3 Bijlage 2 HIOR Haarlem oktober 2023
Tekst van het document
rand wadi - kant weg
0,5
1,50
Of gecentreerd in boomvak
2,5
Bij toepassing van boombunker minimaal 1m afstand hanteren
81
Kabels en leidingen Vrije zone gevel - K&L
betreft * dagmaat
min. (m) 0,2
wens (m) 0,4
Vrije zone t.b.v. huisaansluitingen Data kabelbed
dekking
0,55-0,85-mv
breedte dekking dekking
0,15 0,45-0,55-mv 0,85-0,95-mv
0,5
Vrije zone tussen datakabel bundels
dagmaat
0
0,1
Glasvezel-elektra LS Glasvezel-elektra MS Koperkabel-elektra
dagmaat dagmaat dagmaat
0,1 0,5
0,25
Elektra kabelbed Laagspanningskabels onderling Middenspanningkabels onderling LaagspanningMiddenspanning
breedte dagmaat
0,15 0,1
0,5 0,1
dagmaat
0,3
0,5
dagmaat
0
0,1
Toelichting Bij een vrije zone van 0,3m kan er een geveltuin worden gemaakt van max 0,3m breed Deze zone is uitsluitend bestemd voor kruisende (huisaansluiting)leidingen en moet te allen tijden vrij zijn van doorgaande leidingen
Bij een smalle strook voor data en meerdere aanbieders kan in twee lagen worden gelegd. Dit heeft echter niet de voorkeur en is tevens niet mogelijk als er middenspanning naast ligt
0,5
Laagspanning dekking 0,45-0,55-mv Middenspanning dekking 0,85-0,95-mv 0,9 Elektra MS-gas dagmaat 0,3 Elektra MS-warmte dagmaat 0,3 0,5 * dekking = afstand van het maaiveld c.q. verharding tot de bovenkant van het net
Om onderscheid te maken tussen de kabels van verschillende aanbieders dienen de kabels gebundeld in de grond te worden gelegd. Aanvullend kan er worden gewerkt met verschillende kleuren Daar waar MS aanwezig is, mag geen glasvezel verdiept worden aangelegd Hou bij een kleinere afstand dan 0,5m rekening met storing. Om ruimte te creëren in de ondergrond kan worden afgesproken zoveel mogelijk koper te verwijderen en niet terug te plaatsen
Middenspanning wordt dieper aangelegd. Deze mag bij uitzondering en in overleg met Liander ook ònder Laagspanning worden aangelegd in 8m profiel
Houd bij stalen warmte leidingen rekening met beïnvloeding
82
Kabels en leidingen Gas-water
betreft * dagmaat
min. (m) 0,25
Gas-warmte
dagmaat
0,25
Gas Water
dekking dekking
0,85 1
0,9 1,2
Water-elektra MS Water-warmte
dagmaat dagmaat
0,3 1
0,5 1,5
Warmte Verhoogde band tussen weg en trottoir/groenstrook - K&L K&L-straatlantaarns Boom-K&L
dekking dagmaat
0,85 0,1
1 0,2
dagmaat hart boombuitenkant K&L
0,3 1,1
Wortelscherm-K&L Ondergrondse container-K&L Kolk-K&L Put-K&L Sleufstempeling riool - K&L Riolen onderling
wens (m)
dagmaat 0,1 dagmaat 0,25 dagmaat 0,25 dagmaat 0,5 dagmaat 0,3 h op h 800 1250 afstand Riolen dekking 1,2m-mv Drainage dekking 1,4m-NAP * dekking = afstand van het maaiveld c.q. verharding tot de bovenkant van het net
Toelichting Uitgangspunt bovenkant waterleiding ligt dieper dan of gelijk aan het hart van de gasleiding Uitgangspunt bovenkant warmteleiding ligt dieper dan of gelijk aan het hart van de gasleiding Om opwarming van waterleiding te voorkomen is het wenselijk deze dieper aan te leggen dan 1,0m Van de 1,5m kan worden afgeweken in specifieke gevallen. (plaatselijk, lage temperatuur, kleine diameter) altijd en uitsluitend in overleg met PWN
Een wortelscherm zorgt voor mitigerende maatregelen. De afstand voor het plaatsen van een wortelscherm moet altijd in overleg met de kabel- en leidingbeheerder en de groenbeheerder. Bijvoorbeeld bij smal wortelende bomen moet het scherm minimaal op 1m uit de boom geplaatst worden
Detaileringen
83
Groen blauwe voorzieningenstrook
84
Om beleidsdoelen zoals meer groen, meer biodiversiteit, betere toegankelijkheid, klimaatadaptatie en duurzame mobiliteitsambities ook in de woonstraten zoveel mogelijk te verwezenlijken wordt de groen-blauwe voorzieningenstrook geïntroduceerd. De groen-blauwe voorzieningenstrook: een zone van minimaal 2m breed is in eerste instantie bedoeld voor bomen, beplanting en klimaatadaptatie en in tweede instantie voor het plaatsen van de nodige voorzieningen zoals ondergrondse vuilcontainers, fietsplekken, lichtmasten, straatmeubilair, parkeren, etc. Momenteel wordt vrijwel deze gehele ruimte ingenomen door geparkeerde auto’s. Dit doet onnodig veel afbreuk aan de leefbaarheid van de woonstraat. Als de mobiliteitstransitie, met bijbehorend parkeerbeleid, zich doorzet zal de geparkeerde auto geleidelijk aan plaats gaan maken voor andere functies zoals groen en verblijfsruimte. Het trottoir watert af in de groen-blauwe voorzieningenstrook. Deze wordt dan ook zo sponzig mogelijk gehouden door de toepassing van bomen en begroeiing, en eventueel door het toepassen van waterdoorlatende verharding ter plaatse van fietsplekken (afhankelijk van de ondergrond en gebruik, afstemmen met klimaatadviseur en beheerder van de gemeente).
