3. Bijlage 2: Bestemmingsplan Oostpoort blok 1F
Tekst van het document
daken, groene gevels en waterpleinen.
Uitsnede Bomenstructuurkaart Haarlem uit de Structuurvisie openbare ruimte 2040. Het plangebied is globaal geduid met een rode cirkel. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 (2010) geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Doel is te komen tot een gezond, veilig en goed onderhouden bomenbestand. Met het Bomenbeleidsplan zijn de hoofdbomenstructuur en de monumentale bomenlijst vastgesteld.
Uitsnede kaart beschermwaardige houtopstanden. Het plangebied i globaal geduid met een rode cirkel. Het watersysteem van Haarlem heeft een tweeledige functie. Enerzijds vervult het zichtbare water een belangrijke rol voor de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte. Uitgangspunt in de Structuurvisie Openbare Ruimte is deze bijdrage verder te versterken. Anderzijds is het watersysteem van groot belang 35
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
voor het watermanagement van Haarlem en regio. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan (2004) (geactualiseerd in 2014) is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem. Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten. Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend vermogen, een adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Als streefbeeld heeft de gemeente voor ogen een verbeterd waternetwerk dat uitgebreid is met nieuw water. Met het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het GRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar.
Er zijn vier doelstellingen voor het GRP van toepassing, te weten: Het doelmatig inzamelen van het afvalwater en het hemelwater; Het transporteren van het rioolwater naar een geschikt lozingspunt; Het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast; Het beperken van vervuiling door overstorten middels aanleg van randvoorzieningen (o.a. bergbezinkbassins) en afkoppelen. Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen). Indien verharding in een gebied toeneemt zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan (VGRP) is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (inclusief grondwaterbeheer) en de visie op riolering (en grondwater) voor de langere termijn worden beschreven. Met het VGRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen.
Door het opstellen van het VGRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. Omdat de riolering veel samenhang heeft met rioolwaterzuiveringen en oppervlaktewater, bijvoorbeeld door overstorten, is ook het Hoogheemraadschap van Rijnland betrokken bij het opstellen van het VGRP. Beoordeling 36
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Het plangebied is geen onderdeel van de stedelijke hoofdgroenstructuur of de groenstructuur op wijkniveau. Binnen het plangebied komen eveneens geen monumentale bomen voor. Voor een nadere uitwerking van het aspect 'Water' wordt verwezen naar paragraaf 5.14. Het parkeren voor de nieuwe woningen zal ondergronds of in een inpandige parkeergarage plaatsvinden. Er blijft voldoende ruimte over binnen het plangebied voor een groene invulling daarvan. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan behoudenswaardige groenstructuren. Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan onderscheidde behoudenswaardige groenstructuren.
4.5.6 Ecologie Toetsingskader De Haarlemse de ecologische structuur bestaat vooral uit losse waardevolle plekken en routes. Waardevolle plekken zijn plekken van minimaal één hectare, en waar minimaal vijf bijzondere soorten planten en dieren voorkomen. Ecologie is overal, niet alleen op de groene plekken. Ecologie heeft betrekking op de relaties tussen soorten planten en dieren onderling, relaties met hun omgeving inclusief menselijke activiteiten en de ontwikkeling daarvan in tijd. Vanuit ecologisch oogpunt ligt Haarlem op een bijzondere locatie vanwege de drie verschillende ondergronden: open strandvlakte met land en tuinbouwgrond, strandwal met bebouwing, veenweidegebied. De stad met zijn bebouwing biedt een milieu voor kenmerkende soorten; planten en dieren die specifiek zijn voor het stenige milieu en waarvan sommige oorspronkelijk rotsbewoners zijn, bijvoorbeeld muurvarens, gierzwaluwen, enkele vleermuissoorten en allerlei insecten. Daarnaast is er ook veel waardevol groen net buiten de gemeentegrenzen. De inrichting en beheer van plekken en routes worden niet alleen afgestemd op de menselijke functies van het gebied, maar ook op de leefvoorwaarden voor flora en fauna. Als zich kansen voordoen voor het verbeteren van een al aanwezige ecologische kwaliteit, worden deze benut. Dat geldt ook voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
En bij de bouw van bijvoorbeeld bruggen en duikers kunnen faunatunnels worden aangelegd. Ecologisch waardevolle gebieden worden beschermd en behouden. Belangrijke bestaande ecologische elementen en structuren, zoals bermen en watergangen, maar ook sommige gebouwen, worden in stand gehouden ter wille van planten en dieren. Verlichting werkt verstorend voor de fauna. Dat is een reden om op deze plekken steeds een afweging te maken of verlichting wordt geplaatst. Bij de flora sluit de begroeiing altijd aan op de plaatselijke omstandigheden, zoals
37
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
grondsoort, waterstand, voedselrijkdom en verkeerssituatie. Vooral zonnige plekken waar bloemrijke kruiden groeien, zijn zeer waardevol voor de ecologie in de stad.
