3 Bijlage 2 Molenwijk Noord Waddenbuurt PvEL
Tekst van het document
•
Middenzone - bouwpercelen 1, 3, 6-oost Eisen: • Een intensieve vorm van parkeren moet worden opgenomen in de bouwpercelen 1, 3 en het oostelijk deel van bouwperceel 6 aan de achterzijde van gebouwen. Dat kan in principe op maaiveld. Ook is het mogelijk dat de parkeervoorziening zich deels onder het woongebouw of tegen het gebouw aan bevindt om de capaciteit te verhogen. • De parkeervoorziening van bouwperceel 1 en 3 wordt afgeschermd van de openbare ruimte door middel van een architectonisch geïntegreerde afscherming die harmonieert met het aangrenzende gebouw. • Bij bouwperceel 1 en 3 vindt het parkeren plaats onder een overdekt parkeerdek, wat van belang is voor de leefbaarheid boven de parkeerplaatsen. Een deels open parkeerdek is mogelijk, mits dit hoogwaardig wordt uitgevoerd en het doel van overdekken wordt bereikt. • Toegangen tot parkeervoorzieningen dienen zorgvuldig geplaatst te worden om verstoring van de openbare ruimte te voorkomen, bij voorkeur niet in zichtlijnen van straten en niet dicht tegen de hoek van een gebouw (min. 12 m vanaf hoek).
• •
Grotere bouwpercelen met binnenterrein in middenzone (bouwperceelnumer 2, 4, 6) Eisen: • Parkeerkoffers zijn alleen toegestaan in de grotere bouwpercelen met binnenterrein in de middenzone (bouwperceelnummer 2, 4, 6) • Parkeervoorzieningen in de grote bouwpercelen mogen de woon- en leefkwaliteit van het binnenterrein niet domineren. Voorop staat de betekenis van deze binnenterreinen als (collectieve) binnentuin. De inschatting is dat dit betekent
Bouwpercelen Europawegzone Eisen: • Bij het bouwperceel Terschellingpad (locatie voormalige Grafische School, bouwperceelnummer 7) is gebouwd parkeren een vereiste. Het dak van de parkeergarage moet betekenis hebben als tuin. • Indien binnen het bouwperceel Zuiderzeelaan/Europaweg een parkeervoorziening noodzakelijk is, dient deze semi-gebouwd of volledig gebouwd te zijn.
• •
•
•
•
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
45
46
Trafo geïntegreerd in laag verbindende element tussen twee gebouwen. (Geurst & Schulze, Boerhaavelaan Leiden)
Fietsenstalling met open gevelbeeld
Een gebouwde parkeeroplossing, waarbij de parkeerplaatsen zijn overbouwd met woningen en terrassen en aan de zijde van de openbare ruimte met een muur worden afgeschermd. (Geurts & Schulze, Overtoomse Veld Amsterdam)
Een semi-gebouwde parkeeroplossing, waarbij de parkeerplaatsen zijn overbouwd met terrassen en aan de zijde van de openbare ruimte met een muur afgeschermd. (architect Dick van Gameren, Talmalaan Utrecht)
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
•
•
4.1.11
Bij gebouwde (half)overdekte parkeervoorzieningen is het uitgangspunt een gebouwde afscherming die in harmonie is met het gebouw(en). Aan de zijde met de belangrijkste openbare ruimte mag de plint van het gebouw niet gedomineerd worden door de parkeervoorziening. Toegangen tot parkeervoorzieningen dienen zorgvuldig geplaatst te worden om verstoring van de openbare ruimte te voorkomen, bij voorkeur niet in zichtlijnen van straten en niet dicht tegen de hoek van een gebouw worden geplaatst.
Fietsparkeren
Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave en wordt zorgvuldig opgenomen in het ontwerp van elk woongebouw of in een lage aanbouw tussen twee gebouwen. Voldoende en kwalitatief hoogwaardige fietsparkeervoorzieningen zijn essentieel om fietsgebruik te stimuleren en de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. De stallingen zijn uitnodigend ontworpen om bewoners en werknemers te stimuleren hun fietsen inpandig te parkeren, waardoor de buitenruimte beschikbaar is voor andere functies, zoals groen en ontmoeting. Stallingen hebben ook betekenis als veilige ontmoetingsplekken voor bewoners. In het Mobiliteitsplan moet worden aangetoond hoe het fietsparkeren kwantitatief en kwalitatief goed is opgelost
Eisen: • • •
•
Voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in paragraaf 4.2 van de Nota parkeernormen. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse Beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. De fietsenstallingen zijn inpandig en naadloos geïntegreerd in de gebouwen, hetzij in het woongebouw zelf, hetzij in een aanbouw op de begane grond tussen verschillende woongebouwen. De architectonische vormgeving van stallingen en toegangen wordt zorgvuldig geïntegreerd, zodat de beeldkwaliteit van de begane grondgevel behouden blijft en de stallingen uitnodigend zijn voor gebruikers. De plint van de voorgevel van een gebouw wordt niet gedomineerd door
•
4.1.12
inpandige fietsenstallingen. De positie, entree, routing en inrichting van de fietsenstallingen is gericht op gebruiksvriendelijkheid, veiligheid en toegankelijkheid, waardoor bewoners worden gestimuleerd om de fiets te kiezen voor hun dagelijkse verplaatsingen.
Technische installaties
Transformatorhuisjes en andere technische installaties worden binnen de bouwpercelen en binnen de rooilijn of gevellijn gepositioneerd. Ze worden in een woongebouw opgenomen of opgenomen in een verbindend element op de begane grond tussen verschillende gebouwen.
Randvoorwaarde: • Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magnetische veld bij de omliggende woningen beneden 0,4 microtesla blijft. Eisen: •
Bovengrondse nutsvoorzieningen zoals trafostations en andere installaties, inclusief WKO-installaties, moeten binnen het bouwperceel worden geplaatst en geïntegreerd met de architectuur van de woongebouwen. Ze moeten worden ondergebracht in het woongebouw zelf of kunnen worden opgenomen in een verbindend element op de begane grond tussen verschillende gebouwen.
Wensen • Traforuimtes niet direct naast of boven verblijfsruimtes plaatsen.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
47
Voorzieningen
Verbinding tussen programma bebouwing (koffiehuis) en verblijfsplek in buitenruimte (Cruquiusgebied, Amsterdam) 48
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Gemeenschappelijke ruimte in woongebouw (Inbo, Kas&CO Veemarkt-Utrecht)
Gemeenschappelijke ruimte in woongebouw (Inbo, Kas&CO Veemarkt-Utrecht)
4.2
Programma
Voor een goed functionerende woonbuurt is diversiteit van groot belang. Bij de transformatie van de Waddenbuurt staat de ontwikkeling van een grotere variëteit aan woningen centraal, zowel qua type, segment als grootte, op zowel blok- als bouwveldniveau. Het diverse woningaanbod met aandacht voor de menselijke maat zorgt ervoor dat de bewoners zich thuis voelen en eerder betrokken voelen bij hun woonomgeving. De focus ligt op de bouw van twee-, drie- en vierkamerwoningen, terwijl de huidige te slopen gebouwen enkel uit vierkamerwoningen bestaan. Daarnaast worden op strategische locaties in de buurt kleinschalige niet-woonfuncties geïntegreerd, zoals werk-, horeca-, culturele en sociaal-maatschappelijke voorzieningen. Dit zorgt voor meer levendigheid, ontmoetingen en sociale veiligheid overdag. In aanvulling op deze commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen wordt ruimte geboden aan één of meerdere centrale buurtkamers waar bewoners uit meerdere blokken gebruik van kunnen maken en waar bij voorkeur ook de woningcorporatie gebruik van maakt. Tot slot is de gemeente voornemens aan de Frieslandlaan, net buiten het plangebied, een kleinschalig Huis van de Wijk te realiseren. Het toevoegen van andere functies dan wonen draagt bij aan de gemengde stad. Dit sluit aan op de Omgevingsvisie, Woonvisie, Economische Visie en het coalitieakkoord 20222026.
Hierin is opgenomen dat door de grote woningvraag een (versnelde) toename van het aantal woningen van belang is met ruimte voor werken en recreëren.