Wat hoort thuis in de groen-blauwe voorzieningenstrook: • Beplanting zoals vaste planten, wilde bloemen, bolgewassen, hagen, heesters, bomen, zie richtlijnen groen) • Ondergrondse vuilcontainers • Fietsplekken • Trafo-kasten • Verblijfsruimte (bijvoorbeeld een picknick-plek voor de buurt of een terras in het centrum)
Door de groen-blauwe voorzieningenstrook vrij te spelen van ondergrondse infra en te vullen met goede grond ontstaan er langgerekte plantsleuven met goede en gezonde groeiomstandigheden voor de bomen, die zich daardoor goed kunnen ontwikkelen: optimale schaduw en biodiversiteit!
Voorbeelden grasverharding met klinkers
85
Inritconstructie van klinkers en/of inritblokken
Molgoten
86
Kruising in gebakken klinkers
Verkeersdrempel klinker arcering
87
Kantopsluiting halfverharding in groen
88
Parkeren: kruisarcering en markering voor minder validen
Minder-validen parkeerplaatsen vragen vooral om een ruimere maatvoering in de breedte en in de lengte. Autoportieren dienen geheel opengeklapt te kunnen worden en achter de auto dient ruimte vrijgehouden te worden voor het in en uitladen van een rolstoel. Bepaal per locatie of extra ruimte in de lengte- of breedterichting mogelijk is.
5. Klimaatadaptatie
89
5.1 Algemene klimaatrichtlijnen •
•
•
•
Van toepassing zijn: het Strategisch Plan Klimaatadaptatie Haarlem, de richtlijn duurzaam bouwen, de Verordening op de afvoer van hemelwater Haarlem 2022, het Stedelijk Waterplan, en de Intentieovereenkomst Klimaatbestendige nieuwbouw MRA en Noord-Holland. Voor de klimaatbestendige inrichting van de private omgeving stelt de gemeente geen andere eisen dan de eisen die in deze HIOR en de Verordening op de afvoer van hemelwater in Haarlem 2022 zijn omschreven. Voor een klimaatbestendige inrichting van de publieke ruimte wordt in overleg met de gemeente (met een nog op te stellen Afwegingskader Klimaatbestendige Inrichting) de meest geschikte maatregel bepaald. De voorkeurstrits (vasthouden/infiltreren, bergen, afvoeren) dient zoveel als mogelijk te worden toegepast. Zorg voor het benutten, tijdelijk vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater door bijvoorbeeld: toepassing van vegetatiedaken, grindbeken, wadi’s, (half-)open verharding en afstroming naar en infiltratie in groenstroken.
5.2 Hevige neerslag • • •
Het ontwerp biedt een integrale oplossing voor hevige neerslag en voldoet aantoonbaar aan onderstaande richtlijnen: Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen; Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en
• •
•
• •
bereikbaar; In het gebied is natuurlijke afwatering zoveel mogelijk aanwezig; Bij een waterdiepte van 20cm op rijbaan door extreme regen en/of overstromingen mag er geen schade optreden aan gebouwen en elektrische installaties in de openbare ruimte en blijven hoofdwegen begaanbaar; Wegprofiel: Kies in overleg met een klimaatadviseur van de gemeente voor: • een hol profiel als waterberging op straat nodig is (kuipvormig) • een tonrondprofiel als er een combinatie met een waterbergende fundering (waterinfiltratie) mogelijk is Deze voorstellen in gezamenlijk overleg met de klimaat- en technisch adviseur en beheerders bespreken. De ontwikkeling gebeurt waterneutraal, houdt stroombanen in stand en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater binnen de ontwikkeling wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. Hemelwater in het te ontwikkelen plangebied mag niet afgewenteld worden op het naastgelegen gebied.