Uitsnede Ecologische kaart Haarlem uit de Structuurvisie openbare ruimte 2040. Het plangebied is globaal geduid met een rode cirkel. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving zijn, gelet op ecologische kaart van de Structuurvisie Openbare ruimte geen ecologisch waardevolle elementen aanwezig. Wel is het plangebied aangewezen als groenstructuur. In het voorliggende bestemmingsplan is daar rekening mee gehouden door een maximum aan woningen op te nemen, waardoor ruimte blijft bestaan voor een groene invulling. Ten aanzien van het aspect ecologie wordt tevens verwezen naar paragraaf 5.11, waarin de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in het kader van de Wet natuurbescherming is onderzocht. Conclusie Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving zijn, gelet op ecologische kaart van de Structuurvisie Openbare ruimte geen ecologisch waardevolle elementen aanwezig.
4.5.7 Duurzaamheid en energie Toetsingskader Haarlem wil een toekomstbestendige stad zijn en deze goed achterlaten voor de volgende generaties. Dit betekent dat de stad in 2040 circulair en aardgasvrij wil zijn en dat de openbare ruimte in 2050 klimaatbestendig is ingericht. Daarvoor is het van belang duurzaamheid te verankeren in al het doen en laten van de gemeente. Hiervoor heeft het college van burgemeester en wethouders op 25 februari 2020 de richtlijn Duurzaam Bouwen vastgesteld. De 38
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
richtlijn bevat geen nieuw beleid, maar verenigt bestaand beleid op verschillende duurzaamheidsthema’s. Het Haarlems beleid ten aanzien van duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Als meetinstrument wordt de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR) gehanteerd. De GPR is het resultaat van praktijkervaringen in de gemeente Tilburg en 80 andere gemeenten. Met het rekeninstrument kunnen projecteigenaren zelf een alternatief maatregelenpakket samenstellen. GPR Gebouw zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. De gemeente Haarlem heeft een richtlijn duurzaam bouwen opgesteld die als minimale eis geld voor deze ontwikkeling. In de richtlijn is het Haarlemse duurzaamheidsbeleid vertaald naar concrete uitgangspunten, onderverdeeld in 5 verschillende thema's: Energie en warmte; Klimaatadaptatie; Groen en Ecologie; Circulariteit; Mobiliteit. Energie en warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld.
Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2020 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden 39
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma). Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. Deze eisen zijn ook opgenomen in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Haarlem.
De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m² moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie 40
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018.
De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018). Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8. Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0).
41
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020). Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren.
Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt 42
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen). Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW ,publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving.
Beoordeling Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Het uitgangspunt van de ontwikkeling is dat woningen energieneutraal, gasloos en onderhoudsarm worden geproduceerd. De ambitie van dit plan is om zoveel mogelijk duurzame systemen in de woningen te implementeren en zo klimaat bestendig te bouwen. Daarbij kan worden gedacht aan een warmtepompsysteem, ventilatiesysteem en zonnepanelen. Een warmtepomp verwarmt de woningen en zorgt voor warm water om te douchen. Een door CO² sensoren gestuurde ventilatie meet hoeveel lucht er moet worden aan- en afgevoerd. Door dit slimme systeem gaat er nauwelijks energie verloren aan het verwarmen van overtollige lucht. De energiemonitor geeft continu aan hoeveel energie er verbruikt én opgewekt wordt. Daken kunnen worden bekleed met zonnepanelen waarmee eigen energie wordt opwekt. Dankzij deze maatregelen hebben bewoners die bewust met energie omgaan nauwelijks energiekosten meer.