Eisen: •
•
•
Er worden circa 390 sociale huurwoningen, 95 middensegment en 33 marktwoningen gerealiseerd, conform de subsidie Woningbouwimpuls (WBI). De ontwikkeling draagt bij aan een toename en differentiatie van woningen in de Waddenbuurt, met betrekking tot woningtypen, woonsegment, woninggrootte en aantal kamers. Het woningaanbod is gericht op diversiteit aan inkomensgroepen, woonproducten en woonmilieus. De focus ligt op huisvesting van kleinere huishoudens (waaronder startende huishoudens en ouderen), conform de vastgestelde Woonvisie. Gezien de sloop van grote woningen en t.b.v. doorstroming/doorverhuizen wordt er daarnaast ook voor gezinnen (terug)gebouwd (sociaal segment en marktsegment).
•
•
•
•
Bij de verdeling van woonsegmenten is een maatwerkafspraak van toepassing. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Voor de toe te voegen woningen (inclusief de ontwikkeling Zwemmerslaan) is het uitgangspunt 40% sociaal, 40% middensegment en 20% overige woningen conform de nota Kaders sociale huur en middensegment (november 2022). De nieuw op te leveren woningen voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de nota ‘Kaders en instrumenten sociale huur en middensegment’ (november 2022). Deze vereisten (spelregels) behelzen o.a. prijsgrenzen (en de wijze waarop indexering plaatsvindt), minimale oppervlakte, doelgroepen, toewijzing, huurverhoging, exploitatieperiode, zelfbewoning, antispeculatie en toegankelijkheid. Bouwpercelen 5, 7 en bouwperceel 1 of 2 bevatten ruimtes die ingevuld kunnen worden door kleinschalige buurtgerichte voorzieningen zoals werk-, horeca-, culturele en sociaal-maatschappelijke voorzieningen. Bij bouwperceel 5 (hoek Zuiderzeelaan/Europaweg) betreft het een functie gericht op ontmoeting zoals kleinschalige horeca, een sociaalmaatschappelijke voorziening met ondersteunende horeca of vergelijkbaar: ◦◦ Gericht op de buurt en de verschillende doelgroepen die hier wonen; een huiskamer voor de buurt. ◦◦ Overdag en ‘s avonds ogen op het park. Wel opletten met geluidsoverlast richting (boven)buren; geen nachthoreca.
◦◦ Relatie aangaan met het park qua uitstraling en gebruik, misschien een speelplek in de nabijheid. ◦◦ Geen bezorghoreca als hoofdactiviteit. Binnen de bouwpercelen wordt minimaal één gemeenschappelijke ruimte gerealiseerd, ter bevordering van collectiviteit, gemeenschapszin en sociale interactie tussen bewoners. Deze ruimte wordt actief geprogrammeerd en beheerd, bij voorkeur door bewoners zelf (al dan niet met ondersteuning). De ruimte is flexibel van opzet, zodat deze indien nodig omgebouwd kan worden tot een woning en vice versa. Het uitgangspunt is dat deze ruimte niet meetelt voor het aantal geplande sociale woningen in het WBIprogramma.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
49
Referentie middelhoge strokenbebouwing met duidelijk verschil tussen (actieve) plint en bovenbouw Woningen Middelweg, Zwolle, BDG Architecten
Referentie kop middelhoge strokenbebouwing Middengebied Noord, Overtoomse Veld, Amsterdam, Geurste & Schulze Architecten
Grondgebonden woningen met onderscheid kop en strek 50
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Wensen: • Richtljin voor de verdeling van de woningtypes is het programma dat is opgenomen in het proefverkavelingsplan (bijlage B). • Zorg ervoor dat de beukmaat van de woningen ruim genoeg is, met het oog op toekomstbestendigheid. • Woningen kleiner dan 50m² zijn schakelbaar voor vergroting. • De marktwoningen zijn bij voorkeur grondgebonden woningen (segment Eigen Grond). • Binnen het midden- en hogere segment hebben koopwoningen de voorkeur. • De plint van gebouwen heeft een hoogte die geschikt is voor wonen en voor toekomstige conversie naar andere functies, zoals sociale voorzieningen. • De grotere woningen (minimaal 3 kamers) worden zo gesitueerd dat ze de minste overlast veroorzaken voor omwonend en andere bewoners. • Plinten bevatten bij voorkeur grotere woningen (minimaal 3 kamers), geschikt voor gezinnen. • Implementeer geclusterde woonvormen voor ouderen op meerdere verdiepingen met gemeenschappelijke ruimtes, in lijn met de Stadsdeal ouderenhuisvesting. • Overweeg voor specifieke plekken kleinschalige bedrijvigheid, kantoorruimte, dienstverlening, sportfaciliteiten, woonzorg, kinderdagopvang, coworkingspaces, pakketpunten en andere buurtgerichte economische functies, afgestemd op lokale behoeften en arbeidsmarkt. • Verspreid door de buurt worden bij voorkeur drie gemeenschappelijke ruimtes gerealiseerd.
Zie voor nadere omschrijving de betreffende tekst over gemeenschappelijke ruimte onder ‘eisen’. • Het is gewenst om op de binnenterreinen (bouwvelden 2, 4 en 6) eenvoudige bouwwerken te realiseren, zoals kassen en opslagruimtes voor tuingereedschap en buitenspeelgoed, waarbij omwonenden worden betrokken bij de invulling en het beheer zodat er een gevoel van eigenaarschap ontstaat. • Voor de nieuwbouw onderzoeken of toepassing van houtbouw tot de mogelijkheden behoort. • Er is bij de inrichting van de gebouwen en directe omgeving aandacht voor sociale veiligheid.
4.3
Beeldkwaliteit
Deze paragraaf legt op hoofdlijnen richtlijnen vast voor de esthetische aspecten van de nieuwe gebouwen in de Waddenbuurt. In de vervolgfase worden het Stedenbouwkundig Plan en Beeldkwaliteitsplan (BKP) in samenhang met elkaar uitgewerkt. Het voornaamste doel van dit beeldkwaliteitsplan is om de visuele kwaliteit te waarborgen en een harmonieus geheel te creëren tussen de verschillende gebouwen en hun omgeving, met een sterke focus op de specifieke architectuurstijl die voortbouwt op de identiteit van de naoorlogse periode.
4.3.1
Opbouw bouwvolumes
In de Waddenbuurt worden verschillende typen bouwvolumes ontwikkeld, zoals torens, schijfvormige volumes (appartementen) en eengezinswoningen, die een eigentijdse interpretatie van de naoorlogse periode weerspiegelen. Torens fungeren als opvallende hoogteaccenten in de buurt, goed zichtbaar van veraf en dienend als oriëntatiepunten. De schijfvormige volumes en eengezinswoningen vormen samenhangende ensembles die refereren aan de naoorlogse open verkavelingsconfiguraties.
Eisen: • • •
Wens: •
De torens in de Europawegzone zijn alzijdig ontworpen om vanuit elke hoek esthetisch aantrekkelijk te zijn. Drielaagse gebouwen die aansluiten bij bestaande rijwoningen hebben een vergelijkbare opbouw met twee lagen en een zadeldak. Het ensemble in het middengebied bestaat uit uniforme rechthoekige bouwvolumes zonder lokale hoogteaccenten, met schijfvormige gebouwen die langs- en kopgevels hebben.
Bij drielaagse gebouwen met een kap begint het dak aan de achterzijde bij voorkeur op de eerste verdieping, aangezien dit bij de bestaande woningen ook het geval is.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
51
Herinterpretatie van naoorlogse architectuur Er wordt gestreefd naar een karakteristiek gevelbeeld dat voortbouwt op naoorlogse ontwerpprincipes. Dit komt tot uiting in het spel van texturen, de regelmatig verschuivende ritmes in de gevels, en de plastische werking door licht-donker contrasten. De opbouw van de gevels met een duidelijke plint, middenpartij en daklijn versterkt de horizontaliteit en zorgt voor een samenhangend geheel. Ook worden de kopgevels met zorg uitgewerkt. Tegelijkertijd mogen individuele woningen herkenbaar worden door subtiele accenten, zoals een uitstekend balkon of andere details, waardoor ze zich onderscheiden binnen het harmonieuze geheel.