Holle weg
90
De grootte van de gemiddelde en/of incidentele bui is aan het toenemen. Een bui tot 20mm/uur kan de bestaande riolering meestal goed verwerken, daarboven loopt in veel gevallen het riool vol en komt er (tijdelijk) water op straat te staan. Om water op straat goed te kunnen opvangen en vervolgens langzaam te laten wegzakken of wegstromen is het holle straatprofiel geïntroduceerd. Op deze manier ontstaat er een kuip waarin het regenwater van een grote bui zich verzamelt als het riool in volgelopen. Zo wordt voorkomen dat regenwater de huizen in loopt. Overleg met een riolerings- en klimaatadaptatiedeskundige van de gemeente of een hol profiel mogelijk en wenselijk is.
Bolle weg
Een tonrond of bol profiel kan in principe minder grote hoeveelheden water bergen. Dit vergroot de kans op wateroverlast bij grote buien. Overweeg bij een tonrond profiel of er een combinatie met een waterbergende fundering mogelijk is (in overleg met een klimaatdeskundige van de gemeente).
91
5.3 Langdurige droogte
Het ontwerp houdt in de integrale oplossing rekening met langdurige droogte door onderstaande uitgangspunten te hanteren: • Bij langdurige droogte (potentieel maximaal neerslag tekort 300 mm, eens per 10 jaar) wordt schade aan bebouwing, wegen, groen en vitale en kwetsbare functies voorkomen; • De verwachte en met het grondwatermodel berekende grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte zijn sturend voor de inrichting van het plangebied; • Gebied specifiek worden een restzettingseis en bijbehorende maatregelenset tegen bodemdaling gekozen die over de levensduur van zestig jaar maatschappelijk het meest kosteneffectief zijn voor openbaar en privaat terrein; • Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte.
5.4 Extreme hitte
Het ontwerp biedt een integrale oplossing tegen extreme hitte en voldoet aantoonbaar aan onderstaande richtlijnen: • Er is tenminste 40% schaduw voor langzaamverkeersroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer; • Koele plekken (minimaal 200 m2) zijn op loopafstand (maximaal 300m) aanwezig; • Tenminste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen;. • Vitaal en kwetsbare functies blijven beschikbaar bij hitte; • Koeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs) ruimtes in de directe omgeving.
5.5 Kans op overstroming
Afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte wordt ingezet op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen. Welke eisen van toepassing zijn op het plangebied is dus afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden in de klimaateffectatlas. • Bij overstromingen mag er geen schade optreden aan gebouwen en elektrische installaties in de openbare ruimte en blijven hoofdwegen begaanbaar; • Er dienen maatregelen genomen te worden om schade te beperken in een geval van een overstroming, mits deze doelmatig zijn; • Er moeten maatregelen getroffen worden om veilig te kunnen schuilen of te evacueren in het geval van een overstroming.
6. Huishoudelijk afval
92
6.1 Afvalinzameling Richtlijnen voor locatiebepaling (Semi) ondergrondse containers en bovengrondse verzamelcontainers: • De locatiebepaling van (semi)ondergrondse containers, bobengrondse containers en GFT op standaard vindt in overleg met Spaarnelande en BBOR plaats. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk en veilig is voor inzamelwagen als voor bewoners. • Bij herinrichting of reconstructie worden de bestaande afvalvoorzieningen door Spaarnelande beoordeeld op locatie en gebruik. Een aanpassing kan noodzakelijk zijn; • Containers worden geplaatst volgens de afwegingsmethodiek SOR (dus in principe in de groen- blauwe voorzieningenstrook/ parkeerstrook). Bij de locatiekeuze wordt het openbaar groen zoveel mogelijk ontzien. • Containers moeten bij voorkeur geplaatst worden voor een opgaande rand c.q. gevel. Met betrekking tot de afstand tussen een container en de gevel (lees: de gevel waar de ramen van de woonkamer zijn) van een woning wordt in ieder geval een minimumafstand gehanteerd van driem. Voor andere zijden van een woning geldt dat de minimumafstand minder dan éénm kan bedragen, bijvoorbeeld als er geen (direct) uitzicht op de container is. De container wordt zoveel mogelijk buiten eventuele haakse zichtlijnen ten opzichte van de gevel met woningen geplaatst. • Doorgaande routes op trottoirs worden altijd vrijgehouden.
