CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Bijlage 2 Programma van eisen voor de leefomgeving FvA

commissie Ontwikkeling 4 december 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: 22.25 uur Programma van Eisen voor de Leefomgeving Floris van Adrichemlaan (FR)25.434 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Huidige ligging gasleiding hoge druk Huidige ligging PWN waterleiding Huidige ligging waterleiding Huidige ligging riolering Voorstel ligging PVWN waterleiding Trace busbaan/fietspad

strategy x design

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 3. Stedenbouwkundig schetsontwerp

32

3.8 Bezonningsstudie Voor de vernieuwde voorzieningenstrook langs de Floris van Adrichemlaan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd om in kaart te brengen wat het effect van de nieuwe bebouwing is op de omgeving. Ook is te zien wat het effect van nieuwe bebouwing is op de openbare ruimte in het plan. Voor het bezonningsonderzoek zijn twee maatgevende momenten gebruikt (21 maart en 21 juni).

21 maart - 9:00

21 maart - 12:00

21 maart - 15:00

21 maart - 18:00

21 juni - 9:00

21 juni - 12:00

21 juni - 15:00

21 juni - 18:00

Te zien is dat de nieuwe bebouwing vrijwel geen effect heeft op de omliggende woningen. Dit komt door de ruimte maat die het profiel van de Semmelweisstraat krijgt, waarbij de nieuwe bebouwing zo’n 24 meter van de bestaande woningen ten zuiden komt te staan. Het park zorgt voor een grote afstand tussen nieuwe bebouwing en tegenoverliggende flatgebouwen ten noorden. Daarnaast zorgt de nieuwe bebouwing voor weinig schaduwwerking op het park door de maximale hoogte van vier bouwlagen.

strategy x design

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 3. Stedenbouwkundig schetsontwerp

33

4. Randvoorwaarden, eisen en wensen 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de beleidskaders uit hoofdstuk 2 en de ontwerpuitgangspunten uit hoofdstuk 3 vertaald naar randvoorwaarden, eisen en wensen, die gelden voor alle fysieke ontwikkelingen binnen het projectgebied Floris van Adrichemlaan. In de geest van de Omgevingswet worden deze kaders integraal en vooraf voorgelegd aan initiatiefnemer en ontwerper, zodat duidelijk is waaraan de gemeente plannen toetst.

4.1.1 Leeswijzer

De kaders in dit hoofdstuk zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: • Omgevingswet en -visie • Stedenbouwkundige opzet • Programma • Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten • Milieu- en omgevingsaspecten • Mobiliteit • Openbare ruimte • Gebouwen • Slotbepalingen Op allerlei vlakken overlappen bovenstaande thema’s elkaar. Een onderwerp als duurzaamheid raakt bijvoor­ beeld aan de inrichting van de openbare ruim­te, maar ook aan de gebouwontwerpen en mobiliteit. Daarom moet dit hoofdstuk altijd helemaal doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één onderwerp.

strategy x design

Paragraaf 6.5 geeft het overzicht van de ontwerp­ producten en onderzoeken die per fase van het Haarlems ruimtelijk planproces (HRPP) aangeleverd moeten worden. Dit is nodig om efficiënt tot een goedgekeurd ontwerp en omgevingsvergunning te komen.

4.1.2 Randvoorwaarden, eisen en wensen

In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen. Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschaps­ verordening van Rijnland), waaraan de gemeente zich

Let op: dit hoofdstuk behandelt alleen de hoofd­ lijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan voor een locatie. Bij de vergunningsaanvraag moet de ontwikkelende partij altijd controleren of er ook voldaan wordt aan de kaders die niet in dit hoofdstuk staan. Ook moet de ontwikkelende partij altijd control­ eren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn bij het indienen van de vergunnings­ aanvraag. Een vergunnings­ aanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving. Zie ook paragraaf 4.10 Slot­bepalingen.

moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden.

Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeer­ normen) en het stedenbouwkundig ontwerp (o.a. kwaliteitseisen aan maaiveld- en gebouwontwerpen). Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijk­ waardige oplossing voor gevonden wordt of wanneer het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen. Wensen zijn ambities van de gemeente waar het ­project bij voorkeur aan voldoet, maar die niet af­­dwing­ baar zijn. De gemeente zal de ontwikkelende partijen ­vragen invulling te geven aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.

4.2 Omgevingswet en -visie Fysieke ontwikkelingen in het projectgebied moeten voldoen aan de Omgevingswet en invulling geven aan de zes strategische keuzes uit de Haarlemse ­Omgevingsvisie.

4.2.1 Omgevingswet

De rijksoverheid wil met de Omgevingswet bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

34

leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een e ­ venwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Randvoorwaarden 1. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. 2. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. 3. Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waarop de ontwikkeling van invloed kan zijn.

4.2.2 Omgevingsvisie

Voor de herontwikkeling van het projectgebied Floris van Adrichemlaan, zijn de zes strategische keuzes uit de Omgevingsvisie vertaald naar zes ruimtelijk-­ programmatische uitgangspunten. In hoofdstuk 2 is uitgelegd wat deze keuzes betekenen voor de ontwikkeling. De gebouwontwerpen moeten hier samen met de herinrichting van de openbare ruimte invulling aan geven. Eis 1. De ontwerpen voor de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte dragen naar rato bij aan de realisatie van de zes ruimtelijk-­programmatische uitgangspunten voor het projectgebied Floris van Adrichemlaan. Deze zijn in paragraaf 2.3 uiteengezet.

strategy x design

4.3 Stedenbouwkundige opzet

voldoende onderwijscapaciteit voor de wijk.

Het stedenbouwkundig schetsontwerp (zie hoofdstuk 3) laat op hoofdlijnen zien hoe het plangebied wordt heringericht en waar het beoogde programma wordt gepositioneerd. Na vaststelling van dit PvEL wordt het schetsontwerp verder uitgewerkt tot een definitief stedenbouwkundig plan (DO SP), waarin het te ontwikkelen programma, rooilijnen, et cetera, worden vastgelegd.

Eisen 1. Het onderwijsprogramma wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 2.4 en in positionering volgens het ruimtelijk ontwerp in paragraaf 3.4. 2. Uitgangspunt is dat er sprake is van een compacte en gelaagde bouw van 2 à 3 bouwlagen. Binnen de stedenbouwkundige kaders dient voldoende ontwerpruimte te zijn voor het ontwikkelen van een toekomstgericht en toekomstbestendig IKC. 3. Het IKC wordt ontworpen en beheerd voor medegebruik, zodat andere sociaal-maatschappelijke activiteiten er ook gebruik van kunnen maken in de avonduren en weekenden. In eerste instantie denken we hierbij aan functies en voorzieningen die bijdragen aan het concept van het IKC, dan wel het concept van het IKC versterken. 4. Leerlingen van het IKC maken voor het bewegings­ onderwijs gebruik van de sportvoorzieningen in de tegenovergelegen nieuw te bouwen sporthal. 5. De buitenruimtes voor buitenspelen en parkeren van fietsen zijn integraal onderdeel van het gebouw­ ontwerp. 6. De buitenruimtes zijn na schooltijd, in de avonden en weekenden openbaar toegankelijk voor kinderen uit de buurt. Bij de inrichting van de buitenruimte moet rekening worden gehouden met de eisen die gelden voor kinderopvang (afgeschermde buitenruimte).