Weefsel
Regelmatig verschuivende ritmes
Bron: Bet, E., & Hinterthür, H. (2004), Kleur Rotterdam. over de stedenbouwkundige dimensies van kleur in Rotterdam, Het stimuleringsfonds voor de Architectuur. 52
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Plastiek door licht-donker contrast
4.3.2
Eisen: • • •
4.3.3
Eisen: • •
•
Architectuur
•
Beeldkwaliteit moet voortbouwen op de identiteit van de naoorlogse architectuur, waarbij horizontaliteit een belangrijk kenmerk is. Verschillende architectonische elementen zoals kopgevels, portieken, galerijen, maisonnettes, balkons en loggia’s dragen bij aan een samenhangend gevelbeeld. Gebouwen geleden, zodat herkenbaarheid ontstaat en een te grote schaal (anonimiteit) wordt voorkomen.
•
De materiaalkleurem en texturem van de gevels worden afgestemd op de bestaande kleuren en texturen in de Waddenbuurt zonder sterke contrasten. De hoge flats aan de Groningenlaan dienen daarbij als belangrijke referentie. De materialen, kleuren en details zijn gekozen om langdurig mooi te blijven, zonder afbreuk te doen aan de esthetiek.
Wens: •
Onderzoeken of toepassing van houtbouw tot de mogelijkheden behoort.
4.3.4
Entrees van appartementen en begane grondwoningen
Materiaal, plastiek en textuur van de gevels
Eisen: • Gevels vormen een harmonieus geheel dat rust uitstraalt in de groene omgeving. Het ontwerp van de gevels heeft een ritmisch patroon, waarbij elementen zoals vloeren, ramen, balustrades, balkonhekken, dorpels en lateien goed op elkaar afgestemd zijn. Verschillende texturen en kleuren worden zorgvuldig gecombineerd om zowel een samenhangend geheel te vormen binnen het ensemble als variatie te creëren.
•
• •
Hoofdentrees van zowel appartementen als begane grondwoningen zijn open en transparant, met een zorgvuldige spreiding langs de straten. Hoofdentrees zijn duidelijk herkenbaar, overzichtelijk, veilig en goed verlicht. Postbussen en belpanelen zijn geïntegreerd in het entree-ontwerp om een samenhangend gevelbeeld te creëren. Hoofdentrees van appartementen zijn gericht naar de openbare ruimte. Hoofdentrees zijn uitnodigend, met royale afmetingen, goede verlichting en zonder obstakels zoals brievenbussen die het zicht belemmeren.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
53
Referentie voor uitnodigende entree van hoogbouw aan Europaweg (Geurst & Schulze)
54
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Referentie voor uitnodigende entree (Geurst & Schulze)
Referentie voor inpassing trafo in gevelbeeld (Geurst & Schulze)
4.3.5
Eisen: • •
Plint
Gevelwanden op de begane grond moeten minstens 40% transparant zijn. Begane grondwoningen aan de openbare zijde moeten levendige functies hebben zoals een woonkamer, kantoor of keuken met ‘tuindeuren’ en/of een voordeur. De plint biedt ook ruimte voor kleinschalige commerciële en maatschappelijke voorzieningen.
privézijde een hek te plaatsen,
4.3.8
Eisen: • •
4.3.6
Eisen: • •
•
•
4.3.7
Eisen: •
•
Technische voorzieningen in plinten en op daken
Technische voorzieningen worden als integraal onderdeel van de gebouwen ontworpen. Ruimtes voor technische installaties op de begane grond worden geïntegreerd in de gevelontwerpen met discrete toegangsdeuren, zodanig dat ze de architectonische kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk verstoren. Benodigde technische voorzieningen die boven op gebouwen geplaatst moeten worden, zoals liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking, vormen een integraal onderdeel van het gebouwontwerp of zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Hemelwaterafvoeren zijn onderdeel van de architectonisch beeld en worden integraal meeontworpen met het gevelontwerp.
•
Balkons mogen maximaal 1,8 meter uitsteken ten opzichte van het gevelvlak, mits dit binnen het bouwperceel en uitgegeven terrein is. Het ontwerp van de balkons moet voldoende privacy en beschutting bieden aan bewoners en moet goed aansluiten bij de architectuur van het gebouw. Indien een galerij aan de openbare (straat)gevel wordt toegevoegd, wordt deze achter het gevelvlak geplaatst om te voorkomen dat het horizontale beeld te dominant wordt.
Wensen: • De buitenruimtes op de verdiepingen, met name de balkons, worden bij voorkeur verdiept aangelegd ten opzichte van het gevelvlak, met een minimale diepte van 0,5 meter. Dit draagt bij aan een gevarieerd en esthetisch aantrekkelijk gevelbeeld en verbetert de kwaliteit van het verblijf op de balkons.
4.3.9
Eisen: •
Overgangszone privé-openbaar • Overgangszones tussen gebouwen en de openbare ruimte worden zorgvuldig vormgegeven en materialen worden gekozen in relatie met het gebouwontwerp en het ontwerp voor de openbare ruimte. De instandhouding van hagen in overgangszones wordt bereikt door onderhoudsafspraken en een robuuste vormgeving, bijvoorbeeld door aan de
Balkons en galerijen
•
Daken
Daken worden ontworpen voor dubbelgebruik, zodat ze niet alleen woningen bedekken maar ook andere functies kunnen ondersteunen. Hierbij kan worden gedacht aan: een groen ecologisch dak, daktuin, zonnepanelen e.d., waterberging, of aan combinaties hiervan. Omdat veel daken zichtbaar zijn vanaf andere gebouwen, worden daken ontworpen met het oog op hun esthetische waarde. Technische installaties op daken worden aan het zicht onttrokken door een opstand van minstens 0,6 meter boven het dakvlak. Daken worden ontworpen met aandacht voor esthetiek, bijvoorbeeld door beplanting te integreren of materialen te kiezen die passen bij de gevels. Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
55
56
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
5
Mobiliteit, duurzaamheid en milieu randvoorwaarden, eisen, wensen
Dit hoofdstuk benoemt mobiliteits-, duurzaamheids, milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening moet worden gehouden. Deze onderwerpen hebben zowel betrekking op de bebouwing als de (openbare) buitenruimte. Het is de bedoeling dat onderstaande eisen en wensen op een integrale manier met elkaar en met de ruimtelijke eisen en wensen verbonden worden, om een prettige en gezonde leefomgeving te creëren voor de toekomstige bewoners. Het robuuste groene netwerk in de openbare ruimte biedt hiervoor een belangrijke basis. Daarnaast is het een opgave voor ontwikkelende partijen. Gemeentebrede eisen / beleid Voor een volledig overzicht van de gemeentebrede uitgangspunten op het gebied van duurzaamheid wordt verwezen naar de Richtlijn Duurzaam Bouwen en het Strategisch plan klimaatadaptatie en het convenant Houtbouw. Over het algemeen is het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw van de Metropoolregio Amsterdam 1.0 ‘niveau brons’ van toepassing, waarbij op een aantal punten nuanceringen zijn aangebracht. Deze zijn aangeven bij de betreffende thema’s. Voor parkeren en mobiliteit zijn het Mobiliteitsbeleid 2021 en uitvoeringsagenda en de Nota Parkeernormen van toepassing.