43
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Conclusie Het plan houdt rekening met duurzaamheid en voldoet aan de geldende duurzaamheidsnormen.
44
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 5.1
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan.
5.2
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
45
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Richtafstanden bedrijven en milieuzonering De bovengenoemde richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Voor gemengde gebieden waar wonen en werken samengaan, is gekozen voor een andere categorie aanduiding, namelijk 'functiemengingsgebieden'. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden uit de VNG-handreiking zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Beoordeling Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. Het plangebied ligt immers nabij het stationsgebied, langs de doorgaande weg Camera Obscuraweg en ten oosten van een gemengde bestemming met meerdere (bedrijfs)functies. Naast woonfuncties komen in de directe omgeving derhalve ook andere functies voor. Richtafstanden kunnen daarmee met één afstandtrap worden verlaagd.
Direct ten westen en noordwesten van het plangebied komen diverse gemengde bestemmingen voor. Deze gemengde bestemmingen hebben tot doel een functiemenging van wonen en werken mogelijk te maken. Binnen deze bestemming zijn categorie A en B bedrijven uit de lijst functiemenging uit de VNG-brochure toegestaan. Aldus is het plangebied gelegen in een functiemengingsgebied. Bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie B passen binnen een woonomgeving, omdat zij niet conflicteren met de woonsituatie. Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een aanpandige situatie, wordt er voldaan aan de voorwaarde van de categorie A en B bedrijven. In de feitelijke situatie zijn er binnen de omliggende gemengde bestemmingen
46
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
enkel kantoorgebouwen aanwezig. Een kantoorgebouw is aan te merken als bedrijvigheid uit milieucategorie 1, waarvoor in een gemengd gebied de richtafstand 0 meter bedraagt. Daarmee is eveneens geen sprake van een overschrijding van de richtafstand tussen de nieuwe woningen en de bestaande bedrijvigheid. Bovendien is in het vigerende bestemmingsplan reeds een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het plangebied ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen. Daarmee is ten tijde van het vaststellen van het vigerende bestemmingsplan reeds overwogen dat een woonfunctie binnen het plangebied verenigbaar is met bestaande omliggende bedrijfsactiviteiten. Als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan worden derhalve geen bedrijven in hun bedrijfsvoering beperkt. Omdat in de feitelijke situatie ook kan worden voldaan aan de richtafstand, is een goed woon- en leefklimaat vanwege bedrijvigheid binnen het plangebied gewaarborgd. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat de nieuwe woningen over een hoogwaardige geluidwering beschikken vanwege de eisen voor met name thermische isolatie die in de laatste jaren zijn aangescherpt. Het plangebied ligt tot slot niet binnen een geluidzone zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een acceptabel woon- en leefklimaat verzekerd.
Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
5.3
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling 47
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Haarlemse bodemkwaliteitskaart vastgesteld (zie onderstaande afbeeldingen). In de Haarlemse bodemkwaliteitskaart worden acht bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Zeven zones zijn op de kaart zichtbaar als geografische eenheden. Zone 8 heeft betrekking op openbare gebieden. Het bestaansrecht van zone 8 bestaat in het feit dat ter plaatse van wegen en openbare ruimte een afwijkende kwaliteit wordt aangetoond dan de kwaliteit van het omliggende gebied. Het oppervlak van de bovengrond en ondergrond van deze zone verschillen van elkaar. Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszones 5 en 8.
Zones bovengrond.
48
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Zones ondergrond. Bodemkwaliteitszone 5 In deze bodemkwaliteitszone is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met lood, PCB en PAK. Plaatselijk komen lichte verontreinigingen voor met cadmium, koper, kwik, nikkel, zink en minerale olie. In de ondergrond komen plaatselijk lichte verontreinigingen voor met kobalt, koper, kwik, lood, nikkel, zink, PCB, PAK en minerale olie. Bodemkwaliteitszone 8 In deze bodemkwaliteitszone is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PCB en PAK (teerachtige verbindingen in bijvoorbeeld koolas). Plaatselijk komen matige verontreinigingen voor met lood en zink en lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, koper en minerale olie. 49
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
De ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) is gemiddeld licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink en PAK. In de ondergrond komen plaatselijk sterke verontreinigingen voor met koper en lood en matige verontreiniging met zink. Arseen, cadmium, kobalt, nikkel, PCB en minerale olie komen plaatselijk als lichte verontreiniging voor. In onderstaande tabellen zijn de gemiddelden en de P95-waarden van bodemkwaliteitszones 5 en 8 gegeven.