Ook wat betreft de buitenruimte voor het onderwijs geldt dat deze veilig dient te zijn en indien nodig door natuurlijke barrières afgeschermd dient te worden van de openbare ruimte.

Eis 1. Afwijken van de opzet van het stedenbouwkundig schetsontwerp is mogelijk, mits dit volgens het ambtelijk regieteam en de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK) niet leidt tot een te grote ruimtelijk-programmatische verslechtering van de beoogde ontwikkeling. Zie ook paragraaf 6.6 Kwaliteitsborging.

4.4 Programma Deze paragraaf geeft de kaders voor het voorzieningen- en woonprogramma in het plangebied, onderverdeeld in: 1. Onderwijs 2. Welzijn en sport 3. Overige voorzieningen 4. Wonen

4.4.1 Onderwijs

Zoals in hoofdstuk 2 uitgelegd en in hoofdstuk 3 verbeeld, komt in het plangebied één IKC met basisonderwijs voor ongeveer 400 leerlingen, kinderdagopvang en buitenschoolse opvang. Samen met het zuidelijk gelegen IKC Valeo (ook 400 leerlingen en kinderopvang) is dit

Wensen 1. De buitenruimte wordt grotendeels ingericht als

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

35

groen schoolplein. De aangrenzende parkruimte leent zich daarnaast goed voor bewegen en spelen, ook voor de kinderen van het IKC. 2. Het IKC ligt grotendeels in een autovrije parkzone. Ouders worden door het schoolbestuur gestimuleerd hun kinderen niet met de auto, maar lopend of met de fiets naar school te brengen.

4.4.2 Welzijn en Sport

Zoals in hoofdstuk 2 is uitgelegd en in hoofdstuk 3 verbeeld wordt het wijkcentrum De Grote Ringvaart vervangen door een Huis van de Wijk gecombineerd met een sporthal. Zo ontstaat dubbelgebruik van voorzieningen en vindt kruisbestuiving plaats tussen voorzieningen en doelgroepen. Op het aangrenzende wijkplein en -park is ruimte voor sporten, spelen en wijkactiviteiten. Eisen gebouw 1. Het programma voor het gecombineerde Huis van de Wijk en sporthal wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 2.4 en in positionering volgens het ruimtelijk o ­ ntwerp in paragraaf 3.4. 2. Sport- en maatschappelijke verenigingen en organi­ saties maken in de avonden en weekenden gebruik van de sporthal. Doordeweeks overdag gebruiken scholen, senioren en overige sportaanbieders de hal. 3. Het combigebouw stimuleert dubbelgebruik en kruisbestuiving tussen maatschappelijke organisaties en sport- en zorgaanbieders. 4. Het sportgebouw wordt geëxploiteerd en (facilitair) beheerd door SRO. Het Huis van de Wijk door Buurts. Zij maken afspraken over afbakening en taakverdeling van beheer en onderhoud. 5. Er is een horecagedeelte/kantine op de begane

strategy x design

grond voor sporters en bezoekers. 6. De programmatische en bouwtechnische eisen worden uitgewerkt in een separaat programma van eisen. Eisen openbare ruimte 1. Het wijkplein en -park sluit aan op be­­­staan­­de en nieuwe fiets-, (hard-)loop- en wandelroutes vanuit de omliggende buurten en richting het buiten­ gebied. 2. Het programma voor sport-, spelen- en andere wijkactiviteiten wordt in samenspraak met de wijkbewoners uitgewerkt in een separaat programma van eisen. 3. Sportveldjes worden zo ver mogelijk van de busbaan geplaatst. Alleen ballenvangers plaatsen als dit vanwege veiligheid noodzakelijk is. Zie ook beeld­ kwaliteitscriteria in paragraaf 5.2. Wensen 1. Er is een buitenruimte die betrokken kan worden bij het gebouw, zodat het gebouw een toegankelijke uitstraling krijgt. 2. Samenwerking op programmering en horeca t­ ussen welzijnsorganisatie, sport en zorg is noodzakelijk voor het succes van dit gebouw. 3. Een ruimte voor een sportfysio benadrukt het onderscheidende karakter van het gebouw ten opzichte van het nabijgelegen Hof van Jacob.

4.4.3 Overige voorzieningen

Zoals in hoofdstuk 3 is aangeven, biedt het plangebied niet alleen ruimte aan een IKC en Huis van de Wijk met een sporthal, maar ook aan andere voorziening­ en. Welke precies is nu nog niet duidelijk. Er is ruimte voor commerciële dienstverlening, maar voor winkels en horeca is deze beperkt. Negatieve gevolgen voor de

hoofdwinkelstructuur en horeca in het nabijgelegen Centrum Schalkwijk is ongewenst. Eisen 1. Het overige voorzieningenprogramma wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 2.4 en in positionering volgens het ruimtelijk ontwerp in paragraaf 3.4. 2. Commerciële voorzieningen zijn gericht op specifieke behoeften van de inwoners van Boerhaavewijk. 3. Voorzieningen versterken het wijkcentrum. 4. De toe te voegen ruimte voor detailhandel en horeca is beperkt en heeft geen negatieve gevolgen voor de hoofdwinkelstructuur en horeca in Centrum Schalkwijk, zie bijlage 6.

4.4.4 Wonen

Zoals in hoofdstuk 2 en 3 is aangeven, biedt het plan­gebied kans een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het tekort aan (betaalbare) woningen. Vanwege de nabijheid van voorzieningen en de ligging aan het park, biedt het plan ruimte voor nieuwe woonconcepten en huisvesting van diverse doelgroepen. Voor de eisen m.b.t. maximaal aantal woningen in één woongebouw en op één hoofdentree, zie paragraaf 4.9.4. Eisen 1. Het woonprogramma wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 2.4 en in positionering volgens het ruimtelijk ontwerp in paragraaf 3.4. 2. De woningen voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de geactualiseerde Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering. Deze vereisten (spelregels) behelzen o.a. prijsgrenzen, onderverdeling 40% sociaal, 40% midden, 20% vrij,

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

36

minimale oppervlakten, doelgroepen, toewijzing, ­ ­ uur­­­verhoging, exploitatieperiode, zelfbewoning, h antispeculatie, verkrijgen van lichte zorg en toeganke­lijkheid. 3. Het woningaanbod is gericht op diversiteit aan inkomensgroepen, woonproducten en woonmilieus. 4. Het aanbod is hoofdzakelijk gericht op huisvesting van kleinere huishoudens (waaronder starters en ouderen), volgens de Woonvisie. 5. In overleg met de corporaties wordt de haalbaarheid onderzocht om in het aandeel sociale huurwoningen niet de vereiste minimale m2 te realiseren maar juist wat grotere (driekamer) woningen, zodat ook ruimte geboden wordt aan woningen voor (kleine) gezinnen gezien de nabijheid van de voorzieningen). 6. De sociale huurwoningen worden afgenomen door één van de in Haarlem actieve woningcorporaties en dit wordt vastgelegd in anterieure overeenkomsten. De corporaties worden vroegtijdig bij de planvorming betrokken. 7. Sociale huurwoningen komen in een eigen gebouw met eigen hoofdtoegang. 8. Bij het ontwerp van complexen en woningen wordt nadrukkelijk en aantoonbaar rekening gehouden met (de organisatie van) toekomstig beheer. 9. In het plangebied dient minimaal een plek voor een wooncoöperatie/collectief te komen. Wensen 1.