Integrale opgave bebouwing - buitenruimte
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
57
Auto- en parkeerstructuur
58
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Langzaam verkeerroutes en bushaltes
5.1
Mobiliteit
5.1.1 Nadruk op voetganger en fietser De Waddenbuurt wordt een aantrekkelijke buurt voor voetganger en fietser. In de hele buurt is het prettig, veilig en comfortabel verplaatsen en verblijven voor voetgangers en fietsers, voor jong en oud en voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Hiermee wordt de buurt meer levendig en zijn ontmoetingen op straat makkelijk. In alle woonstraten is de auto ondergeschikt aan groen, fietser en voetganger. Rijwegen worden versmald, waarbij het parkeren langs de rijwegen zich gewoonlijk beperkt tot langsparkeren aan één zijde. Er komt een centrale voetgangersroute in oost-westrichting door het Waddenpark. Ook fietsers “te gast” kunnen hier gebruik van maken. Deze route heeft een oversteek over de Zuiderzeelaan. Dankzij deze nieuw centrale route en de vele dwarspaden vanaf deze lijn naar de omliggende gebouwen, straten en wegen, zijn er altijd logische langzaamverkeersroutes voor fietsers en voetgangers. De voetpaden in de buurt hebben een hoog comfortniveau. Kruispunten worden uitgevoerd als plateaus zodat je à-niveau kunt oversteken en je niet steeds stoep op en af moet. Deze plateaus zijn ook van belang om de snelheid van auto’s te verminderen. 5.1.2 Verkeersstructuur Binnen de buurt zijn alle straten te beschouwen als woonstraten met een 30 km regime. Dat geldt ook voor de Zwemmerslaan.
De hoofdwegen Zuiderzeelaan, Groningenlaan en Europaweg blijven vooralsnog op basis van het huidig beleid 50 km wegen. De Amelandstraat, Frieslandlaan en het westelijk deel van de Waddenstraat takken aan op de ontsluitingslus van Molenwijk (Zuiderzeelaan en Groningenlaan) en de Zwemmerslaan. Deze wegen sluiten vervolgens aan op de Europaweg, de hoofdwegenstructuur van Schalkwijk. Zo is er een duidelijke, hiërarchische verkeerstructuur conform de oorspronkelijke opzet van Schalkwijk en Molenwijk. Vanaf de woonstraten zijn inritten naar bestaande parkeerterreinen en parkeerhofjes tussen de nieuwe bebouwing. Het nieuwe bouwveld aan het Terschellingspad (hoek Zwemmerslaan) kan direct vanaf de Zwemmerslaan worden ontsloten, aangezien dit ook een 30-km weg is. De hoekkavel Zuiderzeelaan/Europaweg wordt vanuit verkeerskundig oogpunt bij voorkeur alleen ontsloten vanaf de oostzijde, dus via het terrein van Ymere, vanwege de nabijheid van de rotonde en omdat de Zuiderzeelaan een 50-km weg is.
Hetzelfde geldt voor het parkeerterrein aan de westkant van de Zuiderzeelaan. Echter, vanuit de wens om autoverkeer en parkeren in de buurt - en in het bijzonder aan het park - te reduceren, adressen aan de Zuiderzeelaan toe te voegen en de snelheid van het autoverkeer op de Zuiderzeelaan te verlagen, kan het toch een goed idee zijn om parkeervoorzieningen nabij de Zuiderzeelaan te ontsluiten vanaf deze weg. Kortom, dit dient in de planuitwerking nader te worden onderzocht en integraal te worden afgewogen. Vanzelfsprekend moeten bestaande en nieuwe gebouwen bereikbaar zijn voor nood- en hulpdiensten. Met name bij gebouwen aan een doodlopende straat of autovrij pad is dit in volgende planfases een aandachtspunt. Indien nodig, kan het hoofdpad in het Waddenpark geschikt worden gemaakt als brandweerroute. 5.1.3 Parkeren auto’s en fietsen De herstructurering biedt de kans om het autoparkeren meer uit het straatbeeld te halen. Parkeren gebeurt op (bestaande) parkeerterreinen en op eigen terrein, goed ingebed door bebouwing en groen. Aanvullend is langsparkeren op beperkte schaal, ondergeschikt in het straatbeeld, mogelijk. Gewoonlijk betekent dit aan één zijde van de rijweg. Tweezijdig langsparkeren komt alleen bij uitzondering voor op aangewezen plekken aan zeer brede straten, wanneer deze parkeerplaatsen nodig zijn voor bestaande, te behouden gebouwen.
Aan het deel van de Waddenstraat dat aan het Waddenpark ligt wordt helemaal niet geparkeerd, om de ruimte en beleving van deze belangrijke parkruimte te optimaliseren. Parkeren voor nieuwe bebouwing wordt conform het beleid in principe opgelost op eigen terrein. Alleen in geval van overcapaciteit in de openbare ruimte - op basis van een maximale bezetting van 85% en het ontwerp van de openbare ruimte - kan bij sociale huur gebruik worden gemaakt van de openbare ruimte. Daarbij kan ook overcapaciteit net buiten het plangebied, aan de zuidkant van de Frieslandlaan en Amelandstraat, worden benut. Bij het benutten van overcapaciteit in de openbare ruimte wordt beoordeeld of dit wenselijk is, met name vanuit het oogpunt van bereikbaarheid van de parkeerplaatsen. Hiervoor gelden de afstandsnormen uit het parkeerbeleid en daarnaast wordt ook een inschatting gemaakt of het realistisch is dat bewoners naar bepaalde locaties zullen uitwijken als zij in de directe nabijheid geen parkeerplaats hebben kunnen vinden. In het verlengde hiervan wordt de Zuiderzeelaan als barrière beschouwd, wat betekent dat parkeren voor bewoners ten oosten van de Zuiderzeelaan niet aan de westkant van de Zuiderzeelaan mag worden Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
59
Parkeren - basisprincipes, t.b.v bepalen laadvermogen openbare ruimte 60
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Parkeren toekomstbeeld: kansen voor kwaliteitsverbetering bij herschikking of vermindering van parkeerbehoefte, tijdens planontwikkeling of in verdere toekomst.
gesitueerd of vice versa. Daarnaast is het ongewenst om parkeren over te hevelen naar een andere ontwikkelfase. In de vervolgfase van de planontwikkeling wordt in het Voorlopig Ontwerp openbare ruimte het laadvermogen van de openbare ruimte voor parkeren bepaald. Op basis van het schetsontwerp openbare ruimte en actuele parkeertellingen is de voorlopige inschatting gemaakt dat er weinig of geen overcapaciteit is aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Parkeren op eigen terrein wordt uit het zicht t.o.v. de openbare ruimte opgelost. Dit parkeren heeft geen negatieve uitstraling op de openbare ruimte. De eisen die worden gesteld aan parkeren op eigen terrein zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Voor fietsparkeren zijn eveneens de normen uit het vigerend parkeerbeleid van toepassing. Voor bezoekers wordt fietsparkeerruimte in de openbare ruimte opgenomen.
Eisen: •
• •
•
• •
Voor bestaande, te behouden gebouwen wordt de gebruiksnorm op basis van actuele parkeertellingen gehanteerd. Huidige “overcapacitieit” wordt niet in stand gehouden. Deze ruimte wordt gebruikt voor vergroening en verdichting. Voor nieuwe bebouwing gelden de normen uit het vigerend parkeerbeleid. Ten behoeve van een aantrekkelijke openbare ruimte voor voetganger, fietser en om aan te wonen, faciliteren we in de openbare ruimte zo min mogelijk de privéauto (zie kaartjes parkeren - basisprincipes en parkeren - toekomstbeeld). Op basis van het beleid geldt dat parkeren voor bewoners en bezoekers in principe op eigen terrein dient plaats te vinden. Alleen bij overcapaciteit aan parkeerruimte in de openbare ruimte (in de buurt of nabije omgeving) kan hiervan voor sociale huurwoningen gebruik worden gemaakt. In de vervolgfase van de planontwikkeling wordt in het Voorlopig Ontwerp openbare ruimte het laadvermogen van de openbare ruimte voor parkeren bepaald. Uitwisseling van parkeren tussen het gebied ten westen en ten oosten van de Zuiderzeelaan is niet mogelijk. Uitwisseling van de parkeeropgave tussen bouwvelden is onder voorwaarden mogelijk. Indien een parkeervoorziening niet alleen voor het eigen bouwperceel, maar ook voor andere woningen bedoeld is, is het een voorwaarde dat het
•
•
logisch is voor de betreffende mensen hier te parkeren. Aandachtspunten daarbij zijn: nabijheid, logische routing, sociale veiligheid. De ontwikkelaar stelt een mobiliteitsplan op waarin wordt onderbouwd hoeveel parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd en hoe deelauto’s, fietsparkeren en de nabijheid van OV in het plan worden opgenomen. Uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw zijn eisen m.b.t. duurzame mobiliteit niveau brons van toepassing.
