3 Bijlage 2 Reactie van het college op de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport
Tekst van het document
Bijlage 2: Reactie van het college op de aanbevelingen uit het onderzoek In het onderzoeksrapport worden zes aanbevelingen gegeven. Deze aanbevelingen zijn hieronder overgenomen (cursief) en elk van een reactie voorzien. In algemene zin staat het college positief ten opzichte van deregulering (het streven naar minder regels) en reregulering (het eenvoudiger maken van regels, zonder daarmee in te boeten op de onderliggende ambitie). Tegelijkertijd moet deregulering geen doel op zich zijn; we hebben als stad ambitieuze doelen en moeten behoedzaam omgaan met de kwaliteit die we hebben. Regelstelling is daarbij een belangrijk instrument voor de gemeente. Deregulering en reregulering moeten bijdragen aan het efficiënter of eenvoudiger mogelijk maken van de behouden en behalen van de ambities en de doelen, zonder daar inhoudelijk iets aan af te doen. We staan daarom als college voor een optimale verhouding tussen vergunnen, melden en handhaven. 1. Gefaseerde Deregulering: Begin met een gedetailleerd overzicht van de verwachte veranderingen door de Omgevingswet en de Wkb. Evalueer kritisch de tarieven, tijdsbestedingen en regels, vooral voor kleinere bouwwerken. Pas de uurbestedingen aan nadat de regelgeving is verbeterd. Dit zorgt ervoor dat de deregulering effectief kan worden geïmplementeerd zonder onnodige belasting voor de gemeente en burgers.
Reactie van het college: De gemeente werkt al een aantal jaren aan de voorbereiding en implementatie van de Omgevingswet en de Wkb. Na de eerste ervaringen is in september gestart met een onderzoek wat nog nodig is voor de (verdere) implementatie van de Omgevingswet binnen de gemeente Haarlem. Hieruit volgt welke maatregelen nog moeten worden getroffen om het werkproces zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. In Q1-2 van 2025 wordt de huidige legesverordening en de daarin opgenomen tijdsbestedingen onderzocht. Enerzijds om de verordening en de achterliggende legestool te versimpelen, anderzijds om meer grip te krijgen op de cijfers. Dit onderzoek én het 213a onderzoek geven inzicht in de tijdsbesteding en daarmee ook op welke thema’s deregulering en reregulerling het meest doelmatig is.
2. Kleine Activiteiten: Start de deregulering bij kleinere activiteiten zoals kapvergunningen, handelsreclame en voorwerpen op en aan de weg. Richt je op het vereenvoudigen en stroomlijnen van beleidsregels en procedures in deze gebieden. Dit kan leiden tot een snellere afhandeling en vermindering van administratieve lasten voor zowel de gemeente als de aanvragers. Reactie van het college: Voor deze relatief kleine aanvragen kan eenvoudig worden gedereguleerd of gerereguleerd. In een aantal gevallen (zie bijlage 3) is derhalve een de/reregulering voorzien in 2025. Tegelijkertijd is de tijdswinst die deregulering voor kleine activiteiten oplevert in veel gevallen slechts beperkt. Omdat het opstellen en vaststellen van nieuwe regels tijd kost, moet zorgvuldig worden afgewogen of deregulering wel doelmatig is. In het geval het wijzigingsproces significant meer tijd kost dan de tijdwinst die het oplevert voor de uitvoering, geniet het de voorkeur pas te dereguleren op het moment dat de regels ook inhoudelijk moeten worden aangepast. 3. Bouwactiviteiten: Dereguleer bouwactiviteiten gefaseerd binnen het kader van een omgevingsplan. Dit houdt in dat je stapsgewijs de regels en procedures rond bouwvergunningen aanpast om efficiëntie te verhogen, zonder de kwaliteit van de
controle te compromitteren. Zorg voor goede communicatie en voorbereiding bij de implementatie van deze wijzigingen. Reactie van het college: Door gefaseerd te dereguleren en te starten met de activiteiten waar deregulering de meeste impact heeft, kan snel effect worden gesorteerd. Deregulering betekent niet per definitie dat meer is toegestaan. Ook het inperken van maatwerkmogelijkheden is een vorm van deregulering. Door te kiezen voor heldere, duidelijke en eenduidige regels, passend bij actuele (technische) ontwikkelingen, is het voor initiatiefnemers eerder duidelijk wat is toegestaan. Dit resulteert in minder weigeringsbesluiten (en daaropvolgend bezwaarprocedures). Als voor initiatiefnemers al op voorhand duidelijk is wat is toegestaan, zullen zij ook eerder geneigd zijn de aanvraag aan te passen aan hetgeen past binnen het beleid. De voorliggende Nota Dak is hierbij een goed voorbeeld (zie bijlage 3). Volledigheidshalve merken wij nog op dat het dereguleren niet hoeft in te houden dat er minder werk of minder procedures volgen. Regels zonder reden komen zelden voor, veelal zijn deze ingesteld om een belang te dienen, bijvoorbeeld de bescherming van het belang van omwonenden. 4. Registratie Handhaving: Voer een gedetailleerde nulmeting uit voor handhavingszaken en registreer deze nauwkeurig.