De wooncoöperatie/collectief biedt huisvesting voor een diverse groep bewoners, die met elkaar en voor elkaar kunnen en willen zorgen en een gemeenschap willen vormen. 2. De plintwoningen aan de noordkant zorgen voor ogen op het park. Deze zijn geschikt voor onder andere senioren, starters en mogelijk (kleine)

strategy x design

gezinnen. 3. Gezien de maatschappelijke functies in het gebied, is het toevoegen van atelierwoningen in nabijheid een gewenste aanvulling. 4. Binnen het midden- en hogere segment hebben koopwoningen de voorkeur.

4.5 Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders voor de ontwikkelingen in het projectgebied op de volgende aspecten: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Bodemenergie 6. Circulariteit 7. Gezondheid

4.5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). Het knippen van de Floris van Adrichemlaan biedt de kans een wijkpark aan te leggen centraal in Boerhaavewijk, met waterpartijen en verbindingen naar de Amerikavaart en het buitengebied. Doelstelling is het vergroten van de biodiversiteit en het maken van natuurlijke leefomgevingen voor gebiedseigen flora en fauna. En het versterken van de ecologische verbindings­zone van oost naar west door Schalkwijk. Bijlage 9 geeft de Quickscan flora en fauna. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld volgens de Omgevingswet, in

het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quick-scan ecolo­gie, plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Hierbij hoort ook een inventarisatie van ‘invasieve exoten’ – oprukkende soorten die hier niet van nature voorkomen. Algemene eisen 1. Bij werkzaamheden die invloed hebben op flora en fauna werken we volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. 2. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Brons’: a. Voor grootschalige projecten (oppervlakte ≥ 2000m² en maximale hoogte ≥ 30m) betekent dit het aanleggen van een natuurlijke leefomgeving voor ten minste 3 van de 5 soortencategorieën.* b. Per soortcategorie wordt aangegeven welke maatregelen worden genomen voor het realiseren van een hoogwaardige habitat, ­ waarbij wordt ingegaan op de samenhang tussen de 5 V’s: voedsel, veiligheid, voortplantings­ *De soortencategorieën zijn onderverdeeld in vijf hoofdgroepen: 1. boomgebonden soorten, 2. struweelgebonden, 3. bloemrijk graslandgebonden, 4. water- en oeversgebonden, ­­ 5. gebouwgebonden. De kaart op bladzijde 30 van hoofdstuk 3 laat zien waar welke natuurlijke leefomgeving voor de verschillende categorieën moet komen.

Zo wordt geborgd dat op de juiste locatie de juiste maatregelen worden getroffen.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

37

mogelijkheden, variatie en verbinding. c. De 3-30-300 beleidsregel wordt toegepast: 3 bomen zijn zichtbaar vanuit elke woning, 30% van de openbare ruimte is groen en binnen 300m van elke woning is een openbare groenvoorziening zoals een park. 3. De te nemen maatregelen moeten voldoen aan de volgende zaken: a. Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebieds­ eigen en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten. b. Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling dat ten minste 80% van de b ­ eplanting in het plangebied inheems dient te zijn. 4. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: a. Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. b. Op deskundige wijze worden uitgevoerd. c. In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. d. Zijn goedgekeurd door de gemeente. Eisen gebouwen 1. Per gebouw realiseren van een hoogwaardig habitat voor de volgende drie soortcategorieën: gebouwbewonend, struweel-gebonden, bloemrijk grasland-gebonden. 2. Platte en licht hellende daken worden als natuur­ ­dak* uitgevoerd. Voor de eisen met betrekking tot pakketdikten, zie paragraaf 4.9.8. 3. Gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, verblijfplaatsen, etc.) en waar mogelijk voorzien van gevelgroen, zie paragraaf 4.9.8.

strategy x design

Eisen openbare ruimte 1. De hoofdbomenstructuur wordt versterkt. 2. De groenblauwe structuren worden versterkt (met nestkasten niet-gebouwbewonende soorten, vergroenen bermen, hagen, planten, ecologische wadi’s, natuurvriendelijke oevers, groeiplaatsen bomen verbeteren etc.). 3. Realiseren en/of versterken ecologische verbindingen (faunapassages etc.). 4. Groenvakken worden zonder barrières op het maai­ veld aangelegd. 5. Verontreiniging en verrijking van grond wordt voorkomen en aanvullende grond is humusarm. 6. Langs de natuurverbindingen worden hoektrapjes voor amfibieën geplaatst in de putten. 7. Ten minste 80% van de beplanting in Natuur Netwerk Haarlem (NNH), in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems. 8. De waterpartijen krijgen natuurvriendelijke (en kindveilige) oevers. 9. Barrières in het NNH worden verholpen door de aanleg van faunapassages. Deze zijn nodig onder de Professor Eijkmanlaan. Dit geldt ook voor de Louis Pasteurbrug, die aansluit op de Floris van Adrichemgracht.

* Een natuurdak is een dak bedekt met inheemse vegetatie, indien mogelijk aangevuld met nest-, rust- en schuilvoorzieningen voor insecten en andere dieren. Naast het bevorderen van de biodiversiteit heeft het ook andere voordelen zoals het vertraagd afvoeren van regenwater, en het verbeteren van de levensduur van de dak­­bedekking. Een natuurdak kan goed gecombineerd worden met de plaatsing van

Wensen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Zilver/ Goud’: a. Hoogwaardige habitat voor meer soorten­ categorieën dan geëist bij niveau ‘Brons’. b. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in het plangebied ingericht met meer dan 30% biodivers en hoogwaardig groen (boomkroonoppervlak telt mee). c. Speelplekken worden gecombineerd met groen.