• De containerlocatie is niet achter parkeerplaats, vanuit de positie van de ledigingsauto. Containers worden in beginsel niet direct naast een speelplaats geplaatst. Containers mogen niet op laad- en losplaatsen, bushalten of invalidenparkeerplaats geplaatst worden. • Indien een container bij parkeerplaatsen geplaatst moet worden, dan moet er rekening mee gehouden worden dat een openstaande
• •
•
•
autodeur en de voorzijde van een auto 0,5m van het platform (traanplaat) afblijven. Wanneer de ondergrondse container is geplaatst mag het niet mogelijk zijn dat een voertuig op de traanplaat kan parkeren. Wanneer die kans aanwezig is dient de locatie met adequate afschermingsmiddelen (zoals paaltjes) te zijn afgeschermd. De container wordt niet binnen de kroonprojectie van bestaande bomen geplaatst, ter voorkoming van schade aan wortels en boomkroon. De richtlijn voor de loopafstand naar een container voor restafval is maximaal 250m (artikel 4 lid 8 Uitvoeringsbesluit). De loopafstand naar een grondstoffencontainer moet zo klein mogelijk zijn (maatwerk afhankelijk van de aard en samenstelling van de wijk). PBD-, glas-, papier- en textielcontainers ((semi) onder- of bovengronds) en GFT standaard worden verspreid geplaatst over de wijk om het gebruik zo evenredig mogelijk over de containers te verdelen en als achtervang bij winkelcentra. Ondergrondse containers zodanig plaatsen dat deze buiten de uitzichthoeken van de kruisingen staan, zodat het zicht op de kruisingen niet wordt belemmerd.
Boomaanplant Wanneer er sprake is van vergroening (aanplanten bomen) in de buurt van ondergrondse afvalcontainers of wanneer er ondergrondse containers in de nabijheid van bestaande bomen aangebracht dienen te worden dan dient er rekening gehouden te worden met ten minste 10m hoogte vrije ruimte voor de kraan. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met de draaicirkel van de kraan. De boom staat tenminste op 5,0m van het ondergrondse deel van de afvalcontainer. Het zou zoveel mogelijk vermeden moeten worden dat bomen (regelmatig flink) gesnoeid moeten worden om lediging van containers mogelijk te houden.
93
In situaties met bestaande bomen is het belangrijk dat, voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, een BEA (Bomen Effect Analyse) wordt uitgevoerd. Overige nieuwe objecten Wanneer er sprake is van wijzigingen in objecten in de buurt van afvalinzamelvoorzieningen (ondergrondse containers) dan dient er rekening mee gehouden te worden dat de ledigingswerkzaamheden ruimte vragen voor zowel de bereikbaarheid als de lediging. De kraan vereist een vrije werkhoogte van ten minste 10m waarbij tevens rekening gehouden moet worden met de zwaai van de container van put naar inzamelauto en weer terug. Objecten die hier mogelijk in de weg staan zijn: openbare verlichting, overhangende balkons en boomkruinen (uitgangspunt is niet snoeien). Richtlijnen voor opstelplaatsen mini(rol)containers 140/240/260 liter inhoud/rolcontainers: • De locatiebepaling van de opstelplaatsen van rolcontainers vindt in overleg met Spaarnelande en BBOR plaats. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk is voor inzamelwagen als voor bewoners. • Voorkomen dient te worden dat de inzamelvoertuigen achteruit moeten rijden en draaien. • Er wordt uitgegaan van circa 15 tot 20 containers per verzamelopstelplaats. Houdt rekening met eventuele opritjes. • De voorkeur voor situering van een opstelplaats is waar mogelijk in een parkeervak.
Op het aangewezen parkeervak moet voor de betreffende inzameldagen een parkeerverbod (verkeersbord) zijn ingesteld. Het verbod geldt van 20:00 uur de dag voor inzameling tot 20:00 uur van de inzameldag. • Met betrekking tot de afstand tussen een containeropstelplaats en de gevel (lees: de gevel waar de ramen van de woonkamer zijn) van
• • •
een woning wordt in ieder geval een minimumafstand gehanteerd van driem. Opstelplaatsen worden moeten zo gesitueerd worden dat bij het ledigen geen schade aan bomen, lantaarnpalen, auto’s, verkeersborden etc. kan optreden. Bij de keuze van locaties mag de doorgang van voetgangers en rolstoelgebruikers niet worden gehinderd. Plaatsing van inzamelvoorzieningen in het groen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Als er toch geen alternatief is dan moet versnippering van het groen worden voorkomen. Het ontwerp voor plaatsing moet zo min mogelijk afbreuk doen aan de kwaliteit van de groenvoorziening.
7. Groen 7.1 Groen algemeen 7.1.1 Algemene uitgangspunten groen 1.
Haarlem gaat voor (maximaal) groen! Belangrijk is het streven naar de 3-30-300 vuistregel. Vanuit iedere woning zijn 3 bomen te zien, is 30 procent aan openbaar groen als percentage van het totale oppervlakte in de buurt aanwezig en is in de nabijheid van 300m van een woning een groen park of plantsoen toegankelijk. En we zetten in op de realisatie van het Haarlems Natuurnetwerk. 2. Het groenbeleid van de gemeente Haarlem is van toepassing bij het ontwerpen, aanleggen en beheren van (groen) projecten: Deze afspraken in de vorm van vastgesteld beleid, visies en ambities op het gebied van het vergroenen van de stad (Groenbeleidsplan), het Natuur Netwerk Haarlem, Hoofdbomenstructuur, Bomenbeleidsplan, Bomenverordening en monumentale bomen en natuurinclusief bouwen. 3. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het afgesproken beheerniveau (CROW) of ander te behalen (natuur)doelen.