Grondverzet De gemeente Haarlem heeft voor haar beheergebied gebieds-specifiek beleid vastgesteld (Nota bodembeheer 5-9-2013, BBV nr.: STZ/MIL 2013/232071). Voor het toepassen van grond in bodemkwaliteitszone 5 en 8 zijn Lokale
50
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Maximale Waarden vastgesteld. In de onderstaande tabellen zijn de Lokale Maximale waarden voor bodemkwaliteitszones 5 en 8 weergegeven.
Op basis van de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet op de locatie of binnen de bodemkwaliteitszone 5 toegestaan, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Toepassen van de ondergrond en bovengrond uit bodemkwaliteitszone 5 in andere bodemkwaliteitszones is op basis van de bodemkwaliteitskaart zonder partijkeuring mogelijk, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Op basis van de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet op de locatie of binnen de bodemkwaliteitszone 8 (wegen/civiel) toegestaan, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Voor het in andere bodemkwaliteitszones toepassen van grond uit bodemkwaliteitszone 8 51
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
(wegen/civiel) is een partijkeuring nodig. Bodemenergieplan Het plangebied ligt binnen de grenzen van het Bodemenergieplan Waarderpolder en Oostradiaal (opgesteld in opdracht van de gemeente Haarlem door IF Technology, kenmerk 60513/SB/2014050, rapportage van 29 april 2016). Dit plan bevat de randvoorwaarden voor de aanleg van bodemenergiesystemen. Hierin zijn zones aangewezen voor warme, respectievelijk koude bronnen van open energiesystemen. Dit om ongewenste interferentie te voorkomen. Ook is het gebied waar dit bodemenergieplan van kracht is aangewezen als interferentiegebied voor gesloten bodemenergiesystemen. Dit houdt in dat voor gesloten systemen altijd een vergunning moet worden verkregen. Voor het gehele plangebied geldt, dat de toepassing van gesloten systemen in principe alleen is toegestaan in het eerste watervoerende pakket en de eerste scheidende laag (tot een maximale diepte van 80 m-mv). Voor de toepassing van gesloten systemen zijn beleidsregels opgesteld door de gemeente Haarlem. Een van de beleidsregels is dat gesloten systemen niet zijn toegestaan in het openbaar gebied. Bodemonderzoeken/bekende verontreinigingen Binnen Oostpoort zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bodemkwaliteit grotendeels is zoals op basis van de bodemkwaliteitskaart te verwachten is voor dit deel van de stad.
De bodem bevat over het algemeen hooguit lichte verontreinigingen die geen belemmering zijn voor normaal gebruik van de bodem. Hier zijn enkele uitzonderingen op: Amsterdamsevaart/Fly-over Keggeviaduct: ter plaatse van de noordelijke berm en de aan te leggen pijler is in 2009 de matig humeuze toplaag (tot 0,2 à 0,4 m-mv) licht tot sterk verontreinigd met PAK en matig tot sterk verontreinigd met koper, lood en zink. Bij de reconstructie van de Amsterdamsevaart/A200 is in 2011 een grondsanering uitgevoerd van de verontreiniging met zware metalen en PAK door afgraven en vervolgens aanbrengen leeflaag. Diepte 0,30 m, oppervlak 2552 m2. Binnen de ontgraving is ca. 350 m3 niet verontreinigd zand vrijgekomen en onder het viaduct in het wegcunet herschikt. In de ondergrond langs de spoorsloot ten noorden spoor: in 2001 is onderzoek gedaan langs de spoorsloot ten noorden van de spoorweg. Langs de spoorsloten is de bovengrond matig tot ernstig verontreinigd met cadmium. Ook op het Woudplein is 2008 lokaal sterke verontreiniging met cadmium aangetroffen. Langs de sloot is bij één boring op een diepte van 2,5-3,0 m-mv cadmium aangetoond in een gehalte boven de interventiewaarde. In de monsters van 2,0-2,5 m-mv en van 3,0-3,5 m-mv is daar geen verontreiniging met cadmium aangetoond.