4.5.2 Bomen

Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom behouden we monumentale en waardevolle gezonde bomen en voegen we bomen toe in de openbare ruimte en op privaat terrein. Bomen worden zo geplaatst dat ze optimaal kunnen groeien. De focus ligt op kwaliteit, niet op kwantiteit. Voor bestaande en nieuwe bomen gelden verschillende eisen. Bestaande bomen Eisen met betrekking tot bestaande monumentale, waardevolle en gezonde bomen staan beschreven in de Bomenverordening van Haarlem. Let hierbij op dat gezonde bomen van 50 jaar en ouder ook als waardevolle bomen behandeld dienen te worden. Zie bomenkaart op blz. 29 van hoofdstuk 3. Eisen 1. Als onderdeel van het ontwerp openbare ruimte dient waar nodig een nadere bomeninventarisatie uitgevoerd te worden. Hierbij moet worden geïnventariseerd wat de leeftijdsverwachting, gezondheid, beheerbaarheid, kroonprojectie en

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

38

eventuele verplantbaarheid is. Dit wordt gekoppeld aan een i-Tree-waardebepaling, waarin we een waarde aan ons kapitaal en geleverde ecosysteemdiensten kunnen koppelen en of compenseren. 50% na opleve­r­ing en 100% binnen 10 jaar. 2. Te behouden bomen: bestaande wortel­ ruimte volgens kroonprojectie blijft onaangetast en groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig. 3. Kapvergunningen aanvragen volgens de Bomenverordening. Nieuwe bomen Naast bestaande bomen die verplaatst kunnen worden, zullen veel nieuwe bomen in het plangebied geplant worden (zie bomenkaart op blz. 29). Dit wordt uitge­ werkt in het ontwerp openbare ­ruimte. Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaats­inrichting voor nieuwe bomen: zie HIOR, par. 7.2.4. Randvoorwaarde 1. Waterschapsverordening Rijnland, voor plantafstand voor nieuwe bomen ten opzichte van watergang ten behoeve van goed beheer en onderhoud van de oever. Dit is afhankelijk van de het type oever. Eisen 1. Bomenverordening, herplant van de te kappen bomen een-op-een vervangen. 2. Voldoende maat in het profiel voor bestaande en nieuwe boomstructuren. 3. Soortkeuze baseren op minimaal 50% inheemse bomen in de openbare ruimte. 4. Plantafstanden en soortkeuze, boven- en ondergrondse groeiplaats en groeiplaatsinrichting: ­vol­gens HIOR en de Keur. 5. Bij planvorming een ruimtereservering in acht

strategy x design

nemen voor het behouden van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde. Rekening houden met het eindbeeld van de boom. Wensen 1. Diversiteit aan boomsoorten aanplanten, minstens 3 per straat, maar streef naar 5 soorten evenredig verdeeld. 2. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met i-Tree. Berekenen met 50% van de baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100% van de verloren baten terug.

4.5.3 Water en klimaatadaptatie

De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. Ontwikkellocaties in de zone moeten in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst. Randvoorwaarden 1. Volgens de Waterschapsverordening dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen een straal van 5km van het ontwikkelingsgebied (en binnen hetzelfde peilgebied). 2. Volgens de Waterschapsverordening gelden voor een ontwikkellocatie waarbij meer dan 5.000m² wordt verhard de volgende kaders: a. Er moet worden aangetoond dat het gebied waarin de ontwikkeling ligt een bui van 90mm in een etmaal kan bergen. b. Hevige neerslag (1/100 jaar, 70mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen.

c. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. Eisen 1. Volgens het Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte: a. De ontwikkeling vindt plaats volgens een grondwaterneutraal ontwerp. Hiervoor moet worden onderzocht wat de effecten zijn op de mogelijk aanwezige grondwaterstromen. Dit vereist een geohydrologisch onderzoek, dat aantoont dat de ontwikkeling grondwaterneutraal is. b. De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. c. De inrichting van de locatie is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwater­ beschikbaarheid tijdens droogte. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. d. Er dienen maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 2. Volgens het Plan Stedelijk Water moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: a.

Er is tenminste 40% schaduw voor langzaam­ verkeerroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

39

b. Koele plekken (minimaal 200m²) zijn op loop­ afstand (maximaal 300m) aanwezig. c. Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het plangebied en gebouwen zelf te verminderen. d. Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimtes in de directe omgeving. 3. Volgens de Hemelwaterverordening gelden de volgende kaders: a. Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m²). b. Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. 4. Volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen, niveau ‘Brons’, dient afhankelijk van de plaats­elijke overstromingskans en optredende waterdiepte ingezet te worden op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slacht­ offers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen.

Welke eisen gelden voor het plangebied is dus afhankelijk van de overstromings­ kans en diepte. Wat de overstromings­ kans per waterdiepte is, is te vinden in de Klimaateffectatlas. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte bestaat inhoudelijke overlap en/of samenhang. In overleg met Hoogheemraad-

strategy x design

schap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan boven­ staande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase van HRPP aangeleverd te worden: 1. Berekening areaal verhardingscompensatie. 2. Waterbergingsberekening volgens de rekentool van Hoogheemraadschap Rijnland. 3. Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatform Klimaatadaptatie.

4.5.4 Energie

In het plangebied zetten we in op een lage energie­ vraag, duurzame energieopwekking en lokale warmte met als doel (ten minste) energieneutraliteit. De eis is om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen (CTB) te halen. De ambitie is echter om netbewuste en/of passieve bouw te realiseren dat aansluit bij niveau Zilver of hoger. Hiermee krijgt de gebruiker lagere energielasten en wordt het elektrici­ teits­net minder belast. Analyse en afstemming over de impact op de netcapaciteit is een vereist in verband met netcongestie. Randvoorwaarde 1. BENG-eisen uit het BBL-paragraaf 4.4.1 Energiezuinigheid. De BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) worden uiterlijk vanaf 2030 omgezet naar ENG (Energie Neutrale Gebouwen). Eisen 1. Voor de energievoorziening van de woningen geldt

op basis van niveau 'Brons' CTB-Energie: a. De maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling van grondgebonden/ gestapelde woningen is < 55/65 kWh/m2/jaar conform de BENG-eis uit het BBL. b. Het maximaal primair fossiel energiegebruik van grondgebonden/ gestapelde woningen is 0/35 kWh/m2/jaar. c. Het minimaal aandeel hernieuwbare energie van grondgebonden/ gestapelde woningen is > 100/60%. 2. Analyse en afstemming over de impact op de net­ capaciteit met stakeholders. 3. De toepassing van conventionele verwarmings- of koelinstallaties, zoals lucht-water-warmtepompen, elektrische boilers, conventionele koelmachines en gasverbranders, zijn niet toegestaan. 4. De gebouwen worden in principe aangesloten op een collectief warmtesysteem. Het warmtebedrijf is de eerstaangewezen partij om deze voorziening te realiseren. 5. Duurzame energieopwekking wordt in samenhang met groen, natuur en waterberging uitgewerkt en geïntegreerd in het architectonisch ontwerp, zie paragraaf 4.9.8. 6. Het installatieplan is onderdeel van het goed te keuren voorlopig en definitief ontwerp van de gebouwen, zie paragraaf 6.6. 7. Ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, warmtehubs e.d. worden met een zodanige overmaat ontworpen dat de openbare ruimte ook in de toekomst gevrij­ waard blijft van trafo’s en andere facilitaire bouwwerken, zie ook paragraaf 4.9.7. 8.

