek, Zwolle 2010. Kranenburgh Cahiers, Kunstnijverheid in de stijl van de Amsterdamse School en art deco uit de ateliers van de familie Bogtman, Bergen 1999. Pot, Anne-Marie, Haarlem 1920-1940, architecten en interieur, (scriptie Leiden 1993), NHA inv. nr. 5911. Westra A., ‘Bouwmaterialen’: in Laan B., Koldewey E., Krabbe C P.(red.), Wonen in een monumentaal huis, Amsterdam 2012.
Fotografie interieurs: Esther de Haan © fotografie interieurs: Gemeente Haarlem Uitgever: Gemeente Haarlem © Esther de Haan, Gemeente Haarlem Ontwerp: Philip Stroomberg (Stroomberg) Productie: Jos Morree Fine Books Lithografie: Wilco Art Books Druk: Impressed Foto pagina 1 De Zijlweg, 1920 Noord-Hollands Archief, beeldcollectie van de gemeente Haarlem (invnr.1100_53772) Foto pagina 2 De Wagenweg, 1912 Noord-Hollands Archief, collectie Lou Braakman (invnr. 1094_2767) Foto pagina 43 De Baan, ca. 1900 Noord-Hollands Archief, collectie Lou Braakman (invnr. 1094_2193) Foto pagina 44 De Oosterhoutlaan, 1909 Noord-Hollands Archief, beeldcollectie van de gemeente Heemstede (invnr. 1097_520)
42
Het uitbreidingsplan door stadsbouwmeester L.C. Dumont, 1905, Beeldcollectie Gemeente Haarlem, Beeldbank Noord-Hollands Archief