7.1.2 Uitgangspunten bij ontwerp & beplantingsplan 1.
Het groenontwerp en beplantingsplan zijn eenvoudig en overzichtelijk en bestaan uit een beperkt aantal elementen en zijn robuust. Het groenontwerp maakt duidelijk hoe de boven- en ondergrondse groeiplaatsen voor de verschillende beplantingen worden aangelegd en welke voorzieningen er worden getroffen voor flora en fauna. 2. Een beplantingsplan bestaat uit een tekening op schaal waarop de verschillende plant- en boomsoorten zijn aangegeven. Daarbij horen plantlijsten met daarop het aantal planten per groep of plantvak, aantal per m2 en de te leveren maten.
94
3. Hou in elk plan rekening met de beleving van seizoenen. Daarbij past ook een jaarronde bloei en zaad/vruchtdracht van soorten, waaronder andere insecten en vogels van profiteren. Het toepassen van inheemse met inheemse soorten versterkt de biodiversiteit. 4. Maak in het ontwerp duidelijke grenzen tussen openbaar en privé, zodat duidelijk is wie waar verantwoordelijk is voor het beheer. 5. Maak een sociaal veilig ontwerp. Zorg voor voldoende zicht(-lijnen) en verlichting op de juiste plekken die niet belemmerd wordt door beplanting. Voorkom overhangend groen over stoepen en wegen. 6. Hou bij hoeken, kruisingen en oversteekplekken rekening met de maximumhoogte van beplanting in de obstakelvrijezone (0,40 m) en in de transparante zone (0,75 m). Waar de obstakelvrije en transparante zone liggen, verschilt per type kruising. Vraag hierover advies bij een verkeerskundige. 7. Het is niet toegestaan zwaar giftige soorten te planten binnen de begrenzing van speelplekken, voedselbossen, pluktuinen, (randen van) moestuinen en gebieden waar honden mogen loslopen. 8. Groen in mobiele systemen zoals gesloten plantenbakken (met bodem) en hangende manden, passen we in principe niet toe. Alleen als er sprake is van medebeheer, zijn gesloten plantbakken toegestaan. Dat wil zeggen wanneer het dagelijks beheer bij bewoners of ondernemers ligt. 9. Gebruik groen altijd klimaatadaptief.
Zorg dat het regenwater erin kan stromen. Leg plantvakken daarom bij voorkeur op maaiveldniveau aan zodat het regenwater erin stroomt. Verhoogde plantvakken worden alleen bij uitzondering en met een duidelijke reden waar a niveau geen voorkeur heeft of niet mogelijk is. 10. Zorg ervoor dat het groen goed te beheren is en bereikbaar voor de beheermachines. Stem de afstanden tussen bomen, randen en meubilair af op maaivoertuigen. 11. Stem bij groene inrichting van oevers met Rijnland af of en hoe onderhoud van de watergang gaat plaatsvinden.
95
12. Hou langs strooiroutes rekening met strooizout. Over het algemeen kunnen bomen en vaste planten slecht tegen strooizout (dooizouten). Kies voor strooizoutbestendig sortiment naast strooiroutes. Of zorg voor 1m afstand tussen de strooiroute en de beplanting. 13. Kies aan de randen van speelplekken voor beplanting die snel sluit en sterk is. Voorzie de plantvakken van lage afrastering of verhoogde randen (met waterdoorlaat openingen) om onder andere doorrijden met fietsjes onmogelijk te maken. Zorg voor schaduwplekken (met bomen) en zorg bij de uitgangen voor lage beplanting in verband met zicht van en op spelende kinderen en overig verkeer.
7.2 Bomen
7.2.1 Plantafstanden en soortkeuze Afstand tot de gevel Bij het aanplanten van bomen is het belangrijk om voldoende afstand te houden tot de gevel. Deze afstand wordt bepaald door de grootte en kroonbreedte van de boom in de volwassen fase en de dichtheid van de kroon. Ook maakt de oriëntatie van de gevel uit, zijn het noord- of zuidgevels. Randvoorwaarde is dat de boomgroei niet leidt tot overlast/ klachten en er regulier beheer kan worden uitgevoerd. Vuistregel is om bomen te planten op een afstand van 3m (minimaal 2m) van de gevel gerekend vanaf het hart van de boom. In smalle woonstraten < 10m kunnen alleen bomen van de 2e of 3e grootte worden gebruikt of soorten van de 1e grootte met een zuilvormige of piramidale kroon.