Ook in de (meng)monsters van de omliggende boringen is geen of een lichte verontreiniging met cadmium aangetoond. De sterke verontreiniging met cadmium beperkt zich tot de directe omgeving van één boring langs de 52
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
spoorsloot en tot de bodemlaag van 2,5 - 3,0 m-mv. Direct grenzend aan de spoorsloot komen dus op enkele plekken sterke verontreiniging met cadmium voor die deels is afgedekt met ophoogzand. Van de locatie zijn verder geen ondergrondse brandstoftanks of andere bodembedreigende activiteiten bekend. Resumé Op basis van de historie van het terrein en de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de locatie grotendeels voldoet aan de verwachting o.b.v. de bodemkwaliteitskaart. Plaatselijk komen binnen Oostpoort sterke verontreinigingen voor. Deze verontreinigingen zijn geen belemmering voor het huidige of toekomstige gebruik. In het kader van de omgevingsvergunning moet een technisch bodemonderzoek worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Uit het onderzoek kan naar voren komen dat plaatselijk verontreiniging voorkomen die niet gewenst zijn binnen het gebied en een risico vormen voor een gebruiksfunctie. In samenloop met het realiseren van de gebruiksfunctie zal dan een sanering worden uitgevoerd. Conclusie De bodem is redelijkerwijs geschikt voor de beoogde functie.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de 'circulaire effectafstanden LPG-tankstations' relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG-tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. 53
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Beoordeling Door Antea Group is een rapportage externe veiligheid uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze toelichting. Dit onderzoek heeft betrekking op de gehele ontwikkeling van Oostpoort, waarvan onderhavig plangebied onderdeel uitmaakt. Het onderhavige plangebied is echter velen malen kleiner dan geheel Oostpoort. Ook maakt het onderhavige bestemmingsplan velen malen minder woningen mogelijk dan zoals het uitgangspunt is geweest in het onderzoek voor geheel Oostpoort. De resultaten van het onderzoek kunnen daarom voor onderhavige ontwikkeling als worst-case worden beschouwd. Met behulp van de signaleringskaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in navolgende afbeelding is de ligging van relevante inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Overz icht Oostpoort en risicobronnen. Bron: risicokaart, PDOK, EV-signaleringskaart. Op basis van de risicokaart en de EV-signaleringskaart zijn de volgende risicobronnen mogelijk van invloed op het plangebied: 1. Rijksweg A200/N200 2. Hogedruk aardgastransportleiding W-532-01 3. Teva Pharmachemie B.V. 4. Connexxion Holding NV 5. Zandbergen en zn. vleeswaren BV 6. Edilon sedra bv De bronnen 3 tot en met 6 zijn bedrijven waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn 54
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
of toxische verbrandingsproducten kunnen ontstaan. Er is echter geen sprake van een overlapping van een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied met het plangebied. De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmeringen voor de planvorming uit het oogpunt van externe veiligheid.
Plaatsgebonden risicocontour (stippellijn) en invloedsgebied (groene cirkel). De rijksweg A200/N200 is opgenomen in de Regeling basisnet en het invloedsgebied reikt tot binnen het plangebied. Deze risicobron wordt nader beschouwd in paragraaf 5.4.2. De hogedruk aardgastransportleiding is gelegen nabij het plangebied en wordt nader beschouwd in paragraaf 5.4.3. Op circa 510 meter ten oosten van het plangebied is een LPG-tankstation aanwezig. Gelet op deze afstand wordt voldaan aan de effectafstand van 60 meter tussen een LPG-tankstation en een (beperkt) kwetsbaar object. Voor het plaatsgebonden risico gelden op grond van artikel 5, lid 3 Bevi jo. artikel 2 Revi vaste afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit betreft in onderhavig geval een contour van 40 meter tot het LPG-vulpunt, 25 meter tot het LPG-reservoir en 15 meter tot de LPG-afleverinstallatie. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren, derhalve is het plaatsgebonden risico niet van invloed op onderhavig initiatief. Het groepsrisico wordt niet bepaald aan de hand van vaste contouren. De noodzaak tot verantwoording van het groepsrisico wordt bepaald aan de hand van de vraag of de toevoeging van (beperkt) kwetsbare objecten is gelegen binnen het invloedsgebied van de inrichting. Voor LPG-tankstations geldt een invloedsgebied van 150 meter, gerekend vanaf het LPG-vulpunt en LPG-reservoir.
Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied van het LPG-tankstation. De ligging van het tankstation stelt derhalve nu en in de 55
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
toekomst geen beperkingen aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.4.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Door Antea Group is een rapportage externe veiligheid uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze toelichting. Dit onderzoek heeft betrekking op de gehele ontwikkeling van Oostpoort, waarvan onderhavig plangebied onderdeel uitmaakt.
Uit de rapportage volgt dat de A200/N200 zich bevindt aan de oostkant van het plangebied en dat deze is opgenomen in het basisnet (wegvak N96). Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van deze transportroute. Om het risiconiveau van deze Rijksweg te bepalen is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin is aangegeven dat op de A200/N200 er ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Plasbrandaandachtsgebied Voor de A200/N200 geldt conform de Regeling basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Deze overlapt niet met het plangebied.
56
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Groepsrisico Het groepsrisico voor de A200/N200 is berekend voor de huidige (vigerende situatie) en de toekomstige situatie voor de Oostpoort (inclusief voorgenomen ontwikkeling). Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico van de A200/N200 toeneemt als gevolg van de ontwikkeling van de Oostpoort en dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatie waarde blijft. De overschrijdingsfactor voor de toekomstige situatie bedraagt 0.00093 (minder dan 10% van de oriëntatiewaarde). Gezien de hoogte van het groepsrisico kan op grond van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze beperkte verantwoording is opgenomen in de rapportage externe veiligheid. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.4.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten.
Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Door Antea Group is een rapportage externe veiligheid uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze toelichting. Dit onderzoek heeft betrekking op de gehele ontwikkeling van Oostpoort, waarvan onderhavig plangebied onderdeel uitmaakt. Uit de rapportage volgt dat ten westen van het plangebied twee hogedruk aardgastransportleidingen zijn gelegen. Met het rekenprogramma Carola is het invloedsgebied bepaald. Er wordt geen 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour berekend. Het invloedsgebied reikt niet tot binnen het plangebied. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Wegverkeerslawaai Toetsingskader
57
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkingsof wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meters aan weerszijden van de weg 350 m 600 m 350 m 400 m 200 m 250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling en conclusie Het onderhavige planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen. Deze woningen liggen binnen de onderzoekszone van de Amsterdamsevaart, Robertus Nurksweg, Diakenhuisweg en de Camera Obscuraweg. Het plangebied valt ook binnen de geluidzone van het noordelijk liggend spoor. Omdat middels onderhavig initiatief ter plaatse nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 2 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek volgt dat ten aanzien van de Robertus Nurksweg voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Amsterdamsevaart bedraagt ten hoogste 57 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Camera Obscuraweg bedraagt ten hoogste 55 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Diakenhuisweg bedraagt ten hoogste 54 dB. Voor deze wegen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt echter niet overschreden.
De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer bedraagt ten hoogste 61 dB, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 55 dB eveneens wordt overschreden. De hoogst 58
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
toelaatbare geluidbelasting van 68 dB wordt echter niet overschreden. Aangezien de voorkeursgrenswaarde vanwege de spoorweg en diverse wegen wordt overschreden, dient te worden onderzocht of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Hierbij is gekeken naar bron- en overdrachtsmaatregelen. Het treffen van maatregelen blijkt echter niet doelmatig te zijn. Daarom dient voor bovengenoemde (spoor)wegen een hogere waarde te worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Het besluit hogere waarden is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is tevens inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geluidsbelasting van ten hoogste 64 dB, hetgeen als acceptabel wordt geacht. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor ‘bouwen’ is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels. De binnenwaarde van de woningen zal daardoor aan de wettelijke eisen voldoen. Daarmee is een binnenniveau van maximaal 33 dB gewaarborgd. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB respectievelijk 55 dB wordt overschreden. Hierdoor is een hogere waarde noodzakelijk.