Voor kozijnen in zuid- en westgevels buitenzonwering standaard toepassen en integreren in gebouwontwerp. Voor beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 5.4.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

40

Wensen 1. Er dient onderzocht te worden hoe de warmte­ voorziening aansluit op het warmtenet Schalkwijk. 2. De ambitie is om netbewuste en/of passieve bouw te realiseren dat aansluit bij niveau ‘Zilver’ of hoger uit het CTB-Energie: a. Maximale energiebehoefte: < 52,5/60 kWh/m2/ jaar per grondgebonden/ gestapelde woning. b. Maximaal primair fossiel energiegebruik: < 0/17,5 kWh/m2/jaar per woning. c. Minimaal aandeel hernieuwbare energie: > 125/80% per woning. 3. Er liggen kansen voor een Slim Energienet (Smart GRID) i.c.m. energieopslag waarmee energie wordt bespaard, opgeslagen, netcongestie wordt tegengegaan en energie slim wordt ingezet voor duurzame installaties en laden van elektrische vervoersmiddelen.

4.5.5 Bodemenergie

Een bodemenergiesysteem maakt voor de verwarming en koeling van gebouwen gebruik van de warmte en koude in de bodem. De organisatorische – en daarmee samenhangende technische keuze voor type bodem­ energiesysteem maakt geen onderdeel uit van dit PvEL. Het is aan het warmtebedrijf om met de beste warmte­ oplossing te komen. Randvoorwaarden 1. De aanleg en het gebruik van zowel open als gesloten bodemenergiesystemen is onder de Omgevingswet een Aangewezen milieubelastende activiteit. 2. Onder de Omgevingswet gelden algemene rijks­ regels voor open en gesloten systemen. Het aanleggen of gebruiken van zowel een open als gesloten systeem in de Voorzieningenstrook Floris van Adrichemlaan is vergunningplichtig.

strategy x design

3. Ook de lozingen die horen bij de aanleg en het ­gebruik van bodemenergiesystemen, zijn onderdeel van deze milieubelastende activiteit (artikel 2.3 Bal). Eis 1. Bij aanleg van een bodemenergiesysteem moet voldaan worden aan de volgende verordening en beleidsregel: a. Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem. b. Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden.

4.5.6 Circulariteit

Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circu­laire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Met het Actieprogramma Circulaire Economie kiest Haarlem voor het niveau ‘Zilver’ bij circulair bouwen uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen (CTB). Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score, materiaalgebonden CO2-uitstoot), de herkomst van materialen en de losmaakbaarheid van de bouwmethodiek is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Daarnaast heeft Haarlem zich verbonden aan het Convenant Houtbouw om constructieve toepassing van hout op te schalen. Randvoorwaarde 1. MPG-score van 0,8 €/m²/bvo. Eisen 1. Voor de materiaalgebonden milieu-impact van de woningen geldt o.b.v. niveau zilver CTB circulariteit: a. De MPG-score van grondgebonden/ gestapelde woningen ≤ 0,4/0,45 €/m² bvo. b. De materiaalgebonden CO2-uitstoot van grondgebonden/ gestapelde woningen

≤ 126/139 kg CO2-eq/m2 bvo (conform Rekenprotocol Paris Proof Embodied Carbon) 2. Voor de materialisatie van de woningen geldt op basis van niveau 'Zilver' CTB-Circulariteit en Convenant Houtbouw (CH): a. Het massapercentage van alle grondgebonden/ gestapelde woningen is ≥ 45/40% hernieuwbaar, hergebruikt of gerecycled. b. Het volume van de draagconstructie (exclusief fundering) - van minimaal 20% van het aantal woningen - dient voor grondgebonden/ gestapelde woningen ≥ 80/65% van hout (biobased) te zijn (conform definities uit het CH). 3. Voor de bouwmethodiek van de woningen geldt o.b.v. niveau 'Zilver' CTB-Circulariteit: Het percentage losmaakbaarheid (conform meetmethodiek Circular Buildings 2.0) voor grondgebonden/ gestapelde woningen is ≥ 75/70%. 4. Gebouwen worden opgenomen in materialen­ paspoort (Madaster), een demontage­­plan wordt opgesteld. Dit om in de toekomst de materialen te kunnen hergebruiken. 5. Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt/gefaciliteerd, zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wensen 1. Toepassing van (zichtbare) biobased materialen. 2. Groenafval wordt zoveel mogelijk binnen het gebied gecomposteerd en hergebruikt. 3.

Faciliteren op kavel dat bewoners hun afval kunnen scheiden – glas, papier, plastic, textiel, GFE (groente fruit en etensresten) en grijs (rest) – zodat we het gescheiden afval kunnen inzamelen via de ondergrondse afvalcontainers in de openbare ruimte. 4. Pilot inzet voedselvermalers GFE en perscontainers bij rest en plastic.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

41

4.5.6 Gezondheid

Nieuwbouw houdt expliciet rekening met gezondheid door eisen aan ventilatie, geluidsbelasting, lucht­ kwaliteit en hittestress. Voor het thema Gezondheid uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen hanteren we het niveau ‘Brons’. Eisen 1. Voor thema Gezondheid minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. 2. De jaargemiddelde PM2,5 (fijnstof) concentratie moet in alle woningen (in microgram / m3) zo laag mogelijk en de afvoercapaciteit van de kook­ afzuiging zo hoog mogelijk zijn. 3. Bij iedere woning dienen minimaal > 90% van de toe­­gepaste materialen vrij van giftige materialen (conform List C2C banned materials) te zijn.

4.6 Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevings­ aspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden voor een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevings­ kwaliteit. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. Stikstof 2. Bezonning 3. Geluid 4. Luchtkwaliteit 5. Bodemkwaliteit 6. Archeologie

4.6.1 Stikstof

Met een stikstofdepositieberekening (AERIUS) is onderzocht of dit PvEL voldoet aan de Omgevingswet, zie bijlage 11.

strategy x design

Conclusie Uit een inventarisatie met AERIUS Calculator blijkt dat op deze locatie een maximale stikstofemissie mogelijk is van 100 kg NOx/jaar en 4 kg NH3/jaar, zonder relevante depositiebijdrage ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (toename ≤ 0,00 mol N/ha/jaar). Omdat de totale berekende stikstofemissie voor de gehele bouwfase van het plan ca. 400 kg NOx bedraagt, dient derhalve voor een inpasbare situatie te worden uitgegaan van een bouwperiode van minimaal vier jaar. Hieruit volgt een bouwfase met een stikstofemissie van ca. 100 kg NOx/jaar en ca. 4 kg NH3/jaar (gedurende vier jaar). Hierbij zal geen sprake zijn van een relevante depositiebijdrage vanwege de bouwfase van het plan ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (toename ≤ 0,00 mol N/ ha/jaar).