Afstand tot de rijbaan Afhankelijk van de rijsnelheid en verkeerstype gelden verschillende plantafstanden tot de rijbaan, de volgende minimale plantafstanden dienen te worden aangehouden: Profiel van vrije ruimte bij: >70 km/uur weg Minimale (hoogte): 4,6m
vereiste
Plantafstand t.o.v. binnenkant band 4,5m*
vrije
doorgang
kantstreep
of
Profiel van vrije ruimte bij: 50-70 km/uur weg Minimale (hoogte): 4,2m
vereiste
Plantafstand t.o.v. binnenkant band 1,00m
vrije
doorgang
kantstreep
of
* Bij toepassing van een vangrail kan de afstand worden verkleind
96
Profiel van vrije ruimte bij: <50 km/uur weg Minimale (hoogte): 4,20m
vereiste
Plantafstand t.o.v. binnenkant band 0,50m
vrije
kantstreep
Profiel van vrije ruimte bij: Fietspad, trottoir, parkeervak Minimale vereiste doorgang (hoogte): 2,50m
doorgang
vrije
Plantafstand t.o.v. kantstreep of binnenkant band 0,50m of gecntreerd in boomvak
of
Afstand tot parkeervak Bij de verschillende inrichtingsvarianten, zoals haaks-, schuin-, of langsparkeren, worden bomen verhoogd aangeplant in zogenaamde ‘oren’ of ‘vakken’, of à niveau met de geparkeerde auto’s. Er moeten voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat bij het in- en uitparkeren de stam geraakt wordt. Bij verhoogde ‘oren’ en ‘vakken’, wordt een afstand van > 0,5m auto tot boom gehanteerd. Afstand tot verlichtingsmasten De plantafstand van een boom tot hoge lichtmasten (hoogte > 6 m) moet 5m zijn; bij lage lichtmasten (hoogte 3-6 m) minimaal 3m (zie figuur). Bij bestaande bomen moeten nieuwe lichtmasten zoveel mogelijk midden tussen de bomen worden geplaatst, waarbij de kroon (grotendeels) boven het licht groeit.
97
Afstand tot riolering en drainagenetwerken Nieuwe bomen bij voorkeur niet plaatsen met de toekomstige boomkroonprojectie (in de eindtoestand) boven het riool of drainagenetwerk, dit ter voorkoming van wortelschade tijdens het vervangen van de riool of drainagenetwerk. Is dit niet mogelijk dan wel een minimale maat van stam tot bestaande riolering/drainage aanhouden van 3m. Bomen niet plaatsen op bestaande huis/kolkaansluitingen riolering maar minimaal 1m daarbuiten. De gemeentelijke diep- en stamriolen vormen het hoofdnetwerk en de slagaders van het Haarlemse rioolstelsel, om deze reden hebben zij een beschermde status, schade aan de leidingen een enorm negatief effect op het oppervlaktewater en milieu. Daarom mag er direct boven en ter weerszijde van 5m van deze leidingen geen werkzaamheid worden uitgevoerd die schade aan de leiding kan veroorzaken. De inspectieputten in deze leidingen dienen altijd toegankelijk te blijven en bouwwerkzaamheden in een zone direct boven tot 5m ter weerszijde van deze leidingen zijn niet toegestaan. Een tekening met daarop de ligging van de stamriolen kan opgevraagd worden bij BBOR. Afstand tot ondergrondse kabels & leidingen Afstand tot kabels en leidingen is belangrijk.
Niet alleen om schade aan de ondergrondse infrastructuur te voorkomen maar ook om te voorkomen dat bij onderhoudswerkzaamheden aan kabels en leidingen het wortelpakket van de boom dusdanig beschadigd raakt dat dit tot sterfte van bomen en/of gevaarlijke situaties leidt. In de situatie van: 1. Bestaande bomen en nieuwe ondergrondse infra, hierbij geldt het algemene principe dat de grondverbeteringsstroken voor bomen worden gescheiden van de ondergrondse infratracés. Kabels en
leidingen bundelen we zo veel mogelijk op een zo groot mogelijke afstand van de boom. • De minimale afstand tussen kabels en leidingen en hart stamvoet van een boom van de 1e grootte is 2m. Bij een boom van de 2e grootte is dit 1,5m. Bij een boom van de 3e grootte is dit 1m. • Voedingskabels voor lichtmasten kunnen zonder aanvullende maatregelen binnen een afstand van 0,5-1m worden aangelegd. • Er moet een afstand van minimaal 5m worden aangehouden ten opzichte van ondergrondse hoogspanningsleidingen (50-150 kV) en hogedruk gastracés. 2. Bestaande ondergrondse infra en nieuwe bomen, hierbij is het mogelijk om de bomen dichter op het ondergrondse infratracé aan te planten door gebruik te maken van een wortelscherm of –folie. Dit moet afgestemd worden met de kabel- en leidingbeheerder en de groenbeheerder. Let op, dat bij akkoord op het toepassen van scherm of folie, deze tot voorbij de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt aangebracht. 3. Passages van kabels en leidingen tussen de bomen door, zoals bij huisaansluitingen, moeten midden tussen de bomen worden aangebracht via van tevoren aangebrachte voorzieningen zoals mantelbuizen. Afstand tot ondergrondse containers In situaties waarbij een ondergrondse container bij nieuwe bomen geplaatst wordt, is de richtlijn dat deze, in het geval van een
98
bomenrij, bij voorkeur midden tussen de bomen komt te staan, met de zijkant van het ondergrondse deel op tenminste 5,0m uit het hart van de boom. Bij situaties met een ondergrondse container op de minimale afstand van 5,0m kies voor soorten die smal opgaand zijn. In situaties met bestaande bomen is het belangrijk dat, voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, een BEA (Bomen Effect Analyse) wordt uitgevoerd. Afstand tot kades en beschoeiingen Ter plekke van kade- en walmuren moet de afstand tussen het hart van de boom en de binnenkant van de rand/dekzerk minimaal 2,5m zijn. Bij toepassing van boombunkers kan de afstand verkleind worden tot minimaal 1,00m. Dit om te voorkomen dat het wortelpakket van de bomen schade toebrengen aan de kade, walmuur of beschoeiing. Bij houtachtige beplantingen dient een minimale afstand van 1m gehanteerd te worden om schade aan de kade, walmuur of beschoeiing, door het wortelpakket te voorkomen.