Maak duidelijke afspraken over wat als handhaving wordt beschouwd en analyseer zowel toezicht als handhaving integraal. Dit helpt om een compleet beeld te krijgen van de handhavingsactiviteiten en om toekomstige processen beter te beheren. Reactie van het college: Voordat een formeel handhavingstraject wordt opgestart, wordt door toezichthouders eerst geprobeerd een overtreding in goed overleg te (laten) beëindigen. Pas als een gesprek niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt een formeel traject opgestart. Alleen handhavingszaken waar een procedure voor is gestart, worden geregistreerd. Uiteraard is het mogelijk om ook al in een eerder stadium handhavingszaken vast te leggen. Dit kost echter veel extra tijd: eerst moet het zaaksysteem waarmee VTH werkt anders worden ingericht en daaropvolgend wordt de administratieve last voor toezichthouders flink verzwaard. Daarnaast is het niet mogelijk om de preventieve werking die uitgaat van het ‘aanwezig zijn in de stad’ uit te drukken in cijfers. Veel effect wordt gesorteerd door zichtbaar te zijn als toezichthouders en met enige regelmaat het gesprek te voeren met uitvoerders en ontwikkelaars. Dit leidt niet direct tot harde handhavingscijfers, maar zorgt er wel voor dat ontwikkelaars worden herinnerd aan het feit dat zij zich moeten houden aan regels en vergunningen.
Het college ziet daarom geen meerwaarde in het nader registeren van handhavingszaken; de tijd die toezichthouders kwijt zijn aan deze extra administratieve last gaat immers ten koste van de daadwerkelijke toezichttaak.
5. Regelmatige Evaluaties: Voer periodieke evaluaties uit van het regellandschap en de werkprocessen binnen de VTH-afdeling. Monitor de effectiviteit van deregulering en procesoptimalisatie en stuur bij waar nodig. Dit zorgt ervoor dat wijzigingen continu worden aangepast aan de behoeften en dat de efficiëntie blijft verbeteren. Reactie van het college: De afdeling VTH voert al jaarlijks een wettelijk verplichte evaluatie uit op de uitgevoerde taken en de voortgang op de in het beleidsplan VTH vastgelegde doelstellingen. In het VTH-Beleidsplan 2024-2028 wordt beschreven dat VTH meer in het centrum van het fysieke domein moet komen te staan. De periodieke evaluatie van deregulering kan daarom worden meegenomen in de jaarlijkse evaluatie die VTH uitvoert. Naast het beleidsplan van VTH, voert de afdeling VTH breed het beleid binnen het fysieke domein uit. Ondanks zorgvuldige besluitvorming kan het voorkomen dat in de uitvoering blijkt dat regels multi-interpretabel zijn of dat een nadere toelichting wenselijk c.q. noodzakelijk blijkt. Ook komt het voor dat bestaande vergunningplichten door bijvoorbeeld nieuwe werkprocessen niet meer noodzakelijk zijn. Idealiter worden deze (veelal kleine) wijzigingen zo spoedig mogelijk verwerkt, omdat hiermee de beleidscyclus zoals beschreven in het VTHbeleidsplan 2024-2028 wordt gesloten.
Door actief tijd en ruimte beschikbaar te stellen voor dergelijke wijzigingen, kan bestaand beleid telkens wanneer dit nodig blijkt worden gedereguleerd en gerereguleerd. Zo wordt deregulering geen eenmalige opschoon-actie, maar een vast onderdeel van het beleidsproces In het beleids- en uitvoeringsplan VTH wordt een paragraaf hierover toegevoegd.
6. Betrokkenheid Belanghebbenden: Betrek inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden actief bij het dereguleringproces door inspraakrondes en enquêtes. Gebruik hun feedback om procedures klantgerichter en praktischer te maken. Dit bevordert acceptatie en zorgt ervoor dat de veranderingen aansluiten bij de behoeften van de gemeenschap. Reactie van het college: In de door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid (29 februari 2024) en de bijbehorende verordening is aangegeven op welke wijze participatie bij verschillende onderwerpen moet worden ingericht. Het verantwoordelijk bestuursorgaan stelt bij de start van elke participatieprocedure vast op welke manier de burgerparticipatie wordt toegepast (art 3.1 van de verordening). Het college geeft dus al uitvoering aan deze aanbeveling.