Wensen: • Geen of zo weinig mogelijk parkeren aan het westelijk deel van het park, met name aan de zuidkant van de bestaande flat. Realisatie van een parkeergarage aan westzijde van Zuiderzeelaan nabij rotonde Europaweg kan hiervoor wenselijk zijn. • Zuiderzeelaan blijft vooralsnog een 50 km-weg (beleid). Echter, voor de samenhang van de Waddenbuurt is een 30 km-regime gewenst. • Verwijderen van garageboxen t.b.v. verbeteren ruimtelijke kwaliteit, actieve plinten van flats of extra openbare parkeerplaatsen.
5.1.4
Deelmobiliteit
Het beleid van gemeente Haarlem staat deelautokorting toe. Deelauto’s zijn een middel om mobiliteitstransitie op gang te brengen (en niet een middel met als doel minder parkeerplaatsen aan te hoeven leggen), maar de maatregel moet wel passen bij de ontwikkeling en de vervoersvraag van de toekomstige bewoners. Wanneer bij de uitwerking van het plan het kansrijk lijkt dat toepassen van deelauto’s zal leiden tot reductie van het eigen autobezit, alleen dan zal de deelautokorting worden toegepast.
Eisen: •
Indien de ontwikkelaar wenst gebruik te maken van deelauto’s en deelautokorting, onderbouwt hij met een een verkeerskundig advies dat en hoe de deelauto’s zulllen leiden tot reductie van het eigen autobezit.
Wensen: • Deelmobiliteit wordt gestimuleerd. Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
61
Ecologische netwerk 62
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
5.2
Groen en ecologie
5.2.2
5.2.1
Robuuste groenstructuur
Eisen: •
De Waddenbuurt draagt met robuust groen bij aan de stedelijke biodiversiteit met een veelheid aan insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het groen in de buurt is goed verbonden met de groenstructuren in de omgeving, in het bijzonder het Molenburgpark, de Groene Zoom en het heempark Romolenpark. Het Waddenpark is binnen de buurt de hoofdas voor flora en fauna, die in contact staat met het overig groen in de wijk en omgeving. Het park krijgt beplanting die bijdraagt aan de biodiversiteit, de wateropgave (met verlaagde delen voor wateropvang en -infiltratie) en tegelijketijd bijdraagt aan de leefkwaliteit voor bewoners. In aanvulling op de hoofdas is er een fijnmazig groen netwerk door de hele buurt met bomen, (kruidenrijke) grasbermen, hagen en heesters. Ook de binnentuinen maken deel uit van dit netwerk. Daarnaast is het nodig de verbinding met het Romolenpark te verbeteren door middel van een faunatunnel onder de Europaweg door. Ook barrièrevorming door de Zuiderzeelaan en de Zwemmerslaan (aansluiting op de Groene Zoom) worden zoveel mogelijk beperkt.
Eisen: •
•
•
Robuust en verbonden groen, zowel op structuurniveau als in de uitwerking van het ontwerp. Hierbij gaat het ook om goede aansluitingen op groen in de omgeving. HIertoe behoren faunatunnels onder de Europaweg, Zuidezeelaan en, zo nodig, onder de Zwemmerslaan. Het Waddenpark is binnen de buurt de hoofdas voor flora en fauna, die in contact staat met het overig groen in de wijk en omgeving. Het park krijgt beplanting die bijdraagt aan de biodiversiteit, ruimte biedt voor waterberging (verlaagde delen voor wateropvang en -infiltratie) en bijdraagt aan de leefkwaliteit voor bewoners (gebruiksgroen en aantrekkelijk beeld). In de hele buurt komt een fijnmazig groen netwerk met bomen, (kruidenrijke) grasbermen, hagen en heesters. Ook de binnentuinen maken deel uit van dit netwerk.
•
Wens: •
Doelsoorten ecologie
Hoogwaardige habitats worden gerealiseerd voor vier soortcategrorieën (conform Convenant Toekomstibestendige Woningbouw niveau zilver, grootschalig project): ◦◦ gebouwbewonende soorten (gierzwaluw, huismus, spreeuw en huiszwaluw, vleermuizen); ◦◦ boombewonende soorten (bijvoorbeeld gaai, grote bonte specht, boomklever en boombewonende vleermuizen); ◦◦ aan struweel gebonden soorten (vogels als merel, mezen, heggenmus; insecten als boomblauwtje, citroenvlinder en ligusterpijlstaart; zoogdieren als egel, muizen, spitsmuizen en kleine marters); ◦◦ aan bloemrijk grasland gebonden soorten (wilde bijen, vlinders, zweefvliegen, insecteneters). De bebouwing bevat voldoende nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vogels (gierzwaluw, huismus, spreeuw en huiszwaluw) en vleermuizen. Voor deze gebouwbewonende soorten is naast de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen ook genoeg foerageer- en schuilgelegenheid in de nabijheid. Voor de huismus geldt bijvoorbeeld dat op maximaal 20 tot 50 meter van de nestlocatie opgaand groen in de vorm van struiken van minimaal vier meter hoog aanwezig is. Ook ondiep water en open zand (voor een zandbad) zijn nodig in de directe omgeving.
Een habitat realiseren voor aan water en oevers gebonden soorten (kikkers, gewone pad, kleine watersalamander, vissen, libellen, aquatische insecten).
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
63
64
Groene erfafscheidingen
Nestkasten in gevel
Klimplanten
Struiken en hagen bieden dekking en voedsel voor dieren
Kruidenrijk gras
Kruidendak
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
5.2.3
Eisen: •
•
•
•
• •
Natuurinclusief en diervriendelijk bouwen en inrichten
Op, aan en in de gebouwen worden voor planten en dieren gunstige omstandigheden gecreëerd voor het vinden van vestigingsruimte, voedsel en veiligheid. Dat kan bijvoorbeeld met nestkasten, holtes, gaatjes en door de materiaalkeuze voor bijvoorbeeld hout of kalkrijke mortel in de muren. Ook groene of bruine daken (vrijgekomen grond vanuit grondverzet wordt hier gebruikt als dakafwerking)., groene erfafscheidingen, klimplanten tegen een blinde muur, of een pergola met klimplanten dragen hieraan bij. Ecologische, groene structuren worden zo veel mogelijk op elkaar aangesloten. Waar doorkruising van een ecologische groenstructuur onvermijdelijk is, wordt barrièrevorming voorkomen door het aanleggen van faunapassages. Privé-, collectief groen (onder andere de binnentuinen) en openbaar groen worden met elkaar verbonden. Wanneer het toepassen van muren, schuttingen of hekken nodig is, zorgen openingen op maaiveldniveau ervoor dat grondgebonden dieren deze toch kunnen passeren. In geval van smalle doorgangen kan met bijvoorbeeld klimgroen en/of dakgroen worden gezorgd voor een zo goede mogelijke verbinding van het groen. Zo dragen ook de haarvaten van het ecologisch netwerk zo veel mogelijk bij aan de leefbaarheid voor fauna. De verlichting houdt rekening met fauna. De grotere ecologische structuren (Waddenpark en groenzone Europaweg) worden zo min mogelijk verlicht.
Verlichting die hier wordt toegepast straalt zo min mogelijk uit op het groen en is faunavriendelijk: dat wil zeggen dat voor een armatuur wordt gekozen dat laag bij de grond is en een gerichte lichtbundel heeft. Er kan gedeeltelijke afscherming van de lichtbron aangebracht worden om verstrooiing van het licht naar groenstructuren te voorkomen. Alle daken die geen energiedak zijn, worden ingericht als groene daken met een leeflaag die ten minste geschikt is voor kruiden. Een collectieve daktuin heeft een dikke leeflaag, om een diverse vegetatie (kruiden, struwelen, bomen) met inheemse plantensoorten mogelijk te maken.