Weg- en spoorverkeerslawaai staat het planvoornemen niet in de weg.
5.6
Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C 6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald 59
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
(overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Camera Obscuraweg en de Rijksweg A200.
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze wegen onder de grenswaarden lagen (< 35 µg/m3). Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarmee kan 60
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
5.7
Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Holland In de provincie Noord-Holland dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Uitsnede Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie. Het plangebied is geduid met een rode contour. Beoordeling Op basis van de provinciale Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie maakt het plangebied deel uit van een inundatiegebied. Een inundatiegebied is een gebied dat ten behoeve van de verdediging onder enkele decimeters water kon worden gezet. Het onder water zetten van het land, bijvoorbeeld door een dijk 61
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
door te steken, was eeuwenlang een veel toegepaste tactiek in tijden van oorlog. Het doel was een onbegaanbaar en onbevaarbaar terrein te creëren om de vijand tegen te houden. Het inundatiegebied bestrijkt een groot deel van het oostelijk grondgebied van Haarlem. Voor dit gebied geldt geen concreet beleidsadvies. Het plangebied ligt voorts op de rand van het schootsveld van Fort bij de Liebrug. Het schootsveld duidt het gebied dat door de artillerie van een fort of vestingwerk wordt bestreken. Dit schootsveld wordt met name in de omgeving van sommige historische vestingsteden in ere gehouden, teneinde de oorspronkelijke situatie te behouden. Het plangebied ligt slechts in zeer beperkte mate binnen het schootsveld. Nieuwe bebouwing binnen het plangebied stelt daarmee geen onevenredige beperkingen aan de belevingswaarde van het schootsveld of het bijbehorend fort.
Uitsnede kaart 6: Cultureel Erfgoed van de Omgevingsverordening NH2020. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022. Het plangebied ligt tot slot nabij een gebied aangeduid als erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het betreft hier de Stelling van Amsterdam, ten oosten van het plangebied. Onderscheidde kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam zijn: 1. het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: a. een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; b. sluizen en voor- en achterkanalen; c. de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; d. inundatiegebieden; e. voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); f. de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. relatief grote openheid; 3. groene en relatief stille ring rond Amsterdam. 62
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Hoewel het plangebied niet ligt binnen de begrenzing van de Stelling van Amsterdam, is het desondanks van belang dat het planvoornemen de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet aantasten. De visuele integriteit van de Stelling van Amsterdam dient aldus behouden te blijven. Bij visuele integriteit gaat het o.a. om de hoogtes en volumes van de nieuwe bouwmassa. In 2019 en 2022 is er tussen de gemeente en de provincie ten aanzien van effecten op de Stelling van Amsterdam vanwege de ontwikkeling van de Oostpoort overleg geweest en heeft de provincie ook een inspraakreactie op de visie voor Oostpoort gegeven. Specifiek voor het onderhavige plangebied is in dat overleg beoordeeld en afgestemd dat een maximale bouwhoogte van 30 meter binnen het plangebied kan worden aangehouden zonder dat de beoogde bebouwing een significant effect op de Stelling van Amsterdam heeft. Het onderhavige planvoornemen overschrijdt deze bouwhoogte niet. Voor het overige is geen sprake van enige cultuurhistorische waarden binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
5.8
Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
63
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (vastgesteld)
Archeologische Beleidskaart Haarlem (ABH). Het plangebied is geduid met een rode contour. Beoordeling Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlem is het plangebied geheel gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 4. Ter plaatse van categorie 4 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. De beleidsmatige vertaling heeft in het vigerende bestemmingsplan plaatsgevonden door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' aan de gronden binnen het plangebied. De drempelwaarden voor archeologisch onderzoek zullen vanwege het voorliggende woningbouwplan mogelijk worden overschreden. Dit zal beoordeeld worden op het moment dat een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend. Indien de drempelwaarden overschreden worden, zal eerst archeologisch onderzoek plaatsvinden om zodoende verlies van eventuele archeologische waarden te voorkomen. De vigerende archeologische dubbelbestemming wordt om deze reden bestendigd met het onderhavige bestemmingsplan. Conclusie De vigerende archeologische dubbelbestemming wordt overgenomen.