4.6.2 Bezonning

Het stedenbouwkundig schetsontwerp is geanalyseerd op schaduwwerking met een bezonningsstudie, zie paragraaf 3.8. Uitgangspunt bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en de bouwblokken is dat eventuele aanpassingen aan de volumes niet leiden tot een significante verslechtering van de bezonning van de openbare ruimte en gebouwen in en om het plangebied. Eisen 1. De uit te werken bouwvolumes leiden niet tot een significante verslechtering van de bezonning van de openbare ruimte en gebouwen in en om het plangebied ten opzichte van het stedenbouw­kundig schets­ontwerp, zie bezonningsstudie in paragraaf 3.8. 2. Er moet minimaal worden voldaan aan de ‘lichte’ TNO-norm.

4.6.3 Geluid

Haarlem kiest voor het beperken van geluidshinder van wegverkeer en bedrijvigheid ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Uit het oriënterend akoestisch onderzoek (bijlage 12) komt naar voren dat bij de bebouwing in de nabijheid van scholen en de brandweerkazerne, rekening gehouden moet worden met geluidshinder. Er moet hierbij voldaan worden aan de geluidsnormen, zodat een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Geluidsbronnen die wettelijk zijn uitgezonderd van toetsing (zoals stemgeluid spelende kinderen bij scholen en geluid van de sirene bij uitrukken van brandweerwagens) dient in het kader van ETFAL wel inzichtelijk te worden gemaakt. Bij overschrijding van de standaardwaarde is de Beleidsregel hogere waarden van toepassing. In het oriënterend akoestisch onderzoek is geen rekening gehouden met woningbouw in het blok op enkele meters ten westen van de bestaande brandweerkazerne. Er dient vanuit te worden gegaan dat de brandweerkazerne eerst moet worden verplaatst voordat deze woningen kunnen worden gebouwd. Randvoorwaarde 1. Er moet een akoestisch onderzoek worden uitge­ voerd op basis van de Omgevingswet. Eisen ontwerpproces 1. Op basis van het schetsontwerp gebouwen wordt een oriënterend akoestisch onderzoek uitgevoerd. 2.

Voor gebouwen bij plekken waar veel activi­teiten plaatsvinden (bijvoorbeeld speeltuin, schoolplein of brandweerkazerne), moet in het akoestisch onderzoek aandacht worden besteed aan het beperken van geluid­overlast van deze activiteiten op bestaande en nieuwe woningen.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

42

Eisen kwaliteitsniveau 1. Bij overschrijding van de standaardwaarde geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): a. Een woning dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. b. Wanneer het geluid bij woningen meer dan 5dB hoger is dan de standaardwaarde, dan moet per woning ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen. c. Iedere woning heeft ter plaatse van de gevel zo min mogelijk geluid. Het verkeerslawaai gemiddelde per etmaal komt in elk geval niet boven de grenswaarde van 70 dB uit. d. Voor woningen in de nabijheid van basisscholen geldt een streefwaarde van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van stemgeluid van spelende kinderen van 50 dB(A) in de dagperiode. In de praktijk wordt deze waarde vaak overschreden. In dat geval geldt een inspanningsverplichting om dit geluid zo veel mogelijk te beperken tot ten hoogste 55 dB(A) in de dagperiode. Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in deze volgorde: 1. Geluidreducerende maatregelen.

Denk aan loggia-voorzieningen als alternatief voor een geluids­ luwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen.

strategy x design

2. Alternatieve maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving (genoemd in bijlage 14). Denk aan extra groen rond de woning als aanvulling op de geluidreducerende maatregelen.

4.6.4 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. Aan de huidige Rijksomgevingswaarden wordt overal in het plangebied voldaan (o.a. voor fijnstof en stikstofdioxide). Naar verwachting is dit ook het geval voor de aangescherpte Rijksomgevingswaarden die per 2030 ingaan. Ook beneden deze waarden zijn gezondheids­ effecten voor kwetsbare of gevoelige groepen niet uitgesloten. Daarom werkt Haarlem samen met andere overheden en het Rijk aan een verdere, permanente verbetering van de luchtkwaliteit in het Schone Lucht Akkoord, waarin een groot aantal maatregelen staan vermeld. Waaronder maatregelen om de (blootstelling aan) uitstoot van onder meer mobiliteit, bouw­ apparatuur en houtstook tegen te gaan. Eisen 1. Om plaatselijke blootstelling aan houtrook tegen te gaan, worden in nieuwbouwwoningen geen rookgaskanalen voor houtstook aangebracht en geen houtstookinstallaties aangebracht. 2. Tussen gevoelige functies * in eerstelijnsbebouwing en drukke binnenstedelijke wegen (verkeers­ intensiteit >10.000 motorvoertuigen per etmaal) dient 25m afstand aangehouden te worden. Dit is van toepassing op de Professor Eijckmanlaan. Wensen 1. Woningen kunnen ook gevoelige personen huisvesten en zijn daarmee in principe ook een gevoelige bestemming. Vanwege het belang van voldoende

huisvestingsmogelijkheden in onze compacte stad gelden de afstandscriteria hier echter als wens. Bij afwijking hiervan moet wel gemotiveerd worden welke mogelijkheden wel en niet worden toegepast om blootstelling te verlagen en/of toename van het aantal belaste gevoelige personen te voorkomen. 2. Tot de mogelijkheden om de blootstelling binnens­ huis of het aantal blootgestelden te verlagen behoren in elk geval: a. Aanpassing van de doelgroep of functie van een gebouw (bijvoorbeeld meer starterwoningen en minder ouderen in de eerstelijnsbebouwing). b. Gevoelige functies of doelgroepen binnen het gebouw op grotere afstand van de weg plaatsen, bij voorkeur aan de andere kant ten opzichte van de weg (gebouw is een effectief scherm). c. Woningentrees en aanzuiging luchtverversing aan de afzijdige kant van gebouw ten opzichte van de weg. d. Speelplaatsen aan de afzijdige kant van het gebouw. e. Hogere verdiepingen voor gevoelige functies of groepen (ook hoogte draagt bij aan de afstand). * Gevoelige functies zijn in elk geval: basis­ scholen, kinderopvang (kinderdagverblijven, crèches, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang), woonzorgcentra voor ouderen. Voor deze functies gelden de afstandscriteria als eis.

Hiervan kan, na inwinning van een GGD-advies, gemotiveerd worden afgeweken als de vereiste afstand redelijkerwijs niet mogelijk is, en (redelijkerwijs) mogelijke maatregelen worden getroffen om de blootstelling binnenshuis te verlagen (zie ook onder wensen).

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

43

3. Vanuit een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (natuur, luchtkwaliteit en klimaat) en vanuit het Schone Lucht Akkoord heeft Haarlem het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen onder­ tekend en streeft naar een zoveel mogelijk toepassen van emissiearme- en emissievrije oplossingen in bouw- en onderhoudsprocessen, ook als de stikstofregels voor een project daar niet toe dwingen.