Wensen: • Groene daken hebben bij voorkeur een dikke leeflaag, om een diverse vegetatie (kruiden, struwelen, bomen) met inheemse plantensoorten mogelijk te maken. • Gebruik ter inspiratie de gids Natuurinclusief Ontwikkelen van de Vogelbescherming. • Combineer zonnepanelen met groen. • Daken waarop een nabijgelegen hoog gebouw uitzicht op heeft worden bij voorkeur ingericht als groene daken.
5.2.4
Biodiversiteit
Randvoorwaarde: • Aan de Wet Natuurbescherming dient te worden voldaan. Daarom dient ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen welke rol het plangebied speelt voor beschermde flora en fauna. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de uitkomsten van dit onderzoek en worden indien nodig mitigerende maatregelen genomen. Zo nodig zal een vergunning worden aangevraagd van de natuurbescherming binnen de Omgevingswet. De mitigerende maatregelen zullen hierbij onderbouwen hoe de instandhouding van de waarden voor beschermde flora en/of fauna wordt geborgd. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gewerkt volgens de Gedragscode Soortbescherming voor gemeenten door Stadswerk en wordt de zorgplicht in acht genomen. Eisen: •
•
Beplanting in de openbare ruimte en het collectieve groen binnen uitgegeven gebied bestaat uit een in soortkeuze en hoogte gevarieerde vegetatie (kruidlaag, struiklaag, boomlaag, variatie nat en droog) ter bevordering van de biodiversiteit. Diversiteit aan soorten verlaagt ook de vatbaarheid van planten voor ziekten en plagen. De soorten zijn zoveel mogelijk (minimaal 50% in de straten en minimaal 80% in het Waddenpark) inheems en van autochtone herkomst. Ook is het plantmateriaal dat wordt toegepast afkomstig uit biologische kweek. Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
65
Bestaande waardevolle boomstruturen (cijfers verwijzen naar kaart op volgende pagina)
1. Platanen en vleugelnoten aan Terschellingspad (terrein Grafische school)
2. Rij platanen aan Zuiderzeelaan
3. Groep abelen Vlielandhof
4. Lommerrijke parkzone aan Europaweg
5. Grote groep met mooie essen en esdoorns in noordoostelijk deel van Waddenstraat.
6. Bomenrij Amelandstraat, hoofdzakelijk lindes.
7. Rij essen in westeljk deel van Waddenstraat (n verlengde van Amelandstraat) . 66
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
• •
•
5.2.5
De gekozen beplanting sluit aan op plaatselijke omstandigheden als grondsoort, bezonning, waterstand en voedselrijkdom. Het groen zal in principe ecologisch beheerd worden tenzij dit door de functie van het groen (bijvoorbeeld een speelveld) of in het kader van de verkeersveiligheid (bijvoorbeeld in bermen ter hoogte van kruispunten) niet haalbaar is. Verontreiniging en verrijking van de grond worden voorkomen. Aanvullende grond is humusarm: de vegetatie op dergelijke grond is soortenrijker dan in voedselrijke grond.
Bomen
Er zijn in de buurt veel mooie, volwassen bomen in goede conditie. Naast solitairen is er een aantal groepen en rijen die in het bijzonder in het oogspringen. Deze worden grotendeels behouden. Het betreft deze boomstructuren, waarbij de nummers verwijzen naar de tekening en foto’s: • 1. Vleugelnoot en platanen aan de oostkant van de Grafische School. Behoud van deze bomen is uitgangspunt voor het plan voor het betreffend bouwveld. • 2. Bomenrijen Zuiderzeelaan. De bomenrij in de middenberm wordt gehandhaafd. Aan de oostzijde staat een markante rij platanen van ruim 50 jaar oud die vrijwel geheel wordt behouden. Vier platanen staan niet in lijn met de lange rij in noordelijke richting. Drie van deze vier platanen vallen binnen de beoogde bebouwingsrand langs de Zuiderzeelaan. Behoud van deze drie of vier bomen op de huidige plek is daarom niet wenselijk/mogelijk. • 3. Groep abelen in Vlielandhof. De helft van deze groep kan worden opgenomen in het Waddenpark. De andere helft belandt in een bouwperceel. Deze lijken niet inpasbaar, doch dit is onderzoeksvraag bij uitwerking van het bouwperceel. • 4. De groenzone Europaweg. Deze groenzone wordt voor het allergrootste deel in stand gehouden. Om het parkeerterrein bij één flat te vergroten kunnen op deze locatie een aantal bomen niet worden behouden. • 5.
Aan het oostelijk eind van het Waddenstraat bij de hoge torens een grote groep met essen en esdoorns. Deze groep wordt grotendeels opgenomen in het
•
•
Waddenpark. Een deel van de groep belandt in een nieuw bouwperceel en zal hier niet of maar beperkt kunnen worden ingepast. 6. Bomenrij van hoofdzakelijk lindes aan de Amelandstraat. Een aantal bomen staat niet in lijn met overige bomen. Om de boomstructuur te versterken en het voetpad als lange lijn naar Zwemmerslaan/Groene Zoom te realiseren is het wellcht wenselijk deze bomen te verwijderen of te verplaatsen. 7. Bomenrij (essen) westelijk deel Waddenstraat. Deze wordt geheel behouden.
Er zijn geen monumentale bomen in de Waddenbuurt, wel is de rij platanen bij de entree van de wijk aan de Zuiderzeelaan ouder dan 50 jaar, en daarmee wordt deze beschouwd als “gemeentelijk waardevol”. Ook zijn er bomen die tussen 45 en 50 jaar oud. Bomen ouder dan 50 jaar worden in beginsel gehandhaafd op de bestaande locatie. De focus ligt op de kwaliteit en niet op de kwantiteit van bomen. Grote bomen hebben een veel sterker effect op het ruimtelijk beeld, op biodiversiteit en klimaat (hittestress, windhinder, wateroverlast) dan meerdere kleine bomen. Daarom worden vooral boomsoorten toegevoegd van de 1e grootte (bomen met een uiteindelijke hoogte tussen 12 en 20 meter), en van de 2e grootte (bomen met een hoogte tussen 6 en 12 meter). Ook wordt ingezet op kwalitatief goede standplaatsen voor de bomen zodat deze de volledige levensduur vol kunnen maken. Bomen krijgen een duurzame groeiplaats, zoals in het HIOR is vastgelegd.
Eisen: •
•
Het ontwerp houdt rekening met bestaande bomen binnen en buiten de gemeentegrond. In het algemeen geldt voor bestaande bomen dat deze behouden blijven, tenzij goed onderbouwd wordt op basis van een ontwerp(studie) in combinatie met een bomenonderzoek en/of Boom Effect Analyse dat instandhouding niet mogelijk of niet wenselijk is. Wanneer mogelijk worden bestaande bomen die niet op hun plek kunnen blijven staan verplaatst. Dit geldt nog eens in het bijzonder voor monumentale en beschermwaardige (50+) bomen. Indien een deel hiervan niet behouden kan worden is een kwalitatief compensatieplan een vereiste. Op de kaart “waardevolle boomstructuren” is aangeduid welke bomen er binnen deze boomstructuren ten minste dienen te worden behouden. Hierbij Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
67
Bestaande waardevolle bomen ouder dan 45 jaar (ouder dan 50 jaar zijn gemeentelijk beschermde status)
68
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Bestaande waardevolle boomstructuren - behoud en verwijderen
•
•
•
is ook gekeken naar de (visuele) kwaliteit en levensverwachting van de individuele boom. Op de kaart “waardevolle bomen op basis van leeftijd” is aangeduid welke bomen er (bijna) 50 jaar of ouder zijn en welke van deze bomen ten minste behouden dienen te worden. Hierbij is ook rekening gehouden met de (visuele) kwaliteit en levensverwachting van deze bomen. Van niet te behouden bomen wordt in de fase van het VO inrichtingsplan een waardeberekening uitgevoerd van de ecosysteemdiensten (met i-Tree of een vergelijkbare tool). Bij oplevering van het project dient 50% van de verloren gegane waarden gecompenseerd te zijn, na 10 jaar dient 100% van de waarden te zijn gecompenseerd. Bij ecosysteemdiensten van bomen gaat het bijvoorbeeld om schaduwwerking, het afvangen van vervuilende stoffen, hemelwaterregulering en ecologische waarden. Aan de bovengrondse standplaats van bomen worden deze eisen gesteld: ◦◦ boom 1e grootte (= > 15 meter hoog en 10 meter breed), plantafstand minimaal 5 meter uit de gevel, streefafstand 6 meter; ◦◦ boom 2e grootte (= 8 tot 15 meter hoog en 7,5 meter breed), plantafstand minimaal 4 meter uit de gevel, streefafstand 5 meter; ◦◦ boom 3e grootte (=<8 m en 5 meter breed), plantafstand minimaal 3 meter uit de gevel streefafstand 4 meter; ◦◦ afstand van volgroeide kroon tot gevel minstens één meter, om overlast aan gebouwen te voorkomen.