7.2.2 Sortiment
Op basis van jaren ervaring (best practice) is een Haarlemse lijst samengesteld van bomen die te gebruiken zijn als straat- en laanbomen, op pleinen, in bermen, wadi’s, natuurnetwerk en plantsoenen. De best practice is gebaseerd op ervaring met bomen die het qua groei, conditie, groeiomstandigheden, veiligheid en beheer goed doen in Haarlem. In de Haarlemse bomenlijst is een onderscheid gemaakt in bomen in de
Hoofdbomenstructuur en de bomen daarbuiten. Hanteer bij voorkeur autochtoon plantmateriaal. Inzet is om langs alle hoofdwegen grote bomen (1e orde) in een laanstructuur te realiseren: de hoofdbomenstructuur. Het is van groot belang dat bomen in de hoofdstructuur kunnen uitgroeien tot grote, volwassen exemplaren. Groeiomstandigheden spelen hierbij een cruciale rol. Hier dus geen standaard, minimaal gedimensioneerde boomspiegels toepassen maar ruime, groene boomkransen, of liever nog brede plantstroken inpassen en dimensioneren op basis van de beschikbare ruimte in het profiel. - Bijlage Haarlemse plantenlijst Soortkeuze Het mengen van soorten is belangrijk uit oogpunt van biodiversiteit en een robuust ziektebestendig bomenbestand. Mengen kan op verschillende manieren: individuele bomen om en om maar ook groepsgewijs of per straat. In de hoofdstructuur is eenduidigheid in het beeld en herkenbaarheid en leesbaarheid van de structuur belangrijk. Dus kies hier bij uitzondering een soort, of mix van soorten/ondersoorten die qua grootte en verschijningsvorm veel op elkaar lijken/bij elkaar passen om eenheid in het beeld te bewerkstelligen.
7.2.3 Boven- en ondergrondse groeiplaats
Hanteer de onderstaande details want alleen als alle details kloppen is er sprake van goede groeiomstandigheden: 1. Afwatering De afwatering moet op straatniveau bij voorkeur bij bomen in verharding
99
van de bomen af plaatsvinden zodat zich geen water verzameld ter plaatse van boomspiegels. Hiermee voorkomen we wateroverlast en zoutschade. Doorgaans worden bomen op trottoirniveau aangeplant en daar is afwatering naar de boomspiegel toe mogelijk en zelfs gewenst. 2. Ontwatering Het is belangrijk om te zorgen voor een goede ontwatering. Dat begint met aanwezigheid van een goed doorlatende (onder) grond van de groeiplaats. Wortels groeien niet in het grondwater maar blijven daar altijd vlak boven. Het gaat daarbij altijd om de reductiezone of gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De ontwatering is de afstand tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De gewenste afstand is 1 m. Op locaties waar de ontwatering minder is, moet gekeken worden naar boomsoort of technische oplossingen toe te passen zijn, zoals: profielverhoging en/ of grondwaterstand verlagende maatregelen zoals drainage. Er moet worden voorkomen dat grondwater stijgt tot in het grondsubstraat en daardoor in de wortelzone. Er moet er een buffer van minimaal 0,15m worden aangehouden tussen onderzijde van de grondverbetering en de reductiezone of GHG. Bij hoge grondwaterstanden of sterke fluctuaties moet drainagezand worden aangebracht ter plekke van de buffer. 3.