4.6.5 Bodemkwaliteit

Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Een belangrijk uitgangspunt is dat nieuwe verontreinigingen voorkomen moeten worden. Met de Nota Bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond in Haarlem. Bijlage 13 geeft een lijst met de bij de gemeente bekende uitgevoerde bodemonderzoeken. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld volgens de eisen die de Omgevings­­ wet hieraan stelt, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Om in het kader van de Omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten en om de openbare ruimte in te richten is het nodig om voor het plangebied de bodemkwaliteit in beeld te hebben. Hiervoor moet een verkennend bodem­ onderzoek worden gedaan volgens de NEN 5740. 3. Mocht er een ontwikkeling plaatsvinden op de locatie Floris van Adrichemlaan 90 dan is op grond van de Aanvullingswet bodem overgangsrecht van

strategy x design

toepassing. Bij ontwikkelingen met betrekking tot bodem op deze locatie dient daarom voldaan te worden aan de eisen die de Wet bodembescherming hieraan stelt. Eisen 1. Grondverzet mag niet leiden tot nieuwe veront­ reiniging of het verplaatsen van verontreiniging en moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota Bodembeheer. 2. Voor het toepassen van grond gelden de ‘lokale maximale waarden’ van zone B5 van de Nota Bodembeheer. 3. Er wordt gebruik gemaakt van vrijkomende grond uit het gebied zelf. Zo hoeft zo min mogelijk gebruik gemaakt te worden van primaire grondstoffen, zonder dat de bestaande bodemkwaliteit achteruitgaat. Wens 1. Mocht tijdens de uitvoering blijken dat historische ernstige verontreinigingen met een humaan risico voor het beoogde gebruik aanwezig zijn, dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem worden aangevraagd.

4.6.6 Archeologie

De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het project­gebied wordt doorsneden door de strandwal die vanaf ­Spaarnwoude in zuidwestelijke richting door Haarlem loopt. Op deze hooggelegen zandrug woonden al vanaf de late steentijd mensen, waardoor de kans

op het aan­­treffen van archeologische resten op deze locatie groot is. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: 1. Het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem. 2. De initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek. 3. Het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. Eisen 1. Bij overschrijding van de voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen dient een bureauen verkennend archeologisch booronderzoek worden uitgevoerd. Een karterend archeologisch booronderzoek is een geschikte methode om de bodemopbouw in het projectgebied nauwkeurig in kaart te brengen en de aanwezigheid van vindplaatsen te bepalen. Op basis van de resultaten van dat onderzoek bepaalt de gemeente Haarlem of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn. 2. Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf (BRL SIKB 4000). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen PvA voldoen aan de Kwaliteits­­­norm Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch ­onderzoek. 3. Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, is het streven die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen.

Als dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

44

Wens 1. De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken, om het verhaal van de plek een rol te geven in de nieuwe ontwikkeling.

4.7 Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders behandeld voor de volgende mobiliteitsaspecten in het projectgebied: 1. Mobiliteitsplan 2. Fietsinfrastructuur 3. Fietsparkeren 4. Autoparkeren 5. Openbaar vervoer 6. Toegankelijkheid calamiteitendiensten 7. Afvalinzameling, laden & lossen, et cetera

4.7.1 Mobiliteitsplan

In dit PvEL zijn maatregelen verwerkt om bij te dragen aan de mobiliteitstransitie zoals beschreven in het Haarlems Mobiliteitsbeleid. Bijlage 5 geeft het mobiliteits­plan voor het projectgebied. Per bouwlocatie stelt de ontwikkelende partij ook een mobiliteitsplan op. Hiermee onderbouwen ze hoe hun ontwikkeling voldoet aan de in deze paragraaf beschreven mobiliteits­aspecten. Eis 1. Met een mobiliteitsplan onderbouwt de ontwikkelende partij hoe voor de betreffende bouwlocatie voldaan wordt aan de in deze paragraaf beschreven mobiliteitsaspecten.

4.7.2 Fietsinfrastructuur

In de parkstrook zijn lopen en fietsen de aangewezen

strategy x design

vervoerswijzen. De fietsstroken zijn voldoende breed om comfortabel en veilig gebruikt te worden door jong en oud met het inmiddels brede aanbod aan fietsen, waaronder bak- en elektrische fietsen en scooters. Eisen 1. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf de fietsroutes in het gebied en vanuit de omliggende buurten en het buitengebied. 2. Het plangebied wordt goed ontsloten voor fietsers vanuit de omliggende buurten en het buitengebied, met veilige, directe en voldoende brede fietsstroken.

4.7.3 Fietsparkeren

Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen zijn nodig om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners en werknemers worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren. Parkeervoorzieningen voor de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk, logisch gelegen, goed toegankelijkheid en in voldoende mate aanwezig zijn. Eisen 1. Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen en kwaliteitseisen uit de Nota parkeernormen. 2. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. 3. Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleids­­­regel bergingen geldt: 4. De entree tot inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van woningen. 5. De fietsenstalling is toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar vanuit de buitenruimte, waardoor bewoners en werknemers gestimuleerd worden fietsen inpandig te stallen.

4.7.4 Autoparkeren

Conform de Nota parkeernormen moet de autoparkeerbehoefte op eigen terrein worden opgelost. Conform de nota mag gebruik worden gemaakt van de salderingsregel waardoor een klein deel van het parkeren in de omliggende straten plaats zal vinden. Algemene eisen 1. Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. Voor de uitvoering van de parkeergarages gelden de normen uit de NEN 2443. 3. Uitritten van de parkeergarages zijn verkeersveilig ontworpen volgens de CROW-richtlijnen. Eisen gehandicaptenparkeerplaatsen 1. Voor ontwikkelingen waarin functies komen met een sociaal-maatschappelijk karakter met een parkeerbehoefte van minimaal 15 parkeerplaatsen, moet minimaal 2% daarvan worden ingericht als algemene gehandicaptenparkeerplaats, met een minimum van 1. 2. Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten binnen een loopafstand van maximaal 100m liggen van de ingang van het betreffende gebouw, gemeten vanaf de parkeerplaats. Eisen oplaadpunten 1. Voor de parkeerbehoefte van bewoners worden alle parkeervakken voorbereid op leidingdoorvoeren voor oplaadpunten. 2. Voor de parkeerbehoefte, anders dan voor bewoners, wordt minstens 20% van de parkeervakken voorbereid op leidingdoorvoeren voor oplaadpunten.

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

45

4.7.5 Openbaar vervoer

4. Calamiteitendiensten worden voorzien van een toegangsmogelijkheid voor poorten en hekken om collectieve binnenterreinen, garages en stallingen open te krijgen. 5. Bij de ingebruikname gebouwen (sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.

Eisen 1. De combinatie van fietsstroken en busbaan wordt zodanig ontworpen dat het overzichtelijk is en veilig voor fietsers. 2. Bushaltes dienen toegankelijkheid ontworpen te worden volgens de CROW-richtlijnen uit de Richtlijn Toegankelijkheid. Zie ook paragraaf 4.7.2.