◦◦ bomen zoveel mogelijk in groen, niet in verharding, planten.
Wensen: • In het algemeen gaat de voorkeur uit naar toevoeging van bomen in de openbare ruimte van de eerste grootte. • In de binnentuinen worden bomen geplaatst, waaronder bomen van de 1e en 2e grootte.
5.2.6
Groenbalans
Het uitgangspunt is dat de openbare ruimte met groen aansluit bij de vuistregel 3-30300. Dat wil zeggen dat vanuit iedere woning zicht is op ten minste drie bomen, minimaal dertig procent van de openbare ruimte onverhard en groen is en het vanuit elke woning op maximaal 300 meter een groengebied van voldoende formaat (park of groter plantsoen) te bereiken is. Op minder dan 300 m afstand van iedere woning zijn het Romolenpark en Molenburgpark gelegen en daartussenin ligt ook nog het Wadddenpark. Het huidige groenoppervlak binnen het plangebied (op basis van plangrens op spelregelkaart) is ca. 30%, waarbij groen van privétuinen niet is meegerekend. Een deel van dit groen is op niet-gemeentelijke grond van met name woningcorporaties. Na herontwikkeling zal dit percentage ten minste gelijk blijven, doch er wordt gestreefd naar een toename tot ca. 35%. Het groen krijgt daarbij meer kwaliteit. Niet alleen in de openbare ruimte wordt groen gerealiseerd, maar ook binnen de bouwpercelen (collectief) groen. Dit is uitgewerkt in de spelregels per bouwperceel. Het bestaande groen bestaat op hoofdlijnen uit: • groenzone langs Europaweg, bestaande uit bomen, gras en bosplantsoenvakken; • grasbermen met bomen in de straten; • plantsoenen met bomen; • niet-gemeentelijke groenstroken langs portiekflats, bestaande uit heesters met bomen. De groenzone Europaweg blijft grotendeels behouden.
Alleen ter hoogte van de middelste flat zal wat groen verdwijnen omwille van uitbreiding van het parkeerterrein (zodat er geen parkeren langs het Waddenpark nodig is). Ook krijgen alle bestaande en nieuwe straten (inclusief de paden door de grote bouwpercelen) brede bermen. Daarbij wordt het groene beeld versterkt door tuinen met hagen. Het pleksgewijze groen – de plantsoenen en groenstroken bij de portiekflats - wordt vervangen door een grotere, samenhangende groenstructuur (Waddenpark) en collectieve tuinen binnen de bouwpercelen. Daarnaast wordt de speelplek in het middengebied (nabij Waddenschool) behouden.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
69
Eisen: •
• • •
•
• •
5.3 Behoud van de groenzone Europaweg, met alleen een lokale vergroting van het bestaande parkeerterrein, zoals weergegeven in het schetsontwerp voor de openbare ruimte. Alle straten krijgen brede groene bermen. Het Waddenpark wordt gerealiseerd als centrale groene ruimte voor de hele buurt. Binnen het plangebied is na volledige herontwikkeling het oppervlak groen gelijk aan of hoger dan de huidige situatie (ca. 30%). Het betreft zowel openbaar groen als collectief groen op uitgegeven terrein, te behouden en nieuw groen. Het is een gedeelde opgave voor de openbare ruimte en uitgegeven terreinen om hiervoor te zorgen. Het zijn communicerende vaten: als er meer verharding in de openbare ruimte nodig is dan in dit PvEL is verondersteld (zie bijlage), dan zal dit moeten worden gecompenseerd met meer groen op de bouwpercelen, en vice versa. Binnen de grote bouwpercelen met binnenhof (bouwperceelnummer 2, 4, 6) wordt in totaal ten minste 20% maaiveldgroen (t.o.v. het oppervlak van het bouwperceel, inclusief publieke doorgangen) gerealiseerd. Een hoger percentage dan 20% kan nodig zijn wanneer er meer verharding in de openbare ruimte nodig is dan in dit PvEL is verondersteld (zie bijlage). Vanuit iedere woning is zicht op 3 bomen. De ontwikkelende partijen dienen een groenparagraaf op te stellen als onderdeel van het stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan voor de buitenruimte.
Hierbij wordt de bestaande en de nieuwe situatie tegen elkaar afgewogen en wordt de nieuwe situatie onderbouwd. Dit betreft: de groenoppervlakte, de bomen, ecologische waarden, beeldkwaliteit, gebruikswaarde en de instandhouding en beheer.
Wensen: • Toename van groenpercentage in het hele plangebied van ca. 30% naar 35%. • Binnen de bouwvelden is een hoger groenpercentage dan 20% gewenst. Binnenhoven worden zoveel mogelijk groen ingericht.
70
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Energie en circulair
Het verhogen van de dichtheid in bestaand stedelijk gebied is een duurzame oplossing voor de gevraagde extra woningen. Immers hiermee wordt groen buiten de stad gespaard, worden verkeersbewegingen beperkt en kan gebruik worden gemaakt van bestaande infrastructuur. Gebouwen worden zo efficiënt en adaptief mogelijk ontworpen qua kosten, materiaal en ruimte. Denk aan een hoge plint, extra dragend vermogen, flexibel indeelbare plattegronden, het overdimensioneren van de draagstructuur, et cetera. Waar de casco’s van de gebouwen ontworpen moeten zijn voor de eeuwigheid, geldt voor de inbouw van de gebouwen juist dat ze makkelijk kunnen worden vervangen. Deze verandert immers elke 8 tot 15 jaar. Zuinigheid met grondstoffen betekent voor de inbouw dat alle onderdelen simpel te demonteren moeten zijn. Zodanig dat die onderdelen niet hoeven worden weggegooid maar op een andere plek opnieuw kunnen worden gebruikt. Dit betekent ook dat de daar toegepaste materialen geschikt moeten zijn om hoogwaardig hergebruikt te worden. Waar passend worden innovatieve hernieuwbare materialen toegepast om uitputting van eindige grondstoffen tegen te gaan. Materialen die vrijkomen bij de sloop van gebouwen en infrastructuur worden zoveel mogelijk hergebruikt of gerecycled. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke eisen.
De inrichting zorgt ervoor dat er zo min mogelijk energie wordt verbruikt, met behoud van comfort voor de bewoners. In Schalkwijk zal een warmtenet worden aangelegd. Voor aansluiting van bestaande en/of nieuwe gebouwen op dit warmtenet dient binnen de Waddenbuurt tracéruimte te worden gereserveerd. Nieuwe woningen worden bij voorkeur op dit warmtenet aangesloten. Voor bestaande woningen is dit ook het streven, doch is dit niet afdwingbaar. Vandaar dat in een deel van de buurt ook gasleidingen nodig zullen blijven.
Verspreid door de buurt zijn vrijstaande trafo’s aanwezig. Deze worden zoveel mogelijk geïntegreerd in de nieuwe ontwikkelingen. Vanwege de toename van het aantal woningen en de energietransitie zullen er extra trafo’s en mogeljk andere technische ruimtes voor warmtevoorziening nodig zijn. Deze worden inpandig binnen de bouwpercelen ingepast (zie hoofdstuk 4).