Doorwortelbaar volume Voor bomen in de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaats verbetering van 25-40 m3 doorwortelbaar volume, waarbij we streven naar de maximale hoeveelheid van 40 m3. Voor bomen buiten de Hoofdbomenstructuur geldt een groeiplaatsverbetering met >25 m3 doorwortelbaar volume. Als dit doorwortelbaar volume tijdens de uitvoering niet haalbaar blijkt te zijn, dan is het verplicht om contact op te nemen met een technisch adviseur groen van de gemeente. Immers, heeft een boom gemiddeld 0,5m3 doorwortelbaar volume per levensjaar nodig.
4. Beluchtingssysteem In principe wordt een beluchtingssysteem toegepast in verharde situaties onderin het grondsubstraat om het zuurstofpercentage op peil te houden. Het is belangrijk dat er voldoende verticale verbindingen zijn met het maaiveld om de ventilatie van het systeem te waarborgen. Als een beluchtingssysteem wordt toegepast, is het belangrijk dat de uiteinden van de buizen in de boomspiegel <10cm boven het maaiveld uitsteken en voorzien zijn van een eindkap. 5. Boomspiegel De vorm van boomspiegel is bij nieuwe aanleg vierkant in de basis 2x2m (minimaal 90x90cm). Bij bestaande bomen worden de volgende boomspiegelmaten aangehouden: • stamdiameter >ø35cm, boomspiegel 2x2m, minimaal 1,5 x 1,5m • stamdiameter >ø50cm, boomspiegel 2x2m, minimaal 1,8 x1,8m • stamdiameter >ø70cm, boomspiegel 2x2m. 6. Boombescherming Bomen dienen op veilige afstand van parkeervakken te staan. In risicovolle situaties wordt ter bescherming van bomen tussen parkeren vakken een boombeschermer aangebracht. Type: Boombeschermer gebogen uitvoering Kleur: RAL 7016 Materiaal: thermisch verzinkt staal, gepoedercoat Afmetingen: D=89mm, h = 1500mm Locatie: Ter bescherming bomen 7. Boomrooster In Haarlem worden alleen boomroosters toegepast in drukke (winkel) gebieden. Eventuele voostellen worden ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente.
100
8. Infiltratie- en watergeefvoorzieningen Een pas geplante boom heeft de eerste twee tot drie jaar water nodig in droge perioden. Infiltratiesystemen en systemen om water te geven verbeteren de vochtvoorziening bij standplaatsen. Er zijn verschillende systemen toepasbaar: • Het graven en opwerpen van een klein gronddijkje, aangebracht rond de plantkluit. • Gietranden (bio-based) van ca. 30cm hoogte die op de plantkluit wordt geplaatst en ca. 10cm wordt ingegraven. • Een infiltratieslang (bio-based) die vlak onder maaiveld rond de kluit wordt aangebracht. 9. Verankering Een nieuw aangeplante boom wordt verankerd. De ondergrondse verankering van bomen met drie boompalen- en boomband. Deze verankering dient minimaal vier jaar te functioneren, zodat de boom zelf voldoende verankerd is door middel van zijn stabilisatiewortels.
7.2.4 Groeiplaatsinrichting bomen
In Haarlem komen zes groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden. Dat zijn: 1. Bomen in open grasberm en plantvakken 2. Bomen in verharding; 3. Bomen in parkeervoorziening (belaste verharding); 4. Bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting; 5. Bomen in een wadi; 6. Bomen op civieltechnische constructie (parkeerdek o.i.d.).
De zes groeiplaatsprincipes zijn in de hierna uitgewerkt en zijn van toepassing bij elementenverharding (dus ook waterdoorlatende/passerende verharding). In beginsel worden bomen niet in een gesloten asfaltverharding en leemverharding geplant. Bomen in open grasberm en plantvakken • Ten bate van de bomen wordt bomengrond aangebracht met een organisch stofgehalte van 7-8%. Het creëren van een schrale toplaag met een organische stof gehalte van 4-5% garandeert een goede ontwikkeling van de bloemrijke grasvegetatie. • Indien voor de plantvakken een rijkere toplaag noodzakelijk is dan moet de humuscompost in de bovenste 40cm goed gemengd worden met bomengrond zodat een rijke toplaag ontstaat. • Wanneer nodig kan een wortelscherm of –folie worden aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening nabij de kluit wordt een biologisch afbreekbare beluchtingsbuis aangebracht. • Indien nodig een gronddijkje ten behoeve van watergeven. Bomen in verharding (onbelaste verharding); • Dit principe wordt toegepast bij bomen in trottoirs en voetgangersgebied waar verharding niet belast wordt door voertuigen. Ten bate van de bomen wordt bomengranulaat of bomenzand aangebracht e.e.a. is afhankelijk van de situatie en in overleg met de Technisch Adviseur Bomen en Technisch Adviseur Verhardingen.
• Wanneer nodig wordt een wortelscherm of – folie aangelegd om wortelgroei in rijweg en/of kabels- en leidingentracé te voorkomen. • Ten behoeve van optimale zuurstofvoorziening wordt een biologisch afbreekbaar beluchtingssysteem onder in het bomenzand aangebracht.