4.7.7 Laden & lossen, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera

De Floris van Adrichemlaan wordt vanaf de Roorda­ straat tot aan de Professor Eijkmanlaan geknipt voor autoverkeer. Hier worden brede fietsstroken aangelegd waarop ook de bus (lijn 3) en nood- en hulp­diensten kunnen rijden. Aan de west- en oostkant komen bushaltes.

4.7.6 Toegankelijkheid hulpdiensten

Politie, ambulance en brandweer dienen te allen tijde toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen. Het mobiliteitsplan, het ontwerp openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen beoordeeld worden door de nood- en hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen. Eisen 1. Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor hulp­ diensten, voertuigen kunnen op minimaal 10m van de hoofdentree van de gebouwen komen. 2. Eventueel doodlopende straten hebben aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten. 3. Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters).

strategy x design

In het plangebied worden woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, enz.). Uitgangs­ punt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden. Eisen 1. Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals parkeren op trottoir of fietspad, enz.) wordt onmogelijk gemaakt op een vriendelijke manier én door het aanbieden van goede parkeervoorzieningen. 2. Verhuisdiensten moeten tot 20m van een (hoofd) entree kunnen komen. 3. Bij elke ontwikkeling wordt aangegeven hoe de logistiek (opvangen bezoek (auto en fiets), ontvangen pakketjes/thuisbezorgdiensten, ophalen afval etc.) wordt georganiseerd, zonder de openbare ruimte te belasten.

4.8 Openbare ruimte Deze paragraaf geeft de kaders voor de inrichting en het ontwerp van de openbare ruimte. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s:

1. Sociaal veilig 2. Inclusief en toegankelijk 3. Ondergrondse ruimte 4. Groenkwaliteit 5. Maaiveldinrichting 6. Waterpartijen 7. Spelen 8. Afvalinzameling Paragraaf 5.2 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de inrichting en vormgeving van openbare ruimte.

4.8.1 Sociaal veilig

Een stad dient te allen tijde zo veilig mogelijk te zijn voor verschillende gebruikers en bewoners. Op straat moet iedereen zich vrij durven te bewegen en verblij­ ­ven. De openbare ruimte dient dus zo veilig mogelijk te zijn en te voelen. Eisen 1. De openbare ruimte wordt sociaal veilig ontworpen en voldoet aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. ’s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. Dit wordt aangetoond met een verlichtingsplan en licht­ berekening. Zie voor specifieke richtlijnen Beleidsplan Openbare Verlichting. 3. Neem verlichtingsontwerp integraal op en niét pas als standaardtoets in het Beleidsplan Openbare Verlichting. 4. Schijnveiligheid moet voorkomen worden. Voor een landschappelijke dagroute door het park moet er ook een gelijkwaardige veilige avondroute zijn. 5. De gecombineerde bus- en fietsroute is zowel ingericht als veilige dag- als veilige avondroute. 6. Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de

Floris van Adrichemlaan | PvEL | 4. Randvoorwaarden, eisen en wensen

46

plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties, ‘ogen op straat’, geen afschermende beplantingen). 7. Bij verdere uitwerking worden oplossingen getoetst aan het Handboek Veilig Ontwerp en Beheer. 8. Stel BLVC-plan op (bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie), met bij de V ook aandacht voor sociale veiligheid.

er voldoende rustmogelijkheden (bankjes) voor ouderen en mindervaliden. Er wordt bij de inrichting rekening gehouden met mensen met een visuele, auditieve, cognitieve en fysieke beperking (design for all). 5. De loop- en fietsroutes sluiten op een logische manier aan op de doorgaande routes vanuit de omliggende buurten in en door het park, naar de entrees van de gebouwen en op de bushaltes.

Wens 1. Maak bij de verdere uitwerking een beheerplan per fase, afgestemd op eigenaarschap.

4.8.3 Ondergrondse ruimte, kabels en leidingen

4.8.2 Inclusief en toegankelijk

In het gebied zetten we langzaam verkeer centraal. Het is voor voetgangers gemakkelijk, veilig en comfortabel verblijven. Uitgangspunt bij de (her)inrichting van de openbare ruimte is dat die door iedereen is te bereiken en te gebruiken. Dat betekent dat de openbare ruimte voor iedereen toegankelijk moet zijn en ook mensen met kinderwagens, rolstoelen en rollators zich zelfstandig en makkelijk kunnen verplaatsen. Eisen 1. Toegankelijkheid moet een integraal onderdeel zijn in het ontwerp van de openbare ruimte op. 2. Het deel van de Floris van Adrichemlaan dat gelegen is in het plangebied wordt autovrij ingericht, alleen voetgangers, fietsers, nood- en hulpvoer­tuigen en de bus zijn toegestaan. 3. Primaire wandelpaden hebben een effectieve breedte van minimaal 2,1m zonder obstakels van o.a. (wild-) geparkeerde fietsen, straatmeubilair, paaltjes. 4. Het hele gebied en alle bestemmingen zijn toegankelijk voor mensen met een beperking. Ook zijn

strategy x design

De ondergrondse ruimte is schaars. De bodem wordt slim en effectief ingericht, waardoor ruimte ontstaat voor het ondergrondse netwerk voor de energie­ transitie. Ondergronds moet extra plek gemaakt worden voor klimaatadaptatie en infrastructuur voor de energietransitie. In dit gebied loopt o.a. een watertransportleiding en een gasleiding, waarvan de huidige ligging als wens geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, gezien de mogelijke verplaatsingskosten. Eisen 1. Aan het begin van de planvorming rekening houden met huidige bezetting van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. 2. Het doen van een Klic-melding om de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen te inventari­ seren en eventuele maatregelen te treffen in overleg met de leidingbeheerder(s). 3. In de boven- en ondergrond moet voldoende ruimte gereserveerd worden voor de aanwezige kabels en leidingen en wat er nieuw bij komt. Zo nodig energie­transitie faciliteren in ondergrond. 4. Randvoorwaarden voor kabels & leidingen zijn

opgenomen in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR). 5. Bij nieuwbouw/renovatie komen bovengrondse voorzieningen (zoals transformatorhuisjes, warmte­ overdrachtstations en POP-stations) niet in de openbare ruimte. Zie paragraaf 4.9.7. 6. PWN-leiding dient verlegd te worden naar het nieuwe fietspad/busbaan, zodat voldoende inrichtings­ruimte voor het water aan de noord- en zuidzijde gecreëerd kan worden. Wensen 1. Het wordt technisch mogelijk gemaakt om bomen in nabijheid van kabels en leidingen te planten voor een maximaal resultaat voor klimaatadaptieve inrichting, verblijfskwaliteit en flora en fauna. 2. Kiezen voor innovatieve ruimtebesparende oplossingen, bijvoorbeeld door leidingen compact bij elkaar of op elkaar te leggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16267800/1