Randvoorwaarden: • De wettelijke eisen m.b.t energieprestatie van nieuwe gebouwen en circulair ontwerp gelden. • De aanleg en het gebruik van zowel open als gesloten bodemenergiesystemen is onder de Omgevingswet een aangewezen milieubelastende activiteit. • Onder de Omgevingswet gelden algemene rijksregels voor open en gesloten systemen. Ook de lozingen die horen bij de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen, zijn onderdeel van deze milieubelastende activiteit (artikel 2.3 Bal). Eisen: •
•
•
•
Bij grondgebonden woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling maximaal 55kWh/m2/jaar, bij gestapelde woningen is dit maximaal 65kWh/m2/jaar (BENG1). Dit komt overeen met niveau brons in het Convenant Toekomstibestendige Woningbouw. Het aandeel hernieuwbare energie is voor grondgebonden woningen minimaal 100% en voor gestapelde woningen minimaal 60% (BENG3) conform niveau brons in het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw Voor gebruik van bodemenergie dient een vergunning te worden aangevraagd. Rekening moet worden gehouden met de Verordening aanwijzing interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Haarlem 2023. Om doelmatig gebruik van bodemenergie te bevorderen is voor Schalkwijk een interferentiegebied vastgesteld. Daarnaast is de Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden Schalkwijk van toepasing. Deze beleidsregel is erop gericht dat de bodemenergiesystemen die worden aangelegd optimaal kunnen worden benut. De bronput en het leidingwerk van een eventuele WKO mogen niet worden geplaatst in de openbare ruimte, tenzij het een zeer afgebakend gebied
• •
betreft en het geen belemmering oplevert voor het collectief warmtenet (ter beoordeling door gemeente). Trafo’s en andere installaties t.b.v. energie en warmte worden inpandig geplaatst. Bestaande trafo’s die op ongewenste plekken in de openbare ruimte staan worden vervangen door nieuwe trafo’s die geïntegreerd worden in de bouwpercelen.
Wensen: • Het is gewenst om te voldoen aan het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw m.b.t.de thema’s circulariteit en toxiciteit in materialen. • Toekomstige ontwikkelingen, inzichten en innovaties op het gebied van energie en duurzaamheid kunnen aanleiding zijn om de doelen iets anders uit te werken en de concrete eisen m.b.t. de energieprestatie van nieuwe woningen en het minimale aandeel hernieuwbare energie bij te stellen. • Aansluiten op toekomstig, gepland, warmtenet. • Grote en collectieve bodemenergiesystemen hebben de voorkeur boven kleine systemen. Het is van belang de bodemenergiesystemen voor de hele ontwikkeling en eventueel ook de omliggende wijk(en) te inventariseren. Mogelijk kunnen systemen gecombineerd ontworpen worden. Dit zorgt voor kostenbesparing, efficiënter ondergronds ruimtegebruik en een beperkter effect van negatieve interferentie. • Hergebruik/recycling van sloopmaterialen. • Zuinigheid met grondstoffen. • Gebouwen worden zo efficiënt en adaptief mogelijk ontworpen qua kosten, materiaal en ruimte. • Demontabele inbouw, waarbij de onderdelen qua kwaliteit geschikt zijn voor hergebruik. • T.b.v. het warmtenet zal mogelijk een warmtehub moeten worden ingepast in het plangebied of de nabije omgeving. Uitgangspunt is dat deze niet binnen de bouwpercelen wordt gesitueerd.
Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
71
Waterstructuur
Fraai vormgegeven verbinding tussen wadi’s/greppels, eenduidig in de hele buurt 72
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
Brede, verdiepte berm functioneert als wadi
Een wadi kan beplant zijn met vaste planten.
5.4
Waterhuishouding
De gebouwen en buitenruimte van de Waddenbuurt zijn bestand tegen het veranderende klimaat waarbij we te maken krijgen met enerzijds meer piekbuien en anderzijds droge hete periodes. Er wordt zuinig omgegaan met regenwater; het wordt zoveel mogelijk lokaal hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem. Het Waddenpark krijgt een grote betekenis voor wateropvang en -infiltratie voor de hele buurt. Het park bestaat voor een wezenlijk deel uit wadi’s en wellicht een vijver. Daarnaast zijn er de volgende mogelijkheden voor het bergen van water: • waterberging onder speelvelden; • waterberging in straatbermen, verdiepte ligging (wel rekening houden met bestaande te behouden bomen); • waterberging onder wegen (waterbergende wegfundering); • waterberging onder parkeerterrein (waterbergende wegfundering); • waterberging op wegen.
Randvoorwaarde: • Er dient te worden voldaan aan de regels Waterschapsverordening Rijnlandse Keur o.a. ten aanzien van doorstroming, verhardingstoename, waterkwaliteit, beheerbaarheid, duikers. Eisen: •
•
• Huidige hoogtes maaiveld, water en grondwater (bron: Grondwaterplan van Aveco de Bondt, 21 mei 2024). Het maaiveldniveau van de huidige wegen in het projectgebied varieert tussen de NAP 0,3 m en NAP 0,6 m. Het particulier terrein en het openbaar groen ligt over het algemeen hoger dan de wegen. Het projectgebied ligt in het boezemgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland met een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Op basis van het gemeentelijk grondwatermodel varieert de grondwaterstand in een natte periode tussen NAP -0,3 en -0,6 m. In een droge periode varieert de grondwaterstand volgens het model tussen NAP -0,9 en -1,1 m.
Drainage (bron: Grondwaterplan van Aveco de Bondt, 21 mei 2024). In de huidige situatie is een (verouderd) drainnagestelsel aanwezig. Geadviseerd wordt om onder alle openbare wegen in het projectgebied en onder de geplande wadi’s drainage aan te leggen. Bij de wadi’s is dit van belang omdat de verwachting is dat de waterdoorlatenheid van de bodem niet voldoende is om de wadi’s binnen 24 tot 48 uur te ledigen. Het geadviseerde drainage-instelniveau is -0,6 m NAP, wat net boven het oppervlaktewaterniveau is. Het aanlegniveau (b.o.b.) van de drainage in openbaar gebied wordt geadviseerd op minimaal NAP -1,35 m.
• •
Het oppervlak verharding binnen de Waddenbuurt dient niet toe te nemen. In de bijlage is dit onderbouwd op basis van het schetsontwerp van de openbare ruimte en de gedefinieerde bouwpercelen. Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Bij zeer hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. Dit betekent dat 70 mm (90 mm – 20 mm verwerking via HWA) in het plangebied moet worden geborgen. Deze eisen zijn conform het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Boven de 90 mm staat water op straat (calamiteitenberging) en vindt afvoer plaats naar bestaand boezemwater via hwa-riolen en oppervlaktewater. Er mag geen hemelwater worden geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. Berging van 70 mm vind plaats op eigen terrein. De voorzieningen voeren de eerste 24 uur vertraagd af en zijn in maximaal 60 uur weer beschikbaar.
Hemelwaterberging (met of zonder hergebruiksysteem) dient aan de volgende eisen te voldoen: ◦◦ heeft een minimale capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak; ◦◦ loost maximaal 3 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak per uur op een openbaar riool met een maximum van 3 m3 per uur per perceel; ◦◦ heeft 24 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer ten minste 25 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar; ◦◦ heeft 60 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer ten minste 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar. ◦◦ volgt de verwerkingsvolgorde: infiltratie in de bodem; afvoeren naar oppervlaktewater; afvoer naar hemelwaterriolering; afvoer naar gemengde of vuilwaterriolering. Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt
73
Bestaande kabels en leidingen 74
Gemeente Haarlem - Afdeling Omgevingsbeleid
• •
•
Het Waddenpark krijgt een wezenlijk betekenis voor wateropvang en -infiltratie voor de hele buurt. Bij langdurige droogte (potentieel maximaal neerslagtekort 300 mm, eens per 10 jaar) wordt schade aan bebouwing, wegen, groen en vitale en kwetsbare functies voorkomen. Voor zover hierboven nog niet benoemd, zijn eisen m.b.t. klimaatadaptatie uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw, niveau brons, van toepassing.
Wensen: • Bij voorkeur neemt de oppervlakte verharding af. • Waterberging, zowel in de openbare ruimte als binnen de bouwpercelen, wordt zoveel mogelijk met natuurlijke middelen (zoals wadi’s) gerealiseerd. • Bermen in straten liggen zoveel mogelijk verdiept.